Bijlage 4 - Rapport deel 1 Een archeologische inventarisatiekaart
Tekst van het document
komgebied is een onbekende verwachting meegegeven: daar waar deze landschappelijke fenomenen (als stroomgordels, crevasses en rivierduinen) in het komgebied verscholen zijn, geldt immers de daaraan gerelateerde verwachting voor bewoning en begraving. Voor zones waarvan vastgesteld is dat slechts sprake is van een komgebied kunnen resten van economie worden verwacht. Archeologische waarden -
Oude woongronden: Oude woongronden kenmerken zich door de aanwezigheid van een (dik) humeus dek waarin archeologische resten aanwezig zijn. Bij het a antreffen van een oude woongrond staat in elk geval vast dat bewoning op de locatie heeft plaatsgevonden , ook al is de periode waarin (nog) niet altijd bekend. Op gedetailleerde bodemkaarten zijn oude woongronden veelal aangeduid. Dit geldt ook voor dergel ijke kaarten die beschikbaar zijn voor de gemeente Vijfheerenlanden. Binnen de zones met oude woongronden zijn resten van bewoning, begraving en (in mindere mate) economie en infrastructuur te verwachten vanaf de periode van de late landbouwers.
De verschillende vindplaatstypen kunnen voor deze periode als volgt worden omschreven: -
Bewoning: Nederzettingen uit de bronstijd bestaan in het Rivierengebied in de regel uit één enkel boerenerf bestaande uit een relatief grote drieschepige woonstalboerderij met enkele spiekers en veelal middels palissade en/of greppel omheind. Een nieuwe boerderij kon op hetzelfde erf worden opgetrokken of op een nieuw erf in de nabijheid, waarbij overigens de oude woonplaats na een aantal generaties weer in gebruik kon worden gen omen. Een grote vindplaats uit deze periode is in de gemeente Vijfheerenland en opgegraven bij Zijderveld. De meeste nederzettingen zijn inmiddels te vinden op stroomruggen, zoals de Zij derveld stroomrug. Pas in de loop van de ijzertijd en met name in de Ro meinse tijd was sprake van meer geclusterde nederzettingen, waarbij het aantal gelijktijdige erven overigens zelden meer dan vijf bedroeg. Ook in deze perioden gaat het om woonstalboerderijen, gemiddeld genomen, met name gedurende de ijzertijd, kleinere exemplaren dan die uit de bronstijd.
-
Begraving: Waar op de zandgronden (grote) grafheuvels voorkomen en in de loop van de ijzertijd een clustering van (veelal kleinere) grafheuvels tot grote grafvelden (urnenvelden), zijn daarvoor in het Rivierengebied tot dusver weinig aanwijzingen.
-
Economie: Vindplaatsen die we specifiek als ‘economisch’ aanduiden zijn ook deze periode niet echt aan te wijzen. Zoals voor de periode van de vroege landouwsamenlevingen al aangegeven, is met de komst van veeteelt wel te verwachten dat de laag gelegen komgebieden steeds meer, hoewel altijd nog extensief, zijn benut voor bijvoorbeeld het weiden van vee en het verzamelen van hooi en riet. Dit soort activiteiten zullen echter weinig archeologische sporen hebben nagelaten, maar voor in elk geval de Romeinse tijd is bekend dat (verkavelings)greppels niet zelden tot in de komgebieden doorliepen.
-
Infrastructuur: Specifieke, aan infrastructuur te relateren resten (van vindplaatsen kunnen we niet echt spreken) zijn ook voor deze periode vooral te verwachten in restgeulen, die voor
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[25]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
transport over water zullen zijn benut, en kunnen met name bestaan uit resten van houten vaartuigen. -
Verdediging: Niet te verwachten uit de periode.
