CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting bestemmingsplan Lingedijk 31b Kedichem

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 21 september 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Lingedijk 31b Kedichem11.671 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem

Plangegevens Naam: Plantype: IMRO: Status:

Lingedijk 31b, Kedichem bestemmingsplan NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01 vastgesteld

Datum: Projectnummer:

22AF239

Opdrachtgever:

Opsteller:

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW BORNE T) 074 – 255 7020 E) info@ad-fontem.nl

Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV | Stationsstraat 37 | 7622 LW Borne | T 074-2557020 | F 074-265967 | E info@ad-fontem.nl

Lingedijk 31b, Kedichem

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend planologisch regime 1.4 De bij het plan behorende stukken 1.5 Leeswijzer

3 3 3 5 7 7

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 10

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid Utrecht 3.3 Gemeentelijk beleid

11 11 12 16

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Milieuzonering 4.3 Geur 4.4 Bodem 4.5 Geluid 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Water 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie en Cultuurhistorie 4.11 Verkeer / parkeren

17 17 18 19 20 21 22 23 25 26 28 28

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek 5.2 Toelichting op de regels

30 30 30

Hoofdstuk 6

33

Economische uitvoerbaarheid

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

34 34 34

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Watertoets

35 36

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

2

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voor de locatie Lingedijk 31b in Kedichem is een plan ontwikkeld. Initiatiefnemer wenst het pand Lingedijk 31b te gebruiken als woning. In het verleden was dit pand reeds als woning bestemd en was wonen op grond van het destijds geldende bestemmingsplan voor het buitengebied toegestaan. In het geldende bestemmingsplan is de woning echter niet als woning bestemd. Het gebruik als woning is daarom niet (meer) toegestaan. De gemeente Vijfheerenlanden heeft aangegeven dat middels een herziening van het bestemmingsplan wederom een woonbestemming aan het pand toegekend kan worden. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken en een passende juridisch-planologische regeling toe te kennen.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Ligging Het plangebied bestaat uit het erf aan de Lingedijk 31b in Kedichem. Dit erf is gelegen direct ten noorden van het perceel Lingedijk 31. Het plangebied ligt in de gemeente Vijfheerenlanden, op ca. 600 meter meter ten westen van het dorp Kedichem. Het perceel Leerdam sectie K, nummer 421 is gesplitst in twee percelen; perceel 1683 en perceel 1684. Perceel 1684 is in eigendom van initiatiefnemer. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

3

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: pdok.nl) Begrenzing De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop de percelen Lingedijk 31 en 31b te zien zijn. De begrenzing van het plangebied komt overeen met het eigendom dat bij het perceel Lingedijk 31b behoort (perceel 1684). Het perceel Lingedijk 31 is niet opgenomen in het plangebied, aangezien op dat perceel geen wijzigingen plaatsvinden. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

4

Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: www.kadastralekaart.com)

1.3

Vigerend planologisch regime

Voor de Lingedijk 31b in Kedichem geldt het bestemmingsplan ''Buitengebied Leerdam''. Dit bestemmingplan is door de gemeenteraad van Leerdam op 30 september 2010 vastgesteld. Het bestemmingsplan is onherroepelijk. Er hebben enkele herzieningen van het bestemmingsplan buitengebied plaatsgevonden. Deze hebben geen invloed op het plangebied. In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

5

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Leerdam' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Aan het plangebied is de bestemming 'Wonen' (met bouwvlak) toegekend waarbij verschillende aanduidingen gelden. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor woningen al dan niet in combinatie met een niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, nevenfuncties, waterhuishoudkundige doeleinden, behoud en herstel van aanwezige poelen en watergangen, onderhoudspaden langs watergangen. Eén en ander met de bijbehorende voorzieningen, waaronder paardenbakken en overeenkomstig de in 19.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming. Per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan. Deze is reeds aanwezig binnen het ter plaatse aanwezige bestemmingsvlak (dit is woning Lingedijk 31), waarmee het gebruik van het pand Lingedijk 31b als woning niet is toegestaan op grond van de geldende regels. Het plangebied kent twee dubbelbestemmingen ten aanzien van archeologie, namelijk 'Waarde-archeologie 1' en 'Waarde-archeologie 2'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische vondsten en historische elementen. In de planregels is opgenomen in welke situaties een archeologisch onderzoek vereist is voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden en

