CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.3. Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving nota van toelichting

Commissie Ruimte, Wonen en Duurzaamheid 8 april 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Aanvulling Beleidskader energietransitie [BET] - kleine windturbines en zon op grond50.781 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Tegelijkertijd is de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd om over het plan-MER advies uit te brengen. 6. Vervolgens is naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen en de uitgebrachte adviezen vastgesteld dat het plan-MER voldoende inzicht biedt over de milieugevolgen van windturbines om als grondslag te dienen voor de opstelling van de windturbinebepalingen. 7. Na de afronding van de politieke behandeling is het ontwerpbesluit aangepast naar aanleiding van de ontvangen zienswijzen en uitgebrachte adviezen. In deze nota van toelichting is vermeld op welke wijze rekening is gehouden met het plan-MER, met de zienswijzen en adviezen, in het bijzonder het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage. 8. Vervolgens is het ontwerpbesluit ter advisering aangeboden aan de Afdeling Het advies staat op: https://www.commissiemer.nl/adviezen/3615. Zie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/submenu/nieuws/reactienotazienswijzen-nrd-milieuregels/. 18 https://www.platformparticipatie.nl/windturbinebepalingen/voornemen+windturbinebepalingen/default.aspx 19 Van de mogelijkheid om het ontwerpbesluit tevens voor internetconsultatie open te stellen, is afgezien. Als gevolg van de zienswijzeprocedure kan een ieder namelijk al op het ontwerpbesluit reageren.

Het daarnaast nog openstellen van een mogelijkheid om ook via internetconsultatie opmerkingen te maken over het ontwerpbesluit, is daardoor overbodig en zou in de praktijk tot onduidelijkheid en extra uitvoeringslasten leiden. Artikel 23.4 van Omgevingswet, dat voorziet in een verplichting tot publieksparticipatie over een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur, biedt de ruimte om in plaats van internetconsultatie via een zienswijzeprocedure een ieder in de gelegenheid te stellen om opmerkingen over het ontwerpbesluit te maken. 16 17

14

Advisering van de Raad van State (Afdeling Advisering). 9. De Afdeling Advisering heeft over het ontwerpbesluit advies uitgebracht. 10. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft naar aanleiding van het advies een nader rapport aan de Koning uitgebracht. 11. Vervolgens is het besluit vastgesteld en heeft bekendmaking in het Staatsblad plaatsgevonden. Na de inwerkingtreding van het besluit zullen de milieueffecten worden gemonitord en zal daarover worden gerapporteerd. Als de uitkomsten daartoe aanleiding geven, kunnen de windturbinebepalingen worden aangepast. 3.5 Verschillen tussen het onderhavige besluit en de overbruggingsregeling Het onderhavige besluit komt in de plaats van de overbruggingsregeling, waarin na de uitspraak Delfzijl Zuid was voorzien. Die regeling had tot doel om in afwachting van de te verrichten plan-mer te voorzien in passende milieubescherming voor omwonenden en ook rechtszekerheid te bieden voor voortzetting van de exploitatie van bestaande windparken (van drie of meer windturbines). De overbruggingsregeling was een noodzakelijke tussenstap op weg naar een besluit dat onderbouwd wordt door een plan-MER. De plan-mer heeft aanleiding gegeven tot enkele wijzigingen, zowel inhoudelijk als instrumenteel, ten opzichte van de eerdere windturbinebepalingen in de overbruggingsregeling.

Dit is een gevolg van nieuwe informatie en inzichten die beschikbaar zijn gekomen in het plan-MER. De in het onderhavige besluit gevolgde aanpak vertoont de volgende inhoudelijke en instrumentele verschillen ten opzichte van de overbruggingsregeling (alleen de belangrijkste zijn in onderstaande opsomming weergegeven). 20 1. Na 1 januari 2032 zal in de regeling geen onderscheid meer worden gemaakt tussen losse windturbines en windparken. Hiermee wordt teruggekeerd naar de opzet van de eerdere windturbinebepalingen die onderwerp waren van de uitspraak Delfzijl Zuid. Het onderscheid werd in de overbruggingsregeling gemaakt, omdat de windturbinebepalingen alleen voor wind(turbine)parken met drie of meer windturbines buiten toepassing moesten worden gelaten. 2. De algemene milieuregels zijn ook weer van toepassing op nieuwe windturbines in windparken. De overbruggingsregeling was alleen van toepassing op bestaande windturbines (zo lang hiervoor geen nieuwe besluiten moesten worden genomen). 3. Voor na 30 juni 2021 verleende omgevingsvergunningen voor windparken die voorschriften bevatten over eerder in algemene milieuregels geregelde onderwerpen, is in een regeling voorzien waardoor hierop ook weer de algemene milieuregels van toepassing worden. 4. Er is ook weer in algemene milieuregels voor windparken voorzien na afloop van de periode waarin de bruidsschatregeling van kracht is.

5. Voor externe veiligheid zijn geen rechtstreeks werkende, tot de exploitanten van windturbines gerichte, algemene risiconormen meer in het Bal opgenomen. Deze zijn vervangen door tot het bevoegd gezag gerichte instructieregels, die in het Bkl zijn gesteld. 6. De eerdere grenswaarde voor met het oog op externe veiligheidsrisico’s beperkt kwetsbare objecten is vervangen door een strengere risiconorm, die de status van standaardwaarde (onder de Omgevingswet) heeft. Ook is deze norm, net als de andere risiconormen, een instructieregel geworden in plaats van een rechtstreeks werkende regel. 7. Er zijn uit een oogpunt van externe veiligheid ook algemene regels gesteld ter voorkoming van het optreden van domino-effecten als gevolg van een ongeval met een windturbine. Het betreft risico’s die zijn verbonden aan activiteiten die door het ongeval worden getroffen en niet aan de windturbine zelf. Dergelijke risiconormen zijn gesteld in de vorm van instructie- en beoordelingsregels (onder de Omgevingswet). Regels met betrekking tot domino-effecten waren eerder alleen gesteld voor windturbines in relatie tot buisleidingen waarin gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 8.

Er zijn ook rechtstreeks werkende, tot de exploitanten van windturbines gerichte, Dit zijn ook verschillen ten opzichte van de eerdere windturbinebepalingen, die ongewijzigd in de vorm van een overbruggingsregeling opnieuw zijn vastgesteld. 20

15

algemene milieuregels gesteld die betrekking hebben op de volgens internationale afspraken verplichte verlichting van windturbines uit een oogpunt van externe veiligheid, in het bijzonder het voorkomen van ongevallen als gevolg van een botsing tussen een luchtvaartuig en een windturbine. Deze regels strekken tegelijkertijd ter beperking van daardoor optredende lichthinder. Deze onderwerpen waren tot nu toe in de windturbinebepalingen niet geregeld. 9. Ter beperking van geluidhinder is er naast de eerdere grenswaarde van 47 dB Lden een standaardwaarde van 45 dB Lden geïntroduceerd. 10. De regeling ter beperking van de hinder door slagschaduw van windturbines is verbeterd en uitgebreid. De verbetering houdt in dat de totale periode waarin slagschaduw op een gevoelig gebouw mag worden veroorzaakt, is vastgelegd in plaats van het aantal dagen waarop gedurende een bepaalde tijdsduur slagschaduw mag worden veroorzaakt. Daarnaast is er een nieuwe norm voor cumulatie van slagschaduwhinder door verschillende windturbines of combinaties van windturbines opgenomen. 11. Er is een afstandsnorm opgenomen die tussen windturbines en windturbinegevoelige gebouwen in acht moet worden genomen. Er heeft een beperkt aantal kleinere bijstellingen plaatsgevonden.