3.5 Staatssamenlevingen (kaart 4) Per geomorfogenetische eenheid is een archeologische verwachting voor de periode staatssamenlevingen opgesteld. Het betreft de periode vanaf de vroege middeleeuwen D tot heden (900 na Chr. - heden). -
Rivierduinen: Op de dagzomende rivierduinen geldt een verwachting voor bewoning, begraven, infrastructuur en economie. Echter, na de bedijking (12/13 e eeuw) neemt de noodzaak om in hoger gelegen zones van het landschap te wonen af. Veel rivierduinen die reeds voor de bedijking bewoond waren, blijven dat ook na de bedijking, maar onbe woonde rivierduinen blijven ook in de navolgende eeuwen veelal onbewoond en zijn dan vooral agrarisch in gebruik. Hierbij zijn resten van infrastructuur te verwachten (watergangen, wegen, verkaveling).
-
Stroomgordels en crevasses: Aan het begin van de periode vond bewoning vooral plaats op de hogere delen van het landschap, de oeverwallen van de actieve stroomgordels de Lek en Linge; daarnaast ook langs enkele crevasses of veenstromen. Naast een verwachting voor bewoning geldt in deze gebieden ook een verwachting voor begraven, infrastructuur en economie. Na de bedijking concentreert de bewoning steeds meer langs ontginningsassen en dorpen waarvan de ligging geen/nauwelijks relatie hebben tot de landschappelijke ondergrond.
-
Restgeulen: In de geulen van de actieve rivieren als de Lek en Linge kunnen archeologische resten worden verwacht die een relatie hebben tot watergerelateerde infrastructuur en economie. Een dergelijke verwachting geldt eveneens voor de haven van Vianen.
-
Komgebieden: Het komgebied was met name agrarisch in gebruik. Hierbij zijn de percelen veelal gescheiden door watergangen. In het komgebied geldt dan ook een verwachting voor infrastructuur en economie.
-
Uiterwaard van de Lek: De uiterwaard van de lek betreft een gebied dat sinds de bedijking in de 12 e /13 e eeuw buitendijks lag en derhalve regelmatig onder water kwam te staan. Bewoning vond niet plaats in de uiterwaard. Wel geldt voor dit gebied een verwachti ng voor economie: Het gebied in gebruik voor economische activiteiten, zoals de 19 e en 20 e eeuwse steenfabrieken en veldoven. Ook infrastructuur kunnen we in dit gebied verwachten. Er is sprake van kades en zomerdijken en op diverse plaatsen zijn veerstoepen te verwachten.
Archeologische waarden Op basis van bronnen als historische kaarten, gedetailleerde bodemkaarten, AHN en bekende vondstlocaties kunnen een aantal zones worden aangeduid met een archeologische waarde. Zo staat
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[26]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
vast dat ter plaatse van historische kernen archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn. Ditzelfde geld ook voor bijvoorbeeld kasteelterreinen, woonheuvels, eendenkooien, historische rivierdijken en windmolens. In tabel 3 worden dergelijke zones n ader benoemd.
eenheid
periode
vindplaatstypen
oude woongronden
staatssamenlevingen
bewoning, begraving, economie, infrastructuur
historische kernen
staatssamenlevingen
bewoning, begraving, economie, infrastructuur
woonheuvels
staatssamenlevingen
bewoning, economie, infrastructuur
bewoningslinten
staatssamenlevingen
bewoning, economie, infrastructuur
percelen rond historische
staatssamenlevingen
bewoning, economie
kasteelterreinen
staatssamenlevingen
bewoning, economie, verdediging
(water)molens
staatssamenlevingen
bewoning, economie
eendenkooien
staatssamenlevingen
economie
historische rivierdijken
staatssamenlevingen
bewoning, economie, infrastructuur
WOII-elementen
specifiek WOII
verdediging
bebouwing
Tabel 3. Archeologische waarden met vindplaatstypen.