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

6

tevens is een vergunningenstelsel opgenomen. Tevens gelden enkele gebiedsaanduidingen; 'milieuzone-stiltegebied' en 'wrozone-wijzigingsgebied concentratie fruitteelt'. Binnen de aanduiding 'milieuzone-stiltegebied' zijn geen nieuwe ontwikkelingen toegelaten die het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel aantasten. Fruitteeltbedrijven zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied concentratie fruitteelt'. Het geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om een tweede woning/het gebruik van het pand Lingedijk 31b als woning toe te staan. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het geldende bestemmingsplan opgesteld, waarmee aan het pand en bijbehorende gronden een passend juridisch-planologisch kader word toegekend. Tenslotte wordt opgemerkt dat het parapluplan 'Wonen en parkeren' geldt ter plaatse van het plangebied. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee aspecten: wonen en parkeren. Het doel is om voor het gehele gemeentelijk grondgebied in één keer op een goede en eenduidige manier te beschikken over een toetsingskader, voor wonen en parkeren. De regels van dit paraplubestemmingsplan werken aanvullend/corrigerend op geldende bestemmingsplannen. In onderhavig bestemmingsplan zijn deze regels van het parapluplan voor zover van toepassing overgenomen.

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Lingedijk 31b, Kedichem' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken. Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01); Bijlagen bij de toelichting; Regels; Bijlagen bij de regels.

1.5

Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

7

Hoofdstuk 2 2.1

Het plan

Huidige situatie

In de huidige situatie is er aan de Lingedijk 31b reeds sprake van een pand dat als woning in gebruik kan worden genomen. Het betreft het linkerpand in figuur 2.1. (Het rechtergebouw betreft een bijgebouw bij woning Lingedijk 31). In een vorig bestemmingsplan Buitengebied was het pand als woning bestemd (ook de woning Lingedijk 31 is bestemd als woning). In het geldende bestemmingsplan Buitengebied is echter slechts één woning toegestaan op het perceel. Het pand is in het verleden reeds langdurig gebruikt als woning en gastenverblijf. Alle woonvoorzieningen zijn in het pand aanwezig.

Figuur 2.1: aanzicht pand Lingedijk 31b (linkerpand) (bron: Leuk! makelaars)

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

8

Figuur 2.2: huidig aanzicht pand Lingedijk 31b (bron: Leuk! makelaars)

Figuur 2.3: huidige situatie erf achter de woning Lingedijk 31 B (bron: Leuk! makelaars)

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

9

Achter het pand is een grote oppervlakte erf gelegen, die in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen' (zonder bouwvlak) kent. In figuur 2.3 is het aanzicht van dit gedeelte van het erf weergegeven.

2.2

Toekomstige situatie

Het woonperceel Lingedijk 31 wordt in twee delen gesplitst. Het perceel Lingedijk 31b krijgt een afzonderlijk bestemmingsvlak en bouwvlak voor 'Wonen'. Er worden geen bouw- of verbouwwerkzaamheden verricht bij of aan het pand Lingedijk 31b. De bestaande situatie blijft in feite gehandhaafd. In de huidige situatie is er sprake van een groot erf en achtererfgebied (deze heeft de bestemming Wonen), gelegen achter het pand Lingedijk 31b. Het achtererf/ het erf dat als erf bij de woning kan worden aangemerkt, wordt in de toekomstige situatie verkleind. Het is niet gewenst om eventuele bijbehorende bouwwerken (al dan niet met vergunning) op grotere afstand van de woning te kunnen realiseren. Daarom is een gedeelte van de bestemming 'Wonen' omgezet in de bestemming 'Groen'. Hierdoor is het niet meer mogelijk om binnen dit gedeelte van het woonperceel bebouwing, zoals bijgebouwen, te realiseren. Een gedeelte van het achtererf behoudt wel de bestemming 'Wonen'. Ter plaatse zijn bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen e.d) bij de woning Lingedijk 31b mogelijk. Toegang perceel Het perceel en de woning Lingedijk 31b worden bereikt door gebruik te maken van de inrit behorend bij het perceel Lingedijk 31. Er wordt in dat kader een recht van overpad gevestigd, welke in het kadaster wordt vastgelegd. Hierdoor is de toegang tot het perceel Lingedijk 31b gewaarborgd voor de toekomst.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

