Bijlage 1 onderzoek Hogeschool Leiden
Tekst van het document
34 Deze casus komt van een projectleider Jeugd en Veiligheid en wordt om de sensitieve aard nog even
geanonimiseerd. 35 Zie: https://www.aanpakoverlast.nl/.
18
handhavende activiteiten ook jongerenwerk voor zijn rekening nam (De Jong, 2018a). Ze organiseerden activiteiten, deden ambulante ronden en begeleiden jongeren in een soort coachingtraject36. Dit leidde twee jaar geleden tot ongemakkelijke discussies tussen gemeente en de lokale welzijnsorganisatie over tekortkomingen in de uitvoering van hún opdracht in relatie tot de 2%. Deze situatie bracht ook een getouwtrek teweeg tussen de gemeentelijke afdelingen veiligheid en sociaal domein. De afdeling veiligheid wilde de kosten niet dragen voor een partij die welzijnswerk doet en vindt dat zo’n partij moet worden afgestoten naar (het budget van) sociaal domein. Sociaal domein vond dan dat die partij geïncorporeerd moest worden door de grote welzijnsorganisatie. Die betaalden zij al veel geld en dient vanuit dat budget de goede werken voort te zetten. Uiteindelijk heeft deze onderhandeling niet geresulteerd in een transitie, maar in een transformatie. De straatcoaches zijn inmiddels omgevormd tot ‘jeugdcoaches’37 die werken vanuit de afdeling veiligheid. Hun doelstellingen zijn geënt op handhaving, maar tevens op een vorm van ‘jongerenwerk plus’. De oorspronkelijke oprichters van de straatcoaches zijn inmiddels wat anders gaan doen.
5.3
Nieuwkomers binnen het sociaal domein
Ook als deze dynamiek niet tussen gemeentelijke afdelingen speelt, maar binnen de afdeling sociaal domein blijft, kan dit onderling nog steeds problemen opleveren. In de gemeente Schiedam is vanuit sociaal domein een nieuwe partij ingeschakeld voor ‘intensief jongerenwerk’ voor de 2%. Omdat deze ‘intensieve jongerenwerker’ de doelgroep beter bereikt en meer gezag heeft, is hij naast het reguliere jongerenwerk geplaatst (De Jong et al., 2022a). In de wandelgangen van de gemeente is daar flink over geklaagd door die reguliere welzijnsorganisatie (‘dat kunnen wij toch ook?’). Zo ontstaat al snel een concurrentiestrijd. Soortgelijke frictie tussen een kleine stichting een grote welzijnsorganisatie heeft zich in de afgelopen jaren onder meer ook afgespeeld in de gemeenten Den Haag (De Jong, 2014b), Alphen aan den Rijn (De Jong, 2017) en Nijmegen (De Jong, 2018a)38. Inmiddels lijkt die strijd in Nijmegen te zijn beslecht met behulp van een stevige regie vanuit de gemeente en een bindend convenant tussen de partijen. Andere gemeenten proberen zo’n concurrentiestrijd tussen David (de kleinere stichting) en Goliath (de grote welzijnsorganisatie) te verhelpen door álle partijen samen onder te brengen in één opdracht, bijvoorbeeld een zogenaamde ‘tender’ (De Jong, 2018b; 2019).
Met die gemeenschappelijke aanbesteding proberen zij de partijen gezamenlijk óók verantwoordelijk te maken voor de aanpak van de 2%, naast hun reguliere aanbod. Uit de praktijk is tot nu toe niet gebleken dat het conflict onder die paraplu automatisch stopt. Ondanks ‘best practices’ op sommige plaatsen39 is vooralsnog niet geheel duidelijk wat bij zo’n concurrentiestrijd een goede en duurzame oplossing biedt.
36 Zie: Bens, E., Hurk, H. van den & Health & Martina Consult (2015) Straatcoach Masterplan Nijmegen 2015-2018.
Gemeente Nijmegen: Straatcoaches, en Bens, E. & Hurk, H. van den (2015) Straatcoach Factsheet Nijmegen 20152018. Gemeente Nijmegen: Straatcoaches. 37 Ook in Tilburg werken ze met jeugdcoaches voor jongeren die dreigen af te glijden naar de criminaliteit en niet in beeld zijn bij het reguliere jongerenwerk als een vast onderdeel van de integrale aanpak: https://hetccv.nl/nieuws/jonge-aanwas-uit-de-criminaliteit-houden-berichten-uit-de-praktijk/. 38 Een bekend voorbeeld is Futsal Chabbab en diens verhouding tot Bindkracht 10 (voorheen Tandem). Zie: Sleegers, R. (2014) Futsal Chabbab. Verbindende jongeren-wijkaanpak. Methode Saïd. Nijmegen/Ede: Futsal Chabbab/Welstede/Stichting Sportactiviteiten Rijk van Nijmegen/Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. 39 In Amsterdam Oost heeft de gemeente SK Coaching (https://skcoaching.net/) ingezet naast het reguliere jongerenwerk om de 2% te bereiken. Het heeft tijd gekost voordat de kou uit de lucht was, maar de organisatie is in de samenwerking echt onderdeel geworden van de wijk.
19
5.4
Buitenstaanders die niet goed samengaan
Onwenselijke situaties kunnen ook ontstaan als lokale partijen zich gaan mengen in het bereiken, begeleiden en corrigeren van de doelgroep, terwijl zij geen formele welzijnsorganisaties zijn. Die partijen leveren geen professioneel jongerenwerk en hebben ook geen duidelijke, langdurige (subsidie)relatie met de gemeente die vergelijkbaar is met die van formele welzijnsorganisaties. In de loop der jaren is in diverse gemeenten wel een poging gedaan om samen te werken met (lokale) rolmodellen40 die de doelgroep goed kunnen bereiken (De Jong, 2013a; 2016b). Soms gebeurt dat vanuit sportscholen. Andere voorbeelden zijn een eigen honk voor een jeugdpreventieteam, een inzamelingsactie of een voedselbank die vanuit de buurt zelf worden georganiseerd. Het doel van samenwerking met dergelijke ‘grassroots’-initiatieven is om het lokale netwerk en gezag van die rolmodellen te benutten. Met die werkzame bestanddelen hoopt men te kunnen werken aan persoonlijke ontwikkeling, maatschappelijke participatie en achterliggende hulpvragen van de doelgroep met het oog op recidivevermindering en gedragsverandering (De Jong, 2013a; 2013b; 2015a)41. Het gaat dus nadrukkelijk niet om projecten die in de eerste plaats geënt zijn op extra toezicht vanuit de buurt, zoals met buurtvaders of -moeders (De Jong & de Haan, 2000; Van Bruchem et al., 2021).
Centraal staan de aansprekende rolmodellen in de leefwereld van de jeugd en hun aantrekkelijke verzamelplaatsen (een sportschool, een honk). Daar kunnen de jongeren op een positieve manier van betekenis zijn in relatie tot hun directe sociale omgeving. Dergelijke projecten lijken een aantal werkzame bestanddelen te bieden, bijvoorbeeld als we weer de vergelijking maken met de interventie ‘Alleen jij bepaalt wie je bent’ (Hartog et al., 2017) 42. Desondanks is zo’n bijdrage aan de gezamenlijke aanpak vaak methodisch niet sterk uitgewerkt43. Daardoor kunnen deze buitenstaanders zich moeilijk meten aan professioneel jongerenwerk van welzijnsorganisaties. Die kunnen hun methoden goed op papier zetten onderbouwd met (praktijkgerichte) onderzoekskennis. Ook missen ze de connecties en het vertrouwen die worden opgebouwd in jarenlange werkrelaties tussen gevestigde welzijnsinstellingen en gemeenten. Die instellingen weten daardoor wie ze moeten hebben en wat de gemeente nodig heeft qua verantwoording. In de benodigde stukken zet men daardoor de juiste toon met taal, targets en prestatieafspraken, passend bij het gangbare beleid van dat moment. 40 In recent Zweeds onderzoek (Alstam & Forkby, 2022) is opnieuw het belang uiteengezet van professionals als
'ceremonial masters' (positieve rolmodellen) en zogeheten 'possible selves' (mensen die letterlijk model staan voor een rol die de jongere later kan vervullen). Betrokkenheid bij een problematische jeugdgroep opgeven, betekent voor de 2%-jongere namelijk grote onzekerheid over zijn positie in de sociale omgeving en bredere samenleving. Hij gaat zich op onzeker en onbekend terrein begeven met minder herkenbare rolmodellen (al waren die hoofdzakelijk negatief in de jeugdgroep) en minder voorstellingen in zijn hoofd van hoe de toekomst eruit kan zien (al waren die voorstellingen in de jeugdgroep wellicht vooral gebaseerd op negatieve en onrealistische scenario’s rondom criminaliteit). Rolmodellen en ervaringsdeskundigen met ervaring in het succesvol afstand nemen van het straatleven, kunnen ondersteuning bieden in het zich een alternatief, positief perspectief voor de toekomst leren inbeelden en realiseren. Tevens kunnen ze helpen bij de transitie naar een nieuwe identiteit buiten het leven op straat in de jeugdgroep en in een nieuw sociaal verband waar zij ook van betekenis zijn en zich iemand voelen die gezien wordt en erbij hoort, zelfs zonder delinquent gedrag. 41 Ook gaat het vanuit de afdeling veiligheid vaak om een interventie die een acuut probleem oplost, zoals geweld onder de jeugd of problemen met oud en nieuw.