De verschillende vindplaatstypen kunnen voor deze periode als volgt worden omschreven : -
Bewoning: Naast de historische kernen (Vianen, Hagestein, Lexmond, Schoonrewoerd, Ameide, Leerdam, Meerkerk) concentreerde vanaf de 12 e eeuw de bewoning zich langs de zogenaamde ontginningslinten, dikwijls in samenhang met een wetering of kade. Tussen deze bewoningslinten vinden we dan vaak een tussenwetering. Met uitzondering van bewoning langs de Lek(dijk) en Linge(dijk) is er hierbij nauwelijks meer sprake van een correlatie van bewoning en in de ondergrond aanwezige stroomgordels en crevasses. Het merendeel van de oudste bewoning langs de ontginningsassen vindt zijn oorsprong op woonheuvels.
-
Begraving: In de regel vonden begravingen plaats rondom de kerken (en tot circa 1850 in de kerken) in de diverse historische kernen.
-
Economie: Verspreid over het landschap kunnen we in deze periode voor het eerst vindplaatsen tegenkomen die specifiek een economische functie kennen, met name in de vorm van molens, zowel poldermolens als koren-, zaag- en oliemolens, en eendenkooien. En waar we in voorgaande perioden al zagen dat de komgebieden steeds meer als economische ‘vindplaats’ een bescheiden rol opeisten, vindt dat met de ontginning van de uitgestrekte
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[27]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
komgebieden op zeer grote schaal plaats, met een uitgebreid systeem van verkavelingssloten als tastbare – en voor een groot deel ook thans nog aanwezige – sporen hiervan. -
Infrastructuur: Transport vond plaats langs de ontginningsassen, zowel landtransport over de dijken en kades als kleine scheepvaart over de weteringen, waarbij zowel de gegraven vaarwegen zelf als de hierin nog aanwezige scheepsresten, steigers, kades, bruggen e.d. als archeologische relicten kunnen worden beschouwd. Uiteraard deden wat scheepvaart betreft en daaraan te relateren resten betreft vooral ook de Lek en de Linge mee. Tot infrastructuur kan ook veerverbinding tussen Vianen en IJsselstein het mogelijke havenareaal in de Lek bij Vianen worden gerekend.
-
Verdediging: Uit de late middeleeuwen en vroege nieuwe tijd zijn er binnen de gemeentegrenzen een aantal kasteelterreinen bekend (zoals Hagestein, Oosterwijk). Daarnaast is er nabij Hagestein, aan de Vogelenzangseweg en de Autenasekade, een terrein bekend waar een kasteelterrein wordt vermoed, met name gebaseerd op de topografische situatie op het minuutplan ca. 1832 (maar ook recentere topografische kaarten) en een 19 e eeuwse vondstmelding. 9 Dit terrein is als vermoedelijk kasteelterrein op de kaart Staatssamenlevingen opgenomen als onderdeel van de kaartlayer ‘Gegevens kadastrale minuutplannen ca. 1832’. Langs de Diefdijk, die de oostgrens van de gemeente vormt, zijn resten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie aanwezig in de vorm van de Diefdijk zelf, fort Everdingen, maar ook diverse al dan niet nog aanwezige kazematten, waarnemingsposten, batterijen e.d. V eel van deze onderdelen speelden tijdens de Tweede Wereldoorlog nog een rol. Voor specifiek de Tweede Wereldoorlog kan de lijst met mogelijk nog in de ondergrond aanwezige relicten worden aangevuld met loopgraven, mangaten, inslagkraters, (zoek)locaties va n vliegtuigwrakken, barakken, een radarstation etc.
