CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 onderzoek Hogeschool Leiden

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 12 december 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Pilot inzet specialistisch jeugdwerk Leerdam-West18.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Jongerenwerk voor de ‘2%’ Over ‘wat werkt’ en ‘wie werkt’ in jongerenwerk om recidive te voorkomen en sociale problematiek te verminderen

Auteur Jan Dirk de Jong Lector Aanpak Jeugdcriminaliteit Datum Oktober 2022 1

Jongerenwerk voor ‘de 2%’ Over ‘wat werkt’ en ‘wie werkt’ in jongerenwerk om recidive te voorkomen en sociale problematiek te verminderen

Auteur: Jan Dirk de Jong Lector Aanpak Jeugdcriminaliteit Datum: Oktober 2022

2

Voorwoord Deze tekst is een ‘position paper’ over het standpunt dat regulier jongerenwerk op diverse plekken helaas ontoereikend blijkt voor preventieve interventies gericht op de jeugd die lokaal verantwoordelijk is voor ernstige overlast en jeugdcriminaliteit. Dit position paper wordt ingezet om deze belangrijke kwestie aan te boren binnen de integrale aanpak van jeugdcriminaliteit, zeker in een tijdsgewricht gekenmerkt door zorgen over ‘verjonging’ en ‘verharding’ in de jeugdcriminaliteit. Deze kwestie speelt niet in de laatste plaats ten aanzien van steekincidenten (soms drillrap-gerelateerd) en ‘jonge aanwas’ die mogelijk doorgroeit in de georganiseerde (drugs)criminaliteit. Heeft deze doelgroep een andere vorm van jongerenwerk nodig? Zo ja, wat dan wél? En wat betekent dat voor het werkveld? Met dit position paper probeert het lectoraat partners in het werkveld te overtuigen van het belang van deze kwestie en zo bij te dragen aan een vruchtbare discussie1. Tevens is de hoop hiermee interesse te wekken voor een praktijkgericht onderzoek dat een duidelijk antwoord zal geven op deze openstaande vraag. Verder dient dat onderzoek een aantal bruikbare adviezen op te leveren voor het werkveld. Die toekomstige opbrengsten zullen ten slotte ook input bieden voor de beroepsopleidingen in het hoger onderwijs.

Amsterdam, 31 oktober 2022

Jan Dirk de Jong2 Lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit Hogeschool Leiden

1 Denk bijvoorbeeld aan een bijdrage aan de lopende discussie tussen de gemeente Amsterdam en lokale

welzijnsinstellingen over de rol van het jongeren- en straathoekwerk in het jeugd- en veiligheidsdomein. In een visiestuk ‘Visie op de rol van het Jongeren- en Straathoekwerk in het Jeugd- en Veiligheidsdomein’ (gezien: versie juli 2022) dat helaas nog niet openbaar is, wordt door de welzijnsinstellingen al op een verkennende wijze gereflecteerd op hun rol. Tevens wordt daarin het belang onderstreept om opnieuw stil te staan bij samenwerking en wat van het jongeren- en straathoekwerk gevraagd mág worden in relatie tot het jeugd- en veiligheidsdomein. In dat visiestuk wordt echter hoofdzakelijk ingegaan bij welke opdracht het jongeren en straathoekwerk wil krijgen van de gemeente. Dit position paper heeft als doel de discussie aan te zwengelen over de opdracht die een gemeente dient te verstrekken aan welzijnsinstellingen, tenminste, als het gaat om een aanbod voor een doelgroep die geassocieerd wordt of zal worden met (ernstige) overlast en criminaliteit. 2 Mijn grote dank gaat uit naar docent-onderzoekers van het lectoraat, Yasmine Moussaid en Ilvan Sahetapy, voor hun commentaar op het concept. Ook dank aan criminologen Jeroen van den Broek en Marijke Drogt voor het meelezen en becommentariëren van eerdere versies.

Verder dank ik diverse professionals uit het werkveld die eveneens op korte termijn hun ideeën hebben gedeeld om deze versie zo goed mogelijk af te stemmen op de praktijk: Samuel Reiziger (interventiespecialist multiprobleemgezinnen en voormalig jongerenwerker), Redouan Daafi (jeugdzorg en voormalig jongerenwerker), Robin van Wieringen (jongerencoach en voormalig jongerenwerker), Marloes Hulshof (projectleider jeugd en veiligheid) en Jurriaan Otto (sportmakelaar Jeugd en Veiligheid). Ten slotte wil ik met terugwerkende kracht alle andere professionals en collega-onderzoekers bedanken die verbonden zijn aan de integrale aanpak in de vele gemeenten waar ik in de afgelopen decennia onderzoek heb mogen doen. Ik ben dankbaar voor de inzichten en ervaringen over dit onderwerp die ze met mij hebben gedeeld, zowel positief als negatief. Al die kennis en ervaring hebben ertoe bijgedragen dat langzaam maar zeker het inzicht is ingedaald over de noodzaak van een zéér specifiek aanbod van jongerenwerk voor de 2%, naast het reguliere aanbod voor brede doelgroep.

3

Inhoudsopgave 1. Is regulier jongerenwerk bedoeld voor de risicogroep? ...................................................................... 5 1.1

Wat heeft de risicogroep wél nodig? ....................................................................................... 6

1.2

Praktijkgericht onderzoek om het gat te kunnen vullen .......................................................... 7

2. De risicogroep: de jeugd waar een gemeente buikpijn van heeft........................................................ 9 2.1

Verjonging en verharding ........................................................................................................ 9

2.2

Hedendaagse hoog-risicojeugd.............................................................................................. 10

3. Geen ‘hoog-risicojeugd’ maar ‘de 2%’ ............................................................................................... 12 3.1

De doelgroep is de 2% ........................................................................................................... 13

4. Veiligheid en zorg in relatie tot de 2% ............................................................................................... 14 4.1

Regulier jongerenwerk en de 2%? ......................................................................................... 14

4.2

(Hoe) moet jongerenwerk bijdragen aan de aanpak van de 2%? .......................................... 16

5. Vreemde en onwenselijke situaties ................................................................................................... 18 5.1

Jongerenwerk betaald vanuit veiligheid ................................................................................ 18

5.2

Jongerenwerk binnen veiligheid ............................................................................................ 18

5.3

Nieuwkomers binnen het sociaal domein .............................................................................. 19

5.4

Buitenstaanders die niet goed samengaan ............................................................................ 20

5.5

Binnenstaanders die niet goed uitkomen .............................................................................. 21

6. Toch een stevig beroep op jongerenwerk voor de 2%....................................................................... 23 6.1

Aanzienlijke investeringen verhogen de druk ........................................................................ 25

7. Wat is jongerenwerk voor de 2%? En hoe organiseer je dat?............................................................ 26 Jongerenwerk voor de 2% ten opzichte van regulier jongerenwerk .................................................. 26 Wat werkt: activiteiten, interventies en methodiek van jongerenwerk voor de 2%.......................... 27 Wie werkt: (persoonsgebonden) competenties van de 2%-jongerenwerker .................................... 27 Wat wel: naast verbondenheid ook positief perspectief ................................................................... 28 Organisatie binnen de gemeente: sociaal domein en/of veiligheid ................................................... 28 8. Afsluiting: naar een onderzoeksopzet................................................................................................ 29 9. Literatuur ........................................................................................................................................... 30

4

1. Is regulier jongerenwerk bedoeld voor de risicogroep? Regulier jongerenwerk richt zich hoofdzakelijk op kwetsbare jeugd, zodat zij zich persoonlijk kunnen ontwikkelen en hun maatschappelijke participatie kunnen vergroten (Sieckelink, 2022). Jeugd die minder kwetsbaar is, wordt daarbij niet uitgesloten (Metz, 2020). In die zin heeft professioneel jongerenwerk een opmerkelijk brede doelgroep. Jongerenwerk neemt verschillende methodische vormen aan (Metz & Sonneveld, 2018; Metz et al., 2020). Bekend zijn de groepsgerichte activiteiten gericht op talent- en identiteitsontwikkeling. Daarnaast bestaan methodieken voor ambulant jongerenwerk, informatie- en adviesverstrekking aan doelgroepen en individuele begeleiding. Jongerenwerkers werken van oudsher in de leefwereld van de jongeren, zoals op straat en in jongerencentra. Steeds vaker zijn ze ook op scholen actief (Rijnders et al., 2021)3. Verder dienen hedendaagse jongerenwerkers hun doelgroep zonder meer ook te ontmoeten op social media (Hamdiui & Van den Broek, 2019; Manders & Todorović, 2021). Professioneel jongerenwerk dat door een gemeente wordt betaald, is over het algemeen goed in staat om kwetsbare jongeren te bereiken (Van Bijsterveldt, 2013; Abdallah, 2017; Sonneveld et al., 2019; Sonneveld et al., 2020; Tuenter et al., 2021; Rekenkamer Rotterdam, 2022).