Zie: Haarlems Dagblad: Fight Club doorbreekt geweld (9 januari 2015, J. van der Meulen). Haarlems Dagblad: Relatief rustige start (2 januari 2015, F.K. Arfman). 42 Er is sprake van een regelmatig en duurzaam contact met een rolmodel die een stevige werkrelatie opbouwt als een soort mentor. Die mentor biedt begeleiding op individueel niveau, is op gedrag gericht, zet ook andere positieve rolmodellen in (en is zelf ervaringsdeskundig) en is geënt op een positief proces van verandering (vaak aanvankelijk via sport). 43 Bekende voorbeelden in de gemeente Amsterdam zijn bijvoorbeeld Said en Lody in de Kolenkitbuurt (https://www.parool.nl/nieuws/sparren-in-de-kolenkitbuurt-waar-de-problemen-tastbaar-zijn~b7fd809e/ en Ajuau en Etta in Osdorp (https://www.parool.nl/nieuws/kickbokstraining-helpt-top-400-jongeren-om-op-het-juiste-pad-teblijven~b2e2d442/). Dit soort projecten kunnen dan ook ondersteund worden met een externe methodiekbeschrijving, zoals bijvoorbeeld is geprobeerd met de aanpak van Said en Lody (Storms & Janssens, 2018) en de aanpak in de Ajuau en Etta Gym (Hilterman, 2021).
20
Naast die zwakke positie binnen de integrale samenwerking loopt het ook vaak spaak in de beleving van die buitenstaanders. Zij vinden dan dat de welzijnsorganisaties in hun ogen feitelijk betaald worden om dezelfde doelgroep te bedienen, maar onvoldoende bijdragen (Bensellam, 2010; Van Gemert, 2015). Niet zelden voelen de externe rolmodellen zich ondergewaardeerd ten opzichte van de gevestigde partijen. Ze voelen zich dan onvoldoende serieus genomen, te weinig betaald of op een andere wijze miskend. Meestal klapt het dan na enige tijd, althans in de gemeenten waar het lectoraat onderzoek heeft mogen doen, zoals onder meer Alphen aan den Rijn, Amsterdam, Den Haag, Haarlem, Nijmegen en Zoetermeer. Inmiddels is het werken met lokale rolmodellen in de aanpak van de 2% nieuw leven ingeblazen in een aantal gemeenten, waaronder Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Rotterdam (en zelfs in Brussel is interesse44). Door te werken met lokale ‘credible messengers’ wil men de doelgroep kunnen bereiken in hun leefwereld en betrekken bij interventies45. De tijd zal leren of deze geloofwaardige boodschappers zich methodisch sterker zullen ontwikkelen dan hun voorgangers of daarin beter worden ondersteund. Ook zal zich uitwijzen of zij beter samengaan met de gevestigde partijen van wie zij feitelijk een concurrent zullen worden.
5.5
Binnenstaanders die niet goed uitkomen
Soms wringt het niet alleen van buiten, maar ook van binnen. Tijdens diverse onderzoeken is gebleken dat jongerenwerkers van de welzijnsorganisaties die regulier jongerenwerk aanbieden – min of meer bij toeval – bij uitstek de aangewezen krachten zijn om de 2% te bereiken, begeleiden én aan te pakken (dus ook aan te spreken op ongewenst gedrag en goed samen te werken met politie). Die 2%jongerenwerkers zijn niet zelden zelf ervaringsdeskundig46. Daarnaast hebben ze een stevig lokaal netwerk op partner-, straat- en gezinsniveau. Zij beheersen vooral de finesses als het gaat om in contact treden met de doelgroep en daar een gezagspositie opbouwen. Helaas komt het voor dat zij ondanks al die competenties ten aanzien van de 2%, uiteindelijk hun werk niet willen, kunnen of zelfs mógen voortzetten47. Als de 2%-jongerenwerkers het bijltje erbij neergooien, kan dat komen omdat hun eigen organisatie geen capaciteit en middelen beschikbaar stelt voor wat zij vinden dat nodig is voor deze doelgroep. Ook heeft het soms te maken met belemmerende werkafspraken die de benodigde flexibiliteit bij deze doelgroep in gevaar brengen.
Daarbij gaat het bijvoorbeeld om werktijden (niet afgestemd op ritme van de 2%), werklocaties (niet in de leefwereld van de doelgroep), activiteiten (verplicht ‘streetdance’ in plaats van kickboksen48) of urenverantwoording (geen passende categorieën voor de gepleegde inzet). Tevens kan het voorkomen dat op enigerlei moment wordt gevraagd om een
44 Zie: https://www.bruzz.be/gezondheid/hoe-amsterdam-kwetsbare-jongeren-helpt-brugfiguren-naar-ons-luisteren-
ze-wel-2022-10-13. 45 Zie: https://crediblemessengers.nl/. 46 Ervaringsdeskundigheid is eveneens van belang in het reguliere jongerenwerk voor de kwetsbare doelgroep. Dit wordt momenteel onderzocht aan het lectoraat Youthspot van de Hogeschool van Amsterdam: https://www.hva.nl/akmi/gedeelde-content/projecten/projecten-algemeen/youth-spot/werkplaats-jongerenwerkervaringskennis-in-het-jongerenwerk.html. 47 De lector Aanpak Jeugdcriminaliteit kent inmiddels opmerkelijk veel van dergelijke (ex-)jongerenwerkers in zijn persoonlijke netwerk dat is opgebouwd door alle onderzoeken in diverse gemeenten in de loop der jaren (1999-2022). Om begrijpelijke redenen worden zowel de jongerenwerkers, de welzijnsorganisaties als de gemeenten hier niet met naam en toenaam genoemd, aangezien dit schadelijk is voor de positie van deze professionals en hun verdere ontwikkeling binnen het werkveld. 48 Een sprekend voorbeeld van een dergelijke mismatch voor de doelgroep is te vinden in een artikel in De Volkskrant over 4,2 miljoen euro die de EU beschikbaar heeft gesteld voor een kunst- en cultuurproject om jongeren uit de doelgroep op het Verdiplein in Tilburg-Noord vooruit te helpen: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/allesliever-dan-een-kunstproject-zeggen-de-jongeren-op-het-verdiplein-in-tilburg~b37d1f3e/.
21
SKJ-registratie49 of op zijn minst een afgeronde, relevante HBO-opleiding, terwijl die (nog) niet voor handen is. In weer andere gevallen geven ze het op omdat cruciale externe partners, bijvoorbeeld bij gemeente (projectleider jeugd en veiligheid) of politie (wijkagent), een wisseling van de wacht meemaken. Jarenlang opgebouwde werkrelaties en onderlinge afspraken over integrale samenwerking en afstemming ten aanzien van de 2%, gaan dan verloren. In het ergste geval doen de nieuwkomers ook nog eens precies de verkeerde dingen in de ogen van deze jongerenwerkers waardoor hun werk met de doelgroep in gevaar komt. Ten slotte worden de 2%-jongerenwerkers in een aantal gevallen ronduit tegengewerkt vanuit hun eigen organisatie (of zelfs onder druk gezet, om niet te zeggen ‘bedreigd’). Het werk wordt hen dan niet alleen onmogelijk gemaakt qua opdracht en ondersteuning. Zij krijgen dan ook expliciet de wacht aangezegd, worden overgeplaatst of zelfs ontslagen. Klachten vanuit de gemeente over het tegen- of wegwerken van succesvolle krachten vallen op dovemansoren, aangezien de gemeente de opdracht verstrekt aan de welzijnsorganisatie en niet aan een individuele kracht. Dat de welzijnsorganisaties zich soms zo opmerkelijk opstellen heeft mogelijk te maken met het feit dat de aanpak van de 2% geen prioriteit heeft in hun gangbare opdracht voor regulier jongerenwerk.