De vondstmelding is niet in ARCHIS opgenomen, maar het zou gaan om een ‘verhevenheid’ omringd door ‘eene gracht’. De melding wordt besproken in Kok 2004, 27. 9
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[28]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
4 Discussie 4.1 Beperkingen en onzekerheden De aan ten grondslag van de kaarten liggende informatie heeft zijn b eperkingen en onzekerheden die doorwerken in het kaartmateriaal en daarmee in de verwachtingen die gelden voor de diverse zones en perioden. Onderstaand worden deze beperkingen en onzekerheden opgesomd en toegelicht: -
Komgebied met nog onontdekte crevasses, diepere stroomgordels en rivierduinen Een grote onzekerheid bij de inventarisatiekaart is het komgebied. Omdat een groot deel van de gemeente agrarisch gebied betreft is het aantal grondboringen dat is uitgevoerd relatief beperkt en kunnen nog crevasses, stroomgordels en afgedekte rivierduinen aanwezig zijn die tot op heden niet ontdekt zijn. Zo is in 2019 ten westen van Schoonrewoerd tijdens archeologisch booronderzoek een nieuwe donk ontdekt en ook een booronderzoek langs de A27 heeft aangetoond dat op diverse locaties crevasseafzettingen aanwezig zijn die nog niet op de kaart staan. Door het lijnvormige karakter van het onderzoek is het vooral bij puntinformatie gebleven. Toekomstig onderzoek zal steeds meer inzicht geven in de opbouw van de ondergrond en daarmee kan de puzzel als het ware steeds verder worden opgelost.
-
Begrenzingen van de (met name dieper gelegen) stroomgordels De stroomgordels zijn door Cohen en Stouthamer (2012) begrensd op met name boorgegevens, aangevuld met andere bronnen. Zo is voor ondiep gelegen stroomgordels het AHN erg bruikbaar om de begrenzing van de stroomgordels te bepa len. Voor de dieper gelegen stroomgordels zijn echter relatief weinig boorgegevens beschikbaar. Dit blijkt als de geologische kaart van Verbraeck uit 1984 wordt vergeleken met de stroomgordelkaart van Cohen en Stouthamer (2012). De begrenzing van de diepe re stroomgordels zijn op de kaart van Cohen en Stouthamer voor grotere afstanden ongewijzigd overgenomen van de geologische kaart. De ligging van met name deze dieper (grofweg > 3 m) gelegen stroomgordels is daarmee enigszins onzeker .
-
Dateringen van de stroomgordels De dateringen van de diverse stroomgordels is afkomstig uit de inventarisatie van Cohen & Stouthamer (2012). Voor een groot aantal stroomgordels is de datering bepaald aan de hand van C14-onderzoek van monsters uit de restgeulen van de betreffe nde stroomgordels. Van een aantal stroomgordels is tot op heden geen monster gedateerd en is als alternatief de datering van de stroomgordel bepaald aan de hand van aangetroffen archeologische resten . Bij het ontbreken van archeologische resten is de datering (nog globaler) bepaald op basis van de datering van connecties van stroomopwaarts of –afwaarts gelegen stroomgordels. De mate van onzekerheid in de dateringen van de stroomgordels is niet vast te stellen. Over het algemeen kan worden aangenomen dat de ouderdom van een stroomgordel valt binnen de grenzen van de betreffende archeologische periode. Het is niet uit te sluiten dat in enkele gevallen een stroomgordel een archeologische periode ouder of juist jonger is dan bekend. Toekomstig onderzoek zal meer (daterings)informatie opleveren waarmee toekomstige versies
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[29]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
van de stroomgordelkaart geactualiseerd kunnen worden en uiteindelijk ook toekomstige versies van de archeologische inventarisatiekaart. -
Bufferzones langs stroomgordels De begrenzing van de stroomgordels is gebaseerd op de aanwezigheid van beddingzand in de ondergrond. De oeverzone van een stroomgordel ligt deels in de zone met het beddingzand, maar ook deels buiten deze zone en gaat hier geleidelijk over in een zone met komafzettingen. Aangezien de overgang van oever naar kom geleidelijk gaat, is er eigenlijk geen harde grens te trekken waar de oever ophoudt en de kom begint. Om deze reden is aan de stroomgordels een bufferzone van 50 m toegekend waarin ook eenzelfde verwachting geldt als o p de rest van de stroomgordel. De buffer is bepaald aan de hand van de aanwezigheid van archeologische resten op en direct naast de stroomgordels. Op de bestaande kaart van Vianen was geen buffer aangehouden, terwijl op de kaarten van Leerdam en Zederik ee n buffer van 100 m gold. Nu lijkt een buffer van 100 m veel in een gebied waar de stroomgordels in een veenlandschap liggen en waar sprake is van aanzienlijk smallere oeverzones dan in het centrale of oostelijke rivierengebied. Het is echter niet uit te sluiten dat bij bepaalde stroomgordels toch bredere (of juist smallere) oeverzones aanwezig zijn.