De keuze voor een aantal wijzigingen was al eerder in het kader van de Omgevingswet gemaakt en vloeit niet uit het plan-MER voort, zoals de keuze voor meer decentralisatie en minder gedetailleerde regulering vanuit het Rijk. Hierdoor zijn sommige rechtstreeks werkende, tot de exploitanten van windturbines gerichte, regels van het voormalige Abm nu als tot het bevoegd gezag gerichte instructieregels in het Bkl opgenomen. 3.6 Kennisleemten en conclusie Het plan-MER heeft de beschikbare informatie en algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten in kaart gebracht en hiermee onderbouwing geleverd voor het onderhavige besluit. Weliswaar is voor een aantal aspecten nog nader wetenschappelijk onderzoek wenselijk dat tot meer of beter inzicht kan leiden, maar het betreft geen aspecten die grote consequenties hebben voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De beschikbare en ontbrekende informatie en daarop gebaseerde inzichten geven geen aanleiding tot zoveel twijfel dat het niet verantwoord zou zijn om die aspecten in het onderhavige besluit te regelen zonder eerst nader onderzoek te verrichten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit wordt bepaald door het belang en de risico’s van de aspecten waarover kennis ontbreekt of nog onzeker is enerzijds en de aard en omvang van de onzekerheid anderzijds.

In het plan-MER is voor elk onderzocht aspect een overzicht van leemten in kennis weergegeven. De risico's zijn beperkt. Er is daarom in het kader van de opstelling van het onderhavige besluit geconcludeerd dat er geen (voorzorgs)maatregelen nodig zijn. Eventuele leemten in kennis die in het plan-MER worden behandeld hebben betrekking op de volgende onderwerpen: geluid, externe veiligheid, slagschaduw, afstandsnormen en naderingsdetectie. In paragraaf 15.1 van het plan-MER zijn alle leemten op een rij gezet. In paragraaf 15.2 van het plan-MER is aangegeven dat nieuwe of gewijzigde inzichten aanleiding kunnen geven om op termijn de normstelling te evalueren en eventueel aan te passen. Het gaat in het bijzonder om de volgende kennisleemten. - Windturbinegeluid wordt bij eenzelfde geluidbelasting als hinderlijker beschouwd dan geluid van industrie, wegen en spoorwegen. Een belangrijke oorzaak hiervan is het ritmische karakter van het geluid. De ritmische variaties in het geluidniveau met de frequentie waarmee een rotorblad een bepaald punt passeert worden aangeduid met amplitudemodulatie. Overmatige amplitudemodulatie kan tot extra hinder leiden. Het is niet bekend in welke mate overmatige amplitudemodulatie optreedt. De conclusie in het plan-MER is dat deze leemte geen gevolgen heeft voor de huidige besluitvorming.

De effectbeoordeling is gebaseerd op de huidig beschikbare informatie over dosiseffectrelaties van windturbinegeluid. Verwezen wordt naar paragraaf 9.4 van het planMER. - Er zijn ook enkele leemten in kennis met betrekking tot de externe veiligheidsrisico’s voor kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. De toekomstige gevolgen van

16

het gecombineerde effect als gevolg van groter worden van windturbines en veiliger worden van windturbines zijn nog onbekend. Verder bestaat er onzekerheid over de toepasbaarheid van de huidige faalfrequenties van windturbines en onzekerheden over de toe te passen faalscenario’s behorende bij de faalfrequenties. Ook deze leemten in kenniszijn geen aanleiding om in het kader van het onderhavige besluit (voorzorgs)maatregelen te treffen. Voor een bespreking hiervan wordt verwezen naar paragraaf 10.4 van het plan-MER. - Voor het beoordelingscriterium hinder door slagschaduw bestaan geen leemten in kennis die de huidige besluitvorming over de windturbinebepalingen beïnvloedt. Dit is de conclusie die is getrokken in paragaaf 11.4 van het plan-MER. - Er is maar beperkt onderzoek beschikbaar over lichthinder in combinatie met vrijwillig toepassen van naderingsdetectie als beste beschikbare techniek. Naderingsdetectie heeft alleen positieve milieueffecten. Daarom is de leemte in kennis dat de omvang van het positieve effect niet exact bekend is, geen aanleiding om in het kader van het onderhavige besluit (voorzorgs)maatregelen te treffen (zie paragraaf 12.4 van het plan-MER). 4. Geluidhinder 4.1 Inleiding Mensen ervaren in hun fysieke leefomgeving vele soorten geluid. Dat kan omgevingseigen geluid zijn (bijv. wind, branding), bewust geproduceerd geluid (bijv.

muziek) of functioneel geluid (bijv. stemgeluid). Ook is veelal geluid waarneembaar afkomstig van activiteiten zoals verkeer, laden en lossen, bouwen, industrie en andere bedrijfsmatige activiteiten. Tot die laatste categorie behoren ook de windturbines. Geluid heeft een substantiële invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en kan leiden tot hinder, slaapverstoring en verstoring van de dagelijkse activiteiten, wat stressreacties veroorzaakt. Deze effecten van geluid kunnen op hun beurt weer aanleiding geven tot stressgerelateerde gezondheidsklachten. Daarom zijn het beleid en de wetgeving op h et gebied van geluid erop gericht om omwonenden bescherming te bieden tegen hinder en slaapverstoring door geluid. In dit besluit zijn bepalingen opgenomen ter beperking van hinder en slaapverstoring door geluid van windturbines. Hierbij geldt, net als bij andere geluidbronsoorten, dat niet kan worden uitgesloten dat toch hinder kan worden ervaren, omdat er anders geen enkele ruimte zou zijn voor maatschappelijke activiteiten zoals verkeer en bedrijvigheid. Voor de normering van windturbinegeluid geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moet bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is voor het halen van de duurzame energiedoelstellingen.

4.2 Regels voor geluidgevoelige gebouwen In de wet- en regelgeving gelden regels voor alle geluidbronnen voor geluidgevoelige gebouwen. Geluidgevoelige gebouwen zijn kort gezegd woningen (inclusief woonschepen en woonwagens), onderwijsgebouwen, en zorggebouwen en kinderdagverblijven waar geslapen wordt (dus niet de tandartspraktijk en niet de buitenschoolse opvang). Het betreft dus vooral gebouwen waar mensen langdurig verblijven en ook slapen en waar te veel geluid kan leiden tot onder meer slaapverstoring. Daarnaast vallen ook onderwijsgebouwen hieronder omdat te veel geluid klassikaal onderwijs kan verstoren en een nadelige invloed heeft op de concentratie van de leerlingen. Gebouwen worden alleen als geluidgevoelig aangemerkt als zij planologisch zijn toegelaten, bijvoorbeeld in het omgevingsplan of met een omgevingsvergunning. Gebouwen die planologisch niet als woning zijn aangemerkt, maar in strijd met de planologische regels wel gebruikt worden als woning, worden dus niet als geluidgevoelig gebouw beschouwd. Het geluid van geluidbronnen op geluidgevoelige gebouwen wordt berekend en beoordeeld op de gevel van die gebouwen. 4.3 Normering in standaardwaarde en grenswaarde Voor windturbinegeluid gold voorheen een enkele normwaarde, waarvan onder bepaalde omstandigheden gemotiveerd naar boven of naar beneden kon worden afgeweken.

Met dit besluit wordt – in aansluiting op de wijze van normeren voor verschillende andere geluidbronnen onder de Omgevingswet - gekozen voor een bandbreedte in de geluidnormering via het hanteren van een standaardwaarde in combinatie met een grenswaarde. Een standaardwaarde geeft een situatie aan die gezondheidskundig

17

toereikend wordt geacht. Onder deze waarde kan nog wel hinder optreden, maar er is dan geen nader akoestisch onderzoek of afweging nodig. Wanneer aan de standaardwaarde is voldaan, gelden met het oog op geluid geen belemmeringen omdat dan voldoende bescherming tegen geluidhinder wordt geboden. Daarboven kan, mits gemotiveerd, een hoger geluidniveau tot aan de grenswaarde toegelaten worden. De grenswaarde geeft daarmee het beschermingsniveau aan dat in ieder geval bereikt en in stand gehouden moet worden (basisbeschermingsniveau). Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen. Bij die afweging kunnen bijvoorbeeld de specifieke aard van een gebied, de bevolkingsdichtheid of cumulatieve effecten van verschillende geluidbronnen worden betrokken.