Ook kan het zijn dat de eigenzinnige aanpak van hun 2%-jongerenwerkers net iets teveel afwijkt van het reguliere aanbod, met het risico van precedentwerking. Als de gemeente enthousiast raakt over die ongebruikelijke aanpak en daar in het vervolg expliciet om gaat vragen, dan betekent dat mogelijk toekomstig opdrachtverlies voor een partij die vooral reguliere jongerenwerkers in huis heeft. Ook kan het zijn dat het handelen van de 2%-jongerenwerker feitelijk buiten de eigen opdracht valt en binnen het gebied van een concurrerende organisatie. Dat levert dan weer onderling problemen op tussen die partijen over de afspraken die zijn gemaakt over wie geld krijgt voor wat, zoals in het geval van jongerenwerker Clyde bij het Pleintje50.
49 Het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) is het beroepsregister voor jeugdprofessionals in Nederland. Deze onafhankelijke
uitvoeringsorganisatie is verantwoordelijk voor de wettelijke registratie van hbo- of wo-opgeleide jeugdprofessionals die werken in complexe en risicovolle situaties. 50 Zowel de naam Clyde als de locatie het Pleintje in gemeente X zijn om begrijpelijk redenen geanonimiseerd.
22
Vroegsignalering niet toegestaan in de opdracht Clyde is een jongerenwerker voor welzijnsorganisatie A die het jongerenwerk rondom het Pleintje in gemeente X heeft overgenomen in een nieuwe aanbesteding. Clyde geniet lokaal enig aanzien op straat. Hij is opgegroeid in de buurt, kent alle families en jongeren (ook de probleemgezinnen, de 2%-doelgroep en de reeds doorgegroeide jongvolwassen veelplegers). Daarnaast is Clyde een lokaal vechtsporttalent dat ook gezag ontleent aan zijn sportieve prestaties in de ring. Op basis van al die persoonsgebonden kwaliteiten lukt het Clyde om het buurthuis naar eigen zeggen ‘schoon te vegen’. Voorheen stond het bekend als een ‘boevenhol’ waar sprake was van heling, dealen en het openlijk bespreken van allerhande criminele kansen. De jongens die nog volharden in hun gedrag zijn niet welkom tot ze tot inkeer komen en verwijst hij voor hun zaakjes naar de shisha-lounge verderop. De jongens die wel wat van hun leven willen maken, zijn welkom in wat hij bestempelt als hun ‘heilige plek’. Ze mogen er chillen, hun verhaal doen, en ook vooral onder zijn begeleiding werken aan zichzelf en hun toekomst in de samenleving. Dit alles is echter niet genoeg voor Clyde. Hij wil weten hoe het gaat met de broertjes en zusjes van zijn doelgroep.
Vandaar dat hij op eigen initiatief gaat doen aan wat criminologen ‘vroegsignalering’ noemen, een zeer belangrijk werkzaam element in een integrale aanpak. Alleen heeft Clyde een probleem: conform de opdracht is het buurthuis alleen open voor jongeren vanaf 12 jaar. Daarnaast is er soms sport en spel op het Pleintje voor de doelgroep tot 10 jaar, georganiseerd door de andere welzijnsorganisatie B. En dan is er een vreemd gat in de leeftijdsgroep 10-12 waarvoor er helemaal niets is. Dus besluit Clyde om zelf op gezette tijden in het weekend zijn privé-tijd op te offeren en een sportactiviteit te organiseren op het Pleintje. Zo maakt hij contact met de kinderen onder de 12. Helaas valt dat initiatief slecht bij de manager van de welzijnsorganisatie B die daar de aanbesteding heeft voor sport en spel voor de doelgroep tot 10 jaar. Die is van mening dat Clyde en zijn welzijnsorganisatie A mogelijk hun opdracht proberen af te pakken. Dus belt hij boos met de manager van Clyde. De twee managers begrijpen elkaar en Clyde wordt op het matje geroepen. Hem wordt te verstaan gegeven dat hij geen activiteiten meer mag ontplooien waarbij hij kinderen betrekt onder de 12 jaar, ook niet in zijn vrije tijd. Na enige tijd zegt Clyde zijn baan op.
23
6. Toch een stevig beroep op jongerenwerk voor de 2% Alle voorgaande voorbeelden uit de praktijk maken overduidelijk dat op veel plekken jongerenwerk voor de 2% een ingewikkelde kwestie is. Dat geldt zowel voor ambtenaren op de afdelingen veiligheid en sociaal domein van een gemeente, als voor de professionele welzijnsinstellingen die regulier jongerenwerk leveren voor de 98%. Die kwestie mondt niet zelden uit in eindeloos ge-pingpong en verwoede pogingen om met elkaar in gesprek te blijven over de mogelijke bijdrage van het reguliere jongerenwerk aan de aanpak van de 2%. Soms blijft alles dan bij het oude, maar met bijgestelde verwachtingen. In andere gevallen stranden deze gesprekken. Dan is de uiteindelijke teleurstelling reden voor de gemeente om subsidierelaties te herzien in een nieuw aanbestedingstraject om met een partner in zee te gaan die meer gespecialiseerd is in Jongerenwerk Plus, Intensief Jongerenwerk of Grenzen Stellend Jongerenwerk, soms met sterke lokale wortels. Dit soort strubbelingen om naast regulier jongerenwerk een aanbod te vinden voor de 2%, zijn overal herkenbaar in het werkveld. Ondertussen wordt vanuit de politiek een steeds steviger beroep gedaan op het jongerenwerk in relatie tot de 2%-problematiek. Dat geldt in het bijzonder voor de zorgen om steekincidenten en jonge aanwas.
Maar ook in de meer algemene aanpak van overlast en criminaliteit van problematische jeugdgroepen, is het jongerenwerk een aangewezen partner. In het vernieuwde Convenant Groepsaanpak51 staat het jongerenwerk weer expliciet genoemd als dé potentiële partner van de gemeente, politie en het Openbaar Ministerie. Naast burgemeesters van gemeenten, de korpschef, en het College van Procureurs-generaal dient de instelling voor het jongerenwerk of een jongerenwerkorganisatie het convenant te tekenen. Op die manier wordt in een gemeente formeel vastgelegd dat het jongerenwerk moet samenwerken om problematisch groepsgedrag in jeugdgroepen en -netwerken te bestrijden. Zoals gezegd, wordt verder vooral naar jongerenwerkers gekeken als het gaat om de aanpak van rivaliserende jeugdgroepen en dan in het bijzonder ook de heftige conflicten die gerelateerd worden aan drillrap en messengeweld. Zij worden geacht signalen op te vangen en tijdig te interveniëren. Zo stelt raadslid Sheher Khan (Denk) dat jongerenwerkers bij de opsporing een ‘signalerende rol’ kunnen spelen52: “Zij staan dicht bij de leefwereld van drillrappers en pikken dergelijke opruiende video’s sneller op. Ze kunnen de video’s melden bij de gemeente, die korte lijntjes heeft met de platforms.
De platforms zullen het serieuzer nemen als de gemeente Amsterdam het meldt dan wanneer één persoon zich met een verwijderingsverzoek bij hen meldt.” In een landelijke campagne in 2020 #NoShank53 - wat letterlijk 'geen mes' betekent –, kregen ruim 250 jongerenwerkers uit heel het land al de opdracht om toenemende geweld onder jongeren onder de aandacht te brengen, onder meer met videoclips en voorlichting. Zulke campagnes zijn overigens pas echt effectief als die gericht zijn op de meest risicovolle groep die wapens gebruikt en als een onderdeel van intensieve, lokale aanpak van de meest problematische groep (Weerman et al., 2022). Met die groep zullen deze jongerenwerkers daarvoor eerst in verbinding moeten staan. En de welzijnsorganisaties dienen deze 2% dan ook als doelgroep te zien voor hun aandeel in de aanpak. Ten slotte lijkt jongerenwerk in het bijzonder een centrale positie te moeten innemen in de ambities om in- en doorgroei van jongeren te voorkomen in de georganiseerde (drugs)criminaliteit (Kuppens et al., 2022). De ministers voor Rechtsbescherming en van Justitie en Veiligheid hebben daarvoor een preventieve aanpak ingezet waarbij men zich specifiek richt op kwetsbare jongeren die de drugscriminaliteit worden ingezogen.