-
Vondstlocaties Vondstlocaties staan als puntlocatie op de kaart omdat het een weergave is van locaties waar archeologische vondsten zijn gedaan en waarbij geen (of te weinig) onderzoek is uitgevoerd om na te gaan of sprake is van een archeologische vindplaats (aanwezigheid van sporen en vondsten waaraan een complextype en datering kan worden toegekend en waaraan een daadwerkelijke ruimtelijke begrenzing kan worden gegeven). De aanwezigheid van een vondstlocatie wil niet zeggen dat er geen vindplaats kan zijn; er is simpelweg te weinig informatie om de vondstlocatie tot een vindplaats (met ruimtelijke begrenzing) op te waarderen. Ondanks de grote hoeveelheid vondstlocaties konden als onderdeel van de inventarisatie dus slechts enkele vindplaatsen worden aangemerkt aan de hand van vondstlocaties alleen. Anderzijds zijn er ook diverse vondstlocaties die binnen historische kernen of woonheuvels vallen, dan wel binnen AMK-terreinen. Aan dergelijke locaties is al een begrenzing toegekend. Voor historische kernen is de begrenzing gebaseerd op een combinatie van diverse historische kaarten, voor woonheuvels op basis van eerdere onderzoeken en het AHN.
4.2 Evaluatie van de handleiding Het opstellen van archeologische inventarisatiekaarten voor de gemeente Vijfheerenlanden heeft, naar onze mening, geresulteerd in een goed werkbaar product. Het gehele project is uitgevoerd volgens de opzet van (de conceptversie van) de handleiding inventarisatiekaarten (Breimer et al. (red.), in prep.). Het vervaardigen van kaarten naar archeologische periode en te verwachten complextypen is, in een landschap als het complexe, gelaagde rivierengebied waarin Vijfheerenlanden ligt, een goe de manier gebleken om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van het landschap door de tijd heen en daarmee een goede manier om een verwachtingsmodel op te stellen en inzichtelijk te maken. Tijdens het project zijn we slechts tegen één zaak aangelopen waarvan we kritisch zijn tegenover de (praktische) uitvoerbaarheid. Het betreft:
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[30]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
In Hoofdstuk 2 zijn alle gebruikte bronnen beschreven en zijn ook eventuele beperkingen benoemd. Een eerste versie van de handleiding schreef een uitgebreide validatie van alle beschikbare bronnen voor en gaat er daarbij van uit dat alle bronnen op objectieve wijze en langs dezelfde meetland gescoord kunnen worden. Dat blijkt in de praktijk niet werkbaar. In de eerste plaats is bepaalde metadata (zoals schaal, jaar van uitgave, maar vooral ook wijze van totstandkoming (aantal boringen per ha e.d.) van veel bronnen niet (meer) beschikbaar c.q. niet meer te achterhalen. In de tweede plaats is de diversiteit aan gebruikte bronnen dermate groot dat van een uniforme beoordeling geen sprake kan zijn. Dit was de reden dat bij de definitieve conceptversie van de handleiding een vernieuwde bronnen- en kwaliteitstabel is ingevoerd. Deze tabel is vervolgens voor de gemeente Vijfheerenlanden ingevuld en als bijlage 4 toegevoegd aan deze rapportage.