10

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een kleinschalige ontwikkeling in het buitengebied. Hiermee zijn geen nationale belangen gemoeid. De NOVI is geen belemmering voor uitvoering van het bestemmingsplan. 3.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

11

worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Onderhavig plan Er is sprake van een wijziging van het gebruik van een bestaand pand naar een woonbestemming. Dit pand had in het verleden, in het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied, een woonbestemming. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is sprake bij de realisatie van 12 of meer nieuwe woningen. Zie hiervoor bijvoorbeeld de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 of ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953. Aangezien er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is een nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening is niet vereist. Los van de ladder voor duurzame verstedelijking dient een bestemmingsplan te voldoen aan een goede ruimtelijke ordening en dient de behoefte aan een ontwikkeling te worden aangetoond. De motivatie hiervoor wordt in de navolgende paragrafen gegeven.

3.2

Provinciaal beleid Utrecht

3.2.1

Omgevingsvisie Utrecht

Op 10 maart 2021 is de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld (1 april 2021 in werking getreden). In deze Omgevingsvisie legt de provincie de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de Omgevingsvisie legt de provincie Utrecht de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht bestaat uit de volgende zeven beleidsthema's, die verder zijn uitgewerkt in beleidskeuzes en ambities: 1. Stad en land gezond; 2. Klimaatbestendig en waterrobuust; 3. Duurzame energie; 4. Vitale steden en dorpen; 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur; 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw. De uitwerking in gebieden valt uiteen in drie regio’s: U16, Amersfoort en Foodvalley. Zo wordt gebiedsgericht samenhang aangebracht tussen de thematische ambities.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

12

Figuur 3.1: opbouw Omgevingsvisie provincie Utrecht (www.provincie-utrecht.nl) Utrecht-West is het landelijk gebied aan de westzijde van het stadsgewest Utrecht dat in het landschap van het Groene Hart ligt, evenals het Noorderpark en Vijfheerenlanden die onderdeel van het stadsgewest Utrecht zijn. Het Groene Hart loopt door in Noord- en Zuid-Holland, het is de centrale open ruimte in de Randstad. Utrecht-West heeft uitgestrekte (veen)weidegebieden, doorsneden door de Vecht, Oude Rijn en Hollandsche IJssel met kenmerkende natuurgebieden, dorpen en historische stadjes. In het gebied liggen diverse plassen, rivieren, kanalen en weteringen die onderdeel zijn van een waternetwerk dat eveneens doorloopt in Noord- en Zuid-Holland en van groot belang is voor natuur, recreatie, toerisme en watersport. In de U16 ligt een belangrijk deel van het Natuurnetwerk Nederland, waaronder de Natura 2000-gebieden Botshol, Kolland en Overlangbroek, Lingegebied en Diefdijk-Zuid, Nieuwkoopse Plassen en De Haeck, Oostelijke Vechtplassen, Rijntakken, Uiterwaarden Lek en Zouweboezem. Deze gebieden zijn stikstofgevoelig. Het open veenweidelandschap is belangrijk voor de weidevogels. Er wordt voor gezorgd dat er zich geen ruimtelijke ontwikkelingen voordoen die een negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang van de NNN.