Zo hoopt men tegenwicht te bieden aan ontwikkelingen in sommige wijken waar een parallelle samenleving lijkt te zijn ontstaan waarin meedoen aan deze
51 Convenant groepsaanpak (modeldocument) Samenwerkingsafspraken ter bestrijding van problematisch
groepsgedrag in jeugdgroepen en -netwerken (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Politie, Openbaar Ministerie en Vereniging van Nederlandse Gemeenten) Versie: 28 juli 2022. 52 ‘Halsema grijpt naar nieuw middel in strijd tegen geweld drillrappers’ (Het Parool, 13 oktober 2022). 53 Zie: https://www.sociaalwerknederland.nl/actueel/nieuws/8783-noshank-250-jongerenwerkers-uit-80-steden-endorpen-starten-campagne-tegen-wapenbezit-en-angstcultuur.
24
criminaliteit normaal lijkt54. De kinderen, jongeren en jongvolwassenen in sociaaleconomisch zwakkere wijken die gemakkelijk in de georganiseerde criminaliteit terecht komen, worden specifiek getypeerd als ‘kwetsbaar’. Het spreekt voor zich dat men dan ook logischerwijs in de stukken een behoorlijk beroep doet op het jongerenwerk gezien hun oorspronkelijke doelgroep: de kwetsbare jeugd. Om tegenwicht te bieden aan de verleiding van snel en veel geld worden jongerenwerkers geacht deze kwetsbare jongeren weer de juiste kant op te trekken.
6.1
Aanzienlijke investeringen verhogen de druk
Het beroep dat op het jongerenwerk wordt gedaan, gaat ook gepaard met aanzienlijke investeringen. In juli 2022 verschijnt het volgende bericht55: “Het kabinet versterkt de aanpak van het voorkomen van jeugdcriminaliteit. De komende jaren maakt minister Weerwind voor Rechtsbescherming hiervoor extra geld vrij oplopend naar een bedrag van 61 miljoen euro structureel per jaar. Dit komt bovenop de 82 miljoen euro die minister Yeşilgöz-Zegerius van Justitie en Veiligheid eerder bekend maakte jaarlijks te investeren in wijken waar risico’s voor jongeren het grootst zijn, zodat ze worden geronseld door (drugs)criminelen.
Alles bij elkaar wordt straks vanaf 2025 143 miljoen euro per jaar uitgetrokken voor maatregelen om te voorkomen dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen in aanraking komen met criminaliteit of daarin doorgroeien.”56 Dit bericht heeft geleid tot een directe oproep aan jongerenwerkorganisaties om vanuit een gezamenlijke visie plannen in te dienen voor de aanpak van deze doelgroep: “We doen een oproep aan onze leden die actief zijn in het jeugd- en jongerenwerk in de 15 gemeenten die nu plannen mogen uitwerken, om contact met ons op te nemen zodat we een gezamenlijke visie kunnen ontwikkelen op de besteding van de 82 miljoen ter preventie van drugscriminaliteit.”57 De discussie over de rol van het jongerenwerk in het jeugd- en veiligheidsdomein en vooral de aanpak van de 2%, is daarmee het gemeentelijk niveau ontstegen. Vanuit de Tweede Kamer heeft Songül Mutluer (Tweede Kamerlid namens de PvdA en woordvoerder Justitie & Veiligheid) daarom een gezelschap uitgenodigd om op 8 november 2022 mee te denken over jongerenwerk in relatie tot de doelgroep. Het doel vanuit de Tweede Kamer is om te komen tot ‘een gezamenlijk manifest om de positie en waardering van de jongerenwerker te versterken en het nut en de noodzaak van dit werk in de wijk te onderstrepen’. Antwoorden op belangrijke onderzoeksvragen zouden zo’n manifest moeten voeden. En juist die kennis ontbreekt helaas vooralsnog.
Wat bedoelen we nu precies met jongerenwerk voor deze 2%-doelgroep? Wie voert dat uit? En hoe we dat moeten organiseren?
54 Zie in De Boer et al. (2022): Kamerstukken II, 29911, nr. 256. (2019, 4 december); Kamerstukken II, 29911, nr. 281.
(2020, 18 juni); Kamerstukken II, 29911, nr. 254. (2019, 29 oktober); Rechtbank Amsterdam (2019, 11 juli): ECLI:NL:RBAMS:2019:5301. 6. 55 Bron: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/07/01/extra-geld-voor-tegengaan-van-jeugdcriminaliteit. 56 Soms proberen gemeenten zelf nog extra gelden te regelen voor de aanpak van de jonge aanwas bovenop reeds toegezegde miljoenen vanuit de Rijksoverheid. In Amsterdam vroeg burgemeester Halsema haar raad om een aanvullend bedrag van 20 miljoen per jaar voor de strijd tegen de georganiseerde (drugs)criminaliteit (bron: ‘Halsema vraagt raad om 20 miljoen per jaar voor strijd tegen drugsmisdaad’, in Het Parool, 14 oktober 2021). Voor velen blijft het de vraag wat er gebeurt met al dat geld en wat het nu precies oplevert (zoals in Utrecht: https://nos.nl/regio/utrecht/artikel/320095-miljoenen-voor-de-utrechtse-wijk-overvecht-wat-gebeurt-er-toch-met-aldat-geld-en-wat-levert-het-op). 57 Bron: https://www.sociaalwerknederland.nl/actueel/nieuws/11515-jaarlijks-82-miljoen-extra-voor-aanpak-jongeaanwas-criminaliteit.
25
7. Wat is jongerenwerk voor de 2%? En hoe organiseer je dat? Hiervoor is ingegaan op urgente problemen en zorgwekkende ontwikkelingen rondom de 2%. Ook zijn de moeizaamheden besproken rondom regulier jongerenwerk en hun aandeel in de aanpak van die doelgroep. Ten slotte is gewezen op de druk vanuit samenleving en politiek om de aanpak van de 2% te herijken naar ‘preventie met gezag’ (inclusief een significante bijdrage vanuit het jongerenwerk waarvoor ook aanzienlijke middelen beschikbaar komen). Al deze zaken maken het uitermate relevant om een onderzoek te starten naar de vraag wat voor soort jongerenwerk nu echt nodig is voor de 2%. Daarbij is het van belang ook te onderzoeken wie dit moet uitvoeren en hoe dit moet worden georganiseerd. Mogelijk wordt op een aantal plekken dat wiel al tot op zekere hoogte uitgevonden, zoals in Amsterdam, Arnhem, Groningen, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam en Tilburg. In de regel ontstaan dergelijke interventies lokaal om aan de individuele behoeften te voldoen van jongeren met inachtneming van de samenwerking op het snijvlak van het sociaal domein en het veiligheidsdomein. Op die locaties is bestudering nodig van het jongerenwerk voor de 2% (of wat het dan ook is dat daar nodig bleek om het gat te vullen).
Het zal geen ‘one-size-fits-all’-modellen opleveren voor outreachend werk gericht op deze doelgroep gecombineerd met andere diensten en hulpverleningsmethoden. Toch is het zaak met praktijkgericht onderzoek op die plekken de ontbrekende, overkoepelende inzichten op te halen die aan deze projecten ten grondslag liggen. Zulke inzichten maken in meer algemene zin duidelijk wat jongerenwerk voor de 2% precies behelst aan activiteiten, interventies en methodiek met alle benodigde ruimte voor lokaal maatwerk. Ook kan zulk onderzoek duidelijk maken wat dat vraagt van de betrokken professionals qua opleiding, ervaringsdeskundigheid, straat-, systeem-, en politieke sensitiviteit, algehele kennis van een integrale aanpak. Ten slotte dient zo’n onderzoek ook antwoord te geven op de vraag hoe jongerenwerk voor de 2% moet worden ingericht en gefinancierd, meer vanuit het sociale domein en/of juist het veiligheidsdomein58. Al deze overwegingen leveren de volgende onderzoeksvragen op.
Jongerenwerk voor de 2% ten opzichte van regulier jongerenwerk o
Wat is de doelgroep van jongerenwerk voor de 2%?
o
Hoe onderscheidt die doelgroep zich van de doelgroep van het reguliere jongerenwerk?
o
Is jongerenwerk voor de 2% daarmee meer een domeinoverstijgend en integraal jeugd- en veiligheidsvraagstuk, dan een jeugdvraagstuk uit het sociaal domein, zoals het reguliere jongerenwerk?
o
Zo ja, wat betekent dit dan voor het reguliere jongerenwerk (en/of het straathoekwerk)?
