CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Eindrapport_Landschapsvisie Vijfheerenlanden.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 15 februari 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Landschapsvisie Vijfheerenlanden 2040 en startdocument Landbouwvisie16.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Natuurinclusieve kringlooplandbouw; Innovatieve vormen van ‘nat’ agrarisch gebruik; Agroforestry; Landbouwproductie in combinatie met landschapsverbetering; Boeren belonen voor ecosysteemdiensten; Verduurzaming en continuïteit in de fruitteelt; Op naar plattelandsbedrijvigheid.

47

Van monotone productiepolder

Bodemgroei, waterzuivering en natte teelten

Biodivers, adaptief en gedifferentieerd

48

Bron: Provincie Utrecht

4.1.1 Natuurinclusieve kringlooplandbouw Het sluiten van grondstofkringlopen Kringlooplandbouw is landbouw op basis van circulaire principes, waarbij grondstofkringlopen zoveel mogelijk gesloten worden binnen een agrarisch bedrijf of binnen een aantal agrarische bedrijven in hetzelfde gebied. Grondstofkringlopen zijn op het laagst mogelijke niveau gesloten. Dit betekent dat er geen grondstoffen verloren gaan als afval en dat er geen nutriënten van buiten de landbouwprocessen hoeven te worden geïmporteerd van ver. Er kan wel onderling tussen boerenbedrijven uitwisseling van grondstoffen plaatsvinden. Praktisch gezien wordt er bijvoorbeeld geen kunstmest gebruikt, maar wordt natuurlijke diermest gebruikt op het land, ofwel van de eigen veestapel ofwel van het overschot van de buren. Hetzelfde geldt voor diervoeder, die zoveel mogelijk afkomstig is vanuit reststoffen van het eigen bedrijf of buurbedrijven. Een voorbeeld is een melkveehouderij die een systeem toepast om mest en urine bij de bron te scheiden en verder te verwerken als bruikbare meststoffen voor precisiebemesting. Zo worden mineralenkringlopen beter gesloten, stikstofemissies gereduceerd (wat goed is voor het herstel van de natuur/biodiversiteit) en ontstaat een gezonder stalklimaat.

Er bestaat geen blauwdruk voor kringlooplandbouw, maar is aangepast aan de natuurlijke omstandigheden en aan de agrariër als ondernemer. Er zijn natuurlijk wel bepaalde eisen aan kringlooplandbouw, maar het is aan iedere ondernemer zelf om er inhoud aan te geven, passend bij zijn of haar bedrijfsvoering en specifieke ecologische omstandigheden. Deze vorm van landbouw is volgens experts de enige manier waarop we tot in de verre toekomst op een gezonde en winstgevende manier landbouw kunnen bedrijven. Daarom vinden we deze transitie heel belangrijk, zowel voor de economische kracht van de sector, als voor de weerbaarheid van het ecosysteem en het landschap. Ruimte voor de natuur Natuurinclusieve landbouw is iets anders dan kringlooplandbouw. De beide vormen kunnen elkaar wel versterken. Bij natuurinclusieve landbouw wordt er enerzijds gestreefd naar een zo klein mogelijk negatief effect van de bedrijfsvoering op de natuur. Anderzijds geldt dat er ook naar een zo groot mogelijk positief effect van de natuur op de bedrijfsvoering wordt gezocht. De bedrijfsvoering van een gangbaar bedrijf is in het algemeen gericht op een zo hoog mogelijke productie van bepaalde soorten gewassen of dieren, zoals maïs of koeien. Een duurzame, natuurinclusieve landbouw heeft ook oog voor andere, ‘niet-productieve’ soorten.

Aandacht voor deze soorten hoeft de bedrijfsvoering niet te frustreren en kan deze zelfs ondersteunen.

49

Functionele agrobiodiversiteit gaat over het beschermen van allerlei soorten die zich bevinden in de bodem en op het land, om de rijkdom van het ecosysteem in stand te houden inclusief de ecosysteemdiensten die daaruit voortkomen (zie paragraaf 4.1.5). Het beschermen van specifieke soorten is ook een onderdeel van natuurinclusieve landbouw. Bedreigde en gewaardeerde soorten als de grutto vragen om aangepaste bedrijfsprocessen. Ook kunnen agrarische bedrijven/gebieden onderdeel zijn van een leefgebied en/of van een verbindingszone tussen twee leefgebieden/natuurgebieden.

Natte teelten Natte teelten zoals de teelt van Lisdodde, Azolla en Veenmos zijn op meerdere manieren in te zetten. Lisdodde kan bijvoorbeeld gebruikt worden als veevoer, biomassa voor energie, isolatiemateriaal en bouwmateriaal. Inzet van dit gewas stopt bodemdaling, vermindert CO2uitstoot tot 60%, zorgt voor waterberging, creëert nieuwe habitats voor libellen en waterfauna en biedt recreatiemogelijkheden. Andere gewassen hebben weer andere combinaties van eigenschappen en mogelijke toepassingen. Hieruit blijkt dat er ook zeker voordelen voor de boer te behalen zijn. Vooral in de belangrijke weidevogelgebieden is de toekomst van de weidevogels een belangrijk aandachtspunt bij het omschakelen naar natte teelten.

50

Een voorbeeld is de bodem als goede basis. Als de bodem op orde is, voldoende vitaal en vruchtbaar, dan is dit gunstig voor de opbrengsten, de biodiversiteit en het vochtvasthoudend vermogen van de bodem. Een gezonde bodem met een rijk bodemleven slaat onder andere meer stikstof en koolstof op, laat diepere beworteling toe en houdt meer water vast. Dit heeft voordelen voor zowel boer als natuur. Iedere vorm van bedrijfsvoering en vorm van landgebruik vraagt om een andere inzet van natuurinclusieve landbouw. Ook hier is geen vaste vorm voor te schrijven, maar hangt de aanpak af van de lokale context. We nodigen agrariërs uit om hier vernieuwende oplossingen voor toe te passen. Er is wel een aantal richtlijnen, zoals gevisualiseerd in de figuur hiernaast van het Louis Bolkinstituut voor duurzame landbouw. Door hierop in te zetten kunnen boeren weer de spil in het landschapsbeheer worden en de balans tussen natuur en landbouw herstellen. Iets om trots op te zijn!

4.1.2 Innovatieve vormen van ‘nat’ agrarisch gebruik Bodemdaling speelt in een groot deel van de veenweidegronden in Nederland. Ook in Vijfheerenlanden is dit een probleem. Het vindt in verschillende mate plaats in het gebied. Op sommige plekken is de verwachte bodemdaling in de toekomst sterker dan op andere plekken. Gronden die last hebben van bodemdaling hebben te maken met oxiderend veen. Oxiderend veen stoot enorme hoeveelheden broeikasgassen uit. Het is dus van belang dit proces zo snel mogelijk te stoppen. Dit kan door het waterpeil in deze gebieden omhoog te brengen. Hier moet zorgvuldig mee omgegaan worden, aangezien het gebied erg vruchtbaar is en belangrijk voor voedselproductie. Met een hogere waterstand zijn weides niet altijd meer op traditionele wijze in te zetten voor productie. Een hoger waterpeil betekent dat agrariërs op een andere manier gaan boeren, minder intensief. De draagkracht van de bodem wordt minder. Zware trekkers zakken weg op een natte ondergrond en koeien krijgen natte poten. Er zijn al vele onderzoeksinitiatieven om te kijken welke maatregelen en bedrijfsaanpassingen het meeste voordeel opleveren en het minste nadeel voor de boer. Hierbij valt te denken aan het gericht verhogen van het grondwaterpeil op bepaalde poldervlakken en het inzetten van lichtere landbouwmachines.