Net als bij de andere geluidregels onder de Omgevingswet gelden ook bij windturbines de standaard- en grenswaarden niet voor geluidgevoelige gebouwen op een gezoneerd industrieterrein (onder de Omgevingswet: industrieterrein met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden) of die een functionele binding hebben met windturbines of een windpark en ook als zodanig zijn aangemerkt in het gemeentelijke omgevingsplan (artikel 5.55, tweede lid, onder a, respectievelijk artikel 5.61 van het Bkl). In geval van een windpark geldt de geluidnorm voor alle windturbines in het windpark tezamen. 4.4 Geluidmaten en relatie met hinder De geluidnormering (standaard- en grenswaarden) voor windturbines is gebaseerd op de maten voor geluid op de gevel in Lden en Lnight, uitgedrukt in A-gewogen decibellen (dB). De A-weging wordt toegepast om rekening te houden met de gevoeligheid van het menselijk oor voor de verschillende frequenties van geluid. Lden is het jaargemiddelde geluidniveau over het hele etmaal, Lnight is het jaargemiddelde geluidniveau in de nachtperiode. Bij het bepalen van de jaargemiddelde waarde in Lden, weegt het geluid in de avond- (19-23 uur) en nachtperiode (23-7 uur) 5 dB respectievelijk 10 dB zwaarder mee.

Dit wordt gedaan om rekening te houden met de extra hinderlijkheid van geluid tijdens de avond en de nacht, omdat er dan meestal minder omgevingsgeluid is dan overdag en mensen vaker in rust zijn. Daarnaast is de nachtperiode extra gevoelig omdat mensen dan gewoonlijk slapen. Doordat geluid in de nacht zwaar meetelt in Lden, wordt bij veel nachtelijk geluid de norm sneller bereikt. Zo biedt een normering in Lden ook passende bescherming tegen hoge nachtelijke geluidniveaus. Vanwege het relatief constante karakter van windturbinegeluid, met beperkte verschillen tussen de dag-, avond- en nachtperiode, hangen Lden en Lnight nauw met elkaar samen. Een aanvullende normering in Lnight waarborgt wel dat het binnen de normering in Lden toegestane geluid niet met name in de nacht kan worden geconcentreerd. Een dergelijke situatie zou zich in theorie kunnen voordoen indien er overdag een overaanbod is aan zonne-energie en windturbines stil worden gezet. Als bijkomend voordeel van het aanvullend hanteren van Lnight noemt het plan-MER dat deze maat directer samenhangt met de daadwerkelijk optredende geluidniveaus en daarom eenvoudiger te begrijpen is dan Lden. Ook in de communicatie met omwonenden heeft Lnight daarom een meerwaarde naast Lden. Er is gekozen voor jaargemiddelde normering, omdat dit aansluit bij de beschikbare hinderrelaties uit wetenschappelijke studies.

Daarin werd gerapporteerd over de mate van hinder door geluid over een langdurige periode met daarbinnen wisselende omstandigheden. De maten Lden en Lnight worden sinds 2002 gehanteerd in de EUrichtlijn Omgevingslawaai (2002/49/EG) om effecten van geluid over een langere periode te beoordelen. Ook de WHO drukt advieswaarden uit in deze geluidmaten. Voor andere geluidbronsoorten is de geluidnormering in Nederland eveneens gebaseerd op Lden, waar nodig aangevuld met Lnight om specifiek tegen slaapverstoring te beschermen. Alleen bij de zeer brede categorie ‘bedrijfsmatige activiteiten’ geldt een andersoortig normenstelsel omdat binnen die categorie, maar ook binnen één bedrijfsmatige activiteit sprake kan zijn van zeer uiteenlopende en ongelijksoortige typen geluid, waaronder soms plotseling optredende hoge piekniveaus die tot schrikreacties kunnen leiden. Voor dergelijke bedrijfsmatige activiteiten is een normering in Lden daarom niet passend. Dergelijke ongelijksoortige geluiden en kortstondige pieken in geluidniveau komen echter niet voor bij windturbinegeluid. Windturbinegeluid heeft wel een specifiek karakter, veelal getypeerd als zwiepend of zoevend, dat tot uitdrukking komt in de specifieke relatie tussen het geluidniveau en de bijbehorende kans op ernstige hinder.

Hieruit blijkt dat windturbinegeluid bij eenzelfde geluidniveau als hinderlijker wordt ervaren dan bijvoorbeeld verkeersgeluid. Hiermee is in de normstelling rekening gehouden door de

18

hoogte van de normering in Lden zo te kiezen dat de mate van bescherming tegen hinder vergelijkbaar is met die voor andere geluidbronsoorten. Om die reden bevat dit besluit voor windturbinegeluid een lagere standaardwaarde (zie hierna onder ‘Beschermingsniveau’) dan de standaardwaarden voor bijvoorbeeld verkeersgeluid. Omdat Lden en Lnight jaargemiddelden zijn, kan het misverstand ontstaan dat de normering korte perioden met zeer hoge geluidniveaus mogelijk maakt, omdat deze over het jaar heen zouden worden weggemiddeld tegen perioden met weinig wind en lage geluidniveaus. Daarnaast leeft de zorg bij omwonenden dat het jaargemiddelde geluidniveau geen goed beeld geeft van de op enig moment door hen ondervonden hinder. Om die reden pleit men ook wel voor een normering op basis van het maximale geluidniveau dat windturbines (op enig moment) kunnen voortbrengen. Het plan-MER besteedt aandacht aan de relatie tussen het jaargemiddelde en het maximaal optredende geluidniveau en laat zien dat deze in de praktijk sterk samenhangen. Het jaargemiddelde geluidniveau op een woning wordt voorafgaand aan plaatsing van een windturbine, of bij tussentijdse controle, berekend voor de geluidskarakteristieken van het betreffende type windturbine en hangt daarnaast rechtstreeks samen met de lokaal verwachte windsnelheden over het jaar.

Uit het plan-MER volgt dat, uitgaande van een windturbine in het Nederlandse windklimaat, het maximale geluidniveau op de gevel 2 dB tot hoogstens 4 dB hoger kan zijn dan het jaargemiddelde zoals uitgedrukt in Lnight. Bij een plan-mer voor een windturbine met een hoger maximaal geluidniveau zou dat betekenen dat de windturbine bij hoge windsnelheden regelmatig moet worden stilgezet of in een stillere modus moet draaien om aan hetzelfde jaargemiddelde te kunnen voldoen, waardoor de windturbine al snel niet rendabel zou zijn. Het komt daarom in de praktijk niet voor dat windturbines een deel van het jaar stilstaan en de rest van het jaar veel meer geluid kunnen produceren, terwijl men toch binnen de jaargemiddelde normering blijft. Een jaargemiddelde normering begrenst op die manier ook het maximaal optredende geluidniveau van de windturbine en bovendien de tijd waarin het geluid maximaal kan zijn. Hierbij geldt: hoe hoger het maximale geluidniveau, hoe korter of minder vaak het mag optreden. Een normering die gericht is op beperking van het maximaal optredende geluidniveau biedt dit voordeel volgens het plan-MER niet. 4.5 Toezicht en handhaving Een vaak geuite zorg is dat bij een jaargemiddelde geluidnorm pas achteraf per kalenderjaar op basis van de bij de exploitant opgevraagde draaigegevens gehandhaafd kan worden.

Het plan-MER concludeert dat een dergelijke methodiek van handhaving in de ogen van omwonenden niet redelijk is, maar dat de achterliggende oorzaak ligt bij de invulling en interpretatie van de regeling en niet zozeer bij de jaargemiddelde norm. Het plan-MER geeft een aantal oplossingsrichtingen ter overweging: a) omwonenden meer inzicht geven in de maximale niveaus en hoe vaak deze voorkomen; b) bij de handhaving van de geluidnorm niet uitgaan van de werkelijke windgegevens, maar hiervoor gebruik te maken van de langjaargemiddelde windgegevens van het KNMI, in combinatie met metingen van het geluid dat de windturbine bij verschillende windsnelheden voortbrengt; c) anders dan bij b) wel uitgaan van de werkelijke windgegevens en de frequentie van toetsing te verhogen naar bijvoorbeeld iedere maand via een voortschrijdend jaargemiddelde; d) transparantie verhogen door de procedure voor aanlevering van geluidgegevens door de exploitant aan te scherpen. Aan oplossingsrichting a) kan gevolg worden geven door in het akoestisch rapport dat bij de vergunningaanvraag moet worden ingediend op te laten nemen hoe de maximale geluidniveaus zich lokaal verhouden tot Lden en Lnight en hoe vaak ze op basis van het lokale windklimaat naar verwachting voorkomen.