Ondanks dat succes op de kwetsbare groep is het jongerenwerk helaas niet toereikend om een zekere risicogroep te bereiken. In onderzoek vanuit het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit lopen we regelmatig tegen dat gegeven aan4. Het gaat om de groep die verantwoordelijk wordt gehouden voor ernstige overlast en jeugdcriminaliteit, veelal in groepsverband. Als het gaat om regulier jongerenwerk valt deze doelgroep jeugd in dat opzicht buiten boord in flink wat buurten van grotere en kleinere gemeenten. Jongerenwerkers van reguliere welzijnsorganisaties komen op zulke locaties soms tot op zekere hoogte nog wel in verbinding met deze doelgroep. Alleen ondervinden zij niet zelden moeilijkheden om hen te betrekken bij groepsgerichte activiteiten of individuele begeleiding (richting hulp, werk of opleiding). Laat staan dat zij in staat zijn hen aan te spreken op risicovol of regelovertredend gedrag 5. Van dat laatste is het overigens de vraag in hoeverre deze jongerenwerkers dat altijd als hun taak zullen zien. Jongerenwerk is immers geen gemeentelijke handhaving en deze doelgroep heeft duidelijk iets anders nodig heeft dan de reguliere benadering (Van den Broek, 2018). Nog een knelpunt is de soms moeizame samenwerking met de politie (Sieckelink & Kaulingfreks, 2022). Afstemming en informatiedeling tussen politie en jongerenwerkers kan spaak lopen.

Welzijnsorganisaties willen doorgaans ook geen verlengstuk te zijn van het veiligheidsdomein6. Bovendien zijn individuele jongerenwerkers soms bang hun (broze) vertrouwensband met deze doelgroep en aanverwante jeugd op het spel te zetten. Openlijke samenwerking en informatieuitwisseling met de politie lijkt strijdig met een ‘no-snitch’-cultuur op straat (De Jong, 2007) of een breder gedragen zwijgcultuur in gemarginaliseerde buurten (Zwinkels, 2021; Tops, 2018). 3 Zie: https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/zorg-jeugd/artikelen/stedelijk-project-jongerenwerk-school/. 4 Deze onderzoeken zijn gedaan in diverse gemarginaliseerde buurten in verschillende gemeenten, waaronder

Aalsmeer (Kudelstaart), Alkmaar, Amsterdam, Alphen aan den Rijn (Boskoop), Capelle aan den IJssel, Den Haag, Haarlem, Leiden, Nijmegen, Schiedam, Waalwijk en Zoetermeer. Bronnen zijn onder meer: De Jong, 2012a; 2012b; 2012c; 2013a; 2013b; 2013c; 2014a; 2014b; 2015a; 2015b; 2016a; 2017; 2018a; 2018b; 2019; De Jong & Marijt, 2016; De Jong et al., 2017; 2022a; De Jong & Drogt, 2017; 2018; Drogt & De Jong, 2016; Groenewegen & De Jong, 2018; De Jong & Van den Broek, 2016; Van den Broek & De Jong, 2016; 2018; Van den Broek, 2018; Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2018. In sommige van deze gemeenten is onderzoek gedaan in meerdere buurten of stadsdelen in de loop der jaren. Verder is via het lectoraat ook in een meer beperkte rol (bijvoorbeeld als adviseur) betrokken geweest bij de aanpak van jeugdproblematiek in onder meer Arnhem, Rotterdam, Tilburg, Utrecht en Venlo. 5 Uitzonderingen daargelaten als het gaat om partijen die zich al speciaal hebben toegelegd op het bedienen van de doelgroep, en daarmee ook het aanspreken op gedrag en duidelijkheid over de samenwerking met politie (voorbeelden zijn bijvoorbeeld te vinden in Arnhem, Den Haag, Tilburg en Rotterdam). 6 Het ‘veiligheidsdomein’ heeft betrekking op het uitvoeren van toezicht en handhaving om te zorgen dat vastgestelde regelgeving wordt nageleefd, waaronder alles wat is vastgelegd in het strafrecht.

Toezicht en handhaving kunnen door de gemeente zelf bijvoorbeeld worden uitgevoerd door BOA's en met behulp van camera's of data-analyse. Andere partijen die werkzaam zijn binnen het veiligheidsdomein zijn het ministerie van Justitie en Veiligheid, het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie, de Raad voor de Kinderbescherming, en de (jeugd)reclassering.

5

Als aanvulling op het jongerenwerk proberen straathoekwerkers in contact te komen met de risicogroep in een aantal gemeenten (Rauwerdink-Nijland & Metz, 2022; Jolink-Verkuijlen, 2021). De opdracht van de straathoekwerkers is daarbij doorgaans niet om het gat naast het reguliere jongerenwerk in te vullen. Het is niet hun taak om alsnog bij te dragen aan de persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie van deze jongeren. Zij zoeken vooral contact om cruciale hulpvragen op te halen die schuilgaan achter de overlast en criminaliteit van deze doelgroep. Vervolgens is het zaak hen dan te begeleiden naar de juiste specialistische hulpverlening, bijvoorbeeld wat betreft schulden, huisvesting, werk of opleiding, en allerhande beperkingen en gedragsproblemen.

1.1

Wat heeft de risicogroep wél nodig?

Het gevolg is dat in veel van die gemeenten deze doelgroep niet of onvoldoende wordt bereikt door welzijnsorganisaties die daar zijn ingezet vanuit het sociaal domein7. Nogmaals, het gaat om een selecte subgroep die overlast veroorzaakt en criminaliteit pleegt, over wiens ontwikkeling en toekomst men zich grote zorgen maakt, en die de samenleving per saldo ook veel geld kost. Het gevolg is dat juist deze jeugd te weinig ondersteuning krijgt in hun persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie, terwijl ze die hard nodig lijken te hebben. Voor een deel van de doelgroep is het ook een kwestie van ‘too little, too late’. Zij hebben inmiddels meer nodig dan standaard preventie vanuit het jongerenwerk om ze weer op het rechte pad te trekken. Zo bekeken schieten de preventieve maatregelen in deze gemeenten ogenschijnlijk simpelweg tekort voor deze jongeren. Het lijkt op die locaties te ontbreken aan effectieve jeugdinterventies die kunnen aansluiten bij doelstellingen uit het jongerenwerk. Wellicht zou zo’n interventie ook een andere vorm moeten krijgen. Te denken valt aan een outreach-programma dat wordt opgezet om jongeren te ondersteunen in hun persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie, maar ook op ad-hoc basis al veel meer te helpen. Naast en soms binnen het reguliere welzijnswerk komen vele van dit soort initiatieven soms op en verdwijnen ook weer8.

Helaas is het vaak lastig iets te zeggen over de effectiviteit van dergelijke programma´s, blijkt uit internationaal onderzoek (Filges et al., 2022). Zeker in Nederland zijn nauwelijks kwalitatief goede effectevaluatiestudies te vinden. Slechts één zo’n interventie, Alleen jij bepaalt wie je bent9, staat te boek als ‘effectief volgens eerste aanwijzingen’ in de database effectieve jeugdinterventies10. De werkzame bestanddelen uit deze ‘evidence based’ (justitiële) interventie kunnen in elk geval inspiratie bieden voor wat wél nodig is vanuit het jongerenwerk ten aanzien van de doelgroep. Afgaand op ‘wat werkt’ in die specifieke interventie (Hartog et al., 2017) kan het volgende worden bedacht met het oog op een preventieve inzet vanuit jongerenwerk die aansluit bij de doelgroep. In de eerste plaats moet sprake zijn van regelmatig en duurzaam contact met een of meer vaste jongerenwerkers. Tevens is het zaak dat die jongerenwerkers stevige werkrelaties opbouwen als een soort mentorachtige welzijnsprofessionals. Die werkrelatie is een belangrijke basis bij deze doelgroep, beredeneerd vanuit het belang van ‘wie werkt’ (Menger 2009), verbondenheid en inclusie (De Jong, 2016a) en bejegening en professionele eigenheid (De Wit et al., 2018). Vervolgens biedt zo’n mentor naast groepsactiviteiten ook begeleiding op individueel niveau.