Mogelijkheden zijn het toepassen van nieuwe natte teelten of een meer extensieve veeteelt (met minder koeien per hectare polder) of het inzetten van andere soorten koeien die beter bestand zijn tegen natte omstandigheden. We nodigen onze boeren uit mee te denken over dit soort oplossingen, zeker voor de plekken die het meest bodemdalingsgevoelig zijn. Ook streven we ernaar in de toekomst goede samenwerking te blijven borgen met waterschappen ten behoeve van de regionale veenweidestrategie. 51

Bron: Boerenverstand

52

4.1.3 Agroforestry Agroforestry is een teeltsysteem waarbij bomen worden gecombineerd met landbouw op hetzelfde perceel. Dit is een extra vorm van productie voor de verkoop, al dan niet op kleinere schaal. Deze mengteelt kan positief uitwerken op onder andere de biodiversiteit, de bodemvruchtbaarheid en de belevingswaarde van het landschap. Een vorm van agroforestry is het voedselbos.

4.1.4 Landbouwproductie in combinatie met landschapsverbetering We streven er in Vijfheerenlanden naar om landbouwproductie zoveel mogelijk te combineren met het herstel van landschapselementen als sloten met natuurlijke oevers, bosjes, grienden, hagen en rijen knotwilgen. Landschapselementen kunnen voordelen opleveren voor boerenbedrijven. Weilanden, akkers en boomgaarden staan niet op zichzelf, maar worden omringd door landschappelijke elementen. Door op landbouwpercelen aan te sluiten op deze landschapselementen kunnen enerzijds landschappelijke structuren worden versterkt, anderzijds kan gebruik gemaakt worden van de biodiversiteit die de genoemde landschapselementen kunnen bevatten. Natuurlijke akkerranden en bosschages die beschikbaar zijn om te begrazen zorgen voor meer vezelrijk en mineraalrijk voer. Tegelijkertijd vormen zulke elementen en structuren leefgebied voor insecten en vogels, bieden ze schaduw en koelte voor vee op warme dagen en dragen ze bij aan het voorkomen van plagen, iets wat bij monoculturen vaker optreedt. In de belangrijke (open) weidevogelgebieden zijn we terughoudend met het toevoegen van struwelen, bomen en bosschages, omdat deze plek bieden voor predatoren van weidevogels.

53

4.1.5 Boeren belonen voor ecosysteemdiensten Ecosysteemdiensten zijn allerlei diensten die de natuur ons gratis en voor niets levert wanneer ecosystemen goed functioneren. Zie onderstaande afbeelding voor een overzicht. Ecosysteemdiensten worden onderverdeeld in drie categorieën: 1. productiediensten: deze dragen bij aan de productie van voedsel, vezels, biobrandstoffen en schoon water; 2. regulerende diensten: deze zorgen voor zuivering, regulering dan wel het behoud van lucht, water, bodems, habitat en klimaat; 3. culturele diensten: alle activiteiten van personen in, of gerelateerd aan, natuur. Voorbeelden daarvan zijn recreatie, toerisme, natuureducatie en andere vormen van natuurbeleving. Omdat het moeilijk is om direct te zien wat de economische waarde is van ecosysteemdiensten, is het beschermen van ecosystemen niet direct terug te zien als winst in agrarische businessmodellen. Daarom zoeken we in Vijfheerenlanden gezamenlijk met de streekhouders naar manieren om boeren toch te kunnen belonen voor het beschermen van ecosystemen en zodoende het leveren van ecosysteemdiensten, bijvoorbeeld door het toestaan van recreatieve nevenactiviteiten in de agrarische gebieden.

Bron: Bodembiodiversiteit en ecosysteemdiensten in beleid, bodembeheer en bedrijfsmanagement. (2010). RIVM, Ministerie van Volsgezondheid, Welzijn en Sport.

54

De biodiversiteit in een ecosysteem wordt soms als maat van de gezondheid van dat systeem gezien. Hoe groter de biodiversiteit in een ecosysteem, hoe gezonder het systeem en hoe beter dat systeem ecosysteemdiensten kan leveren. Afname van biodiversiteit is een wereldwijd probleem en speelt ook in Vijfheerenlanden. Als we gebruik willen blijven maken van deze ecosysteemdiensten, is het van belang ecosystemen gezond te houden.

4.1.6 Verduurzaming en continuïteit in de fruitteelt Om bij te dragen aan de continuïteit in de fruitteelt bieden we ruimte voor investeringen in opvang van water, omgekeerde osmose (een filtertechniek voor het verwijderen van zouten, mineralen, meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen die geen gebruik maakt van chemicaliën, maar van filtering met behulp van een membraan) en andere (creatieve) oplossingen om voldoende zoet water beschikbaar te hebben en te houden. Daarnaast stimuleren wij maatregelen voor ondernemers die het teelt- en productieproces verduurzamen (sluitende kringloop) en willen certificeren (PlanetProof). Overigens bieden wij ook in de fruitteelt ruimte voor (recreatieve) nevenactiviteiten (zie paragraaf 4.1.7). Ten aanzien van (buitenlandse) seizoenarbeiders passen wij maatwerk toe bij het toestaan van tijdelijke huisvesting op het fruitteeltbedrijf.

4.1.7 Op naar plattelandsbedrijvigheid Door de hogere eisen die aan agrariërs worden gesteld kan het moeilijker worden de bedrijfsvoering rendabel te houden. Daarnaast zorgen de veranderingen in de landbouwsector, samen met de opkomst van nieuwe landgebruiksvormen, ervoor dat we anders naar het buitengebied gaan kijken. Het buitengebied is niet meer alleen een landbouwgebied, maar een landschap waar landbouw, natuur, cultuurhistorie, recreatie, toerisme, wonen, werken en zorg met elkaar verbonden zijn en elkaar versterken. Als gemeente bieden we daarom ruimte aan economische ontwikkelingen die passen in het landschap. Sommige agrariërs zullen op zoek gaan naar nevenactiviteiten om de bedrijfsvoering rendabel te houden, zoals een minicamping of een theehuis. Sommige andere agrariërs zullen plaatsmaken voor nieuwe functies, zoals recreatievoorzieningen, zorgfuncties of nieuwe landgoederen. Dit is nodig om voorbereid te zijn voor het geval agrariërs stoppen en nieuwe beheerders van het landschap 55

56

nodig zijn. Zo faciliteren we de transitie van agrarische bedrijvigheid naar plattelandsbedrijvigheid. We bieden bewoners en ondernemers in het buitengebied (de ‘streekhouders’) de ruimte allerhande (recreatieve) faciliteiten aan te bieden. Voorwaarde is wel dat de ruimtelijke ontwikkelingen passen bij de maat, schaal en de identiteit van het landschap (zie hoofdstuk 5. deelgebied uitwerking). Het idee hierachter is dat initiatiefnemers (indien gewenst) meer ontwikkelruimte krijgen dan er nu in het bestemmingsplan mogelijk is, mits zij bijdragen aan kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Naast de bestaande recreatieve programma’s is er ruimte voor diverse kleinschalige (recreatieve) nevenactiviteiten en voor nieuwe bedrijven die mede invulling kunnen geven aan het recreatieve landschap voor bezoekers uit stad en land. Dit zorgt voor een gevarieerd landschap. Enkele voorbeelden zijn: zorgboerderij met kleinschalige horeca, kleinschalige overnachtingsmogelijkheden in de grienden, kleine ambachtelijke werkplaatsjes, verkoop van streekeigen producten, streekkwekerij, etc. Ook buiten de bouwpercelen is ruimte voor activiteiten die het landschap versterken of gebruik maken van het landschap, zoals buitenworkshops, etc. Door landschappelijk en agrarisch toerisme voor mensen van buiten te stimuleren wordt de aantrekkingskracht van ons buitengebied vergroot.

