CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 bouwhistorie - stadhuis gasthuiskapel

Commissie Welzijn, Onderwijs en Sport 9 april 2025, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Opinievoorstel herbestemmen gemeentehuis Vianen12.443 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De rechterzijwand van de raadzaal.

31

Commissiekamer (verdieping) Het achterste vertrek op de verdieping heeft momenteel een naambordje met ‘commissiekamer’. Na de restauratie was het enige tijd in gebruik als museumzaal. Voor de bouwfase van 1956-1960 waren hier twee kamers, van elkaar gescheiden door een relatief dunne muur. Er was aan de achterzijde (oostzijde) i.p.v. de huidige voorzijde (westzijde) een rookkanaal. De commissie kamer is tegenwoordig bereikbaar via het trappenhuis en de loopbrug die verbonden is met het nieuwbouwdeel (bouwfase 2006-2007). Aan het metselwerk is goed zichtbaar dat het hier om een later gerealiseerde doorgang gaat. Op een oude luchtfoto uit 1920-1940 is te zien dat hier wel een dichtgezette doorgang heeft gezeten, waarschijnlijk in dezelfde maatvoering. Aan weerszijde van deze doorgang is vertanding in het metselwerk zichtbaar. Wellicht heeft hier een tweelaags toilet gestaan.

Vertanding rond de doorgang naar de loopbrug. Onder een uitsnede van de luchtfoto uit 1920-1940. De dichtgezette doorgang was hierop zichtbaar.

Plafond: Het plafond bestaat uit de houten constructie (zie paragraaf constructie). Deze bestaat deels uit oude onderdelen en deels uit balken die hier in tijdens de bouwfase van 1956-1960 zijn geplaatst. Vloer: houten vloerdelen (1956-1960) Wanden: stuc met lage houten plint (1956-1960) voorzijde (west): tijdens de bouwfase van 1956-1960 is er tegen de westwand een schouw geplaatst. Dit is vermoedelijk gebaseerd op gevonden bouwsporen van een oudere aanwezigheid van een schouw. De schouw bestaat uit verschillende historische en historiserende onderdelen. Tussen de grijze natuurstenen sokkels zijn tegeltjes aangebracht. De figuratieve tegeltjes zijn hergebruikt. Geheel aan de onderzijde een rij met schildpadtegels. Op de vloer groene en oranje geglazuurde estriken. De herkomst van de tegels is onbekend. Bovenop de natuurstenen sokkels is een eiken lijst met panelen en snijwerk, ook hier is de herkomst van onbekend. De deur rechts hiervan is een vermoedelijke reconstructie (of historiserende) eiken deur uit de bouwfase 1956-1960. Linkerzijde (noord): Twee kruisvensters met binnenluiken en vensterbank met natuurstenen tegels. Deze laatsten dateren uit de bouwfase van 1956-1960. Achterzijde (oost): in het midden van dit wandvlak is een “schoorsteenkanaal’, deze is breder dan het schoorsteenkanaal die hier in 1956-1960 zat.

Vermoedelijk is deze behouden en aangevuld met andere leidingen/ventilatie/etc. Rechterzijde (zuid): Deze wand bevat twee kruisvensters met vensterbank. De vensterbank en binnenluiken dateren uit de bouwfase van 1956-1960, maar zijn waarschijnlijk reconstructies. 32

3.3

Tussengebouw en gasthuiskapel

3.3.1

Exterieur

Na de reconstructie in 1956-1960 in de gasthuiskapel en het tussengebouw (vm. brandweergarage) opnieuw opgetrokken. Hierbij is gekozen voor eenzelfde baksteen en type vensters waardoor het één geheel lijkt. Mogelijk is hier een historische aanleiding voor, in het panddossier van de RCE is deze niet teruggevonden. Het geheel is opgetrokken in schoon metselwerk en aan de bovenzijde voorzien van een iets uitgemetselde decoratieve rand waarop de goot rust. Het zadeldak is voorzien van leien, deze wordt ter hoogte van de kapel onderbroken door een doorgetrokken topgevel. Aan de zuidzijde zijn moderne dakkapellen aangebracht. Dit is waarschijnlijk tijdens de laatste bouwfase gedaan (2007-2008). De glazen verbindingsbrug tussen de nieuwbouw en de zolderverdieping dateert eveneens uit deze periode. De noordgevel (zijde Stadhuisstraat) De gevel is geleed doormiddels van zeven vensterassen, deze zijn allen aan de bovenzijde afgesloten met een spitsboogje en aan de onderzijde met diagonaal geplaatst metselwerk. In een stenen tracering zijn glas-in-lood vensters aangebracht. De derde vensteras wijkt af, het bovenste deel sluit qua vormgeving aan op de overige vensters, alleen is er in het onderste deel een deur in gebracht. Voor de deur ligt een natuurstenen stoepje.