Omdat deze informatie afgeleid kan worden van gegevens die toch al benodigd zijn voor het akoestisch rapport, leidt dit niet tot additionele lasten of kosten. Als uitgangspunt bij de handhaving is, conform de eerdere regeling, gekozen voor oplossingsrichting b), waarmee optie c) als alternatief daarvoor niet meer van toepassing is. Dit houdt in dat het bevoegd gezag bij klachten tussentijds via metingen kan checken of het geluid dat de windturbine bij verschillende windsnelheden voortbrengt overeenkomt met het vooraf ingeschatte geluid. Vervolgens worden deze meetgegevens gecombineerd met de langjarige windgegevens om te zien of de daarmee berekende geluidniveaus op de gevel van woningen nog voldoen aan de jaargemiddelde norm. Zo niet (bijvoorbeeld door slijtage of een mankement), dan moet

19

de windturbine (een deel van de tijd) worden stilgezet of in een stillere modus draaien totdat een eventueel mankement is verholpen. Zo kan met behulp van metingen ook al tussentijds worden gehandhaafd. Omdat hiermee aangesloten wordt bij de eerdere regeling is er geen extra regeldruk te verwachten. De draaigegevens dienen vooral ter controle achteraf of de windturbine in de juiste geluidmodus heeft gedraaid, waarmee optie d) om de procedure voor aanlevering van de geluidgegevens aan te scherpen minder relevant is. 4.6 Gezondheidseffecten van windturbinegeluid Bij de beoordeling van de varianten voor de geluidnormering in het plan-MER is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Hieruit blijkt een direct verband tussen hinder en het geluidniveau van windturbines: de hinder neemt toe bij toenemende geluidniveaus van windturbines. In het plan-MER is aangesloten bij de definitie die de WHO hanteert voor gezondheid: in lijn daarmee wordt ernstige hinder als een gezondheidseffect beschouwd dat op langere termijn kan leiden tot ernstiger gezondheidseffecten (WHO Environmental Noise Guidelines for the European Region, 2018). Daarnaast is voor slaapverstoring wel een verband gevonden, maar uit het beperkte aantal studies komen geen eenduidige conclusies over de relatie met windturbinegeluid naar voren.

Met uitzondering van slaapverstoring is er onvoldoende bewijs voor andere directe gezondheidseffecten dan hinder als gevolg van windturbinegeluid. Wel kunnen er indirecte effecten zijn die samenhangen met ernstige hinder, in de vorm van aan stress gerelateerde gezondheidsklachten zoals hoofdpijn of duizeligheid. Op basis van deze bevindingen is in het plan-MER voor de beoordeling van effecten op gezondheid uitgegaan van het percentage ernstig gehinderden. Het percentage ernstig gehinderden is een begrip uit het (nationale en internationale) geluidbeleid dat uitdrukking geeft aan het percentage van het aantal volwassen personen dat zich gemiddeld genomen bij blootstelling aan een specifiek geluidniveau ernstig gehinderd voelt. Dit percentage is daarmee te beschouwen als de kans op ernstige hinder bij dat geluidniveau. De relatie tussen geluidniveau en kans op ernstige hinder wordt afgeleid uit studies waarin mensen die in de buurt van windturbines wonen zijn bevraagd naar hun beleving. Een vergelijking van de eerder in de Nederlandse regelgeving gehanteerde relatie met meer recente gegevens wijst volgens het plan-MER niet op wezenlijk nieuwe inzichten.

Net als bij andere milieuregelgeving geldt dat, indien op termijn nieuwe wetenschappelijke onderzoeksresultaten uit binnen- of buitenland beschikbaar komen, bekeken zal worden of dit moet leiden tot wijziging, ofwel actualisering, van de toepasselijke regelgeving. 4.7 Plan-MER Windturbinebepalingen geluid In deze paragraaf wordt kort weergegeven hoe het plan-MER de varianten en subvarianten voor de geluidnormering van windturbines heeft beoordeeld. Deze informatie heeft als grondslag gediend voor de in dit besluit opgenomen bepalingen. Varianten voor de geluidnormering: Het plan-MER heeft naast het ‘alternatief ongewijzigde regels’ (norm van 47 dB L den) vijf andere mogelijke niveaus beoordeeld voor de geluidnormering, waaronder vier strengere waarden (37, 40, 43 en 45 dB Lden) en één soepelere waarde van 50 dB Lden. De varianten zijn niet beoordeeld in absolute zin, maar in vergelijking tot de referentienorm van 47 dB Lden. Hierbij is gekeken naar de af- of toename van de kans op ernstige hinder wanneer men als omwonende wordt blootgesteld aan een gevelniveau dat gelijk is aan de betreffende waarde. De soepelste waarde (50 dB L den) wordt zeer negatief beoordeeld omdat de kans op ernstige hinder sterk toeneemt.

Bij waarden van 45 en 43 dB Lden is (ten opzichte van de referentienorm van 47 dB Lden) de verwachte afname in de kans op ernstige hinder tussen 20 en 60%, wat resulteert in een positieve beoordeling ten opzichte van de referentie. De twee strengste waarden (40 en 37 dB Lden) worden zeer positief beoordeeld omdat de kans op ernstige hinder sterk daalt (afname van meer dan 60%). Voor het plaatsingspotentieel geldt het omgekeerde als voor ernstige hinder: een strengere normering vertaalt zich in een afname van het plaatsingspotentieel en een versoepeling leidt tot een toename daarvan. De beoordeling van deze varianten ligt ten grondslag aan de in dit besluit opgenomen geluidnormering (zie toelichting hierna onder ‘Beschermingsniveau’). Beoordeling plan-MER van varianten voor geluidnormering op hinder en plaatsingspotentieel:

20

Waarde

Kans op ernstige Beoordeling kans PlaatsingsBeoordeling hinder binnen op ernstige hinder potentieel plaatsingspotentieel 37 dB Lden 0,6% +++ ca. 91% afname - - 40 dB Lden 1,4% +++ ca. 80% afname - - 43 dB Lden 3,2% ++ ca. 53% afname - 45 dB Lden 5,2% ++ ca. 27% afname* - 47 dB Lden 8,1% (ref) 0 ref 0 50 dB Lden 14,4% --ca. 47% toename ++ *ca. 34% conform Generation Energy 2021, overige schattingen conform RIVM 2009. Subvarianten voor de geluidnormering: In het plan-MER is ook onderzocht wat de eventuele meerwaarde is van het toepassen van een aanvullende norm voor laagfrequent geluid, voor tonaal geluid en voor geluid binnenshuis. Daarnaast is beoordeeld of er aanleiding is voor gedifferentieerde normen per gebiedstype. Hieronder wordt voor elk van de vier subvarianten aangegeven wat er uit het plan-MER volgt en welke conclusies hieruit zijn getrokken voor de geluidnormering die in dit besluit is opgenomen. 1) Laagfrequent geluid (LFG): Op basis van een literatuurstudie van het RIVM (2021) concludeert het plan-MER dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat LFG andere effecten voor omwonenden heeft dan ‘normaal’ geluid. Het plan-MER geeft aan dat het specifieke karakter van windturbinegeluid, met zowel hoge als lage tonen, zich vertaalt in de bijbehorende mate van hinder.