Een vorm van verbreding die ook recreanten trekt en de afstand tussen boer en burger verkleint, is de ontwikkeling van korte ketens. Bij korte ketens is de afstand van grond tot mond kleiner en kan de boer een eerlijke prijs voor zijn product vragen, omdat de tussenhandel ontbreekt. Vooral in de delen van het buitengebied nabij de (grote) kernen liggen hiervoor kansen. Een mooi voorbeeld van net buiten onze gemeente is de (zelfservice) boerderijwinkel Symbiose in Noordeloos, waar producten van verschillende boeren en tuinders worden verkocht. Om te voorkomen dat er een veelheid aan landwinkels ontstaat die met elkaar concurreren, zou een coöperatie kunnen worden opgesteld om de producten van boeren uit Vijfheerenlanden gezamenlijk lokaal af te zetten. Een andere optie is om speciale vakken in de supermarkten in de kernen in te richten met streekproducten.

57

Robuust en gevarieerde natuur Versterken en verbinden natuurwaarden in de binnendijkse polders

Stads- en dorpsranden met water- en groenstructuren

Versterken natuurwaarden in de uiterwaarden

Merwedekanaal weerszijden bomenrijen/ groene lijn

Opheffen barrières in lokale ecologische verbindingszones Bestaand ecoduct Versterken netwerk prachtlinten en prachtsloten

58

Dijken als groene verbindingen

Ecologische hoofdstructuur Natura2000 NNN Te ontwikkelen natuur Weidevogelkerngebied

4.2 Robuuste en gevarieerde natuur Op weg naar 2040 werken we aan een robuuste en gevarieerde natuur. De biodiversiteit staat onder druk en landbouw, bodemdaling en recreatie kunnen een bedreiging vormen voor de natuur. Er zijn ook juist koppelkansen met deze sectoren. De aanwezigheid van een gevarieerde en robuuste natuur is noodzakelijk voor een gezonde leefomgeving en versterkt de landbouwkundige en de recreatieve waarde van het gebied.

4.2.1 Verbinden en versterken van buitendijkse natuur De uiterwaarden van de Lek en Linge zijn van groot belang voor de natuur, onder meer voor vogels (zoals watervogels, maar ook weideen akkervogels) en planten (bijvoorbeeld in de zeer waardevolle stroomdalgraslanden in de Middelwaard). We willen de aanwezige natuurwaarden behouden en verder uitbreiden, zodat zoveel mogelijk aaneengesloten natuurgebieden ontstaan langs de rivieren, met een natuurlijk systeem en bijbehorende dynamiek. Uitzoomend naar (inter) nationale schaal zijn de rivieren met hun uiterwaarden immers de ideale groenblauwe aders door ons dichtbevolkte land. In het kader van het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ wordt overigens al in grote delen van de uiterwaarden van de Lek natuur ontwikkeld. De dijken kunnen ook fungeren als ecologische verbindingszones voor bijvoorbeeld insecten als ze ingezaaid worden met inheemse kruidenmengsels. Zo ontstaan bloemendijken die ook visueel aantrekkelijk zijn.

4.2.2 Verbinden en versterken van binnendijkse natuur Ook de binnendijkse landschappen van Vijfheerenlanden bieden een grote verscheidenheid aan flora en fauna. Kenmerkende soorten zijn bijvoorbeeld ree, grutto, blauwborst, kleine modderkruiper, ringslang, heikikker en rugstreeppad. Ook hier willen we de natuurwaarden behouden en waar mogelijk versterken. Uitgangspunt is het ontwikkelen van gebiedseigen of kenmerkende natuurtypen. Op de stroomruggen zijn dit onder andere bloemrijke graslanden, kruiden- en faunarijke akkertjes, hoogstamboomgaarden, bomenlanen en hagen. Hier en op de veenstroomruggen is ruimte voor agroforestry en voedselbossen. Daar liggen kansen op samenwerking tussen boeren en natuurbeschermers. Dit kan samengaan met een transitie naar landschaps- en natuurinclusieve (kringloop)landbouw.

59

Weidevogelkerngebieden en weidevogelrandzones De provincie Utrecht maakt onderscheid in weidevogelkerngebieden en weidevogelrandgebieden. In weidevogelkerngebieden komen minimaal 10 broedparen van de grutto per 100 ha voor of een gezamenlijke dichtheid van 20 territoria per 100 ha voor de kritische weidevogelsoorten wintertaling, zomertaling, slobeend, kuifeend, scholekster, watersnip, grutto, wulp, tureluur en gele kwikstaart. In de meeste gevallen is de dichtheid hoger en het streven is gemiddeld ten minste 15 broedparen van de grutto per 100 ha agrarisch beheergebied. De weidevogelkerngebieden zijn ten minste 100 ha groot en zijn qua samenhang, ligging en openheid geschikt voor weidevogelbeheer. Om de weidevogelkerngebieden heen liggen weidevogelrandzones, waar de dichtheden aan broedparen van de meeste weidevogelsoorten over het algemeen lager zijn. Omdat er in de weidevogelrandzone procentueel wel meer kieviten aanwezig zijn - die vaak afhankelijk zijn van wat drogere omstandigheden - zijn hier soms ook beheermaatregelen op akkers wenselijk. Daarom zijn de eisen voor zwaar beheer en plas-dras in de weidevogelrandzones wat lager dan in de weidevogelkerngebieden. Agrarische natuurcollectieven zorgen binnen de gebieden voor een kwalitatief goed mozaïek op de plaatsen waar draagvlak is voor weidevogelbeheer.

In deze gebieden is het streven behoud en bij voorkeur verhoging van het aantal weidevogels, met prioriteit bij de grutto. Daar waar weidevogelreservaten aanwezig zijn is samenwerking met de betreffende natuurorganisatie essentieel. Beheer en inrichting van agrarische gronden en natuurgronden zijn zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Ook wanneer natuurgebied geheel afwezig is, wordt voldoende kuikenland ingezet. Provinciale subsidies zijn mogelijk voor diensten die de kans op het opgroeien en overleven van kuikens vergroten. Het weidevogelbeheer is gericht op een aantrekkelijke inrichting voor weidevogels, met een maximale overleving van nesten en kuikens via beheermaatregelen voor nestbescherming in combinatie met maatregelen voor kuikenoverleving zoals kruidenrijk grasland, plas-draspercelen, greppelbeheer, rustperioden via uitgesteld maaien en verbindingen met kruidenrijk grasland. Daarnaast zijn inrichtingsmaatregelen noodzakelijk, vooral om plas-drassituaties te creëren. De afspoeling van fosfaatrijk water van het perceel wil de provincie zoveel mogelijk beperken door aan het einde van de plas-drasperiode het water te laten uitzakken binnen het betreffende perceel. Daarnaast dienen de collectieven bij de keuze van de plas-draspercelen rekening te houden met perceeleigenschappen en de fosfaatgevoeligheid van het gebied.

In de gemeente Vijfheerenlanden (tot 2019 gedeeltelijk onderdeel van de provincie Zuid-Holland) wordt de precieze begrenzing van weidevogelkerngebieden en weidevogelrandzones herzien. Dat gebeurt met behulp van de gegevens van een weidevogeltelling in 2021 en op basis van de mogelijkheden, in overleg met het agrarisch collectief Vijfheerenlanden. De nieuwe begrenzing zal in het Natuurbeheerplan van 2023 (dat in maart 2022 in ontwerp wordt vastgesteld) worden opgenomen.