Daarbij is de mentor op het gedrag gericht en zet positieve rolmodellen in, mogelijk ook ervaringsdeskundigen (Lenkens, 2022) 7 Onder de term 'sociaal domein' verstaan we alle inspanningen die de gemeente verricht rond werk, participatie en

zelfredzaamheid, zorg en jeugd, op basis van de Wmo 2015, de Participatiewet, Jeugdwet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Uitvoerende partijen kunnen bestaan uit diverse zorg- en welzijnsinstellingen. 8 Het lectoraat is betrokken geweest bij dergelijke initiatieven in onder meer Alphen aan den Rijn, Amsterdam, Haarlem en Nijmegen. Helaas zijn al die initiatieven mettertijd weer verdwenen. 9 https://www.nji.nl/interventies/alleen-jij-bepaalt-wie-je-bent. 10 Het gaat niet om interventie die jongeren krijgen opgelegd na een delict, zoals een training sociale vaardigheid (Tools4U) of een agressietraining (TACt-i). Het gaat om een sociaal programma waarmee iemand werkt aan zijn identiteit in relatie tot anderen. De jongere werkt aan zijn positie in een positief sociaal groepsverband waarin prosociaal gedrag wordt beloond (met veel nadruk op sport).

6

Verder is de aanpak vooral geënt op een positief proces van verandering (Willis & Ward, 2013). Veel aandacht gaat daarbij uit naar het aanwakkeren van intrinsieke motivatie vanuit gevoelens van autonomie, competentie en verbondenheid (Deci & Ryan, 2000). Op basis van ‘wat werkt’ in deze effectieve (justitiële) interventie die wetenschappelijk is onderzocht, is een eerste ruwe schets te maken van wat (pre-forensisch) jongerenwerk voor deze doelgroep mogelijk inhoudt. Vooralsnog is echter nog onvoldoende onderzocht en vastgelegd of zo’n specifieke vorm van jongerenwerk daadwerkelijk nodig is voor deze hoog-risicogroep. Ook is niet onderzocht of zo’n vorm met die werkzame bestanddelen mogelijk al ergens bestaat binnen alle alternatieve projecten die opkomen en vaak weer verdwijnen11. Hierdoor ontbreekt het aan kwalitatief goede kennis op basis van data uit verschillende gemeenten. We weten daardoor nog niet hoe een alternatieve vorm van jongerenwerk voor deze doelgroep eruit moet zien qua interventies, methodieken en professionele competenties. Tevens is nog onduidelijk hoe zoiets het beste kan worden georganiseerd in de context van een integrale aanpak van de doelgroep. Moet dat worden opgezet vanuit het sociaal domein (zoals het reguliere jongerenwerk) of juist eerder vanuit het veiligheidsdomein?

1.2

Praktijkgericht onderzoek om het gat te kunnen vullen

Zoals gezegd is uit onderzoek inmiddels wel gebleken dat het reguliere jongerenwerk succesvol is in het behalen van doelstellingen ten aanzien van de kwetsbare jeugd. En nogmaals, dat succes wordt hier ook op geen enkele manier in twijfel getrokken. Alleen wordt in de praktijk steeds weer duidelijk dat het reguliere jongerenwerk niet per definitie geschikt is voor betrokkenheid bij de aanpak van de risicogroep. En juist die (vaak selecte) groep is in gemeenten van groot belang omdat zij verantwoordelijk zijn voor veel lokale overlast en criminaliteit. Dat brengt veel gevoelens van onveiligheid, maatschappelijke zorgen en aanzienlijke kosten met zich mee. Naast een bijdrage aan het structurele probleem van de risicogroep, kan het regulier jongerenwerk ook niet vanzelfsprekend ad hoc worden ingezet bij een crisissituatie bij deze jeugd. Wat moet het jongerenwerk doen bij heftige geweldsincidenten tussen rivaliserende jeugdgroepen (soms drillrap-gerelateerd)12? Wat mogen we van het jongerenwerk verwachten bij grote onrust om jonge aanwas en doorgroei in de georganiseerde (drugs)criminaliteit13? Bij dit soort crisissituaties worden meestal tijdelijk andere 'experts' ingevlogen voor interventies bij specifieke problematiek in een zeker gebied14.

Dat laat op zijn minst zien dat persoonsgebonden competenties van bepaalde professionele belangrijk zijn en blijkbaar niet standaard tot de uitrusting behoren van een gediplomeerde jongerenwerker. Wat kunnen die experts dat de jongerenwerkers niet kunnen die daar al aanwezig zijn vanuit het reguliere welzijnswerk? 11 Nu lijkt het er op dat op dat in sommige gemeenten een aantal organisaties daarin zelf het wiel steeds opnieuw aan

het uitvinden is. Voorbeelden zijn ‘Jongerenwerk Plus’, ‘Intensief Jongerenwerk’ of ‘Grenzen stellend jongerenwerk’ zoals die onder meer te vinden zijn in Almere, Amsterdam, Arnhem, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam en Tilburg. 12 De excessieve geweldsconflicten tussen jeugdgroepen hebben lang niet altijd met drillrap te maken. Denk bijvoorbeeld aan de vechtpartij op de Rijswijkseweg in Den Haag op 6 mei 2021 die het gevolg was van een eerder incident tussen groepsleden. Het 17-jarige slachtoffer Myron werd neergehaald, geschopt, geslagen en uiteindelijk doodgestoken door een groep van 9 verdachten tussen de 17 en 24 jaar. Zie: https://www.om.nl/actueel/nieuws/2022/10/18/17-jarige-dood-door-zinloze-groepsrivaliteit. 13 In algemene zin worden steeds signalen afgegeven over dat de jeugd steeds jonger en steeds gewelddadiger is geworden (AT5, 10 september 2022). De politie maakt zich recent ook zorgen om criminelen die schoolkinderen ronselen met verslavende ‘snus’ (Het Parool, 29 september 2022). Tevens maakt de politie regelmatig melding van zeer jonge jongeren die al betrokken raken bij de georganiseerde drugscriminaliteit, zoals 13-jarige dealers in Arnhem (De Gelderlander, 8 augustus 2022). 14 Denk aan leefwereld en buurtexperts zoals Virgil Tevreden (https://jongerendiehetkunnen.nl/) die wordt ingeschakeld bij conflicten gerelateerd aan drillrap in Amsterdam Zuid Oost.

Voorbeelden zijn ook te vinden bij de ‘credible messengers’, zoals Randell (https://crediblemessengers.nl/crediblemessengers/randell) die ook bemiddelt bij heftige geweldsconflicten tussen jeugd en jeugdgroepen.

7

Dit alles roept de vraag op of het gat náást het reguliere jongerenwerk niet structureel en duurzaam gevuld dient te worden, en het liefst op basis van kwalitatief goede effectstudies. Het lijkt ook alsof de overheid daar in ieder geval nadrukkelijk om vraagt vanuit het nieuwe adagium ‘preventie met gezag’ (Aanjaagteam Ondermijning, 2021). Dat dit gat gevuld dient te worden kan goed worden beargumenteerd op basis van de volgende punten. Ten eerste kunnen we deze doelgroep jeugd niet op voorhand zomaar afschrijven zonder een poging doen om te voorkomen dat zij verder afglijden richting de criminaliteit. Dat zou ronduit onethisch zijn. Ten tweede betekent meer succes in die preventieve aanpak van de risicogroep niet alleen een afname van overlast en criminaliteit. Op langere termijn leidt dit ook tot aanzienlijke besparingen in maatschappelijke kosten op het vlak van justitie en zorg (net als bij de kwetsbare jeugd al het geval is15). Ten slotte is een betere preventieve aanpak niet alleen in het belang van de doelgroep zelf en de maatschappij daaromheen. Het is ook belangrijk voor de kwetsbare jeugd in de directe omgeving van de risicogroep, de oorspronkelijke doelgroep van het reguliere jongerenwerk. Die jongeren staan namelijk zowel off- als online onder directe invloed van (lokale) risicogroepen.