Voor de bescherming van het NNN wordt het 'nee-tenzij principe' gehandhaafd. Aantrekkelijke landschappen Voor de karakteristieke Utrechtse landschappen is de wens om de kernkwaliteiten door te

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

13

ontwikkelen. In de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen (www.provincie-utrecht.nl/kwaliteitsgids) zijn de kernkwaliteiten uitgebreid beschreven en handvatten opgenomen voor het omgaan met de kernkwaliteiten. Op de kaart Kernkwaliteiten van het landschap is aangegeven welke essentiële structuren in het landschap belangrijk zijn om nieuwe ontwikkelingen goed in te passen, zoals de grootschalige realisatie van duurzame energiebronnen en het tegengaan van bodemdaling. Gemeenten en initiatiefnemers wordt gevraagd bij ontwikkelingen hiervan gebruik te maken. Om de omgevingsvisie in de praktijk goed te laten werken, zijn op onderdelen regels nodig. Deze regels zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. Toets Het plangebied is gelegen in de regio U16, in het gebied Utrecht-West. Onderhavig bestemmingsplan maakt een kleinschalige ontwikkeling mogelijk, op een bestaand erf in het buitengebied. Het plangebied is gelegen in het landschap van de Gelderse Vallei. Hiervoor gelden bepaalde kernkwaliteiten. Er is geen sprake van ligging in de NNN of Natura 2000 gebied. Natura 2000 gebied is in de nabijheid gelegen (Lingegebied en Diefdijk-Zuid). Op de relevante regels van de Omgevingsverordening in relatie tot dit plan wordt ingegaan in paragraaf 3.2.2.

3.2.2

(interim) Omgevingsverordening Utrecht

De Interim Omgevingsverordening is een tijdelijke verordening die op 1 april 2021 in werking treedt en een looptijd zal hebben totdat de Omgevingswet van kracht is en de omgevingsverordening in werking treedt. De Interim Omgevingsverordening vervangt bestaande verordeningen zoals de ruimtelijke verordening, de milieuverordening, de natuur en landschapsverordening. De Interim Omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden ook voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers. De volgende regel uit de Verordening is van belang voor onderhavig bestemmingsplan: Artikel 9.3 Instructieregel legalisatie van bestaand gebruik en bebouwing bij stedelijke functies 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan voorzien in legalisatie van het bestaand gebruik van en bestaande bebouwing voor stedelijke activiteiten, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden: a.

er is gemotiveerd dat tegen dit gebruik en tegen deze bebouwing redelijkerwijs niet meer juridisch kan worden opgetreden; en b. de legalisatie heeft, op de schaal van het gehele buitengebied van een gemeente, slechts betrekking op enkele gevallen. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Artikel 7.9 Instructieregel landschap Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de bijlage Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij de verordening. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: 1. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en 2. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 3. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

14

Het plangebied is gelegen binnen het gebied Gelderse Vallei. Voor het landschap Gelderse Vallei dienen de volgende kernkwaliteiten behouden te worden: - rijk gevarieerde kleinschaligheid; - stelsel van beken, griften en kanalen; - Grebbelinie; - overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank). Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten. Een uitgebreide beschrijving en handvatten voor het omgaan met de kernkwaliteiten is opgenomen in de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen. Bij ontwikkelingen in het landschap van de Gelderse Vallei is het vooral van belang dat de kleinschaligheid, die dit landschap zo aantrekkelijk maakt behouden wordt. In het verleden zijn al veel kleinschalige landschapselementen verdwenen, waardoor ruimten groter zijn geworden. Ze hebben hun functie verloren en zijn verwijderd. Daarnaast vragen wij aandacht voor het waarborgen en ontwikkelen van de contrasten in de te onderscheiden deelgebieden van de Gelderse Vallei. Stiltegebied Het plangebied is gelegen in een stiltegebied. In een stiltegebied zijn alleen geluiden toegestaan die bij het gebied passen. In paragraaf 9 van de Omgevingsverordening zijn de regels omtrent stiltegebieden opgenomen. Stilte heeft een positief effect op gezondheid en vergroot de belevingswaarde van landschap en natuur.