Omdat bij de bepaling van de hoogte van de normering al rekening wordt gehouden met deze specifieke hinder, voegt een aparte norm voor LFG niets toe. Bij hogere geluidniveaus (vanaf een geluidnorm van 43 dB Lden) zou een aanvullende norm voor LFG mogelijk kunnen helpen om te voorkomen dat er in de toekomst eventueel windturbines met relatief meer LFG komen. Het plan-MER laat echter ook zien dat het aandeel LFG van nieuwe, grote windturbines niet wezenlijk verschilt van dat van kleinere windturbines. Omdat er geen reden is om te verwachten dat LFG sterk zal toenemen in de toekomst en aparte normering alleen de uitvoeringslasten zal verhogen, is hier in de regelgeving niet voor gekozen. 2) Tonaal geluid: Tonaal geluid is geluid dat duidelijk herkenbare zuivere tonen bevat en wordt doorgaans als extra hinderlijk ervaren. Het plan-MER benadrukt dat windturbines normaal gesproken geen tonaal geluid voortbrengen, maar dat windturbines die dit wel doen als hinderlijker worden ervaren. Om probleemsituaties met tonaal geluid te voorkomen of hier beter op te kunnen handhaven, geeft het plan-MER in overweging om eventueel optredend tonaal geluid via een toeslag zwaarder mee te wegen in het geluidniveau. De toeslag zorgt ervoor dat de norm al bij een lager optredend geluidniveau overschreden wordt.

Dit betekent dat windturbines met tonaal geluid effectief een lager geluidniveau op de gevel van woningen mogen veroorzaken. Hiermee wordt geborgd dat windturbines niet tot bovenmatig veel hinder door tonaal geluid leiden. Een toeslag heeft volgens het plan-MER de voorkeur boven een algeheel verbod via de certificering, omdat tonaal geluid op voorhand niet volledig kan worden uitgesloten en ook niet altijd volledig kan worden weggenomen. Opnemen van een toeslag vormt een stimulans voor fabrikanten en ontwikkelaars om al in het ontwerp en de uitvoering tonaal geluid te voorkomen. Het is ook mogelijk dat een windturbine pas na verloop van tijd gedurende de exploitatie tonaal geluid gaat veroorzaken, bijvoorbeeld door slijtage. Een toeslag stimuleert exploitanten dan om het tonaal geluid via technische oplossingen weg te nemen als het onverhoopt toch optreedt, omdat een toeslag dan niet langer van toepassing is. Het plan-MER beoordeelt een toeslag voor tonaal geluid als van grote meerwaarde. Daarom is gekozen om voor tonaal geluid van windturbines een toeslag van 5 dB op Lden te hanteren; de toeslag geldt dan dus voor het jaargemiddelde geluidniveau en niet alleen voor de tijd dat het tonaal geluid daadwerkelijk optreedt.

De toeslag en de methode om objectief vast te stellen of er sprake is van tonaal geluid worden vastgelegd in de regels voor het bepalen van windturbinegeluid in de Omgevingsregeling. Omdat tonaal geluid van windturbines slechts in uitzonderlijke gevallen optreedt en er alleen bij een vermoeden van tonaal geluid naar aanleiding van klachten extra wordt gemeten, zal de objectieve vaststelling en het toepassen van de toeslag niet tot extra regeldruk leiden.

21

3) Binnenwaarde: Het plan-MER heeft ook onderzocht of een geluidnorm voor de binnenwaarde een meerwaarde heeft in aanvulling op de gevelnorm. Hiervoor is primair naar de nachtperiode gekeken, met het oog op het voorkomen van slaapverstoring. Op grond van de WHO-advieswaarden van 45 dB Lden voor windturbinegeluid (2018) en 40 dB Lnight voor algemeen nachtelijk geluid (2009) kan geconcludeerd worden dat een aanvullende norm voor de binnenwaarde niet nodig is bij een gevelnorm van 45 dB Lden of lager en bijbehorende 39 dB Lnight of lager. Bij normale gevelwering zal dan volgens de WHO geen sprake zijn van onacceptabele slaapverstoring. Bij een grenswaarde van 47 dB Lden wordt een lichte meerwaarde gezien, omdat zonder aanvullende norm sprake zou kunnen zijn van een iets te hoog geluidniveau binnen indien uitgegaan wordt van het slechtste geval voor de gevelwering. In het kader van het plan-MER is aanvullend onderzoek gedaan dat dieper ingaat op de verwachte niveaus van LFG binnenshuis rekening houdend met de specifieke gevelwering voor LFG. Dit onderzoek (Peutz, 2023) laat zien dat bij een grenswaarde van 47 dB Lden of lager verwacht mag worden dat in het algemeen geen relevante hinder optreedt ten gevolge van LFG binnenshuis, zodat ook een specifieke norm voor de binnenwaarde van LFG geen meerwaarde biedt.

Aangezien aparte normering voor een binnenwaarde (vrijwel) geen meerwaarde heeft in aanvulling op de voorgestelde normering op basis van Lden maar deze wel tot hoge uitvoeringslasten zou leiden, is hiervoor niet gekozen. Beoordeling in plan-MER van subvarianten laagfrequent geluid, tonaal geluid en binnenwaarde: Grenswaarde 37 dB Lden 40 dB Lden 43 dB Lden 45 dB Lden 47 dB Lden 50 dB Lden

Norm laagfrequent geluid Geen meerwaarde Geen meerwaarde Lichte meerwaarde Lichte meerwaarde Lichte meerwaarde Lichte meerwaarde

Norm tonaal geluid Lichte meerwaarde Grote meerwaarde Grote meerwaarde Grote meerwaarde Grote meerwaarde Grote meerwaarde

Norm binnenwaarde Geen meerwaarde Geen meerwaarde Geen meerwaarde Geen meerwaarde Lichte meerwaarde Grote meerwaarde

4) Gedifferentieerde normen: Tot slot is in het plan-MER onderzocht of er aanleiding is om de geluidnorm af te laten hangen van lokale kenmerken van de situatie, bijvoorbeeld bevolkingsdichtheid van het gebied of het heersende omgevingsgeluid. Dit levert geen eenduidig beeld. Aan de ene kant verandert in een relatief stille omgeving het geluidklimaat door de realisatie van een windpark sterker dan in een meer geluidbelaste omgeving. Aan de andere kant ondervinden in een geluidbelaste omgeving mensen al relatief veel hinder en kan deze hinder door cumulatieve effecten toenemen, tenzij het heersende omgevingsgeluid zo hoog is dat het windturbinegeluid (grotendeels) wordt gemaskeerd. Daarnaast kan de bevolkingsdichtheid in een gebied een rol spelen bij de afweging omdat het invloed heeft op het aantal mensen dat mogelijk ernstig gehinderd is. Het planMER geeft aan dat, in plaats van nationale differentiatie op basis van type omgeving, het heersende achtergrondniveau of de gebiedsbestemming, ook zou kunnen worden gekozen voor een differentiatie op basis van een lokale, situatiespecifieke afweging.

Omdat er geen eenduidige gronden zijn om op voorhand een differentiatie in normen op nationaal niveau aan te brengen, is in dit besluit gekozen voor een bandbreedte in de normering, waarbinnen het lokaal bevoegd gezag op basis van een bestuurlijk afwegingsproces situatiespecifieke plan-mers kan maken. Dit is in lijn met de geluidregels onder de Omgevingswet voor andere geluidbronnen, waarbij ook geen sprake is van een differentiatie op nationaal niveau, maar waarbij de afwegingsruimte aan lokale overheden de mogelijkheid geeft om bij de besluitvorming desgewenst ook de eigenschappen van een gebied een rol te laten spelen. 4.8 Beschermingsniveau Als standaardwaarde voor windturbinegeluid is gekozen voor 45 dB Lden, de (voorwaardelijke) WHO-advieswaarde voor geluid van windturbines, en de hiermee corresponderende 39 dB Lnight. Hiermee wordt qua beschermingsniveau aangesloten bij andere geluidbronsoorten, waarvoor de standaardwaarde in de regelgeving ligt op niveaus die in grote lijnen overeenkomen met de WHO-advieswaarden. Zoals hiervoor beschreven onder ‘Normering in standaardwaarde en grenswaarde’ kan ook dan nog hinder optreden,

22

maar is bij of onder de standaardwaarde in algemene zin sprake van een gezondheidskundig toereikende situatie. In alle gevallen wordt dan ook voldaan aan de WHO-advieswaarde voor algemeen nachtelijk geluid van 40 dB Lnight, waarmee een voldoende mate van bescherming wordt geboden tegen slaapverstoring door geluid binnenshuis. Als grenswaarde blijft de eerder in het Abm gehanteerde normering van 47 dB Lden en 41 dB Lnight van kracht, zodat afwijkingen van de standaardwaarde op basis van lokale afweging aan een maximum zijn gebonden. Indien voor bestaande windturbines of windparken een andere waarde gold dan de nieuwe standaardwaarde van 45 dB Lden, blijft deze van kracht totdat de windturbine of het windpark wordt vervangen (zie hierna onder ‘Overgangsrecht’). In veruit de meeste gevallen zal hiermee voldaan worden aan de nieuwe grenswaarde van 47 dB Lden. Ook volgens recente inzichten biedt deze normering nog steeds een acceptabel beschermingsniveau: bij een gevelniveau dat gelijk is aan de grenswaarde, is er een kans van circa 8% dat een bewoner binnenshuis ernstige hinder ervaart. Deze bescherming tegen hinder is in lijn met de uitgangspunten voor de grenswaarden voor andere geluidbronsoorten of strenger.