4.3 Aanbevelingen in kader van gemeentelijk archeologiebeleid Als onderzoeksmethode kan met name voor de zones met oeverwallen en crevasses de gangbare methodiek worden aangehouden waarbij het veldonderzoek wordt gestart met een verkennend booronderzoek. Als standaard onderzoeksmethode voor ontwikkellocaties in de komgebieden bevelen wij een extensief verkennend booronderzoek aan. Waar het in deze zones om gaat is de aanwezigheid van overdekte rivierduinen, stroomgordels en crevasses. Bij aantreffen daarvan is dan tevens sprake van een verwachting voor bewoning en begraving uit diverse perioden. Een dergelijk extensief booronderzoek moet gericht zijn op het traceren van deze fenomenen. Exacte beleidsmatige invulling (ondergrens in termen van omvang verstoring en onderzoeksmethodiek (aantal boringen, raaien, diepte) kan in overleg met gemeente nog vorm gegeven worden.
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[31]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
Literatuur Alkemade, M., B. Brugman, M. Gouw, K. Klerks & C. Visser, 2010. Archeologiebeleid gemeente Lopik. Vestigia-rapport V672. Vestigia, Amersfoort. Berendsen, J.A. en E. Stouthamer, 2001. Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Boer, A. de, B. Meijlink, M. Kocken, 2006. De archeologische verwachtings - en beleidsadvieskaart van de gemeente IJsselstein. ADC-rapport H011. ADC Heritage, Amersfoort. Boshoven, E.H., A. Buesink, H.M.M. Geerts, J.S. Krist, L.A. Tebbens, J.M.J. Willems, 2009. Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Een archeologische inventarisatie, verwachtings - en beleidskaart. BAAC rapport V-08.0185. BAAC bv, Den Bosch. Breimer, J. (eds)., in concept. Handleiding opstellen gemeentelijke archeologische inventarisatiekaarten. Een normstellend kader. Cohen, K.M. & E. Stouthamer, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Utrecht. Cohen, K.M., E. Stouthamer, W.Z. Hoek, H.J.A. Berendsen & H.F.J. Kempen, 2009. Zand in banen: zanddieptekaarten van het rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland/Universiteit Utrecht, Arnhem/Utrecht. Hessing, W.A.M. & K. Klerks, 2007.
Toelichting op de archeologische en cultuurhistorische beleidskaarten voor het grondgebied van de gemeente Houten Inventarisatie, onderbouwing en vertaling naar het ruimtelijk beleid. Vestigia-rapport V335, Vestigia Amersfoort. Heunks, E., 2007. Gemeente Culemborg; toelichting op de archeologische verwachtingskaart. RAAPrapport 1438. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Huizer, J., A. van Benthem & M. Benjamins, 2007. De archeologische ver wachtings- en beleidskaart van de gemeente Vianen. ADC-Rapport H 018. ADC Heritage BV, Amersfoort. Kok, R.S., 2004. Van Bronstijdboerderij tot lusthofvoor Van Brederode. Een verkenning van de archeologie van Vianen, in D. Kok, R. Kok & F. Vogelzang (red.), De Archeologische kroniek Provincie Utrecht 2002-2003, 13-34. Kiden, P., B. Makaske & O. van de Plassche, 2008. Waarom verschi llende zeespiegelreconstructies voor Nederland ? Grondboor & Hamer 3-4, 2008. Kloosterman, J. Sprangers & J.A.T. Wijnen, 2011. Een gestapeld verleden, Gemeente Nieuwegein. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. RAAP-rapport 2145. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Linde, J. van de, 1959. Korte toelichting bij de bodemkundige overzichtskaart van de Alblasserwaar d. Stiboka-rapport 117. Stiboka, Wageningen. Louwe Kooijmans, L.P. & M. Verbruggen, 2011. Donken door de eeuwen heen. Westerheem, jaargang 60, december 2011. Pierik, H.J., 2017.