60

In het halfopen veenweidegebied zijn de grienden, natte bosjes en open graslanden karakteristiek, met daartussen de vele sloten. Dit landschap kan worden versterkt door het ontwikkelen van natte broekbosstroken van hakhout-, broek- of geriefhoutbosjes met een rijke variantie aan gebiedseigen bomen en struiken. De open veenweidegebieden zijn een belangrijk leefgebied voor onder meer weidevogels als de grutto, een soort waarvan een groot deel van de wereldpopulatie in Nederland broedt maar waarvan de aantallen hard achteruit gaan in ons land. Het is daarom van belang deze gebieden in samenwerking met agrariërs en andere partijen geschikt te houden voor grutto’s en andere dieren en planten. We zien daarom vooral in de weidevogelkerngebieden (zie het kader hiernaast) een transitie naar duurzame natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer (zie ook paragraaf 4.1.1). Belangrijk daarbij is het open houden en vernatten van de weides, het creëren van een gevarieerd grasland, een aangepast maaibeheer en het terugdringen van vermesting en het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

61

Voor de Natura 2000-gebieden zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten en habitats waarvoor die gebieden zijn aangewezen leidend. Dat betekent dat vooral in de zones nabij Natura 2000-gebieden extra aandacht zal moeten zijn voor het terugdringen van de stikstofemissies, idealiter in een zone van minimaal een kilometer rond gevoelige natuurgebieden. Overigens is dit een opgave voor het hele buitengebied en binnen meerdere sectoren: landbouw, veehouderijen, wegverkeer, industrie en binnenvaart. Gemeente Vijfheerenlanden sluit zich aan bij relevante samenwerkingsverbanden om de luchtkwaliteit te verbeteren. Particulieren kunnen bijdragen aan het behoud van de bestaande natuurwaarden, bijvoorbeeld door het toepassen van agrarisch natuurbeheer in de open weidegebieden of door het natuurinclusief maken van hun erf (zowel de tuin als de bebouwing). Denk aan het plaatsen van nestkasten voor uilen of vleermuizen en het toepassen van gebiedseigen beplanting en bloemrijke kruidenmengsels voor bijen en andere insecten. Ook nieuwe ontwikkelingen zoals de vestiging van nieuwe landgoederen kunnen bijdragen aan het beheer en daarmee het behoud van voor de natuur waardevolle gebieden.

Op deze wijze kunnen bijvoorbeeld de grienden in stand worden gehouden of kunnen watergangen ‘prachtsloten’ worden (gericht op meer biodiversiteit en een betere waterkwaliteit in het agrarisch landschap). Natuurontwikkeling is het meest zinvol op plekken die geschikt zijn om te worden ontwikkeld als leefgebied voor bepaalde (doel)soorten (bijvoorbeeld weidevogels), maar ook op plekken waar deze bijdraagt aan het verbinden van gebieden waar reeds veel natuurwaarden aanwezig zijn. We hebben de ambitie (lokale) ecologische verbindingen te doen ontstaan: • • •

62

tussen de Zouweboezem en de Viaanse grienden; en aansluitend daarop zuidelijk langs Vianen (‘van Lek tot Lek’); langs de Diefdijk (tussen de Lek en de Linge).

Idealiter zijn deze verbindingen zowel geschikt voor grotere zoogdieren als voor kleinere zoogdieren en amfibieën en ringslang. In de laatste twee te ontwikkelen ecologische verbindingszones liggen enkele barrières die door sommige diersoorten niet of nauwelijks gepasseerd kunnen worden. De grootste zijn de A27, A2 en het Merwedekanaal. Ten zuiden van knooppunt Everdingen is ecoduct Autena gerealiseerd. Voor de verbinding zuidelijk langs Vianen vormen de A27 en het Merwedekanaal daarom momenteel grotere barrières. We streven ernaar op termijn ook een verbinding te realiseren over of onder de A27 (bijvoorbeeld bij de verbreding van deze rijksweg). Dit is bij voorkeur een ecoduct dat ook geschikt is voor grotere zoogdieren. Een (goedkoper) alternatief zijn ecoduikers met looprichels onder de A27. Momenteel liggen er aan weerszijden van het kanaal alleen houtstobben onder het viaduct van de A27. Bij het Merwedekanaal zetten we in op de toepassing van uittreedplaatsen voor reeën zodat ze niet verdrinken en aan de overkant het water uit kunnen komen. Ten slotte is tussen Zijderveld en de Diefdijk ook een faunavoorziening gewenst over/ onder de A2, in de vorm van een ecoduct of anders van een ecoduiker of faunatunnel/-buis. De linten zijn identiteitsdragers van het landschap.

We willen de linten verder ontwikkelen tot ‘prachtlinten’ door dijken en wegbermen natuurvriendelijk in te richten en te beheren als verbindingen tussen stukjes natuur. De linten kennen onderling een grote diversiteit, van open tot besloten, eenzijdig of tweezijdig bebouwd, van slingerend langs de rivier tot rechte lijnen in het veenweidegebied. We willen de woonomgeving en het buitengebied meer met elkaar verknopen. Door middel van samenhangende water- en groenstructuren kan deze verbinding tot stand komen. Dat is ook belangrijk voor de ecologische relaties tussen bebouwd gebied en het buitengebied, bijvoorbeeld voor vleermuizen en vogels die in de kernen hun verblijfplaatsen hebben, maar voedsel zoeken in het buitengebied. Zowel opgaande groenstructuren (bomenrijen/-lanen, hagen, struwelen, bosschages) als bermen en sloten met oevers worden zoveel mogelijk ecologisch beheerd: extensief maaien/snoeien en niet alles in één keer maar gefaseerd.

63

Klimaatbestendig en waterrobuust Ruimte voor de Rivier 2.0: Ruimte voor waterberging, natuurontwikkeling en recreatie Ruimte voor gebiedseigen water vasthouden, geleidelijk vernatten en vergroenen met broekbossen en grienden Prachtsloten: versterken biodiversiteit en waterkwaliteit

64

Bodemsdalinggevoelige gebieden: tegengaan bodemdaling door geleidelijke vernatting Inschatting bodemdalingsgevoeligheid: Klein (2-7mm per jaar) Matig (3-9mm per jaar) Groot (5-15mm per jaar)

Aantrekkelijke en toekomstbestendige dijk Waterinclusieve stads- en dorpsranden

4.3 Klimaatbestendig en waterrobuust 4.3.1 Klimaatadaptatie en tegengaan van klimaatverandering In 2050 willen wij als gemeente een klimaatbestendig, adaptief en robuust bodem- en watersysteem hebben in ons buitengebied. Wij willen dan klaar zijn om de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen op te vangen. Het beschikbaar hebben van zoet water en een gezonde bodem is van levensbelang. Samen met provincie, waterschap, agrariërs en andere partijen in het buitengebied zoeken we naar oplossingen vanuit het natuurlijke systeem met optimale combinaties van bodemtype, waterpeil en landgebruik. Het vasthouden, bergen en afvoeren van water moet op orde zijn. Het klimaatbestendig worden en het zoveel mogelijk tegengaan van klimaatverandering pakken we waar mogelijk in regionaal verband op vanuit de regionale klimaatadaptatiestrategie (RAS). Daarbij gaan we uit van een integrale benadering, waarbij we de verbinding zoeken met thema’s zoals landschappelijke kwaliteit, biodiversiteit, CO2-reductie, bodemdaling, stikstofreductie en recreatie. In het landschap bieden we ruimte aan innovatieve maatregelen en experimenten die hieraan kunnen bijdragen.