De noordgevel aan de Stadhuisstraat.

De oostgevel (zijde Kerkstraat) Deze gevel heeft hier drie hoeken, in ieder gevelvlak is een venster gelijk aan die in de zijgevel geplaatst. Het enige verschil is dat een deel van de glas-in-lood ramen een meer figuratieve voorstelling hebben. De zuidgevel Deze gevel gaat grotendeels schuil achter de overdekte binnenplaats/entree aan de achterzijde. De gevel heeft echter dezelfde opzet als de andere zijgevel (noordgevel). Uitzondering is echter dat er geen venster ter hoogte van de zesde venstersas zit.

De oostgevel (zijde Kerkstraat), achter de entree gaat de zuidgevel schuil.

33

3.3.2

Constructie

Kelderconstructie De kelderconstructie dateert uit de bouwfase van 1956-1960 en is uitgevoerd in gewapend beton. Draagconstructie De draagconstructie bestaat uit dragende muren en moer- en kinderbalken. De moerbalken zijn voorzien van een bescheiden sleutelstuk met een peerkraal. Deze constructie is tijdens de bouwfase van 1956-1960 gerealiseerd. Naar het schijnt op basis van gevonden bouwsporen.23 Kapconstructie Tussengebouw: De kapconstructie bestaat uit een spant (krommer) met korbeel en dekbalk, de blokkelen tussen de spant en de borstwerking is grotendeels weggewerkt achter een latere afwerking. Op de dekbalk rust de gording en een spantbeen. Het spantbeen is eveneens voorzien van een korbeel. Het was niet zichtbaar hoe deze aan de bovenzijde aansluit op een nokbalk. De dekbalk aan de voorzijde is mogelijk een hergebruikte balk. Gasthuiskapel: Een eenvoudige kapconstructie bestaande uit spanten met korbeel en dekbalk. Op de dekbalk loopt een gording. De achterste dekbalk heeft een makelaar. De rest van de kap gaat schuil achter isolatieplaten. Één spant en korbeel is ouder. De rest dateert uit de bouwfase van 1956-1960. 3.3.3

Interieur

Kelder Indeling: Er bevinden zich drie kelderruimten. Één onder de kapel en de twee anderen onder het tussengebouw. Plafond: gewapend beton Vloer: beton. De ruimte van de CV installatie heeft kleine gewolkte tegels die in de jaren ’50 veelvuldig werden toegepast. Wanden: stuc, onder de deuren ‘witjes’. Er is een stalen deur van Remmers uit Groningen, Nederland De stalen kluisdeur is van De Haas Rotterdam, Rotterdamsche Brandkastenfabriek.

Moer- en kinderbalken op de begane grond en de kelder van het tussendeel.

De kapconstructie van het tussendeel.

23 Mogelijk is hier in het archief van architectenbureau Van Hogevest nog informatie over te

vinden.

34 Kapconstructie van de kapel.

Begane grond Indeling: De kapel is één ongedeelde ruimte. Daarachter bevindt zich een hal met trap. Een gang aan de zuidzijde geeft toegang tot verschillende kamers aan de noordzijde van het tussengebouw. Kamers Plafond: De moer- en kinderbalkconstructie is zichtbaar (bouwfase 1956-1960) Vloer: vloerbedekking (bouwfase onbekend, waarschijnlijk eind 20e of begin 21e eeuw). Wanden: stuc met plint van witjes (bouwfase 1956-1960) In de kamer aansluiten op de huidige kantine (bouwdeel stadhuis) is een in het begin van de 21e eeuw een keuken gerealiseerd. Gang Plafond: De moer- en kinderbalkconstructie is zichtbaar (bouwfase 1956-1960) Vloer: natuurstenen tegelvloer, aan de zijde van het stadhuis is het vloerniveau twee treden hoger. (bouwfase 1956-1960) Wanden: stuc met plint van witjes (bouwfase 1956-1960) De vensters hebben aan de onderzijde een afgeschuinde onderzijde zonder tegels of andere afwerking. Paneeldeuren (één paneel, olijfgroene kleur) en architraaflijsten dateren uit de bouwfase 1956-1960. Trappenhuis Plafond: De moer- en kinderbalkconstructie is zichtbaar (bouwfase 1956-1960) Vloer: natuurstenen tegelvloer (bouwfase 1956-1960) Wanden: stuc met plint van witjes (bouwfase 1956-1960) Houten wenteltrap (bouwfase 1956-1960) Eiken paneeldeur die toegang geeft tot de Stadhuisstraat (bouwfase 1956-1960).