Dat heeft álle mogelijke negatieve gevolgen van dien: slachtofferschap van geweld of dreiging, uitbuiting en misbruik of de kans zelf uiteindelijk tot de risicogroep te gaan behoren (fluïde slachtoffer- en daderschap)16. Praktijkgericht onderzoek naar een speciale vorm van jongerenwerk voor de risicogroep is dus hard nodig. Alleen op basis van zulk onderzoek wordt duidelijk hoe welzijnsorganisaties een bijdrage dienen te leveren aan een integrale aanpak met één gemeenschappelijke doel: het voorkomen van overlast en criminaliteit en de vermindering van sociale problematiek. Een belangrijke vraag daarbij is wat het welzijnswerk precies voor ondersteuning oplevert aan die bredere, integrale aanpak van jeugdcriminaliteit en welke doelstellingen daarbij horen. Uiteraard is ook van belang wat of wie daar verder allemaal voor nodig zijn als partners en waar deze opdracht wordt uitgezet. Verderop in dit paper worden dit soort vragen verder uitgewerkt en wordt een voorstel gedaan voor een onderzoeksopzet. Eerst is het zaak de doelgroep van dit onderzoek goed af te bakenen ten aanzien van de meer algemene (kwetsbare) doelgroep van de reguliere jongerenwerk. Ook is het van belang om een aantal praktijkvoorbeelden langs te lopen. Die voorbeelden onderstrepen nogmaals dat wat we nu doen in een aantal gemeenten, niet of onvoldoende werkt.

15 Zie de maatschappelijke Business Case jongerenwerk voor gemeenten (Leih et al., 2017). 16 Lees voor inzicht in deze dynamiek het achtergrondartikel van Paul Vugts over hoe het gezin van Rivaldo (16) de stad

uit vluchtte vanwege afpersing in Het Parool (3 september 2022): https://www.parool.nl/amsterdam/hoe-het-gezinvan-rivaldo-16-de-stad-uit-vluchtte-vanwege-afpersing-hij-zei-mam-jij-kunt-me-niet-veilig-houden~b8ed7bb4/.

8

2. De risicogroep: de jeugd waarvan de gemeente buikpijn heeft Uit statistieken van politie, justitie of zelfrapportages blijkt dat de jeugdcriminaliteit in Nederland sinds het begin van deze eeuw aanzienlijk en stabiel afneemt (CBS, SCP, WODC)17. Tevens is het aantal problematische jeugdgroepen gedaald (Ferwerda & Van Ham, 2017). Recent is binnen die cijfers óók een kleine, maar verontrustende stijging waar te nemen, namelijk een toename van het aantal jonge minderjarigen dat betrokken is bij ernstige criminaliteit (Van der Laan et al., 2021; Weijers et al, 2021a; 2021b). Extreme voorbeelden daarvan halen regelmatig de media, met name wanneer sprake is van excessief geweld. Zo heeft de politie op 8 juni 2021 twee jongens van 11 en 12 jaar in Spijkenisse en Rhoon aangehouden. De 11-jarige jongen had een mes bij zich en de 12-jarige jongen zou een straatroof hebben gepleegd. Op 18 januari 2022 wordt de Nijmeegse topskater Casper Verheijen (29) in Amsterdam doodgestoken bij de Sloterplas, mogelijk door een jongen van 15 jaar. En de jongere uit Amsterdam Zuidoost die ervan wordt verdacht in 2021 de 56-jarige crimineel Itzhak Meiri van dichtbij te hebben doodgeschoten, was 16 jaar ten tijde van dat delict. Naast zulke extreme voorbeelden zijn er nog de gewelddadige incidenten die worden gekoppeld aan de drillrapscene.

Een bekend voorbeeld is de steekpartij in Amsterdam Zuidoost op 3 september 2019 met de pas 18-jarige Jay-Ronne Grootfaam (van drillrapgroep F.O.G.) als dodelijk slachtoffer. De schietpartij op de Scheveningse pier op 10 augustus 2020 waarbij de 19-jarige ‘Chuchu’ (van drillrapgroep Blacka 24) omkwam, geldt ook als zo’n extreem incident. De daders van deze gewelddadigheden zijn al meerderjarig (ergens tussen de 18 en 21). Toch wordt zulk excessief geweld ook in verband gebracht met veel jongere jeugd, evenals de langlopende vetes, de voortdurende dreiging en de fuik van angst waarin die jeugd klem zit18 (Roks & Van den Broek, 2022; De Jong, 2021b; Weerman et al., 2022). Iets soortgelijks geldt voor een link tussen jeugd en de georganiseerde misdaad. De daders van excessief geweld binnen het milieu van de georganiseerde drugscriminaliteit – in het bijzonder uitvoerders van liquidaties – zijn doorgaans al wat ouder met een gemiddelde leeftijd tussen de 26 en 30 (Adjiembaks, 2021; De Jong, 2021a). Echter de aantrekkingskracht van het snelle geld dat is te verdienen in het drugsmilieu wordt gekoppeld aan veel jongere betrokkenen. Via diverse ingroeimechanismen raken zij dan direct of indirect toch betrokken bij het geweld19 (De Boer et al., 2022; Kuppens et al, 2022; Langenveld, & Herder, 2022; Ferwerda et al., 2022; Ferwerda, 2022).

2.1

Verjonging en verharding

Bij al deze alarmerende berichten past enige nuance. De delicten zijn weliswaar zeer ernstig, zeker gezien de jonge leeftijd en het excessieve geweld. Het blijft echter een kleine subgroep binnen dalende misdaadcijfers. Dit neemt niet weg dat deze opmerkelijke ontwikkeling nog steeds zeer zorgelijk is. Een zorgelijk aspect is bijvoorbeeld dat binnen deze kleine subgroep die zich schuldig maakt aan zulke ernstige misdrijven, sprake lijkt van een ‘verjonging’. Dit betekent dat juist in de jongere leeftijdscategorie van delinquenten het aantal ernstige geweldsdelicten is toegenomen (Van der Laan

17 De ontwikkeling van jeugdcriminaliteit kenmerkt zich in het algemeen door een spectaculaire afname over de hele

linie (Van der Laan et al., 2021). Het aantal jonge daders is in het afgelopen decennium ongeveer gehalveerd. De gemiddelde leeftijd van het eerste politiecontact ligt nog steeds rond de 15 jaar en lijkt zelfs licht gestegen. En het eerste geregistreerde delict is over het algemeen niet zwaarder dan voorheen. Als we iets nauwkeuriger kijken binnen diezelfde statistieken zien we echter ook een relatief kleine, maar verontrustende stijging van het aantal jonge minderjarigen dat betrokken is bij ernstige criminaliteit. Het aantal gewapende overvallen door jeugdigen is over het algemeen weliswaar afgenomen, maar in die categorie is het aandeel van de verdachten tussen 11 en 16 jaar naar verhouding juist gestegen. 18 ‘13-jarige drillrapper: 'Ik heb sowieso een mes bij me om me te verdedigen' (Panorama, 26 juli 2022). 19 ‘Tieners zitten volop in de drugshandel, politie haalt 13-jarige dealer van straat in Arnhem’ (De Gelderlander, 8 augustus 2022).

9

et al., 2021). Een aantal jonge jongens uit deze categorie gaat zich mogelijk ontwikkelen tot de jeugdige veelplegers of stelselmatige daders van de nabije toekomst (Weerman et al., 2020). Dat zijn onder meer de jongeren en jongvolwassenen voor wie gewelddadige criminaliteit min of meer routine zal worden (Loeber et al., 2001; Van Ham et al., 2014; Weijers, 2019; 2022)20. Die gedachte sluit aan bij een ander zorgelijk aspect. Binnen de jeugdcriminaliteit wordt een ‘verharding’ geconstateerd en toegeschreven aan een specifieke, al weer wat oudere groep: “Uit de cijfers en de literatuur rijst het beeld van een kleine, specifieke categorie ernstige, vaak gewelddadige, overwegend jongvolwassen veelplegers, die zich meester wanen over het publieke domein, die mensen bedreigen en beroven, voor wie het gebruik van wapens geen taboe meer is en die vaak actief zijn in de drugscriminaliteit” (Weijers et al., 2021b: 265). De ‘verjonging’ en ‘verharding’ bij een kleine, specifieke groep jeugdigen en jongvolwassen, vormen twee zorgwekkende fenomenen die bijdragen aan de urgentie van een effectieve aanpak van jeugdcriminaliteit. Qua totale omvang neemt de geregistreerd jeugdcriminaliteit weliswaar nog steeds af. Het maatschappelijk probleem lijkt daarmee echter zeker niet minder te worden.