58 Het is niet zonder meer zaak om te pleiten voor het onderbrengen bij de afdeling veiligheid. Bij de 2% gaat het
weliswaar over de jongeren die al flink in beeld zijn bij politie, mogelijk met een strafblad dan wel meerdere antecedenten (of soms meer preventief ondergebracht in een ‘groepsaanpak’). Alleen een ondoordachte positionering bij de afdeling veiligheid brengt het risico met zich mee dat de inzet van de ‘2%-jongerenwerkers’ (bijvoorbeeld in de vorm van ‘jeugdcoaches’) zich hoofdzakelijk moeten richten op veiligheidsdoelen. Dan moeten ze vanuit hun verbinding met de doelgroep vooral scoren op overlastbestrijding en recidivevermindering. Het belang van de persoonlijke ontwikkeling (identiteit), maatschappelijke participatie (inclusie) en ondersteuning bieden bij de achterliggende hulpvragen, mag niet uit het oog worden verloren. In dat opzicht lijkt het geenszins een uitgemaakte zaak.
26
o
Als deze werksoorten uit het sociaal domein nu niet toereikend zijn voor de 2%, wat is er dan daarnaast of aanvullend wél nodig om deze doelgroep te bereiken?59
Wat werkt: activiteiten, interventies en methodiek van jongerenwerk voor de 2% o
Welke activiteiten, interventies en methodieken passen bij jongerenwerk voor de 2% waarbij werkzame elementen aanwezig zijn?60
o
Welke doelstellingen kunnen daaraan gekoppeld worden ten aanzien van resultaten op het veiligheidsdoel en het sociaal doel?
o
Zijn die resultaten meetbaar te maken? En zo ja, hoe?
Wie werkt: (persoonsgebonden) competenties van de 2%-jongerenwerker o
Wat voor opleiding hebben betrokken professionals idealiter?61
o
Wat voor aanvullende kwaliteiten moeten aanwezig zijn in een team dat het jongerenwerk voor de 2% vormgeeft (naast HBO-opgeleide en/of SKJ-geregistreerde professionals), dus wat betreft ervaringsdeskundigheid, straat-, systeem-, en politieke sensitiviteit, algehele kennis van een integrale aanpak?
o
Kunnen bij jongerenwerk voor de 2% ook werkers actief zijn zonder HBO-opleiding maar die wel uitblinken op basis van ervaringsdeskundigheid, straatsensitiviteit en lokaal netwerk?62
o
Wat betekent dit ten eerste concreet voor het profiel van de benodigde jongerenwerkers qua competenties in relatie tot jeugd, gezinnen, school, sport en de buurt (straatsensitiviteit)?
o
Wat betekent dit vervolgens voor het profiel van de benodigde jongerenwerkers qua competenties in relatie tot partners in het sociaal en veiligheidsdomein (systeemsensitiviteit)
o
En zijn ook competenties vereist in relatie tot verhoudingen in het politiek klimaat binnen de eigen organisatie, in de stad en de maatschappij als geheel?
59 Met als doelstelling winst behalen op het veiligheidsdoel recidivevermindering (minder overlast en criminaliteit) en
het sociaal doel gedragsverandering (verbetering op diverse leefgebieden als het gaat om risico- en beschermende factoren). 60 Zoals bijvoorbeeld regelmatig en duurzaam contact met een jongerenwerker die een stevige werkrelatie opbouwt als een soort mentorachtige welzijnsprofessional, begeleiding op individueel niveau en op gedrag gericht, inzet van positieve rolmodellen en nadruk op een positief proces van verandering. 61 Cultureel maatschappelijke vorming zoals bij regulier jongerenwerk of eerder social work of toegepaste psychologie met een accent op een afstudeerrichting als ‘Werken in het sociaal veiligheidsdomein’? 62 Met andere woorden: moeten de uitvoerders (ook rolmodellen en ervaringsdeskundigen) die direct in verbinding staan met de 2%-jongeren ook allemaal per se een HBO-opleiding op zak hebben (zoals nu vaak een vereiste is in het professionele jongerenwerk)? Of volstaat een constructie waarbij de uitvoerder wel is geselecteerd op cruciale competenties wat betreft straat- en systeemsensitiviteit, en daarnaast wordt versterkt door een HBO-opgeleide verbindingsofficier die de positie van de interventie verstevigt en verantwoordt in het overkoepelende gezelschap van partners binnen een integrale aanpak?
27
o
Is de aanwezigheid van dergelijke competenties meetbaar te maken?63
Wat wel: naast verbondenheid ook positief perspectief64 o
Hoe leidt jongerenwerk voor de 2% tot verbetering op het gebied van diverse basisvoorzieningen (wonen, werk of opleiding)?
o
Hoe leidt jongerenwerk voor de 2% tot verbetering op het gebied van diverse leefgebieden door koppeling aan specialistische hulpverlening (schulden, verslaving, trauma, beperkingen en gedragsproblematiek)?
o
Hoe draagt jongerenwerk voor de 2% bij aan positief perspectief vanuit verbondenheid en met een nadruk op een positief proces van verandering (nadruk op wat wil en kan je wél om belangrijk te zijn voor mensen in je omgeving, in plaats van wat mag je niet om jezelf en die omgeving te schaden)?
o
Hoe wordt, naast aandacht voor basisvoorzieningen en hulpverlening, ook gebouwd aan een sociale omgeving waarin iemand belangrijk is voor anderen op basis van zijn wensen en talenten met pro-sociaal gedrag (helpen, delen, geven en samenwerken)?
o
Hoe draagt het jongerenwerk voor de 2% zorg voor het blijven aanwakkeren van intrinsieke motivatie vanuit gevoelens van autonomie, competentie en verbondenheid?
Organisatie binnen de gemeente: sociaal domein en/of veiligheid o
Is het verstandig jongerenwerk voor de 2% aan te sturen en aan te besteden vanuit een gemeentelijke afdeling die gaat over jeugd en veiligheid?
o
Of is het toch beter om dit vorm te geven vanuit dezelfde afdeling als het reguliere jongerenwerk en/of het straathoekwerk?
63 Met betrekking tot de competenties ten aanzien van verbondenheid oproepen binnen de werkrelaties met jongeren
uit de doelgroep, zal het ‘Meetinstrument Verbondenheid’ zich hier goed voor lenen (De Jong, 2020; 2021b; De Jong & Denkers, 2020; De Jong et al. 2021; De Jong et al., 2022a; 2022b; 2022c; 2022d; 2022e; Denkers & De Jong, 2020). 64 De vraag ‘Wat is positief perspectief voor deze doelgroep?’ zal in meer algemene zin, dus niet alleen met betrekking tot een specifieke bijdrage van het jongerenwerk, centraal komen te staan in de volgende lectorale rede van het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit (De Jong, verwacht 2023). Daarin zal een visie en een onderzoeksprogramma worden gepresenteerd over het belang van positief perspectief (vanuit verbondenheid en met een stevige sociale basis) binnen de integrale aanpak van overlast en jeugdcriminaliteit.
28
8. Afsluiting: naar een onderzoeksopzet Het voornemen is om dit ‘position paper’ over de kwestie van jongerenwerk voor de 2%, alsmede de bijbehorende onderzoeksvragen, verder uit te werken naar een onderzoeksopzet voor het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit in 2023-2024. In een eerste fase zal meer literatuuronderzoek worden gedaan om te achterhalen wat nu precies al bekend is over jongerenwerk voor deze doelgroep en hoe dit zich exact verhoudt tot de literatuur over regulier jongerenwerk en straathoekwerk. Daaruit zal duidelijk naar voren komen wat ontbreekt en waar we naar op zoek moeten gaan. In een volgende fase is het zaak om veldwerk te gaan doen, onderverdeeld in drie delen. In deel één worden professionals vanuit diverse achtergronden geïnterviewd. Zij laten hun licht schijnen op wat in hun ervaring nodig is voor de 2% wat betreft jongerenwerk. Uiteraard is het ook zaak met jongeren uit de doelgroep te spreken over dezelfde kwestie: wat denken zij dat ze nodig hebben of zouden hebben gehad? Die ervaringen kunnen betrekking hebben op wat professionals en jongeren missen in de praktijk of wat juist ‘best practices’ blijken te zijn. In deel twee wordt veldwerk gedaan bij een aantal organisaties die uit zichzelf al zijn begonnen met het ontwikkelen van een specialisme als het gaat om jongerenwerk voor de 2%.