Voorbeelden zijn het verhogen van de waterpeilen, het toevoegen van klei aan veengronden (een methode om op veengrond - in combinatie met waterpeilverhoging - bodemdaling en uitstoot van CO2 te beperken), het vastleggen van CO2 in bossen/grienden/natuur, extensief grondgebruik en drukdrainage (regelbare drainage met sub-irrigatie met als doel de permanente vernatting tot 20 cm onder het maaiveld). Om hittestress te voorkomen is het belangrijk dat er langs (recreatieve) routes en - zeker op plekken waar uitgerust kan worden - voldoende schaduw is van bomen en dat er drinkwatertappunten in de openbare ruimte aanwezig zijn. Ook is het in het kader van hittestress belangrijk dat er meer openbare plekken komen waar gezwommen kan worden. Belangrijk daarbij is een goede (zwem)waterkwaliteit. Ook voor vee is het belangrijk dat er voldoende verkoeling is op warme dagen.

4.3.2 Bodem Bodemdaling zorgt in Vijfheerenlanden voor grote uitdagingen. De mate waarin de bodem daalt varieert per gebied. Het is daarom belangrijk maatwerk te leveren per bodemtype. We bieden ruimte voor vernatting van het landschap, vooral in de gebieden die gevoelig zijn voor

65

66

bodemdaling. We staan daarbij open voor onderzoeken en innovaties, zoals onderwaterdrainage en drukdrainage (peilgestuurde drainage). Hiermee kan de CO2-emissie uit het veen beperkt worden. Het is van belang dat het landgebruik en de maatregelen die daarvoor nodig zijn goed worden afgestemd op het bodemprofiel: het waterpeil volgt de bodemopbouw en de functie volgt het waterpeil. Per bodemtype zal daarom onderzocht moeten worden wat het beste peilbeheer en de beste grondbewerking is om bodemdaling en uitstoot van CO2 en nutriëntenuitstoot tegen te gaan. Een ecologisch gezonde en schone bodem (een gezond ecosysteem) kan meer regenwater bergen (‘sponswerking’): hoe levendiger de bodem, hoe meer regenwater blijft hangen in de poriën en tussen de bodemdeeltjes. Venen kunnen als een spons water vasthouden waardoor de afvoer sterk wordt verminderd. Bovendien kan door veenvorming op gang te brengen de forse emissie van broeikasgassen worden omgezet in een netto vastlegging en kan bodemdaling worden omgezet in bodemstijging. Retentiegebieden bestaan uit laaggelegen delen van het landschap die onder water kunnen lopen. Veengebieden vormen belangrijke natuurlijke klimaatbuffers, omdat ze water vasthouden tijdens perioden van wateroverlast.

Veenvormende vegetaties leggen bovendien koolstof vast uit de atmosfeer en stoten minder broeikasgassen uit dan verdroogde veengebieden waar veenoxidatie plaatsvindt. Deze vegetaties zijn dus klimaatbuffers bij uitstek en dragen bij aan herstel van de biodiversiteit van het sterk gedegradeerde Nederlandse veenlandschap. Klimaatbuffers in de vorm van natte natuur kunnen verschillende functies hebben: het bergen of vasthouden van oppervlaktewater (waterberging) of het vasthouden van regenwater, wat prima samen kan gaan met het herstel van (hoog)veenvormende vegetaties.

4.3.3 Waterveiligheid Door de ligging tussen de grote rivieren is waterveiligheid een belangrijk aandachtspunt voor Vijfheerenlanden. In de winter zullen hogere afvoeren vanuit het buitenland de waterstand in de rivieren doen stijgen en de druk op de dijken verhogen. Met het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ is de afvoercapaciteit vergroot waardoor de overstromingskans kleiner is geworden. Ook wordt gewerkt aan dijkversterkingen. In overleg met Rijkswaterstaat en het waterschap zoeken we bij dijkverbeteringen ook in de toekomst naar mogelijkheden om deze te combineren met dynamische (rivier)systeemmaatregelen (zoals de aanleg van nevengeulen), versterking van ruimtelijke kwaliteiten en andere opgaven, zoals op het gebied van 67

68

natuur/biodiversiteit, (water)recreatie of scheepvaart. We zien graag dat de uiterwaarden verder worden ontwikkeld tot een gevarieerd natuurgebied met geulen, moerassen en stroomdalgraslanden, met ruimte voor waterberging en recreatie. De dijken beschermen ons tegen overstromingen en zijn ook belangrijke landschappelijke elementen met verschillende functies en waarden. Hetzelfde geldt voor het aanliggende gebied binnendijks en buitendijks. Het landschap wordt beleefd door de routes op en langs de dijken. In het beheer en bij noodzakelijke dijkverbeteringen is het belangrijk dat daar rekening mee wordt gehouden. We willen dat civiele kunstwerken (zoals stuwen en sluizen) die de verbinding vormen tussen de binnendijkse gebieden en de (uiterwaarden van de) Lek en Linge visvriendelijk en energieneutraal zijn en waar mogelijk te passeren zijn voor waterrecreanten (bijvoorbeeld met kano’s).

4.3.4 Watersysteem We zetten in op een duurzame en robuuste waterhuishouding en een zoveel mogelijk aaneengesloten watersysteem in Vijfheerenlanden, met een goede waterkwaliteit en minimale peilschommelingen. We willen wateroverlast op een natuurlijke manier bestrijden, door gebruik van de sponswerking van een gezonde organische en schone bodem (zie paragraaf 4.3.2). Regen- en oppervlaktewater krijgen dan de tijd om het grondwaterniveau geleidelijk aan te vullen. Belangrijk is dat we gebiedseigen water vasthouden en infiltreren. Op deze manier kunnen we watertekorten en verdroging in de toekomst voorkomen. Op verschillende plekken in het buitengebied willen we ruimte bieden voor vernatting van het landschap, afhankelijk van de bodem en functies en met behoud van de identiteit. Dat geldt in het bijzonder voor de overgang van de hogere stroomruggen naar de lager gelegen veengebieden, in bodemdalingsgevoelige gebieden, in weidevogelgebieden en in aansluiting op bestaande broekbossen en boezemgebieden. Bij het bepalen van ruimtelijke functies en het instellen van peilbeheer zullen we klimaatscenario’s en bijbehorende effecten betrekken. Bovendien willen we het netwerk van ‘prachtsloten’ (gericht op meer biodiversiteit en een betere waterkwaliteit in het agrarisch landschap) uitbreiden en ruimte bieden voor waterrijke landgoederen en broekboslandgoederen.

We zullen zuiniger en efficiënter met het beschikbare water moeten omgaan. De nieuwe omgang met water kan de rol van agrariërs verbreden met nieuwe, meer gedifferentieerde bedrijfsmodellen (zie paragraaf 4.1.2).