Geomorfologische reconstructies van het oeverwallenlandschap in de RijnMaasdelta tijdens het eerste millennium na Chr. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-zg9-nqfx Pons, L.J., 1951. De bodemgesteldheid van de Vijfheerenlanden. Stiboka, Wageningen.
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[32]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
RGD, 1984. De geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 39, T iel West en Tiel Oost. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Roode, F. de & E. Goossens, 2009. Archeologische monumentenzorg in de gemeente Lingewaal: archeologische sporen in een groene parel; Deel 1: beleidsnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingskaart. RAAP-rapport 1688. Weesp. Sprangers, J., R. Klaarenbeek, P. Kloosterman, J.A.T. Wijnen. 2011. Een vernieuwde blik op Vianen, Gemeente Vianen. Een actualisatie van de archeologische verwachtings- en beleidskaart. RAAP-rapport 2169. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Stiboka, 1973. Bodemkaart van Nederland. Kaartblad 39 West en Oost Rhenen. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen Stiboka/RGD, 1986. Geomorfologische kaart van Nederland, blad 39 Tiel. Stiboka/RGD, Wageningen. Verbraeck, A., 1970. Geologische kaart van Nederland 1:50.000; 38 Oost Gorinchem ( 38 O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Verbraeck, A., 1984. Geologische kaart van Nederland 1:50.000; Tiel West (39 W) en Tiel Oost (39 O). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Wiggen, B. van, 2019. Historisch vooronderzoek Conventionele Explosieven. CE -bodembelastingkaart Gemeente Vijfheerenlanden. IDDS Explosieven B.V., Noordwijk. Willemse, N.W., 2015. Archeologie in de gemeente Geldermalsen: actualisatie archeologische kaarten.
RAAP-rapport 3049. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp.
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[33]
Gemeente Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatiekaart
Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices Figuren: Figuur 1. De gemeente Vijfheerenlanden en de voormalige gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik
4
Figuur 2. Grondwatercurve in een west-oostelijk georiënteerde raai door het kustgebied en westelijk deel van het rivierengebied (Kiden, Makaske & Van de Plassche 2008).
19
Figuur 3. De restgeul van de Zijderveld stroomgordel is zichtbaar op het AHN.
20
Tabellen: Tabel 1. Overzicht van gehanteerde buffers van diverse typen WOII-locaties (zowel punt- als lijnelementen).
14
Tabel 2. Overzicht van de uitvoerders en jaartallen van de archeologische kaartprojecten van de omliggende gemeenten.
14
Tabel 3. Archeologische waarden met vindplaatstypen.
27
Bijlagen: Bijlage 1. Tijdschaal Bijlage 2. Overzicht van stroomgordels, dateringen en verwachtingen voor de archeologische perioden Bijlage 3. Specificatie van de stroomgordels en de archeologische relevantie Bijlage 4. Bronnen- en kwaliteitstabel
Kaarten Kaart 1.
Archeologische inventarisatiekaart – Jagers en verzamelaars
Kaart 2.
Archeologische inventarisatiekaart – Vroege landbouwers
Kaart 3.
Archeologische inventarisatiekaart – Late landbouwers
Kaart 4.
Archeologische inventarisatiekaart – Staatssamenlevingen
Kaart 5.
Archeologische inventarisatiekaart – Alle perioden
Kaart 6.
Bodemverstoringen
Kaart 7.
Archeologische informatiekaart
RAAP-rapport 4392 / ADC-rapport 5188 / versie 01-06-2021
[34]
Bijlage 1. Tijdschaal
Bijlage 2. Overzicht van stroomgordels, dateringen en verwachtingen voor de archeologische perioden
Bijlage 3. Specificatie van de stroomgordels en de archeologische relevantie
Bijlage 4. Bronnen- en kwaliteitstabel