Ook daar wordt gekeken naar wat goed gaat en wat minder goed volgens de professionals en de jongeren uit hun doelgroep. Daarbij wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan hoe de samenwerking met partners verloopt. In deel drie wordt een tussentijdse analyse van het materiaal uit deel één en twee gepresenteerd aan een klankbordgroep. Die bestaat uit ambtenaren uit diverse lagen van de gemeente (sociaal domein en veiligheid) en aan diverse partners buiten de gemeente (jeugdagenten, jeugdboa’s, zorg, hulpverlening, jongerenwerk, school, sport, woningcorporaties en potentiële werkgevers). Het doel is enerzijds om te reflecteren op die opbrengsten en de resultaten aan te scherpen (mogelijk betekent dat ook een stap terug naar deel twee). Anderzijds kunnen deze betrokkenen meedenken over hoe jongerenwerk voor de 2% het beste is te organiseren met oog voor de verhoudingen binnen een gemeente en ook met de cruciale externe ketenpartners. De verwachte opbrengsten zijn onder meer een adviesrapport met aanbevelingen en aanknopingspunten voor een implementatieplan. Duidelijk moet zijn wat jongerenwerk voor de 2% betekent65 (waarom en hoe) en wie dat dient uit te voeren (concrete profielbeschrijving met bijbehorende competenties zonder lokaal maatwerk teveel geweld aan te doen).
Ook bestaan opbrengsten uit adviezen om jongerenwerk voor de 2% in stelling te brengen (met ruimte voor lokaal maatwerk). De adviezen gaan ook over het bevorderen van samenwerking binnen sociaal domein (met het oog op het risico van concurrentie), en tussen sociaal domein en veiligheid (aandacht voor regie, samenwerking en informatiedeling). Naast de verwachte opbrengsten voor het werkveld zal het onderzoek ook inzichten en aanbevelingen opleveren voor het hoger beroepsonderwijs. Zoals gezegd zal de komende tijd benut worden om dit onderzoeksvoorstel verder uit te werken en te bespreken met de Adviescommissie en de Centrale Ethische Onderzoekscommissie van Hogeschool Leiden. Verder zal gekeken worden naar mogelijkheden voor de financiering van het onderzoek. Ten slotte zullen verschillende contacten in het netwerk van het lectoraat alvast worden benaderd voor medewerking, niet in de laatste plaats op de locaties waar zich nu al een vorm lijkt te hebben afgetekend van jongerenwerk voor de 2%.
65 Wellicht blijkt dat we met een andere term dan ‘jongerenwerk voor de 2%’ meer recht doen aan wat er nodig is
gezien aanvullende doelen naast persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie.
29
9. Literatuur Aanjaagteam Ondermijning (2021). Preventie met gezag. Een strategie voor weerbare wijken. Den Haag: Programma directoraat-generaal Ondermijning en het Landelijk Informatie- en Expertise Centrum (LIEC). Abdallah, S. (2017). Struggles for success. Youth work rituals in Amsterdam and Beirut. DOI:10.13140/RG.2.2.18052.45443. Adjiembaks, S. (2021). Uitvoerders van liquidaties, wat is hun profiel? Secondant (21 juni 2021): https://ccv-secondant.nl/platform/article/uitvoerders-van-liquidaties-wat-is-hun-profiel. Adjiembaks, S.D., Boer, A.H. & Oude Lansink, M.J. (2022). (On)zichtbare beelden van jonge aanwas in de drugscriminaliteit. Een meta-analyse van tien deelonderzoeken in de regio Midden-Nederland. Utrecht: ESSA Research/programma Straatwaarde(n) van het RIEC Midden-Nederland. Alstam, K. & Forkby, T. (2022). Possible selves. Gang passages, projective imaginations, and selftransformations. Nordic Social Work Research, DOI: 10.1080/2156857X.2022.2111338. Bellaart, H. (2013). Jongeren weer op de rails. Verminderen van recidive bij ontspoorde migrantenjongeren. FORUM. Geraadpleegd op 27 september 2022 van: https://www.kis.nl/sites/default/files/bestanden/Publicaties/Forum-jongeren-weer-op-de-rails.pdf Bensellam, S. (2010). Kleine Jongen. Het verhaal van mijn leven. Amsterdam: Van Gennep. Bijsterveldt, M. van (red.) (2013).
Investeren in opvoeden en opgroeien loont! Kosteneffectiviteit van de preventie van pedagogische, psychosociale en psychosomatische problematiek door de jeugdgezondheidszorg. Utrecht: Verdonck, Klooster & Associates/de Opvoedzaak (in opdracht van ActiZ en GGD Nederland). Boer, H. de, Ferwerda H. & Kuppens, J. (2022). Do or Don’t. Kennissynthese ingroeimechanismen en rekruteringsprocessen van jongeren in de georganiseerde criminaliteit. Arnhem: Bureau Beke (in opdracht van Ministerie van Justitie en Veiligheid, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum). Bonta, J., & Andrews, D. A. (2007). Risk-need-responsivity model for offender assessment and rehabilitation. Rehabilitation, 6(1): 1-22. Boschman, S. E., Piersma, T. W., Weijters, G., Tollenaar, N., & Teerlink, M. (2022). Verschil in recidivetrends onder jeugdigen. Inzicht in ontwikkelingen in recidive onder verschillende groepen jeugdige justitiabelen. Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum. Broek, J.B.A. van den (2018). Kinderen weer gewoon kind laten zijn: het belang van verbondenheid in de aanpak van jeugdcriminaliteit binnen Capelle aan den IJssel. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Capelle aan den IJssel). Broek, J.B.A. van den & J.D.A. de Jong (2016).
Verbondenheid in het jongerenwerk en de begeleiding van risicojeugd in de groepsaanpak van de gemeente Waalwijk. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Waalwijk).
30
Broek, J.B.A. van den & Jong, J.D.A. de (2018). Op de goede weg: opbrengst expertmeeting de Mare. Leiden/Alkmaar: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Alkmaar). Bruchem, M. van, Hendriks, L. & Rosenkrantz Lindegaard, M. (2021). Investeren in vredestijd. Een studie naar de motivaties en ervaringen van vrijwillige toezichthouders tijdens de avondklok. Amsterdam: Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving. Bruinsma, M. & Tops, P. (2022). Jong ontspoord in het drugsmilieu. En wat wij daar als samenleving tegenover moeten zetten. Den Haag: Stichting Maatschappij en Veiligheid. Deci, E.L. & Ryan, R.M. (2000). The ‘what’ and ‘why’ of goal pursuits. Human needs and the selfdetermination of behavior. Psychological Inquiry, 11: 227-268. Denkers, A. & Jong, J.D. de (2020). Delinquentie, vrienden en ‘boosheid met liefde’. Tijdschrift voor Criminologie, 62(2-3): 279-298. Dörenberg, V., Frederiks, B., & Moonen, X. (2016). Voortzetting van (verplichte) hulp aan risicojongeren die 18 jaar worden. Nederlands Juristenblad, 40: 2967-2974. Dorp, M. van (2019). Hij leert er niets van. In: Dorp, M. van, Aytemur, S. & Swart, N., Jeugdige delinquenten (pp. 93-104). Houten: Bohn Stafleu van Loghum. Drogt, M. & Jong, J.D.A. de (2016). Burgerinitiatief Rolmodellen Schalkwijk: Verslag verloop van september 2015 tot januari 2016.
Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden. Eijsink Smeets, M., & Bervoets, E. (2011). De onaantastbaren. De destructieve doorwerking van onaantastbaren in wijk en buurt. Den Haag: NICIS Institute. Filges, T., Dalgaard, N.T. & Viinholt, B.C.A. (2022). Outreach programs to improve life circumstances and prevent further adverse developmental trajectories of at-risk youth in OECD countries: A systematic review. Campbell Systematic Reviews, 18 (4): 1-28. Gemert, F.H.M. van (2015). Straat krediet. Biografie van Said Bensellam. Meppel: Just Publishers. Groenewegen, G. & Jong, J.D.A. (2018). Subsidie in de Slaaghwijk. Onderzoek naar de gesubsidieerde organisaties die zich bezighouden met jeugd in de Slaaghwijk, gemeente Leiden. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van de programmamanager Wijkregie van de gemeente Leiden). Ham, T. van (2014). Wisseling van de Wacht. Een verkennend onderzoek naar de opkomst van een nieuw type veelpleger. Arnhem: Bureau Beke. Hamdiui, T. & Broek, J.B.A. van den (2019). Online Jongerenwerk: Werken in de online leefwereld van jongeren. Handvatten voor jongerenwerkers en managers. Utrecht/Rotterdam: Nederlands Jeugdinstituut/Stichting Jongerenwerk op Zuid. Hartog, B., Vredendaal, W. van, & Cremers, D. (2017). Justitieleinterventies.nl: beschrijving Alleen jij bepaalt wie je bent.
Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut, Movisie en Trimbos instituut. Gedownload op 15 november 2022 van: www.justitieleinterventies.nl.
31
Jolink-Verkuijlen, K. (2021). Streetcare. Eén methode voor straathoekwerk, jeugdzorg en gemeenten. Amsterdam: SWP. Jong, J. de (2021). Drillboekje voor professionals. Contextinformatie en handvatten voor professionals. Amsterdam: gemeente Amsterdam, Actiecentrum Veiligheid en Zorg. Jong, J.D.A de (2007). Kapot moeilijk. Een etnografisch onderzoek naar opvallend delinquent groepsgedrag van 'Marokkaanse' jongens. Amsterdam: Aksant. Jong, J.D.A. de (2012a). Jong geleerd, fout gedaan. Naar een probleemgerichte aanpak van problematische jeugdgroep “Jacques Urlusplantsoen”. Bureau Leiden-Zuid. Amsterdam: Rebond (in opdracht van gemeente Leiden, Openbare Orde en Veiligheid/Nationale Politie, HollandsMidden/Openbaar Ministerie). Jong, J.D.A. de (2012b). Verbinden wat al voor handen is. Haalbaarheid van een Jeugdpreventieteam (JPT) in Amsterdam Oost: Indische buurt en Transvaal. Amsterdam: Rebond (in opdracht van gemeente Amsterdam, Stadsdeel Oost/Stichting Connect Initiatieven). Jong, J.D.A. de (2012c). Ons kent ons. Naar probleemgerichte analyse van een crimineel (jeugd)netwerk: Beresteinlaan. Amsterdam: Rebond (in opdracht van gemeente Ministerie van Justitie en Veiligheid/Politie Haaglanden, Analyse en Research). Jong, J.D.A. de (2013a). Rolmodellen en het risico op recidive.
De inzet van een mentor als positief rolmodel ter vermindering van criminaliteit en recidive van jonge Amsterdamse veelplegers. Amsterdam: Rebond (in opdracht van gemeente Amsterdam, Directie Openbare Orde en Veiligheid). Jong, J.D.A de (2013b). Gekopieerd gezag of originele autoriteit? In: Sieckelinck, S., van Buren, S. & el Madkouri, H., Onbevoegd gezag. Hoe burgers zelf de gezagscrisis aanpakken (pp. 242–251). Den Haag/Utrecht: Boom Lemma/Forum. Jong, J.D.A de (2013c). De prinsjes van de Kingstreet. Naar een probleemgerichte aanpak van overlast en jeugdcriminaliteit in de Koningstraat: Hoefkade. Amsterdam: Rebond (in opdracht van Politie Haaglanden, Analyse en Research). Jong, J.D.A de (2014a). Stedelijke problemen, sterke schouders. Naar een probleemgerichte aanpak van problematische (jeugd)groepen in Buytenwegh: Wegstapelplein. Amsterdam: Rebond (in opdracht van Politie Haaglanden, Analyse en Research/gemeente Zoetermeer, Directie Openbare Orde en Veiligheid). Jong, J.D.A de (2014b). Next Projecten. Van onderop en van binnenuit werken aan veiligheid, leefbaarheid en participatie in de Schilderswijk. Amsterdam: Rebond (in opdracht van gemeente Den Haag, Programmabureau Wijkaanpak, Deal Schilderswijk). Jong, J.D.A de (2015a).
Rolmodellen voor risicojeugd in Haarlem: de sleutel tot Schalkwijk? Amsterdam: Rebond (in opdracht van gemeente Haarlem, Afdeling Veiligheid en Handhaving). Jong, J.D.A de (2015b). Burgerinitiatief Rolmodellen Schalkwijk: Verslag verloop van januari tot augustus 2015. Amsterdam: Rebond (in opdracht van gemeente Haarlem, Afdeling Veiligheid en Handhaving). Jong, J.D.A de (2016a). Verkeerd verbonden. Over foute straten en foute systemen. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (lectorale rede uitgesproken op 11 februari 2016).
32
Jong, J.D.A. de (2016c). The Real Deal: On Positive, Street-Oriented Role Models in Response to Dutch Gangs and Youth at Risk. In: Maxson, C. & Esbensen, F.A. (eds.), Gang Transitions and Transformations in an International Context (pp. 235-253). New York City: Springer. Jong, J.D.A. de (2017). Meer voorkomen met verbondenheid. Preventieve aanpak van MarokkaansNederlandse risicojeugd uit de Snijdelwijk in Boskoop. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Alphen aan den Rijn, Afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling, Team Jeugd en Jongeren). Jong, J.D.A. de (2018a). Na wrijving komt glans. Evaluatie van het experiment integraal jongerenopbouwwerk onder procesregie in Dukenburg en Hatert, gemeente Nijmegen. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van de gemeente Nijmegen). Jong, J.D.A. de (2018b). Samenwerking en samenhang in de integrale aanpak Snijdelwijk. Tussentijdse evaluatie van de preventieve aanpak van Marokkaans-Nederlandse kwetsbare jeugd uit de Snijdelwijk in Boskoop. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Alphen aan den Rijn, Afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling, Team Jeugd en Jongeren). Jong, J.D.A. de (2019). Regie en informatiedeling in de integrale aanpak Snijdelwijk.
Eindevaluatie van de preventieve aanpak van Marokkaans-Nederlandse kwetsbare jeugd uit de Snijdelwijk in Boskoop. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Alphen aan den Rijn, Afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling, Team Jeugd en Jongeren). Jong, J.D.A. de (2020). Tijdslijn vragenlijst Project V. De ontwikkeling van het meetinstrument voor verbondenheid in de aanpak jeugdcriminaliteit 2016-2019. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden. Jong, J.D.A. de (2021a). Visiting professional OM ‘excessief geweld’ door jeugdige verdachten. Leiden: lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van het Openbaar Ministerie, Landelijk Parket). Jong, J.D.A. de (2021b). Een cijfer voor verbinding in de aanpak van jeugdcriminaliteit. In: Stel, J. van der (red.), Wetenschap en praktijk. Gids voor (aankomende) professionals in zorg, welzijn en sociaal werk (pp. 119-120). Amsterdam: SWP. Jong, J.D.A. de & Broek, J.B.A. van den (2016). Oog voor verbondenheid bij perspectief bieden. Een beschouwing van de baseline voor de aanpak van jeugdgroepen. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van Ministerie van Veiligheid en Justitie, portefeuille Integrale aanpak Kindermishandeling en Jeugdgroepen). Jong, J.D.A. de, Broek, J.B.A. van den & Vrij, P. m.m.v. Kaal, H. Stubbe, T.
& Heijerman, I. (2017). “Eentje die het begrijpt”. De werkwijze van gezinscoaches met ITB-er binnen de integrale aanpak van transgeneratieve problematiek bij multiprobleemgezinnen in Aalsmeer. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Aalsmeer, Afdeling Jeugd en Samenleving). Jong, J.D.A de & Denkers, A. (2020). Anger with love. How professionals get through to high-risk youth in troublesome groups. In: C. Melde & F. Weerman (eds.). Gangs in the modern age of internet and social media. New York: Springer, 175-198. Jong, J.D.A de, Denkers, A. m.m.v. Hilterman, R. & Toorn, C. van der (2021). Verbondenheid in het jongerenwerk. Onderzoek naar gevoelens van inclusie in de werkrelatie van jeugd en jongerenwerkers 33
in Leiden Noord. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van SOL en gemeente Leiden). Jong, J.D.A de, Denkers, A. m.m.v. Schippers, M. (2022a). Steun en perspectief voor Schiedamse risicojeugd Verbondenheid in de werkrelatie van risicojeugd met intensief jongerenwerk. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van Buurtwerk en gemeente Schiedam). Jong, J.D.A de, Denkers, A. m.m.v. Kaal, H. Braun, J., Oeverhaus, I., Burgers, M., Andriessen, J. & Ploeg, S van der (2022b). Werkalliantie bij Middin & Cordaan. Verbondenheid in de werkrelatie van risicojeugd en met jeudgzorgmedewerkers. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van Middin & Cordaan). Jong, J.D.A. de, Denkers, A. m.m.v. Schippers, M. (2022c). Werkalliantie bij JB Noord Jeugdreclassering. Verbondenheid in de werkrelatie van risicojeugd en met jeugdreclasseerders. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van Jeugdbescherming Noord). Jong, J.D.A. de, Denkers, A. m.m.v. Schippers, M. (2022d). Werkalliantie binnen Project Kinkerbuurt (de nulmeting). Verbondenheid in de werkrelatie van jonge aanwas en de jongerenwerker. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Amsterdam). Jong, J.D.A. de, Denkers, A. m.m.v. Schippers, M. (2022e).