69

Energie uit het gebied Bestaande windturbines

Weidevogelkerngebied: alleen windturbines onder voorwaarden

Bestaande middenspanningstations

Stiltegebieden

Zoeklocaties wind Ruimte voor kleinschalige zonneakkers ingepast in de stads- en dorpsranden

70

4.4 Energie uit het gebied We willen dat Vijfheerenlanden in 2050 energieneutraal is. De strategie hiervoor is om ten eerste flink energie te besparen. Daarnaast is het van belang dat de resterende energievraag wordt opgewekt met duurzame technieken. Interessant is dat het opwekken van duurzame elektriciteit in het gebied een financiële drager kan zijn voor bijvoorbeeld de beoogde transities in de landbouw, natuurontwikkeling en landschapsversterking. We zien de mogelijkheden voor energieopwekking als volgt. In het kader van de Regionale Energie Strategie (RES) zetten we voor de periode tot 2030 maximaal in op zonnepanelen op daken, waarmee we de opgave gedeeltelijk kunnen realiseren. Daarnaast zijn er tot 2030 naar verwachting drie extra (grote) windturbines nodig (naast de drie bestaande windturbines nabij Autena) om de tussentijdse doelstelling voor 2030 te halen of vele kleinere windturbines ten behoeve van lokaal gebruik. Hiervoor loopt een separaat proces. Voor de langere termijn (2030-2050) gaan we op zoek naar aanvullende maatregelen. We staan daarbij open voor innovaties op het gebied van energiewinning. Ten aanzien van energieopwekking met windturbines is er mogelijk ook ruimte op of bij onze bedrijventerreinen, naast het bovengenoemde potentieel voor (grote) windturbines in de drie zoekgebieden.

Kleinschalige windturbines (met een maximale ashoogte van 20 meter) kunnen op meerdere plekken in het buitengebied een plaats krijgen, op agrarische erven, in relatie met een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

RES-ontwikkelingen Mochten er binnen het RES-traject ontwikkelingen zijn richting toepassing van kleinere windturbines op grote schaal dan heeft dit impact op het landschap. Op dit moment is dit nog niet bekeken. In het kader van de RES zal in het vervolgtraject hiervoor nader onderzoek plaatsvinden.

71

72

Met het toepassen van zonneakkers zijn we terughoudend. Voorwaarden zijn in alle gevallen een goede landschappelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik: combinaties met waterberging, recreatie, natuurontwikkeling en/of natuurinclusieve landbouw. We bieden ruimte om kleinschalige zonneakkers onder deze voorwaarden in te passen in de stadsen dorpsranden. Daarbij gaan we uit van een grootte van maximaal twee hectare, met een maximale bedekking van 60%, zodat er voldoende ruimte is voor meervoudig ruimtegebruik. Ook het combineren van (grootschalige) zonneakkers op locaties met windturbines kan interessant zijn, omdat daar toch al een aansluiting op het net moet zijn/komen. Vanuit net-efficiëntie en maatschappelijke kosten is clustering van elektriciteitsopwekking wenselijk evenals efficiënt gebruik van het energienetwerk door de juiste mix van zonneakkers en windturbines. Zonneakkers sluiten wij uit in weidevogelkerngebieden. We streven naar minimaal 50% lokaal eigenaarschap bij energieprojecten. Bovendien moeten deze bijdragen aan de landschapskwaliteit. In het geval van zonneakkers moet deze kwaliteitsverbetering op de plek zelf plaatsvinden en kan alleen in uitzonderlijke gevallen een bijdrage aan een ruimtelijk kwaliteitsfonds een alternatief zijn. Bij windturbines ligt dat anders omdat deze niet goed landschappelijk zijn in te passen.

Een deel van de opbrengst uit de verkoop van de stroom van windturbines dient daarom bij te dragen aan een ruimtelijk kwaliteitsfonds. Met dit fonds bekostigen we investeringen in de ruimtelijke kwaliteit van ons buitengebied. Uit onderzoek van de provincie Utrecht blijkt dat in Vijfheerenlanden een grote stroom (biologische) reststoffen beschikbaar is die gebruikt kan worden voor de productie van biogas. We gaan onderzoeken of het buitengebied van Vijfheerenlanden ook op deze wijze een rol kan spelen bij de energietransitie / warmtetransitie.

73

Ruimte voor recreatie Versterken waterfronten Ontwikkelen oeverrecreatie Ontwikkelen van groene parels (natuurbeleving) Ontwikkelen van pleisterplaatsen (intensieve recreatie)

74

Behouden en versterken militair landschap TOP Investeren in de stads- en dorpsranden Stiltegebieden

4.5 Ruimte voor recreatie 4.5.1 Een gevarieerd recreatieaanbod Een mooi landschap is in de eerste plaats waardevol voor bewoners van Vijfheerenlanden maar ook recreanten en toeristen van buiten de gemeente kunnen ervan genieten. Een uitgebreid jaarrond aanbod aan dagrecreatieve activiteiten en verblijfsrecreatieve voorzieningen kan de aantrekkingskracht vergroten. We willen particulieren de ruimte geven om het aanbod van dagrecreatieve activiteiten en verblijfsrecreatieve voorzieningen - mits deze passen in het landschap en het karakter van een gebied - te vergroten (zie paragraaf 4.1.7 ‘Op naar plattelandsbedrijvigheid’). Zo kan het buitengebied aantrekkelijker worden gemaakt voor recreanten. Een groot deel van het buitengebied van Vijfheerenlanden is onderdeel van een stiltegebied. Het zijn de (relatief) luwe gebieden met beperkte verstedelijking, waar het dagelijks geluid de 40 decibel niet overstijgt. Hier vindt men rust en stilte als contrast met het dynamisch stedelijk gebied. Hier wordt de stilte beschermd voor mens en natuur. De bezoeker kan nog meer de natuur en het landschap beleven. Dit is een belangrijke en bijzondere kwaliteit van het buitengebied, die we willen koesteren. Dat betekent dat vormen van extensieve recreatie beter passen dan intensieve vormen.

4.5.2 Gebiedspromotie Met gebiedspromotie willen we ervoor zorgen dat de recreatieve trekkers goed bekend zijn in de regio en daarbuiten. Het gaat hier om de juiste branding van Vijfheerenlanden. De in hoofdstuk 2 beschreven kwaliteiten zijn daarin belangrijk. Met inhoudelijke themaroutes kunnen bijzondere verhalen uit het gebied en over het landschap verteld worden. De rol van water in het gebied kan bijvoorbeeld op deze wijze uitgelicht worden, met bijzondere manieren om het water te beleven zoals met een trekpondje, een uitkijktoren of een informatieve kanoroute. Ook de historie van Vijfheerenlanden

75

76

en de bijzondere herkenbare cultuurhistorische elementen kunnen zo extra aandacht krijgen. Speciale routes met mooie bewegwijzering en informatievoorzieningen dragen bij aan een meer gelaagde beleving van het landschap. Het is uiteraard van belang dat de verschillende routes, activiteiten en voorzieningen goed te vinden zijn via verschillende internetkanalen, zoals de website van de gemeente maar ook kanalen met een breder bereik zoals de VVV Alblasserwaard-Vijfheerenlanden en gespecialiseerde sites voor wandelen, fietsen en andere activiteiten.

4.5.3 Bestaande iconen zichtbaar houden Bijzondere plekken, voorzieningen en pleisterplaatsen zijn parels in het landschap. Deze karakteristieke plekken in het landschap zijn (potentiële) recreatieve trekkers die belangrijk zijn om te koesteren en eventueel verder (recreatief) te ontwikkelen. Het zijn fraaie plekken voor bijvoorbeeld een horecavoorziening, van waaruit men de omgeving kan verkennen. Ze kunnen met bijvoorbeeld een ‘Parelroute’ met elkaar verbonden worden, voortbordurend op de aanpak in Vianen. Onze ambitie is dat verspreid door het landelijk gebied van Vijfheerenlanden van dit soort parels/ pleisterplaatsen aanwezig zullen zijn in de toekomst. Voorwaarde is dat ze passen bij de identiteit van de verschillende landschappen.