Van grote ernst lijkt vooral sprake als problematische jeugdgroepen – waar jeugdige, verharde delinquenten doorgaans deel van uitmaken – veel impact hebben op de lokale veiligheidsbeleving in buurten, op scholen en op andere plekken van (Eijsink Smeets & Bervoets, 2011; Ferwerda & Van Ham, 2017; Roks & Van den Broek, 2020; Aanjaagteam Ondermijning, 2021; Weerman et al., 2022). Deze jonge en jongvolwassen veelplegers manifesteren zich in groepsverband (hot shots en hot groups) op specifieke momenten en plekken in kwetsbare wijken (hot times en hot spots), en óók op social media. Justitiële reacties vanuit het veiligheidsdomein lijken weinig effect op hen te hebben gezien de hoge recidivecijfers (Van Dorp, 2019; Weijters et al., 2019; Boschman et al., 2022). Tevens zijn de hardnekkige recidivisten (en de gezinnen waartoe zij behoren) vaak bekende namen binnen het sociaal domein van een gemeente (Segeren & Fassaert, 2014). Daar staan ze bekend als ‘zorgmijders’ of ‘hulpweigeraars’ (Kooijmans & Roovers, 2010; Bellaart, 2013; Dörenberg et al., 2016; Ligtenberg, 2018).

2.2

Hedendaagse hoog-risicojeugd

Op basis van de bovenstaande beschrijving van deze kleine, specifieke groep jeugd en jongvolwassen, is een subcategorie af te bakenen binnen de meer algemene categorie risicojeugd21, namelijk die van de hedendaagse hoog-risicojeugd. Deze subcategorie is in te kaderen aan de hand van de volgende kenmerken: o

Jongens (al spelen meisjes zeker een belangrijke rol, soms actief en sowieso in de sociale context)

o

12-17 jeugd (waar sprake is van de geconstateerde ‘verjonging’)

o

18-22 jongvolwassen (waar we vooral spreken over de zorgelijke ‘verharding’)

20 Die ‘verjonging’ heeft soms zelfs betrekking op jongens die jonger zijn dan 12 jaar. Die zijn dan wel overlastgevend

en crimineel, maar niet vervolgbaar gezien hun jonge leeftijd. In de wijk De Baarsjes in Amsterdam West loopt nu een pilotproject voor de 12- groep. Daar komt men bijvoorbeeld dit soort jongeren tussen 8 en 12 tegen die al erg zorgwekkend gedrag vertonen. 21 Risicojeugd of ‘Youth at risk’ (Bonta & Andrews, 2007) is een term voor een categorie jeugd die door een diversiteit aan risicovolle omstandigheden kwetsbaarder is gemaakt voor probleemgedrag, zoals middelenmisbruik, schooluitval en jeugdcriminaliteit, en ook psychische stoornissen, zoals depressie en angststoornis.

10

o

Achtergestelde gezinnen (vaak met meervoudige, complexe problematiek, niet zelden intergenerationeel)

o

Gemarginaliseerde wijken (ook wel bekend als 'achterstandsbuurten' of 'probleemwijken' en soms buurten binnen overkoepelende, meer welgestelde en ge-gentrificeerde wijken of stadsdelen)

o

Onderdeel van problematische jeugdgroep (vaak met lokale wortels en identiteit, maar kan ook buurt-overstijgend zijn onder meer vanwege online activiteit)

o

Social media profiel problematisch (soms openlijk en dan vooral bij jongere of niet zulke slimme jongens die nog naam willen maken)

o

Schoolproblemen (faalervaringen in het onderwijs, aanvaringen met docenten en sociaal onveilig milieu onder de jeugd op school)

o

Gedragsproblemen en beperkingen (komt naar verhouding veel voor, maar niet altijd)

o

Vroeger of later (jeugd)detentie (helpt doorgaans niet om recidive te voorkomen)

o

Vroeger of later (jeugd)zorg vrijwillig of in gedwongen kader (waarbij vaak sprake is van hulp weigeren, mijden of sterk sociaal wenselijk antwoordgedrag, onder meer op basis van negatieve ervaringen)

o

Jong betrokken bij ernstige overlast en eerste delicten (vroeg al in beeld bij politie en op school)

o

Later ook plegers van High Impact Crimes (waarbij de jonge beginners van HIC-delicten vaker veelpleger worden, langer doorgaan, meer strafzaken krijgen en meer tijd in detentie doorbrengen)

o

Geweld en wapens routine (bij de HIC-delicten gaan vooral geweld en wapens een meer alledaagse rol spelen)

Binnen deze subcategorie van hedendaagse hoog-risicojeugd treffen we vooral het soort casuïstiek aan dat nu veel aandacht krijgt in relatie tot excessief geweld onder jongeren. Die casuïstiek kan betrekking hebben op de eerder genoemde gewelddadige conflicten – o.a. steekincidenten – rondom problematische en soms rivaliserende jeugdgroepen (waarbij de sociale context van ‘drillrap’ relevant kan zijn maar niet altijd). Tevens kan zulke casuïstiek samenhangen met de context van jonge aanwas en doorgroeiers richting de georganiseerde (drugs)criminaliteit. Met name díe beide onderwerpen – een vermeende toename van wapengeweld onder jeugd en jeugd die betrokken dreigt te raken bij georganiseerde misdaad –, krijgen momenteel opmerkelijk veel aandacht in de samenleving, en dan vooral ook in media en politiek. Wat ook weer leidt tot de nodige investeringen als het gaat om de aanpak van die problematiek. Uit dit alles mag duidelijk zijn dat deze doelgroep momenteel vol in de schijnwerpers staat. De komende tijd zullen daarom jaarlijks vele miljoenen worden geïnvesteerd. Het jongerenwerk wordt daarbij expliciet aangemoedigd om plannen te ontwikkelen voor preventie. Tegelijkertijd waait er ook een nieuwe politie wind als het gaat om de vraag naar een aanpak vanuit ‘preventie met gezag’ (Aanjaagteam Ondermijning, 2021).

Voordat we verder gaan met het uitzoeken wat al deze ambities en investeringen betekenen in relatie tot een mogelijke bijdrage vanuit het jongerenwerk aan een integrale aanpak van deze doelgroep, is het zaak eerst nog een semantische kwestie af te handelen. Hoe noemen we deze doelgroep vanaf nu? 11

3. Geen ‘hoog-risicojeugd’ maar ‘de 2%’ In het voorgaande is aangestipt wat specifieke kenmerken zijn van de doelgroep en ook waar de jongeren zich zoal mee bezig houden op het gebied van ernstige overlast en criminaliteit. Daarmee is een subcategorie hedendaagse hoog-risicojeugd afgebakend binnen de meer algemene categorie ‘risicojeugd’. Dit onderzoek over een mogelijke bijdrage vanuit het jongerenwerk zal zich richten op die doelgroep. Alleen is het gebruik van een begrip als ‘risicojeugd’ helaas problematisch. Het gebruik van die term is onvermijdelijk stigmatiserend. Het begrip reduceert jongeren op twee manieren tot iets negatiefs. Ten eerste lijken deze jongeren voortdurend het risico te lopen om verkeerde dingen te doen waarmee ze zichzelf in de nesten werken. Ten tweede vormen ze blijkbaar steeds een risico om anderen schade te berokkenen. Zo ontstaat een dilemma. Of men gebruikt de term (hedendaagse hoog)risicojeugd met als gevolg dat dit allerlei vooroordelen in de hand werkt en een effectieve bejegening belemmert als iemand als ‘gewoon normaal’ (De Wit et al., 2019; Lenkens, 2022). Of men kiest voor een neutralere term zoals ‘jeugd’ of ‘jongeren’22, waarmee iedere verwijzing naar de specifieke doelgroep weer wegvalt.