De keuze voor een strengere normering (grenswaarde en standaardwaarde) zou onnodig negatieve effecten hebben op het plaatsingspotentieel, met gevolgen voor het halen van de duurzame energiedoelstellingen. Een hogere grenswaarde dan 47 dB Lden wordt niet wenselijk geacht, ook al zou dit als voordeel hebben dat het plaatsingspotentieel voor windturbines hierdoor toeneemt. Het plan-MER laat zien dat de kans op ernstige hinder sterk toeneemt bij een gevelniveau boven 47 dB Lden en dat de bijbehorende Lnight dan niet meer waarborgt dat voldoende bescherming tegen nachtelijk geluid binnenshuis wordt geboden. De met een grenswaarde van 47 dB Lden corresponderende grenswaarde voor de nacht van 41 dB Lnight ligt dicht in de buurt van de algemene WHO-advieswaarde voor geluid in de nacht en geeft in nagenoeg alle gevallen voldoende bescherming tegen nachtelijk geluid binnenshuis. Zoals hiervoor al onderbouwd, is geen aanvullende grenswaarde (binnenwaarde) voor het geluid in geluidgevoelige gebouwen nodig. 4.9 Gecombineerd geluid van meerdere windturbines en/of windparken De instructieregels voor geluid in dit besluit hebben betrekking op de activiteit die wordt omschreven als ‘het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark’. Afhankelijk van de concrete situatie kan het dus gaan om individuele windturbines of om een combinatie van windturbines (windparken).

Voor de combinatie van geluid afkomstig van verschillende geluidbronnen, zoals andere windturbines die niet tot eenzelfde wind(turbine)park behoren of bijvoorbeeld andere bedrijfsmatige activiteiten, bevat dit besluit geen standaard- of grenswaarden. Wel is in algemene zin geregeld dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, eerste lid, Bkl). Hierbij is ‘activiteiten’ bewust in meervoud gesteld, de bepaling vraagt daarmee van de gemeente om rekening te houden met het geluid door alle activiteiten samen. Dit vergt een locatiespecifieke benadering, waarbij de gemeente grote beoordelingsvrijheid heeft bij de wijze waarop ze hieraan invulling geeft. Om dit te instrumenteren bevatten de geluidregels de mogelijkheid om bij aanwezigheid van andere windturbines in de omgeving een lagere geluidnorm te stellen teneinde rekening te houden met de geluidbelasting van een geluidgevoelig gebouw door (een) andere windturbine(s) in de omgeving. Het gaat dan om windturbines die niet tot eenzelfde windpark behoren, omdat voor alle windturbines in een windpark tezamen – die immers samen als één activiteit worden aangemerkt – wel de gestelde geluidnorm geldt.

Daarnaast bestaat een soortgelijke mogelijkheid desgewenst om rekening te kunnen houden met de eigenschappen van een specifiek gebied (zie hiervoor onder ‘Gedifferentieerde normen’). 4.10 Relatie tot afstandsnormen Het plan-MER laat zien dat afstandsnormen op zichzelf geen passende manier zijn om bescherming te bieden tegen geluid van windturbines. Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is (onder andere type turbine, bodemgesteldheid, bebouwing/ obstakels/begroeiing in de omgeving, weersomstandigheden, enzovoort). Een kleine afstand (< ca. 500 meter) geeft dan geen aanvullende bescherming ten opzichte van de voorgestelde geluidnormering, daarboven blijft tot een grote afstand (ca. 1000-1200 meter) geluidnormering nodig. Een afstandsnorm zal een normering voor geluid dus niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden.

23

4.11 Overgangsrecht In deze paragraaf wordt ingegaan op het overgangsrecht voor de verschillende situaties die met betrekking tot windturbines en windparken kunnen optreden. De tabel bevat tevens enkele handvatten voor het bevoegd gezag met het oog op de aanpassing van het omgevingsplan. In de tabel komen verschillende data voor. 30 juni 2021 De datum 30 juni 2021 was de datum waarop de Afdeling bestuursrechtspraak haar uitspraak Delfzijl Zuid deed. Deze hield in dat de eerdere windturbinebepalingen van het Abm buiten toepassing moesten worden gelaten voor zover zij betrekking hadden op vergunningplichtige inrichtingen, dat wil zeggen windparken met drie of meer windturbines. De bepalingen bleven wel van toepassing op losse windturbines en windparken met twee windturbines. Voor nieuwe windparken en wijziging van bestaande windparken moesten vanaf die datum de milieuaspecten die in de windturbinebepalingen waren geregeld, in de omgevingsvergunning worden geregeld. 30 juni 2022 De datum 30 juni 2022 is de datum waarop naar aanleiding van de uitspraak Delfzijl Zuid de overbruggingsregeling met rechtstreeks werkende algemene regels voor ongewijzigde bestaande windparken van kracht werd. Voor die windparken verdween de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen.

1 januari 2024 De datum 1 januari 2024 is de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten, zoals het Bal en het Bkl. Voor losse windturbines en windparken met twee windturbines houdt dit in dat de bepalingen van de bruidsschat van toepassing worden (het tijdelijk deel van het omgevingsplan). Dit houdt in dat besluiten met betrekking tot windparken die niet onder de overbruggingsregeling vallen, overeenkomstig de Omgevingswet en de uitvoeringsbesluiten moeten worden genomen. Het gaat om besluiten met betrekking tot het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, het projectbesluit en de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Daarbij moeten de instructieregels, onderscheidenlijk beoordelingsregels, van het Bkl worden toegepast. Voor geluid betreft het met name de algemene verplichting in artikel 5.59 om in een omgevingsplan rekening te houden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en in een omgevingsplan erin te voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. 1 juli 2025 De datum 1 juli 2025 is de beoogde datum van inwerkingtreding van het onderhavige besluit.

Dit betekent dat vanaf dat tijdstip genoemde besluiten moeten worden genomen met toepassing van de specifieke instructieregels die in het Bkl voor geluid van windturbines en windparken zijn opgenomen. 31 december 2031 De datum 31 december 2031 is de datum waarop het omgevingsplan van gemeenten moet voldoen aan alle regels van de Omgevingswet. Het is de bedoeling dat de bruidsschat op dat moment geheel is omgezet naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De paragrafen 4.30a (geluidhinder) en 4.30b (slagschaduwhinder) van het Bal kunnen daarna vervallen. De volgende afkortingen worden gebruikt: Abm: Activiteitenbesluit milieubeheer Bal: Besluit activiteiten leefomgeving Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving Bwl: Besluit windturbines leefomgeving Ow: Omgevingswet Niet-vergunningplichtige windturbines (losse windturbines en windparken met twee windturbines)

24

Voor 1 januari 2024

Na 1 januari 2024 maar voor 1 juli 2025

Na 1 juli 2025

Bestaande situaties (toegelaten t/m 30 juni 2021): • Algemene regels van art. 3.14a e.v. Abm: o standaard normen uit Abm, of o afwijkende (hogere of lagere) normen op grond van eerder. maatwerkvoorschrift.