Beeldbepalende boerderijen en molens Historische boerderijen en poldermolens zijn in Vijfheerenlanden beeldbepalend. Waar men ook gaat, door de dorpen of de bewoningslinten, langs boezems of op kaden, de traditionele boerderijen kom je overal tegen. Generaties lang is er aan gebouwd en verbouwd en zijn de boerderijen aangepast aan de gewijzigde omstandigheden, een proces dat anno 2021 nog steeds plaatsvindt. De karakteristieke en monumentale boerderijen ‘vertellen’ het verhaal van de ontginning van de polders (sinds de 13e eeuw), de strijd tegen het water en de wijze waarop de landbouw zich eeuwenlang ontwikkelde. Ze zijn de spiegels waarin de agrarische cultuurhistorie nog zichtbaar is. We zijn hier trots op en willen deze rijke historie bewaken en behouden. Voorwaarde is daarom dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen passen bij de maat, schaal en de identiteit van het landschap.

77

78

4.5.4 Ontwikkelen van oever- en waterrecreatie Een belangrijke kwaliteit in Vijfheerenlanden op het gebied van recreatie is vanzelfsprekend ook de aanwezigheid van oever- en watergebonden plekken waar men bijvoorbeeld kan zwemmen of in de zon kan liggen, zoals: •

• • • •

een camping, jachthaven en Recreatieplas Middelwaard met strandje, buitendijks in de uiterwaarden van de Middelwaard, aan de Lek; recreatieplas Everstein met verblijfsrecreatie, binnendijks bij Hagestein; de campings bij Lexmond aan de Lek; camping De Koekoek met verblijfsrecreatie, buitendijks bij Tienhoven aan de Lek; recreatieterrein Galgenwaard, buitendijks bij Oosterwijk aan de Linge.

Deze plekken willen we behouden als recreatieve trekkers. Hier kunnen recreatieve voorzieningen een plek krijgen, zoals natuurlijke speelaanleidingen (bijvoorbeeld een boomstam, stapstammen, waterpompje, etc.), kleinschalige horeca, etc. Belangrijk is wel dat de uiterwaarden een rustig gebied blijven, wat gunstig is voor de aanwezige natuurwaarden en voor rustzoekers. Daar ligt de nadruk op extensieve recreatie, zoals wandelen, fietsen, vissen en vogels kijken en is geen plek voor intensieve (verblijfs)recreatie.

4.5.5 Behouden en versterken van het militaire landschap We willen de cultuurhistorisch-landschappelijke waarden zichtbaar houden/ maken. Vooral het militaire landschap van de Nieuwe Hollandse Waterlinie langs de Diefdijk is van groot cultuurhistorisch belang. De status als UNESCO werelderfgoed biedt kansen voor het vergroten van het aantal bezoekers van het gebied en daarmee voor het ontwikkelen van nieuwe recreatieve voorzieningen. Ontwikkelingen langs de Diefdijk moeten wel passend zijn bij de karakteristieken van het bebouwingslint. Tussen Fort Everdingen en Leerdam willen we bovendien de natuurwaarden versterken, gecombineerd met wandelpaden, wat bijdraagt aan de recreatieve waarde van de zone langs de Diefdijk.

79

Het landschap ontsloten Bestaande veerpont

Extra stops waterbus

Bestaande fietsroutes Bestaande wandelroutes Versterken dijkring 16 als recreatieve route Versterken doorgaande recreatieve route langs de Lek Uiterwaarden beter toegankelijk maken

80

Versterken Merwedekanaal als recreatieve route Opheffen/verzachten van knelpunten/ barrieres in recreatieve routes Investeren in de stads- en dorpsranden

Realiseren snelfietsroute Zoeklocaties nieuwe fietsverbinding (indicatief ) Zoeklocaties nieuwe wandelverbinding (indicatief )

4.6 Het landschap ontsloten 4.6.1 Verbeteren van de stad-landverbindingen Om de ‘stad-landverbindingen’ te verbeteren trekken we - waar mogelijk het landschap de kernen in, bijvoorbeeld door beplantingsstructuren door te laten lopen vanuit het landelijk gebied de bebouwde kom in. We willen de kernen via logische, veilige en aantrekkelijke groene routes verbinden met het landschap van de uiterwaarden van de Lek en Linge en met de Vijfheerenlandse polders. Om de landschappen goed te kunnen beleven en de verschillende recreatieve trekkers te kunnen bereiken, is een goede toegankelijkheid van het landelijk gebied vanuit de kernen van groot belang. Hierbij kan gedacht worden aan ommetjes voor wandelaars, maar ook aan fiets- en ruiterroutes. Bovendien is het van belang om de recreatieve routes te verrijken met bijzondere bestemmingen en rustpunten (zie ook paragraaf 4.1.7 en paragraaf 4.5). Het stimuleren van fietsgebruik heeft meerdere voordelen: het is schoon, efficiënt en gezond! Naast het verbeteren van routes dienen ook de juiste fietsvoorzieningen te worden toegevoegd. Hierbij kan gedacht worden aan stallingsmogelijkheden, oplaadpunten voor elektrische fietsen, maar ook rustpunten en goede overstapmogelijkheden.

4.6.2. Opheffen/verzachten van barrières in recreatieve routes We streven er op termijn naar - als mogelijkheden zich voordoen (bijvoorbeeld bij de verbreding van de A27) - ontbrekende schakels in de recreatieve routestructuren vanuit de stad naar het platteland toe te voegen, zoals: • • • •

een fietsverbinding naar Houten langs de A27 over de Lek; een brug over het Merwedekanaal voor langzaamverkeer ter hoogte van de Lange Waaijsteeg en de Autenasekade; een verbinding voor fietsers en wandelaars vanaf de Lekdijk naar het stuweiland (de Ossenwaard), ter hoogte van het stuwcomplex; een fietsverbinding over/onder de A2 ter hoogte van de Bolgerijsekade.

81

82

4.6.3 Toevoegen van nieuwe fiets- en wandelverbindingen Naast op het opheffen van barrières zetten we ook in op het verbeteren/ ontwikkelen van een aantal recreatieve verbindingen, over land en over water. De belangrijkste zijn: • •

•

•

een fietsrondje over Dijkring 16; een nieuwe wandelverbinding tussen de Lekdijk en de Tienhovenseweg, over een voormalig Kerkepad (Tienhovense Laan) dat verdwenen is, eventueel in combinatie met een nieuwe wandelverbinding tussen de Lekdijk en de Lange Meent. Zo ontstaat een aantrekkelijk ommetje vanuit Everdingen; verbeteren van de bestaande fietsverbinding tussen de Bolgerijsekade en de Zijderveldselaan (over de Groenekade) en het in zuidelijke richting doortrekken van deze verbinding naar de Hei- en Boeicopseweg. Zo ontstaat een aantrekkelijke fietsroute van Vianen en Hagestein via Leerbroek naar Leerdam en Gorinchem; een aaneengesloten lange-afstand-wandelpad door de uiterwaarden van de Lek tussen Fort Everdingen en Lexmond, dat aansluit op de bestaande voetveren bij de buitenstad van Vianen en bij Fort Everdingen.

Ook is het realiseren van een meer functionele snelfietsroute GorinchemMeerkerk-Vianen-Utrecht een wens om de fietsbereikbaarheid in het gebied een impuls te geven.

4.6.4 Verhogen verkeersveiligheid en leefbaarheid Alleen wanneer mensen zich prettig en veilig voelen te voet of op de fiets zullen ze ervoor kiezen om zich op die manier voort te bewegen. Daarom is het van groot belang de verkeersveiligheid in het gebied te vergroten. Dit kan in het buitengebied en in de linten door subtiele inrichtingsmaatregelen en snelheidsbeperkingen door te voeren. Het doel is om fietsverkeer, landbouwverkeer en sluipverkeer elkaar niet in de weg te laten zitten. Sluipverkeer dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Dit heeft als bijkomend voordeel een positief effect op de luchtkwaliteit in kernen.