Werkalliantie bij JR 2.0: William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering en partners. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering i.s.m. Expect Jeugd bij Partners voor Jeugd). Jong, J.D.A. de & Drogt, M. (2017). Innovatieve Persoonsgerichte Toeleiding Arbeid kwetsbare jongeren: coaching. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Jong, J.D.A. de & Drogt, M. (2018). Een sociale chirurg: werkzame bestanddelen van een IPTA-coach. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Jong, J.D.A. de & Haan, W.J. de (2000). Buurtvaders. Sociale controle, solidariteit en en burgelijke verantwoordelijkheid in de Marokkaanse gemeenschap. Tijdschrift voor Criminologie, 42(4): 383-393. Jong, J.D.A. de & Marijt, J. (2016). Zo werkt het niet. Onderzoek naar de aanpak van de Osdorper Bangroep in Amsterdam Nieuw-West.
Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden (in opdracht van gemeente Amsterdam, Stadsdeel Nieuw-West). Ferwerda, H. (2022). Welke jongeren zijn kwetsbaar voor criminaliteit? Van Twaalf tot Achttien, (oktober 2022): 8-9. Ferwerda, H. & Ham, T. van (2017). Lessen uit de aanpak van jeugdgroepen. Justitiële Verkenningen, 43(1): 112-126. Ferwerda, H., Wolsink, J., Brouwer, N. & Esseveldt, J. van (2022). Misdadige invloed. De invloed van criminele netwerken op jongeren in drie Arnhemse wijken. Arnhem: Bureau Beke (in opdracht van de gemeente Arnhem, programma breed offensief tegen ondermijnende criminaliteit (BOTOC)). 34
Hilterman, R. (2021). Ajuau en Etta Gym. Een methodiekbeschrijving. Leiden: Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit, Hogeschool Leiden. Kooijmans, M. (2016). Talent van de straat. Hoe je jongeren kunt verleiden uit de criminaliteit te blijven. Amsterdam: Van Gennep. Kooijmans, M.J.B. & Rovers, G.B. (2010). Integraal motiveren in het jongerenwerk van de Twern. Breda: Avans Hogeschool, Expertisecentrum Veiligheid. Kuppens, J., Kathmann K. & Ferwerda, H. (2022). Stop de in- en doorgroei: Een praktijkscan op interventies die vanuit BOTOC-gelden zijn opgestart om doorgroei en rekrutering van jongeren in de criminaliteit te stoppen. Arnhem: Bureau Beke (in opdracht van Ministerie van Justitie en Veiligheid, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum). Laan, A. M. van der, Beerthuizen, M. G. C. J., & Boot, N. C. (2021). Monitor Jeugdcriminaliteit 2020: Ontwikkelingen in de jeugdcriminaliteit in de eerste twee decennia van deze eeuw. Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum. Langenveld, N. & Herder, F. (2022). Houd jongeren uit de georganiseerde criminaliteit: Aanpak risicojeugd en jeugdgroepen. Utrecht: Centrum voor Criminaliteit en Criminaliteitspreventie. Leeuwen-den Dekker, P. van & Poll, A. (2016). Leefgebiedenwijzer. Versterken van eigen kracht van cliënten. Amsterdam: Movisie. Leih, E., Luggenhorst, V., Schimmel, M & Haouli, M.
(2017) De maatschappelijke Business Case jongerenwerk voor gemeenten. Utrecht: Participe Advies (in opdracht van Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, directie Jeugd). Lenkens, M. (2022). More than a Mirror: Mechanisms of experiential peer support for young people engaging in criminal behaviour. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam. Ligtenberg, D. (2018). Niet lullen maar doen. Jeugd en Co, 12(4): 22-25. Loeber, R., Slot, N.W., Sergeant, J.A. (red.) (2001). Ernstige en gewelddadige jeugdcriminaliteit. Omvang, oorzaken en interventies. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Manders, W., & Todorović, D. (2021). Jongerenwerk in de online leefwereld van jongeren. Amsterdam: Hogeschool van Amsterdam, Amsterdams Kenniscentrum voor Maatschappelijke Innovatie, Lectoraat Youth Spot. Menger, A. (2009). Wie werkt? Over het vakmanschap van de reclasseringswerker. In: J. Hermanns, J. & Menger, A. (red.), Walk the line. Over continuïteit en professionaliteit in het reclasseringswerk (69-116. Utrecht: HU/SWP. Metz, J. (2020). Samen bouwen aan de fundering van het jongerenwerk. Amsterdam: Hogeschool van Amsterdam, Lectoraat Youth Spot (afscheidsrede rede uitgesproken op 1 oktober 2020). Metz, J. & Sonneveld (2018). Methodisch werken in het jongerenwerk. Amsterdam: Hogeschool van Amsterdam, Lectoraat Youth Spot.
35
Metz, J., Sonneveld, J. & Rijnders, J. (2020). Hoe jongerenwerkers werken aan preventie. 22 keer 1 jaar jongerenwerk in de praktijk. Amsterdam: Hogeschool van Amsterdam, Lectoraat Youth Spot. Ministerie van Justitie en Veiligheid (2018). De Denktanks Risicojeugd: Verhalen uit het veld. Den Haag: Ministerie van Justitie en Veiligheid. Moussaid, Y., Broek, J.B.A. van den & Roks, R.A. (2022). Problematisch groepsgedrag in het digitale tijdperk: de knelpunten, zorgen en behoeften rondom online problematisch groepsgedrag van professionals in Zoetermeer, Delft en Den Haag. Rotterdam: Partner in Crime/Erasmus Universiteit Rotterdam, Sectie criminologie (in opdracht van gemeente Zoetermeer, gemeente Delft en gemeente Den Haag). Nijmeijer, P., & van Dijk, C. (2014). Hoe een integrale aanpak echt van de grond kan komen: de Top600 in Amsterdam. Cahiers Politiestudies, 30: 11-27. Rauwerdink-Nijland, E. & Metz, J. (2022). Straathoekwerk. Een basismethodiek van het sociaal werk. Amsterdam: SWP. Rekenkamer Rotterdam (2022). Meer waarde voor jongeren. Onderzoek naar effecten van jongerenwerk. Rotterdam: Rekenkamer Rotterdam. Rijnders, J., Manders, W., & Metz, J. (2021). Werkzame elementen en randvoorwaarden in de samenwerking tussen jongerenwerk en scholen voor voortgezet onderwijs. Journal of Social Intervention: Theory and Practice, 30(3): 17-36. Roks, R.A. & Broek, J.B.A. van den (2020).
Cappen voor clout. Een verkennend onderzoek naar Rotterdamse jongeren, drill en geweld in het digitale tijdperk. Rotterdam: Partner in Crime/Erasmus Universiteit Rotterdam, Sectie criminologie (in opdracht van gemeente Rotterdam). Segeren, M. & Fassaert, T. (2014). In de nesten. Analyse van de voorgeschiedenis van een groep jongvolwassen gewelddadige veelplegers uit Amsterdam. Amsterdam: GGD. Sieckelink, S. (2022). Professioneel jongerenwerk: een love tori. Amsterdam: Hogeschool van Amsterdam, Lectoraat Youth Spot (lectorale rede uitgesproken op 17 mei 2022). Sieckelink, S. & Kaulingfreks, F. (2022). Speelruimte voor identiteit. Samenwerken aan veerkrachtige identiteitsvorming van jongeren. Amsterdam: Amsterdam University Press. Sonneveld, J., Metz, J., & Manders, W. (2019). De preventieve kracht van het jongerenwerk. bijdrage aan de transformatiedoelen van de Jeugdwet. Amsterdam: Hogeschool van Amsterdam, Lectoraat Youth Spot. Sonneveld, J., Rijnders, J., Metz, J., Van Regenmortel, M., & Schalk, M. (2020). The contribution of professional youth work to the development of socially vulnerable youngsters: A multiple case study. Children and Youth Services Review, 118: doi.org/10.1016/j.childyouth.2020.105476. Storms, O. & Janssens, K. (2018). Handboek Saïd en Lody. Amsterdam: Movisie (in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de gemeente Amsterdam).