Bestaande situaties (op 1 januari 2024): • Bruidsschat Ow: § 22.3.4.3 “Geluid door windturbines” van rechtswege in tijdelijk deel van omgevingsplan: o zelfde standaard normen als Abm; o afwijkende (hogere of lagere) normen uit maatwerkvoorschrift blijven van kracht ingevolge art. 8.1.5 Invoeringsbesluit Omgevingswet: een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het Abm geldt als een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in art. 4.5 Ow.

Bestaande situaties (op 1 juli 2025): • Bruidsschat Ow: § 22.3.4.3 “Geluid door windturbines” van rechtswege in tijdelijk deel van omgevingsplan: o zelfde standaard normen als Abm; o afwijkende (hogere of lagere) normen uit maatwerkvoorschrift blijven van kracht ingevolge art. 8.1.5 Invoeringsbesluit Omgevingswet: een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het Abm geldt als een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in art. 4.5 Ow.

• Uiterlijk 31 december 2031: geluidregels opnemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan met toepassing van § 5.1.4.2.3 Bkl.

→ Geen aanvullend overgangsrecht nodig: in werkingtreding van dit besluit verandert hier niets aan.

Bestaande situaties (toegelaten of gewijzigd na 30 juni 2021): idem, geen wijzigingen. • NB: overbruggingsregeling geluid van § 4.30a Abm niet van toepassing (die geldt alleen voor windturbines die deel uitmaken van een vergunningplichtig windturbinepark).

→ Bkl-instructieregels zijn voor 1 juli 2025 nog niet aangepast volgens de plan-MER; het is wel verstandig om bij vaststelling van (het nieuwe deel van) het omgevingsplan zo mogelijk te anticiperen op de voorgestelde aanpassingen die met dit besluit in de Bklinstructieregels worden aangebracht.

Bestaande (toegelaten of gewijzigde) situaties na 1 januari 2024 tot 1 juli 2025: • Geluidregels opnemen in het omgevingsplan met toepassing van § 5.1.4.2.3 Bkl.

• Uiterlijk 31 december 2031: geluidregels opnemen in het nieuwe deel van het omgevingsplan met toepassing van (met dit besluit na 1 juli 2025 aangepaste) § 5.1.4.2.3 Bkl • → Geen overgangsrecht nodig. Bij vaststelling van het nieuwe deel voor 1 juli 2025 volgens de na 1 januari 2024 tot 1 juli 2025 geldende § 5.1.4.2.3 Bkl is aan deze verplichting al voldaan. Omgevingsplan is vastgesteld volgens het (toen geldende) Bkl en blijft van kracht. → Geen overgangsrecht nodig Bij vaststelling van het nieuwe deel voor 1 juli 2025 volgens de na 1 januari 2024 geldende § 5.1.4.2.3 Bkl is aan deze verplichting al voldaan. Nieuwe (toelaten of wijzigen van) situaties na 1 juli 2025: • Geluidregels opnemen in het omgevingsplan met

25

Voor 1 januari 2024

Na 1 januari 2024 maar voor 1 juli 2025

Na 1 juli 2025 toepassing van (met dit besluit aangepaste) § 5.1.4.2.3 Bkl.

Vergunningplichtige windturbines (windparken met drie of meer windturbines) Voor 1 januari 2024

Na 1 januari 2024 maar voor 1 juli 2025

Na 1 juli 2025

Bestaande (toegelaten t/m 30 juni 2021) situaties, sindsdien niet gewijzigd: • M.i.v. 1 juli 2022 overbruggingsregeling § 3.2.3a “In werking hebben van een windturbinepark” Abm: o art. 3.15d, lid 1: voortzetting standaard normen uit eerder Abm, o binnen tijdelijke algemene regels geen nieuw maatwerk mogelijk o art. 3.15d, lid 2: afwijkende (hogere of lagere) normen op grond van eerder maatwerkvoorschrift blijven van kracht.

Bestaande (toegelaten t/m 30 juni 2021), situaties sindsdien niet gewijzigd*: • Overbruggingsregeling windparken – tijdelijke algemene regels geluid op grond van art. 3.14b, lid 1, juncto § 4.30a Bal: o art. 4.430c, lid 1: voortzetting standaard normen uit eerdere overbruggingsregeling Abm; o art. 3.14b, lid 3: binnen tijdelijke algemene regels geen nieuw maatwerk mogelijk; o art. 3.14b, lid 4: afwijkende (hogere of lagere) normen uit maatwerkvoorschrift t/m 30 juni 2022 blijven van kracht. * voorwaarde van niet gewijzigd zijn volgt uit art. 3.14b, lid 2, Bal.

Bestaande (toegelaten t/m 30 juni 2021), situaties sindsdien niet gewijzigd*: • Overgangsrecht windparken – tijdelijke algemene regels geluid op grond van art. 3.14b, lid 1, juncto § 4.30a Bal: o art. 4.430c, lid 1: voortzetting standaard normen uit eerdere overbruggingsregeling Abm; o art. 3.14b, lid 3: binnen tijdelijke algemene regels geen nieuw maatwerk mogelijk; o art. 3.14b, lid 4: afwijkende (hogere of lagere) normen uit maatwerkvoorschrift t/m 30 juni 2022 blijven van kracht. * voorwaarde van niet gewijzigd zijn volgt uit art. 3.14b, lid 2, Bal.

→ verplichting om uiterlijk 31 december 2031 geluidregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan op te nemen met toepassing van § 5.1.4.2.3 Bkl geldt nog niet (tijdelijke uitzondering windparken art. 5.75a Bkl).

→ tijdelijke overgangsrecht windparken volgens Bal blijven ook m.i.v. 1 juli 2025 alleen gelden voor situaties ontstaan t/m 30 juni 2021 die sindsdien niet gewijzigd zijn, of situaties met maatwerkvoorschrift t/m 30 juni 2022: geen wijziging of aanvullend overgangsrecht nodig omdat de datum 30 juni 2025 in de aanhef van art. 3.14b, lid 1, Bal als einddatum van de overbruggingsregeling is geschrapt. • Uiterlijk 31 december 2031: geluidregels opnemen in het omgevingsplan met toepassing van (met dit besluit aangepaste) § 5.1.4.2.3 Bkl, voor zover met betrekking tot het windpark niet al voor 1 juli

26

Voor 1 januari 2024

Na 1 januari 2024 maar voor 1 juli 2025

Na 1 juli 2025 2025 een nieuw omgevingsplan is vastgesteld.

Bestaande situaties (toegelaten of gewijzigd na 30 juni 2021, of na maatwerkvoorschrift (t/m 30 juni 2022): • Besluitvorming in kader van bestemmingsplan, omgevingsvergunning voor afwijken van bestemmingsplan en/of omgevingsvergunning milieu. • Paragraaf 5.1.4.2.3 Bkl niet van toepassing (uitzondering windparken in art. 5.75a Bkl). • Geen wettelijk kader voor geluid: afweging en onderbouwing door lokaal bevoegd gezag. • Wel algemene kaders voor ruimtelijke ordening: goede ruimtelijke ordening, aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Bestaande situaties (toegelaten of gewijzigd na 30 juni 2021, of na maatwerkvoorschrift (t/m 30 juni 2022 maar voor 1 januari 2024): • Voortzetting regime op grond van algemeen overgangsrecht Ow/Invoeringswet Ow: o Een bestemmingsplan (wijzigingsplan, inpassingsplan etc.) geldt als deel van het omgevingsplan (art. 4.6 Invoeringswet). o Een vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 Ow Omgevingswet en die is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit (art. 4.13 Invoeringswet Ow). Daaruit vloeit logischerwijze voort dat voorschriften die verbonden zijn aan zo’n vergunning na inwerkingtreding van de Ow gelden als voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning. Niet van toepassing: • Tijdelijke algemene regels geluid: zie art. 3.14b, lid 2, Bal). → verplichting om uiterlijk 31 december 2031 geluidregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan op te nemen met toepassing van § 5.1.4.2.3 Bkl geldt nog niet (tijdelijke uitzondering windparken art. 5.75a Bkl).