Het algemene uitgangspunt is dat het toelaatbare of gewenste geluidsniveau van niet-gebiedseigen geluiden in een stiltegebied 40 decibel (A) is. Als beoordelingsgrootheid hanteert de provincie 24-uurs gemiddelde geluidsniveau LAeq,24h op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld. Deze hoogte is gekozen omdat de rustzoekende recreant de belangrijkste doelgroep is. De provincie hanteert geen strengere beoordeling of toetsing voor de avond- en of nachtperiode ten opzichte van de dagperiode. Bij veel andere situaties zijn de normen voor avond en nacht wel strenger, omdat in die perioden sneller hinder en slaapverstoring optreedt. Voor bijvoorbeeld een wandelaar of een fietser in het stiltegebied is die verhoogde gevoeligheid echter niet waarschijnlijk, zodat strengere toetsing niet zinvol is. Het gewenste totale geluidsniveau van niet-gebiedseigen geluiden in een stiltegebied is maximaal 40 dB(A). In de bufferzone rondom de stille kern is een geluidsniveau tot 45 dB(A) aanvaardbaar. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen een stiltegebied bevat regels die rekening houden met de doelstellingen voor het geluidsniveau voor het geluidsniveau in stiltegebied. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met de doelstelling voor het geluidsniveau is omgegaan.

Toets Artikel 9.3 Instructieregel legalisatie van bestaand gebruik en bebouwing bij stedelijke functies In dit geval is sprake van een situatie die opnieuw passend bestemd wordt. Het gebruik van het pand Lingedijk 31b was, zoals eerder aangegeven, in het voorheen geldende bestemmingsplan, toegestaan. Zie hiervoor ook paragraaf 3.3. Artikel 7.9 Instructieregel landschap De bestemming 'Wonen' die het plangebied heeft gekregen in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Leerdam wordt gehandhaafd. Wel wordt dit bestemmingsvlak kleiner, door een gedeelte van het erf de bestemming 'Groen' toe te kennen. Dit is een positieve ontwikkeling in verband met de gewenste kleinschaligheid van het landschap. Hierdoor wordt een compact(er) erf gerealiseerd. Voor het overige wordt opgemerkt dat er geen landschappelijke ingrepen plaatsvinden in het kader van onderhavig plan. Stiltegebied Het plangebied is gelegen in de stille kern van het stiltegebied. Het gewenste totale geluidniveau van niet-gebiedseigen geluiden is maximaal 40 dB(A). De functie wonen komt veelvuldig in het gebied voor en is daarmee als gebiedseigen te beschouwen. Het -opnieuwtoestaan van het gebruik van het pand Lingedijk 31b als woning, past daarmee qua functie binnen het gebied.

Het opnieuw toestaan van de woning zal geen negatieve gevolgen hebben voor een verslechtering van het gemiddelde 24-uurs geluidniveau in het gebied.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

15

3.3

Gemeentelijk beleid

De gemeente Vijfheerenlanden heeft aangegeven dat er geen sprake is van een eenduidige informatieverstrekking over de (planologische) status van het pand Lingedijk 31b. Normaal gesproken zou geen medewerking worden verleend aan het toestaan van een zelfstandige woning op het perceel en het gebruik van het pand Lingedijk 31b als woning, omdat dit niet passend is binnen het gemeentelijke beleid. Op basis van de voormalige juridische situatie (als woning bestemd in een vorig bestemmingsplan) en de berichtgeving vanuit de gemeente hierover in het verleden (2014) waardoor er geen sprake is van eenduidige berichtgeving over de status van het pand is een afwijkend standpunt ingenomen en wordt medewerking gegeven aan splitsing van het perceel ten behoeve van twee zelfstandige woningen. Een toets aan gemeentelijk beleid wordt gezien bovenstaande niet toegepast, maar wel wordt in onderhavig bestemmingsplan voor het overige aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en er geen sprake is van belemmeringen voor uitvoering van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

16

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt het gebruik van een voormalige woning als woning wederom mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is.

De transformatie van een bestaand woonerf wordt niet expliciet benoemd in het Besluit milieueffectrapportage, maar de meest logische aansluiting kan worden gemaakt bij: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, of met het onderhavig plan sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol.

Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging;

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

17

de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Er is sprake van ontwikkeling op een bestaand erf, waarbij aan het bestaande pand Lingedijk 31b wederom een woonbestemming wordt toegekend. Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. In de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) heeft de Raad van State daarnaast geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Ook gelet op deze uitspraak wordt geconcludeerd dat het plan dat middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het gaat hier immers om een project van kleinere omvang, op een bestaand erf.

Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

4.2

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

18

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets In dit geval is sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk/ buitengebied'. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen gelegen. Op het perceel Lingedijk 25 is een agrarisch bedrijf gevestigd. De afstand tot het plangebied (grens bouwvlak agrarisch bedrijf en grens woonbestemming) is circa 27 meter. Het pand Lingedijk 31b is gelegen op circa 37 meter van het agrarisch bouwperceel. Volgens de geldende bestemming is ter plaatse de uitoefening van het grondgebonden agrarisch en niet-grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan. Ter plaatse is in de huidige situatie een grondgebonden agrarisch bedrijf aanwezig (rundvee en schapen). Op basis van de richtafstanden die voor deze activiteiten zijn opgenomen in de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' geldt voor rundvee een afstand van 100 meter voor geur en 30 meter voor stof en geluid. Voor schapen (overige graasdieren) geldt een afstand van 50 meter voor geur en 30 meter voor stof en geluid. Aan de indicatieve afstand van 30 meter tussen de woning Lingedijk 31b en de grens van het agrarisch bouwperceel ten aanzien van geluid en stof wordt voldaan, aangezien de afstand circa 37 meter bedraagt. Op deze punten vormt het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering.

Er is sprake van specifieke wetgeving ten aanzien van geur; de afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij, is van toepassing. Hierop wordt nader getoetst in paragraaf 4.3. Tussen het plangebied van Lingedijk 31b en het agrarisch bedrijf is woonbebouwing aanwezig (bijv. Lingedijk 27). De woning Lingedijk 27 ligt op een afstand van circa 20 meter van het agrarisch bouwperceel. Door de omzetting van het pand Lingedijk 31b naar wonen zal geen (extra) belemmering optreden voor het bedrijf, aangezien het agrarische bedrijf in voorkomende gevallen reeds belemmerd worden door deze bestaande woning. Tevens kan op basis daarvan worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning Lingedijk 31b. Er zijn geen andere bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig die nader beschouwd dienen te worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'bedrijven en milieuzonering' geen belemmering vormt voor uitvoering van het plan.

4.3

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

19

per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Geurverordening De Wgv geeft gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren datis afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten enomstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. De wet biedt de gemeente mogelijkheid op basisvan een eigen geurbeleid af te wijken van de wettelijke normen binneneen in de wet vastgelegde bandbreedte. Daarvoor dient opgebiedsniveau worden gezocht naar normen die aansluiten bij de gewenste ruimtelijke ontwikkeling en het gewenst woon- en leefklimaat. De gewenste normen dienen in een gemeentelijke verordening worden vastgelegd. De verordening wordt onderbouwd met een gebiedsvisie.

In de gebiedsvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied weergegeven en gekoppeld aan een beoordeling van de geurbelasting van het gebied. De gemeenteraad van Vijfheerenlanden heeft op 22 oktober 2021 de verordening houdende regels omtrent geurhinder (Geurverordening) volledig bekend gemaakt. De opgestelde gebiedsvisie in het kader van de Geurverordening geldt ook vanaf die datum. Op grond van artikel 4 van deze Geurverordening dient de afstand tussen veehouderij en een geurgevoelig object in het gebied waarvoor een geurverordening minimaal 25 meter te bedragen. Toets Aan de afstand van 25 meter die vanuit de Geurverordening geldt wordt voldaan, aangezien de afstand tussen de grenzen van het agrarisch bouwvlak en het huidige woonperceel circa 27 meter bedraagt. De woning Lingedijk 31b staat daarbij overigens op grotere afstand, op circa 37 meter. Vanuit het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van onderhavig bestemmingsplan.