Dit dilemma is mogelijk op te lossen met een alternatieve, emic23-term die opkwam tijdens een onderzoek naar jongerenwerk in de preventieve aanpak van ‘jonge aanwas’ in een Amsterdams stadsdeel. Ambtenaren van Jeugd en Veiligheid, Sociaal Domein en Sport spraken in de wandelgangen vaak over ‘de 2%’. Uit navraag bleek dat men in eerste instantie zelf niet wist waar deze term vandaan kwam, ondanks dat men die regelmatig gebruikte om te verwijzen naar de doelgroep binnen hun werkgebied. Het was er een beetje in geslopen. Niet veel later kreeg de onderzoeker nota bene een appje van een van die ambtenaren met de vraag of híj misschien een bron kende voor dit begrip, zodat ze naar dat onderzoek konden verwijzen in een presentatie of verslag. Dit gaf aanleiding om verder te spitten en leverde het oorsprong-verhaal op:

‘Twee procent’ van de jongeren is de doelgroep Enkele jaren geleden hadden de toenmalige programma-coördinator Jeugd en Veiligheid en de projectleider Jeugd en Veiligheid van het stadsdeel Oost in de gemeente Amsterdam een eigen lijst met ‘jonge aanwas’. Dit waren alle jongeren die ernstige overlast veroorzaakten. Sommigen waren al in beeld bij de politie voor diverse delicten, waaronder High Impact Crimes als geweldpleging, straatroof en inbraak. Naar alle waarschijnlijkheid stond op die lijst voor een belangrijk deel de doelgroep van het stadsdeel, inclusief de potentieel gewelddadige jeugd, toekomstige veelplegers en de jonge aanwas die mogelijk doorgroeit in de georganiseerde misdaad. Zo’n lijst komt doorgaans ook sterk overeen met jongens waar de wijkagent zich zorgen over maakt en ook met de namen die al bekend zijn op de lokale scholen. Om wat inzicht te krijgen in de omvang van hun probleem hebben de gemeenteambtenaren toen het aantal jongeren van hun doelgroep-lijst cijfermatig afgezet tegen het totaal aantal jongeren in hun stadsdeel. En zo kwamen zij met natte vingerwerk op ongeveer 2% van de jongeren.

22 Hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Robert Vermeiren zei daar de voorkeur aan te geven in VPRO Zomergasten

(1 augustus 2021). 23 ‘Emic’ staat in de sociale wetenschap voor het perspectief van binnenuit, hoe iemand uit een bepaalde (sub)cultuur het zelf ervaart, in dit geval de Jeugd- en Veiligheidsambtenaren van Amsterdam Oost.

12

3.1

De doelgroep is de 2%

Uiteraard is het zaak ons niet stuk te staren op het precieze percentage van die twee procent. Wetenschappelijk onderzoek op basis van strakke, statistische criteria zal hoogstwaarschijnlijk een percentage opleveren dat hier (flink) van afwijkt. Het exacte percentage blijkt dan hoger of lager afhankelijk van de gekozen criteria en beschikbare gegevens24. Ook zal zo’n percentage naar verwachting weer verschillen per stadsdeel25. Dit neemt niet weg dat een stadsdeel als Amsterdam Oost bij uitstek een kenmerkend voorbeeld is van een grootstedelijk gebied dat in bepaalde buurten wordt gekenmerkt door precies het soort jeugd- en veiligheidsproblematiek van de doelgroep. Bij gebrek aan beter en om de term ‘risicojeugd’ om moverende redenen los te kunnen laten, omarmen we voor dit pleidooi voor onderzoek deze niet-officiële en niet wetenschappelijk aanduiding van de doelgroep als ‘de 2%’. Door deze jeugd te duiden als de 2% hoeven we hen niet langer te stigmatiseren als ‘hedendaagse hoog-risicojeugd’ en kunnen we tóch specifiek naar ze verwijzen met een neutralere term. Ook zet die aanduiding deze subcategorie gelijk in een aansprekend, cijfermatig perspectief: ondanks lokale verschillen gaat het op een landelijk niveau om een relatief kleine groep jongeren en jongvolwassenen (vooral jongens) ten opzichte van het grotere geheel.

En tegelijkertijd kan deze relatief kleine groep jeugd wel degelijk een groot effect hebben op de lokale veiligheidsbeleving in de samenleving. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de beleving van de andere jeugd op straat, op school en in het buurthuis. Dit maakt dat de jongeren uit de doelgroep (en hun gezinnen) ook zwaar op de kosten drukken die worden gemaakt vanuit zowel veiligheid (politie en justitie) en sociaal domein (zorg en welzijn). En over dat laatste aspect gaat dit position paper dat moet aanzetten tot toekomstig onderzoek: de rol van welzijnsorganisaties en dan in het bijzonder het jongerenwerk in relatie tot de 2%. Die focus op dat specifieke onderwerp biedt overigens nog een reden om de term 2% te omarmen. Het gaat namelijk niet om een onderzoek waarbij het belang of het succes van het reguliere jongerenwerk voor de brede doelgroep jeugd (‘de 98%’) ter discussie wordt gesteld. Het onderzoek gaat om de vraag of daarnáást nog een ander soort jongerenwerk moet worden aangeboden voor de 2%, mogelijk te typeren als ‘(pre-)forensisch jongerenwerk’. Om de relevantie van dat vraagstuk verder te onderbouwen is het zaak nauwkeuriger te kijken naar de complexe relatie tussen veiligheid, zorg en welzijn en de 2%, en wat dit zoal teweeg kan brengen in de praktijk.

24 Zo valt er wat voor te zeggen om bij de meest zorgwekkende jeugd te spreken over ‘de 5%’, aangezien uit onderzoek

blijkt dat ongeveer 5 procent van de totale groep jeugddelinquenten zal doorgaan met hun criminele carrière ook als ze ouder worden (Ferwerda, 2022). 25 Als reactie op deze term verzuchtte een coördinator Jeugd en Veiligheid van een ander Amsterdams stadsdeel: “Volgens mij is het bij ons eerder 10%.”

13

4. Veiligheid en zorg in relatie tot de 2% Een aanpak van de 2% vindt altijd plaats op het snijvlak van het sociaal domein en het veiligheidsdomein. Zo’n integrale aanpak bestaat doorgaans uit een combinatie van repressieve en preventieve maatregelen met aandacht voor interventies op alle relevante leefgebieden26 (Ferwerda & Van Ham, 2017; Nijmeijer & Van Dijk, 2014; Terpstra & Mein, 2010). Het succes van een aanpak is sterk afhankelijk van een stevige regie vanuit de gemeente en tevens van een goede samenwerking en informatiedeling tussen alle betrokken partijen27. Dat betekent onder meer afstemming tussen diverse afdelingen binnen een gemeente. Buiten de gemeente kunnen de politie, het openbaar ministerie, de (jeugd)reclassering, zorg- en welzijnsinstellingen, woningcorporaties, scholen en sportverenigingen als relevante partners worden gezien. Naast publieke partijen kunnen ook private partijen een relevante partner zijn, zoals ondernemers en bedrijven die werkgelegenheid bieden28. De relatie tussen het veiligheidsdomein en de 2% in deze opzet lijkt vanzelfsprekend. De doelgroep is verantwoordelijk voor ernstige overlast en jeugdcriminaliteit. Daarmee zet de 2% lokaal gevoelens van veiligheid en leefbaarheid onder druk. In samenwerking met politie en justitie zal de afdeling veiligheid van de gemeente hiertegen moeten optreden.

Zo probeert men in het repressieve deel van de aanpak overlast en criminaliteit te bestrijden. Tegelijkertijd is het ook logisch dat het sociaal domein betrokken is bij een integrale aanpak van de 2%. Dat straffen zonder zorg weinig zin heeft, is inmiddels gemeengoed geworden. Zonder zorg wordt niet gewerkt aan de achterliggende oorzaken van de problematiek en blijft het dweilen met de kraan open. Vandaar dat de gemeentelijke afdeling die verantwoordelijk is voor het sociaal domein ook een rol speelt in de aanpak van de 2%. Deze afdeling stuurt daarom diverse zorgpartners aan om de 2% te helpen vanuit allerhande, relevante specialismen (begeleid wonen, dagbesteding, werk en opleiding, schulden, verslaving, licht verstandelijke beperking, autisme, gedragsstoornissen etc.). Het gemeenschappelijke doel op dit snijvlak van het veiligheidsdomein en het sociaal domein is preventie (ook bij broertjes en zusjes), recidivevermindering en gedragsverandering door verbetering op diverse leefgebieden.

Bekende praktijkvoorbeelden van hoe dit domeinoverstijgend is ingericht in gemeenten zijn onder meer het Actiecentrum Veiligheid en Zorg (gemeente Amsterdam), het Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond (gemeente Rotterdam,) het Zorg- en Veiligheidshuis Haaglanden (gemeente Den Haag), het Zorg- en Veiligheidshuis Regio Utrecht (gemeente Utrecht) en het Zorg- en Veiligheidshuis Hollands Midden Nederland (gemeente Leiden).