Bestaande situaties (toegelaten of gewijzigd na 30 juni 2021, of na maatwerkvoorschrift (t/m 30 juni 2022 maar voor 1 januari 2024): • Voortzetting regime op grond van algemeen overgangsrecht Ow/ Invoeringswet Ow: o Een bestemmingsplan (wijzigingsplan, inpassingsplan etc.) geldt als deel van het omgevingsplan (art. 4.6 Invoeringswet). o Een vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 Ow en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit (art. 4.13 Invoeringswet). Daaruit vloeit logischerwijze voort dat voorschriften die verbonden zijn aan zo’n vergunning na inwerkingtreding van de Ow gelden als voorschriften verbonden aan een omgevingsvergunning. → geen aanvullend overgangsrecht nodig: i.w.tr. Bwl verandert hier niets aan. • Uiterlijk 31 december 2031: geluidregels opnemen in het omgevingsplan met toepassing van (met dit besluit aangepaste) § 5.1.4.2.3 Bkl, voor zover met betrekking tot het windpark niet al voor 1 juli 2025 een nieuw omgevingsplan is vastgesteld. Niet van toepassing:

27

Voor 1 januari 2024

Na 1 januari 2024 maar voor 1 juli 2025

Na 1 juli 2025 • Tijdelijke algemene regels geluid: zie art. 3.14b, lid 2, Bal. → blijft gelden want geen wijzigingen in tijdelijke algemene regels geluid Bal omdat de datum 30 juni 2025 in de aanhef van art. 3.14b, lid 1, Bal als einddatum van de overbruggingsregeling is geschrapt.

Bestaande (na 1 januari 2024 toegelaten of gewijzigde) situaties, volgens: • Besluitvorming in kader van omgevingsplan, omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en/of omgevingsvergunning milieu. • Paragraaf 5.1.4.2.3 Bkl niet van toepassing (uitzondering windparken in art. 5.75a Bkl). • Geen wettelijke normen voor geluid: afweging en onderbouwing door lokaal bevoegd gezag. • Algemeen kader art. 5.59, leden 1 en 2, Bkl: 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. 2. Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

→ geen overgangsrecht nodig om deze situatie te laten voortbestaan; het omgevingsplan of de omgevingsvergunning is al vastgesteld onder de Ow. • Uiterlijk 31 december 2031: geluidregels opnemen in het omgevingsplan met toepassing van (met dit besluit aangepaste) § 5.1.4.2.3 Bkl, tenzij de geluidregels voor 1 juli 2025 al zijn vastgelegd in het nieuwe deel van het omgevingsplan, voor zover met betrekking tot het windpark niet al voor 1 juli 2025 een nieuw omgevingsplan is vastgesteld...

Niet van toepassing: • Tijdelijke algemene regels geluid: zie art. 3.14b, lid 2, Bal). → verplichting om uiterlijk 31 december 2031 geluidregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan op te nemen met toepassing van § 5.1.4.2.3 Bkl geldt nog niet (tijdelijke uitzondering windparken art. 5.75a Bkl).

28

Voor 1 januari 2024

Na 1 januari 2024 maar voor 1 juli 2025

Na 1 juli 2025 Nieuwe (toelaten of wijzigen van) situaties na 1 juli 2025: • Geluidregels opnemen in het omgevingsplan met toepassing van (met dit besluit aangepaste) § 5.1.4.2.3 Bkl.

5. Externe veiligheid 5.1 Inleiding De bevolking in de omgeving van een windturbine of windpark kan te maken krijgen met een verhoogde kans op overlijden als zich een ongewoon voorval met een windturbine voordoet. Mogelijke ongewone voorvallen worden uitgedrukt in faalscenario’s, zoals ijsafwerping, mastbreuk en het afbreken van een windturbineblad (bladworp) of het naar beneden vallen van de gondel. Risico’s door faalscenario’s kunnen inzichtelijk worden gemaakt met behulp van het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang onbeschermd aanwezig is op een plaats in de omgeving van een risicoverhogende activiteit, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval dat door die activiteit wordt veroorzaakt. Een plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar betekent dat de kans op overlijden op een bepaalde geografische plaats één op de miljoen per jaar is. De waarde van 10 -5 staat voor een kans op overlijden van één op de honderdduizend per jaar. Hoe groter de afstand tot de windturbine, hoe kleiner de optredende overlijdenskansen. De overlijdenskans neemt af tot nul op een afstand waarop geen enkel faalscenario gevolgen in de omgeving kan veroorzaken.

Of windturbines een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken is sterk afhankelijk van de omgeving, met name of er in de omgeving van een windturbine sprake is van gebouwen of locaties waar mensen kunnen verblijven. Daarbij is niet alleen de actuele situatie relevant, maar ook in de toekomst kunnen zich ontwikkelingen voordoen, waarbij zich externe veiligheidsrisico’s kunnen manifesteren. In landelijk gebied staan windturbines vanwege de gehanteerde geluidnormen vaak ‘automatisch’ ook uit een oogpunt van externe veiligheid op voldoende afstand van kwetsbare objecten die tegen die risico’s beschermd moeten worden. Windturbines die momenteel in de directe nabijheid van bebouwing staan, dat wil zeggen, binnen een afstand waarop nog relevante faalscenario’s kunnen optreden, staan vaak op bedrijventerreinen of in havengebieden. Op bedrijven- of haventerreinen zijn veelal geen maatgevende geluidgevoelige objecten aanwezig, zodat externe veiligheidsrisico’s daar maatgevend kunnen zijn omdat niet al vanwege de gehanteerde geluidsnormen een voldoende afstand moet worden aangehouden waarbij geen sprake is van relevante externe veiligheidsrisico’s.

Wat betreft de externe veiligheidsaspecten van windturbines kan in het kader van de Omgevingswet onderscheid worden gemaakt tussen verschillende, in het hiernavolgende te bespreken, typen bepalingen die tot doel hebben om externe veiligheidsrisico’s te beperken en te voorkomen. 1. Allereerst zijn er bepalingen die inhouden dat alleen windturbines met een veilig ontwerp mogen worden geplaatst en die verplichten tot onderhoud en inspectie van de windturbines. Deze regels zijn direct gericht tot de exploitanten van een windturbine. Zij gelden namelijk onafhankelijk van de locatie van een windturbine en behoeven in beginsel geen locatiespecifieke invulling door het bevoegd gezag. Op deze bepalingen wordt ingegaan in paragraaf 5.5 2. Daarnaast zijn er bepalingen die risiconormen bevatten om de veiligheid te waarborgen van mensen die in de nabijheid van windturbines wonen, werken of recreëren in verband met de risico’s van de windturbines zelf. Deze bepalingen grijpen aan op besluiten die worden genomen door het bevoegd gezag, te weten: - een ruimtelijke besluit dat betrekking heeft op een windturbine of windpark; - een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op een windpark met 3 of meer

29

windturbines; en - een ruimtelijke besluit dat betrekking heeft op beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen in de omgeving van een windturbine of windpark. Een eerste verschil ten opzichte van de eerdere windturbinebepalingen met ri siconormen die in het Abm waren opgenomen is dat de bepalingen met risiconormen op het gebied van het plaatsgebonden risico niet meer tot de exploitanten van windturbines en windparken zijn gericht, maar tot het bevoegd gezag dat met betrekking tot een windturbine of windpark een besluit neemt. Een tweede verschil is dat voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties in plaats van de eerdere grenswaarde nu sprake is van een standaardwaarde, met dien verstande dat de standaardwaarde uitgaat van een lager acceptabel risico dan de grenswaarde die in de eerdere windturbinebepalingen werd gehanteerd. De in dit besluit opgenomen strengere standaardwaarde laat het bevoegd gezag enige ruimte om een eigen, goed gemotiveerde, afweging te maken en een iets hoger risico toe te staan, met dien verstande dat dit risico niet hoger mag zijn dan de grenswaarde die eerder werd gehanteerd. Voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen is nog steeds sprake van een grenswaarde. Op deze bepalingen wordt uitgebreider ingegaan in de paragrafen 5.2 en 5.6. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=804392d8-d1c3-4d01-8045-53bff78d11b4