4.4

Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan was de woning aan de Lingedijk 31b toegestaan. Het perceel heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Wonen'. Er zijn geen bodembedreigende activiteiten of bodemverontreiniging op dit perceel bekend.

Ook is op basis van de ontgravingskaart bovengrond (recent vastgesteld) de verwachte bodemkwaliteit van de bovengrond klasse ‘wonen’. Aangenomen mag worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor het gebruik als woning, nu het pand en omliggende gronden opnieuw een bestemming wonen krijgen. Er vindt in feite geen wijziging van het gebruik plaats. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

20

vereist.

4.5

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.

in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). De Lingedijk is een weg waarvoor een maximumsnelheid geldt van 60 km/uur. Deze weg heeft een geluidzone. Een woning is een geluidgevoelig object. In dit geval is geen sprake van een nieuw geluidgevoelig object, maar van een bestaand geluidgevoelig object. Dit omdat het pand in het verleden reeds als woning bestemd is geweest. Daarnaast blijkt uit gegevens omtrent geluidbelasting van wegverkeer (atlasleefomgeving/kaarten) dat de geluidbelasting ter plaatse van het pand Lingedijk 31b voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op grond van artikel 76 Wet geluidhinder kan een akoestisch onderzoek om die reden achterwege worden gelaten. Stiltegebied Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan aangeduid als 'milieuzone-stiltegebied' (zie ook paragraaf 3.2.2).

Ter plaatse van de aanduiding “milieuzone – stiltegebied” zijn geen nieuwe ontwikkelingen toegelaten die het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel aantasten. Dit betekent in ieder geval dat lawaaisporten, nieuwvestiging van intensieve recreatie, nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid, laagvliegbewegingen niet zijn toegestaan. Een geluidsrapport dient te worden overlegd wanneer nieuwe functies zijn gepland binnen het stiltegebied. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het pand Lingedijk 31b, overeenkomstig de woonbestemming die het in het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied had, wederom als woning bestemd. In die zin betreft het geen nieuwe functie. Daarnaast geldt dat er geen sprake is van toevoeging van een lawaaiige functie zoals hierboven benoemd. Er is in de huidige situatie reeds sprake van een bestaand erf met bijbehorende geluiden. Het

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

21

opnieuw mogen gebruiken van het pand Lingedijk 31b als woning bedraagt een kleinschalige ontwikkeling die niet bijdraagt aan een verslechtering van het natuurlijk heersende geluidniveau van het stiltegebied. Railverkeerslawaai en industrielawaai Er zijn spoorwegen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Daarnaast is er geen sprake van ligging op een gezoneerd industrieterrein. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

4.6

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Met onderhavig bestemmingsplan wordt het pand Lingedijk 31b wederom bestemd als woning. Het betreft de toevoeging van één woning, met een bijbehorend beperkt aantal verkeersbewegingen. Geconcludeerd kan worden dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt.

Grenswaarden Om de realisatie van de woning planologisch mogelijk te maken dient aangetoond te worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit kader, moet getoetst worden of de huidige en toekomstige luchtkwaliteit voldoet aan de eisen zoals opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De huidige en toekomstige blootstelling aan luchtkwaliteit is onder andere aangegeven op kaarten van de luchtkwaliteit die via odru.nl beschikbaar zijn.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

22

De grenswaarde voor zeer fijn stof (PM 2,5) bedraagt 25 microgram per m3. In het plangebied ligt deze in het jaar 2018 tussen 12-12,5. Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40. Voor 2018 ligt deze in het plangebied op 19-20 microgram per m3, voor 2030 op 17-18 microgram per m3. Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 microgram per m3. Voor het jaar 2018 ligt deze in het plangebied op 14-16, voor 2030 op 10-12 microgram per m3. Er is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden. Grenswaarden WHO Als aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, is er nog steeds kans op gezondheidsschade door luchtverontreiniging. De WHO hanteert daarom advieswaarden voor die lager zijn dan de wettelijke grenswaarden. Bovendien is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft op 22 september 2021 de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 drastisch verlaagd naar respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per m3. Hoewel naar verwachting de komende jaren de lucht een stuk schoner wordt, wordt nog geen van deze WHO-advieswaarden in de nabije toekomst gehaald: de advieswaarden van de NHO voor PM 2,5, PM10 en NO2 in het plangebied worden niet gehaald.