4.1

Regulier jongerenwerk en de 2%?

Waar betrokkenheid vanuit zowel veiligheid als zorg vanzelfsprekend is in de aanpak van de 2%, lijkt inzet vanuit het welzijnswerk bij nader inzien minder voor de hand te liggen. Het jongerenwerk wordt weliswaar steevast genoemd in plannen van ministeries en gemeenten als een belangrijke partner in de

26 Met de term ‘leefgebieden’ wordt doorgaans verwezen naar een aantal centrale onderwerpen die men kan

onderscheiden in het leven van een mens, in het bijzonder ook van belang als men kijkt naar risico- en beschermingsfactoren die relevant zijn voor delinquent gedrag. Soms zijn deze leefgebieden neutraal geformuleerd en voor ieder mens relevant. Ze hangen vaak nauw met elkaar samen. Zo onderscheidt Movisie de volgende algemene en samenhangende leefgebieden: zingeving, wonen, financiën, sociale relaties, lichamelijke gezondheid, psychische gezondheid, en werk en activiteiten (Van Leeuwen-den Dekker & Poll, 2016). In het veiligheidsdomein en in het sociaal domein wordt vaak specifieker naar een aantal relevante leefgebieden gekeken, zoals alcohol- & drugsgebruik/gokken en agressie (in het LIJ: Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen) of algemeen dagelijkse levensverrichtingen en justitie (in de ZRM: Zelfredzaamheidsmatrix). 27 Zie ook: https://wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/onderwerpen/jeugdgroepen. 28 Een recent voorbeeld is het project Prospects 4 Cash waarbij de gemeente Arnhem samenwerkt met ondernemer Toni Iniguez Najdanovski om jongeren een kans te geven op een baan.

14

aanpak van de 2%29. In de praktijk verloopt die samenwerking echter niet altijd naar tevredenheid in de ogen van de gemeente en ook niet in de beleving van de betrokken welzijnsorganisaties30. Zoals eerder vermeld kan al het spaak lopen wat betreft het bereiken van de 2% (De Jong, 2014b; De Jong, 2015a). Tevens kunnen moeilijkheden ontstaan in het betrekken van de doelgroep bij activiteiten en bij het begeleiden richting zorg- en hulpverlening, en daarmee bijdragen aan recidivevermindering en gedragsverandering (De Jong & Marijt, 2016). Ontevredenheid ontstaat ook wanneer de gemeentelijke handhaving verwachtingen koestert omtrent een bijdrage vanuit het jongerenwerk aan gedragscorrecties op straat. Die verwachtingen spelen onder meer bij overlastsituaties of op urgente momenten zoals met oud en nieuw, op de kermis, bij grote voetbalwedstrijden (EK, WK) of tijdens Ramadan in wijken met een overwegend islamitische doelgroep (De Jong, 2018a; 2018b). Ten slotte beklaagt de politie als het stroef gaat in de samenwerking wat betreft onderlinge afstemming en informatie-uitwisseling met het jongerenwerk, belangrijke werkzame bestanddelen van de integrale aanpak (Van den Broek, 2018; Moussaid, Van den Broek & Roks, 2022).

Terwijl al die onvrede speelt tussen partners, vindt de aangewezen ambtenaar of ‘medewerker beleidsrealisatie’ van een gemeente het soms lastig om stevig de regie te pakken (De Jong, 2018b; De Jong, 2019). Dat speelt vooral wanneer men onvoldoende in staat is vanuit de afdeling veiligheid en de afdeling sociaal domein, een gezamenlijke behoefte goed te vertalen naar een inzet die wordt gevraagd van het jongerenwerk voor de 2% (De Jong & Marijt, 2016; De Jong, 2018a; 2019; Van den Broek, 2018). Die uitdaging wordt onder meer in de hand gewerkt doordat ambtenaren die gemeentelijke behoefte moeten zien te formuleren met inachtneming van uiteenlopende belangen op beide domeinen. Vervolgens is het aan de afdeling sociaal domein om de welzijnsorganisatie aan te sturen vanuit hun subsidierelatie. Ondertussen staan diezelfde ambtenaren onder druk van de afdeling veiligheid en ook vanuit externe partners, zoals de politie. Voor de welzijnsorganisaties geldt het omgekeerde. Die vinden het soms lastig om aan de gemeente duidelijk te maken dat zij in eerste instantie niet zijn bedoeld voor hun (gemeenschappelijke) behoeftes omtrent de 2%. Zij zijn in het leven geroepen voor een veel algemenere doelgroep bestaande uit hoofdzakelijk kwetsbare jongeren en aangevuld met minder kwetsbare jeugd31.

Die ingewikkeldheid zal ook te maken hebben met de angst van welzijnsorganisaties om toekomstige opdrachten te verliezen wegens structurele bezuinigingen op dit domein. Overigens vinden welzijnsorganisaties wellicht terecht dat zij als uitvoerende organisatie niet tekortschieten in deze patstelling met gemeenten. Zij behalen 29 Zie op landelijk niveau nieuwbericht Rijksoverheid over de jaarlijkse investeringen in de aanpak van jonge aanwas

(https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2022/04/26/extra-geld-voor-aanpak-jonge-aanwas-criminaliteit-in-15gemeenten) en ook het visiestuk ‘Preventie met gezag. Een strategie voor weerbare wijken’ (Aanjaagteam Ondermijning, 2021). Voorbeelden op gemeentelijk niveau zijn onder meer te vinden in Arnhem (https://hetccv.nl/nieuws/jongerenwerkers-en-ondernemers-over-jonge-aanwas-uit-de-criminaliteit-houden) en in Eindhoven (https://www.twynstragudde.nl/inzichten/preventieve-aanpak-jonge-aanwas-in-ondermijning-ineindhoven). Onderzoeksbronnen waarin het jongerenwerk wordt vermeld als een partner in de aanpak van de 2% zijn onder meer ‘Wijkenaanpak en ondermijnende criminaliteit’ (Tops & Van der Torre, 2015), ‘Talent van de straat. Hoe je jongeren kunt verleiden uit de criminaliteit te blijven’ (Kooijmans, 2016), ‘(On)zichtbare beelden van jonge aanwas in de drugscriminaliteit. Een meta-analyse van tien deelonderzoeken in de regio Midden-Nederland’ (Adjiembaks et al., 2022) en ‘Jong ontspoord in het drugsmilieu. En wat wij daar als samenleving tegenover moeten zetten’ (Bruinsma & Tops, 2022).

30 In ieder geval in de gemeenten waar vanuit het lectoraat een persoonlijke betrokkenheid is geweest, zoals onder meer Aalsmeer (Kudelstaart), Alkmaar, Amsterdam, Alphen aan den Rijn (Boskoop), Arnhem, Capelle aan den IJssel, Den Haag, Haarlem, Leiden, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tilburg, Utrecht, Venlo, Waalwijk en Zoetermeer. 31 Die complexiteit is ook overduidelijk terug te lezen in het visiestuk ‘Visie op de rol van het Jongeren- en Straathoekwerk in het Jeugd- en Veiligheidsdomein’ (dat helaas nog niet openbaar is) ,waarin welzijnsinstellingen aan de gemeente Amsterdam duidelijk proberen te maken wat ze voor opdracht willen hebben en waarover zich vooral niet willen hoeven verantwoorden. Wel openbaar is een soortgelijke discussie die een aantal jaar geleden in de gemeente Nijmegen al is gevoerd: College van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen (2017) Maatschappelijke opgave jongerenwerk. Raadsbrief aan de gemeenteraad van Nijmegen, kenmerk: MO10/17.0005389. Zie ook: Boelaars, E., Kerkoerle, B. van & Leenders, D. (2016). De toekomst van het jongerenopbouwwerk. Ontwikkeldocument voor het vindplaatsgerichte jongerenwerk in Nijmegen (startnotitie). Gemeente Nijmegen: Programma Veiligheid/Programma Wijken/Programma Zorg & Welzijn.

15

immers doorgaans wél hun doelstellingen als het gaat om de persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie in relatie tot de overige 98%, waaronder veel kwetsbare jeugd.

4.2

(Hoe) moet jongerenwerk bijdragen aan de aanpak van de 2%?