83

84

5. UITWERKING IN DEELGEBIEDEN

85

86

5

UITWERKING IN DEELGEBIEDEN

De thematische principes en uitgangspunten uit het vorige hoofdstuk worden hieronder verder uitgewerkt voor de verschillende deelgebieden binnen de gemeente met een eigen karakter. Samen vormen de deelgebieden het landschappelijk raamwerk dat de basis vormt voor toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied van Vijfheerenlanden. We onderscheiden de volgende deelgebieden met elk een eigen karakter: • • • • • •

uiterwaarden; stroomruggen; halfopen griendenlandschap; veenweidelandschap met rivierinvloeden; stads- en dorpsranden; linten.

Van elk deelgebied beschrijven we eerst in een kader de karakteristieken die samen de huidige identiteit vormen. Vervolgens beschrijven we de koers op hoofdlijnen op weg naar 2040: hoe willen we de bestaande kwaliteiten van het deelgebied behouden en versterken en welke typen ontwikkelingen kunnen daaraan bijdragen, rekening houdend met de thematische principes en uitgangspunten? Hiermee hopen we inwoners en partijen te stimuleren met passende initiatieven te komen.

87

88

UITERWAARDEN

89

90

5.1 Uiterwaarden Huidig karakter Vijfheerenlanden ligt tussen de rivieren: de Lek in het noorden en de Linge in het zuiden. De hoge winterdijken vormen de begrenzing tussen de buitendijkse uiterwaarden en de binnendijkse stroomruggen en vormen herkenbare en karakteristieke lijnen in het landschap. De winterdijken bieden een panoramisch zicht op de omgeving. Tussen de dijken en de rivieren liggen de uiterwaarden. De wisselende waterstanden zorgen voor een landschap dat gevormd wordt door de dynamiek van het water. De uiterwaarden hebben een overwegend natuurlijk karakter en zijn vrijwel onbebouwd. In dit buitendijkse gebied overheersen openheid en een natuurlijke rust. Er is hier en daar kleinschalige verblijfsrecreatie en er zijn mogelijkheden voor watersport en natuurbeleving.

91

92

Aan de Lek overheerst het beeld van een weids landschap met een machtige rivier en plaatselijk brede uiterwaarden. De Lek is een intensief door beroepsvaart bevaren rivier. De bruggen en het stuwencomplex over en in de Lek zijn belangrijke herkenningspunten in het buitengebied. In het kader van het project ‘Ruimte voor de Rivier’ zijn grote delen van de uiterwaarden van de Lek omgevormd tot een gevarieerd natuurgebied met geulen, moerassen en stroomdalgraslanden. Door deze herinrichting is er ruimte ontstaan voor berging van rivierwater, natuurontwikkeling en voor recreatie. Langs de Linge heeft het landschap weer een geheel andere schaal en uitstraling. Het is een romantisch aandoend landschap met grienden en broekbossen in de uiterwaarden.

Koers In de prachtige uiterwaarden zetten we in op het behouden en versterken van de dynamiek van het (half)open natuurlijke landschap in de lengterichting van de rivier en het versterken van het contrast met het meer cultuurlijke binnendijkse landschap. We willen de aanwezige natuurwaarden behouden en verder uitbreiden met gebiedseigen natuurdoeltypen, zodat zoveel mogelijk aaneengesloten natuur ontstaat langs de rivieren met een natuurlijk systeem en bijbehorende dynamiek. Agrarisch natuur- en landschapsbeheer kan hieraan bijdragen. Een goede samenwerking tussen boeren en terreinbeherende organisaties is hierbij essentieel. In de uiterwaarden is geen ruimte voor nieuwe bebouwing, tenzij als vervanging van bestaande bebouwing. Het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ heeft geleid tot meer waterbergingsruimte voor de rivier (belangrijk in tijden van piekafvoeren) en ruimte voor natuurontwikkeling en recreatie. Ook in de komende jaren zal blijvend moeten worden gekeken naar waterveiligheid, de dijken én de klimaatopgaven. Wij sluiten aan bij de ontwikkelingen die nog vanuit het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ worden opgepakt, waaronder toekomstbestendige en aantrekkelijke dijken waarop/waarlangs ruimte is voor planten en dieren. Toekomstige dijkversterking en -verzwaring zal daarom altijd in samenhang met natuur- en landschapsontwikkeling opgepakt worden.

Om het panoramisch uitzicht te behouden worden de Lekdijk en Lingedijk niet beplant met lijn-/laanbeplanting.

93

94

In de zomer grazen Blaarkoppen op de bloemrijke graslanden, in de winter vangen de uiterwaarden overtollig water op. In elk jaargetijde zijn de uiterwaarden anders.

Waar dat niet ten koste gaat van de natuurwaarden vergroten we de toegankelijkheid van de uiterwaarden en de mogelijkheden voor recreatief medegebruik, bijvoorbeeld met struinpaden en ruiterpaden. Ook gaan we de doorgaande wandelroute door de uiterwaarden van de Lek verder ontwikkelen, zodat het dynamische uiterwaardenlandschap beter beleefbaar wordt. Op enkele locaties clusteren en versterken we de recreatieve voorzieningen die zorgen voor leven en activiteiten op het water, zoals strandjes, camperplaatsen en semipermanente horecavoorzieningen. We zetten onder meer in op het versterken van de buitendijks gelegen Recreatieplas Middelwaard met voorzieningen zoals natuurzwemwater, natuurlijke speelaanleidingen, passende horeca, etc. Door de recreatieplas een onderscheidend karakter te geven wordt de toeristische aantrekkingskracht van de regio vergroot. We bieden ruimte om de waterfronten kwalitatief hoogwaardig te ontwikkelen als aantrekkelijk recreatief knooppunt en uitvalsbasis. Toeristen moeten hier niet alleen stoppen, maar ook verblijven. We zien graag dat het vervoer over land en water verder wordt verbeterd door de waterbus door te trekken met extra stops, het vervolmaken van het fietsrondje Dijkring 16 en het wandelroutenetwerk in en om de uiterwaarden en in aansluiting op de riviersteden en -dorpen verder te versterken.

Gebiedspromotie moet ervoor zorgen dat de recreatieve trekkers goed bekend zijn in de regio en daarbuiten. De Linge willen we als recreatierivier versterken door het creëren van bijvoorbeeld aanlegplaatsen voor kano’s en andere niet-gemotoriseerde boten. Hierbij is het van belang dat dit goed wordt afgestemd op de aanwezige natuurwaarden.

95

96

STROOMRUGGEN

97

98

5.2 Stroomruggen Huidig karakter De stroomruggen bevinden zich binnendijks langs de Lek en de Linge. Ze worden gekenmerkt door een kleinschalig en afwisselend landschap, met een mozaïek van akkers, weiden, bosschages en boomgaarden. De stroomruggen liggen relatief hoog in het landschap, met geleidelijke overgangen naar de lager gelegen komgronden (veengebieden met een kleidek). Ze zijn relatief droog en er zijn dan ook weinig watergangen. De stroomruggen worden ook gekenmerkt door een onregelmatige blokverkaveling, kronkelende wegen en hekwerken als perceelafsluiting in plaats van sloten. Er is relatief veel bebouwing aanwezig.

99

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=982d2b73-08c6-4b9e-a295-e2dc1271a345