Paneeldeuren naar de twee toiletten (bouwfase 1956-1960) Deur naar de overdekte binnenplaats (bouwfase 1956-1960).

Begane grond tussendeel; Trappenhuis en entree naar de kapel; Interieur van de kapel.

35

Kapel Plafond: De moer- en kinderbalkconstructie is zichtbaar (bouwfase 1956-1960) Vloer: natuurstenen tegelvloer met ventilatieroosters van een verwarming (bouwfase 1956-1960) Wanden: stuc met plint van witjes (bouwfase 1956-1960) De wand aan de zijde van het trappenhuis heeft een spitsboogvorm en is ingevuld met houten delen en heeft naast de deur een inbouwkast. Het geheel dateert uit de bouwfase van 1956-1960. Verdieping Gang, kamers en trappenhuis Plafond: witgeschilderde kapconstructie en plaatmateriaal (bouwfase 1956-1960 en mogelijk latere afwerking). Één dekbalk in de achterste ruimte is vermoedelijk hergebruikt. Deze is niet machinaal gezaagd. Vloer: vloerbedekking (begin 21e eeuw) Wanden: plaatmateriaal Eenvoudige deuren en architraaflijsten (bouwfase 1956-1960 of later). Zaaltje boven de kapel Indeling: Het zaaltje boven de kapel is één ongedeelde ruimte. Plafond: kapconstructie is deels in het zicht. Een deel van de kapconstructie wordt door isolatie en plaatmateriaal aan het zicht onttrokken. Één spant en korbeel lijkt ouder dan de andere balken. Overige balken dateren uit de bouwfase van 19561960. Vloer: vloerbedekking op een houten vloer (1956-1960 afwerking waarschijnlijk begin 21e eeuw). De zaal ligt vier treden hoger dan de ruimte met de trap. Drie treden hiervan zijn gemetseld.

Wanden: De scheidingswand tussen het zaaltje en de ruimte met de trap is uitgevoerd in schoonmetselwerk. Deze muur is waarschijnlijk net als alle buitenmuren tijdens de bouwfase van 1956-1960 opnieuw opgetrokken. Er is wel een verjonging zichtbaar net boven het vloerniveau, verder is er geen sprake van bouwsporen of sporen van oude afwerklagen. Eiken deur naar het trappenhuis

Gemetselde trap naar de kamer boven de kapel.

Gang in het tussengebouw, links onder de trap.

Mogelijk hergebruikt hout voor de spant.

36

4

Waardestelling

4.1

Inleiding

Op basis van voorgaande hoofdstukken is inzicht verworven in de bouwgeschiedenis van het pand. Met dit inzicht wordt in dit hoofdstuk een waardering gegeven van de monumentwaarden. Deze waardering volgt de richtlijnen voor Bouwhistorisch onderzoek, opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de Stichting Bouwhistorie Nederland, de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Atelier Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst. In onderstaande paragrafen wordt zowel de externe als de interne monumentwaarde van het onderzochte object aangegeven. In de externe- of contextuele waardestelling worden de waarden van een gebouw/complex met soortgelijke gebouwen op landelijk, regionaal of plaatselijk niveau vergeleken. Bij een interne waardenstelling wordt het relevante belang van de onderdelen van een bouwwerk benoemd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een hoge, positieve of indifferente monumentwaarde. Hierbij is rekening gehouden met de externe monumentwaarde. Een indifferente monumentwaarde wordt gegeven aan onderdelen van relatief weinig belang voor de structuur en/of betekenis van het object. Een positieve monumentwaarde kan worden toegekend aan onderdelen die van belang zijn voor de structuur en/of betekenis van het object. Een hoge monumentwaarde wordt toegekend aan die onderdelen die van cruciaal belang zijn voor de structuur en/of betekenis van het object.