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat vanuit luchtkwaliteit geen belemmeringen aanwezig zijn voor uitvoering van het bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.

In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

23

beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.

Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving/kaarten)

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

24

Toets Op 800 meter van het plangebied is een gasleiding van de Gasunie gelegen (NEN3650, 66,20 bar, 42 inch). Zie figuur 4.2. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. Een nadere beschouwing op dit onderdeel is daarom niet vereist. Het plangebied is op een afstand van circa 2 kilometer van een spoorweg gelegen (spoorroute 202H), die gebruikt wordt als route voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied van een gifwolk bedraagt meer dan 4 kilometer. Gezien de kleine groei in populatie, de grote afstand tot het spoort en het soort scenario (gifwolk) kan worden gesteld dat het risico niet beduidend groot is. Daarnaast blijkt uit de inventarisatie dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Er zijn vanuit externe veiligheid geen belemmeringen.

4.8

Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Waterschap Rivierenland heeft een waterbeheerprogramma opgesteld, genaamd 'Versterken, Verbinden, Vergroenen'.

Het waterbeheerprogramma (WBP) beschrijft wat het Waterschap in de planperiode (2022-2027) wil bereiken, met wie, hoe zij dat willen doen en waarom. In het WBP zijn voor het waterbeheer in het beheergebied de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. Ook wordt aangegeven hoe deze opgaven samen met anderen worden opgepakt en wordt ingespeeld op initiatieven van derden. Onze visie op een toekomstbestendig rivierengebied en de bijdrage die wij daar zelf aan leveren, heeft het Waterschap verwoord en verbeeld in de Watervisie 2050. De watervisie rijkt met een horizon tot 2050 verder dan de planperiode van het WBP (2022-2027). De watervisie is het strategisch kader voor de lange termijn en het WBP is een tactische vertaling voor de planperiode. In de Watervisie 2050 beschrijft het Waterschap het gewenste toekomstbeeld; een toekomstbestendig rivierengebied. Om dit toekomstbeeld te bereiken moeten er ook in het WBP keuzes gemaakt worden. De principes uit de watervisie helpen om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. De principes van het Waterschap zijn als volgt: 1.

De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor ons werk.

bestemmingsplan Lingedijk 31b, Kedichem NL.IMRO.1961.BPKELingedijk31b-VA01

25

2. 3. 4. 5. 6. 7.

Water is bepalend voor de inrichting van het gebied. We zijn zuinig op water en grondstoffen. Bescherming van het gebied tegen overstromingen is onze focus. We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.

Watertoetsproces Op 5 januari 2022 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 1 Hieruit komt naar voren dat de normale procedure dient te worden doorlopen. Nabij/op de grens van het plangebied is een watergang gelegen, die op de keur van het Waterschap Rivierenland is aangegeven (C-water). Het betreft een watergang die van tertiair belang is en waarvoor geen jaarlijke onderhoudsplicht geldt. Ten aanzien van deze watergang vinden geen wijzigingen plaats in het kader van uitvoering van het bestemmingsplan. Ook voor het overige vinden geen wijzigingen plaats in het kader van dit bestemmingsplan die relevant zijn voor het aspect water; het gebruik van het pand Lingedijk 31b als woning wordt wederom toegestaan. Een gedeelte van het huidige erf dat nu de bestemming Wonen heeft zal in de toekomstige situatie wijzigen in een bestemming Groen. Binnen deze bestemming wordt geen bebouwing toegestaan, maar wordt de huidige situatie (=gras/weide) vastgelegd. Uitvoering van het bestemmingsplan draagt bij aan het behalen van doelen ten aanzien van klimaatadaptatie (onder meer voorkomen hittestress, infiltratiemogelijkheden water). Het waterschap heeft aangegeven in te kunnen stemmen met onderhavig plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=011bda8a-5cd0-4670-8c3d-8219da7bfb54