Helaas schiet deze vorm van jongerenwerk in de ogen van de gemeente op veel plekken wel tekort als het gaat om gekoesterde verwachtingen ten aanzien van een significante bijdrage aan de aanpak van de 2%. Die doelgroep wordt niet of onvoldoende bereikt en niet bijgestuurd in gedrag, meent men dan. Daardoor ontbreekt het zicht op een concrete bijdrage aan recidivevermindering en gedragsverandering van de 2% met meetbare effecten in het veiligheids- en sociaal domein. Die sluimerende spanning tussen gemeente en welzijnsorganisaties als het gaat om de zichtbare bijdrage, kan een eindeloos ge-pingpong opleveren aan de lokale overlegtafels van veiligheid en zorg. Daar wordt dan eerst de onvrede geuit door partners over elkaars verwachtingen en handelen. Vervolgens wordt van beide kanten beterschap beloofd, zowel door opdrachtgever als opdrachtnemer. Daarna raakt men toch weer teleurgesteld in elkaar vanwege overspannen verwachtingen en teleurstellende resultaten. En zo begint het hele spel opnieuw. Dat ge-pingpong is allerminst alleen kenmerkend voor de grote en middelgrote gemeenten waar nu eenmaal meer aandacht en geld uitgaat naar de aanpak van de 2%, zoals in de G4 of de zogenaamde BOTOC gemeenten32. Een sprekend voorbeeld vinden we ook in een kleine gemeente, zoals Goirle (24 duizend inwoners) net onder de rook van BOTOC-gemeente Tilburg (200 duidend inwoners)33.

32 Om te voorkomen dat jongeren laten afglijden richting georganiseerde (drugs)criminaliteit loopt in acht gemeenten

het project Breed Offensief Tegen Criminaliteit (BOTOC). De gemeenten die meedoen aan BOTOC zijn: Amsterdam, Arnhem, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Eindhoven, Den Haag en Zaanstad. 33 Tilburg is een gemeente die vanuit de BOTOC-gelden voor twee jaar €1,5 miljoen aan incidentele middelen gekregen voor een preventieve aanpak van ondermijnende criminaliteit. Deze preventieve aanpak richt zich op het voorkomen dat jongeren en jongvolwassenen (verder) afglijden naar de criminaliteit of verder opklimmen op de criminele ladder. In Tilburg worden deze gelden grotendeels ingezet in Tilburg Noord. Een medewerker van een jongerenwerkorganisatie uit Tilburg heeft in een interview verteld over de situatie in Goirle ten aanzien van de doelgroep, het jongerenwerk en de gemeente. Zie ook: https://www.bd.nl/goirle/ https://www.bd.nl/tilburg-eo/college-goirle-en-stichting-jong-liggen-mijlenver-uit-elkaar~a4e2fc04/; grote-tegenvaller-doek-valt-voor-stichtingjong-in-goirle~aad3edf8/; https://www.bd.nl/tilburg-e-o/stichting-jong-mag-toch-verder-met-jongerenwerk-in-goirleverwachtingen-over-en-weer-zijn-nu-helder~a666877f/.

16

Ge-pingpong in Goirle Begin 2021 heeft de gemeente Goirle het contract opgezegd van de organisatie die jarenlang het reguliere jongerenwerk heeft verzorgd. De wethouder Jeugd meent dat het jongerenwerk onvoldoende ‘outreachend’ de doelgroep bereikt waar men zich in zijn gemeente het meeste zorgen over maakt. Sinds 2018 zijn er al pittige gesprekken gevoerd tussen de gemeente en de welzijnsorganisatie. Die zou onvoldoende doen aan preventie, te weinig informatie hebben over de beoogde doelgroep en er ook niet in slagen hun activiteiten op die groep af te stemmen. De gemeente heeft moeite om te beoordelen of zij hun geld verantwoord besteden als zichtbaarheid van de vereiste resultaten uitblijft op die groep. In april 2021 wordt dit besluit herzien en mag de organisatie toch verder. Dit is de uitkomst van veel ‘hele intensieve gesprekken’ met elkaar waarin de verwachtingen over en weer (opnieuw) naar elkaar toe zijn uitgesproken. De eindstand is dat de welzijnsorganisatie de meeste van hun vertrouwde activiteiten gewoon blijft uitvoeren voor de reguliere doelgroep van het jongerenwerk. Daarnaast hebben ze het voornemen extra in te gaan zetten op de specifieke doelgroepen die de gemeente heeft benoemd als een uitbreiding van hun pakket. Om die te bereiken zullen ze met andere partners moeten gaan samenwerken en andere deskundigen inschakelen, maar zonder extra budget.

De nieuwe wethouder ziet het niet als een ‘onrealistische opgave'. De tijd zal het leren…

17

5. Vreemde en onwenselijke situaties De worsteling tussen gemeentelijke afdelingen en welzijnsorganisaties heeft in de afgelopen jaren tot vreemde en onwenselijke situaties geleid in diverse gemeenten, groot en klein. Op basis van wat in onderzoek van het lectoraat Aanpak Jeugdcriminaliteit voorbij kwam in diverse gemeenten, worden vijf soorten situaties kort beschreven: (1) jongerenwerk betaald vanuit veiligheid, (2) jongerenwerk binnen veiligheid, (3) concurrentiestrijd met nieuwkomers binnen het sociaal domein, (4) meer informele, ‘grassroots’-partijen die niet passen binnen het systeem, en (5) jongerenwerkers die uitstekend overweg kunnen met de 2%, maar niet met hun eigen organisatie, en er de brui aan geven.

5.1

Jongerenwerk betaald vanuit veiligheid

In een gemeente Capelle aan den IJssel heeft de afdeling veiligheid uit frustratie zelf een eigen jongerenwerker ingehuurd met de juiste competenties om de 2% te bereiken, te begeleiden en grenzen te stellen aan hun gedrag (Van den Broek, 2018). In diezelfde gemeente heeft ook handhaving een eigen jongerenwerkpartij aangetrokken die naar eigen zeggen ‘streetwise’ én ‘booksmart’ is. Die partij moest handhavers van de gemeente begeleiden in het contact leggen met jongeren uit de doelgroep om hun gedrag beter te leren corrigeren. De welzijnsorganisatie die op dat moment in Capelle het reguliere jongerenwerk aanbiedt, is uiteraard bepaald niet te spreken over beide ontwikkelingen. In een stadsdeel van de gemeente Amsterdam heeft iets soortgelijks gespeeld 34. Ook daar huurde de afdeling veiligheid een eigen partij in om de 2% van een zekere buurt te bereiken. De welzijnsorganisaties die op deze locatie het reguliere jongeren- en straathoekwerk aanboden, gingen echter nog een stapje verder in het uiten van hun ongenoegen. Zij hebben zich op hoge poten beklaagd bij hun subsidieverstrekker van de afdeling sociaal domein. Onder druk van die afdeling hebben de ambtenaren van veiligheid vervolgens hun opdracht weer moeten intrekken, ondanks dat er in hun beleving eindelijk contact was gemaakt met de doelgroep door de nieuwe partij.

Dit alles heeft in die gemeente geleid tot een lopende discussie over de wenselijkheid om projecten of opdrachten vanuit veiligheid nog langer te organiseren via de ‘sociale basis’. Men heeft de ervaring dan de grip te verliezen op prestatieafspraken met welzijnsorganisaties. Ambtenaren vanuit de afdeling veiligheid moeten in hun beleving nodeloos veel extra moeite doen om dingen voor elkaar te krijgen en soms zonder effect.

5.2

Jongerenwerk binnen veiligheid

Weer een andere vreemde situatie ontstaat als de afdeling veiligheid van een gemeente zélf een partij in huis blijkt te hebben die een bijdrage kan leveren die lijkt op wat men verwacht van het jongerenwerk. In de gemeente Nijmegen werden ‘straatcoaches’ gefinancierd vanuit de afdeling mobiliteit (later veiligheid). Oorspronkelijk waren zij bedoeld voor handhaving, net zoals de straatcoaches op veel andere plekken vooral vanuit het veiligheidsdomein worden ingezet ter bestrijding van (jeugd)overlast35. Vandaar dat men binnen de gemeente vond dat ze eigenlijk bij de afdeling veiligheid paste. In Nijmegen hebben de straatcoaches zich echter ontwikkeld als een partij die feitelijk naast hun

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=4c0cb161-6fed-4919-8b28-79c6fdd3c25c