37

4.2

Externe monumentwaarde

Stadhuis (S) en Gasthuiskapel met tussengebouw (G)

1. Algemene historische waarde 2. Ensemblewaarde 3. Architectuurhistorische waarde 4. Bouwhistorische waarde 5. Waarde vanuit de gebruikshistorie

Hoog S, G S S S S,G

Positief

Laag

G G G

1. Algemene historische waarde De algemene historische waarde wordt bepaald door belang van het gebouw voor de culturele, sociaal-economische of bestuurlijke ontwikkeling en als uitdrukking van een technische en/of typologische ontwikkeling. Beide gebouwen scoren hier hoog op. Zowel voor Vianen als de verwevenheid met haar geschiedenis hebben beide panden een hoge waardering. De herkenbaarheid van de (oorspronkelijke) functie is hierbij van belang. 2. Ensemblewaarde De ensemble- en stedenbouwkundige waarde wordt bepaald door het belang van het pand wegens de situering en het aanzien van de stad. Deze is bij het stadhuis hoog. Het stadhuis ligt prominent aan de belangrijkste straat van Vianen. Vanuit het niet meer aanwezig kasteel kwam men waarschijnlijk via de Stalstraat en Lombardstraat bijna recht op het stadhuis gereden. De Voorstraat vormde historische gezien een belangrijk route van noord (Utrecht) naar zuid (Breda/Antwerpen). De Gasthuiskapel heeft een secundaire ligging, achter de Voorstraat. Zowel door de locatie als uitstraling heeft de kapel een minder hoge ensemblewaarde dan het stadhuis. De kapel maakte oorspronkelijk onderdeel uit van ensemble van kapel, bijgebouwen en Franse school. In de huidige situatie is alleen de kapel nog aanwezig. De ensemblewaarde is daarom niet hoog maar positief.

Het stadhuis uit Tholen heeft gelijkenissen met het stadhuis in Vianen.

De gasthuiskapel is een reconstructie uit 1956-1960. Het is de vraag in hoeverre het beeld een interpretatie van de oorspronkelijke situatie is. De architectuurhistorische waarde is derhalve niet hoog maar positief. Er is wel een positieve waarde omdat het wel gebaseerd is op gevonden bouwfragmenten en aansluit bij de 15e-eeuwse architectuur van kapellen. 4. Bouwhistorische waarde De bouwhistorische waarde van het stadhuis is hoog. Tijdens de restauratie van 1956-1960 is zoveel mogelijk historisch materiaal behouden en waar nodig aangevuld. Tevens is de indeling (en afwerking) gereconstrueerd aan de hand van gevonden bouwsporen. De bouwhistorische waarde van het gebouw is derhalve hoog. De bouwhistorische waarde van de gasthuiskapel (en tussenbouw) is in 1956-1960 geheel opnieuw opgetrokken. Vermoedelijk zijn er een dekbalk, spant en kobeel hergebruikt. Mogelijk geldt dit ook voor een deel van de baksteen, deze zijn wel schoon gebikt en opnieuw opgemetseld, bouwsporen zijn daardoor verloren gegaan. Door het gebrek aan ouderdom van de materialen en bouwsporen heeft de gasthuiskapel (en tussenbouw) een indifferente bouwhistorische waarde. E.e.a. is waarschijnlijk wel gebaseerd op gevonden bouwsporen, maar een groot deel is te danken aan interpretatie van de architect Van Hogevest en architect van de Rijksdienst voor Monumentenzorg. 5.

Waarde vanuit de gebruikshistorie De waarde vanuit de gebruikshistorie is voor beide panden hoog. Zowel de (gereconstrueerde) inrichting/indeling van de gebouwen als de gevels dragen hier aan bij. De gemiddelde monumentwaarde van het stadhuis is hoog en de gemiddelde monumentwaarde van de gasthuiskapel (en tussenbouw) is positief.

3. Architectuurhistorische waarde De architectuurhistorische waarde wordt bepaald door het belang van de geschiedenis van de architectuur, de hoogwaardige esthetische kwaliteiten, de ornamentiek en de interieurafwerking (in samenhang met het exterieur). Het stadhuis heeft een hoge waarde. Architectonisch is er een overeenkomst met het laatgotische stadhuis van Tholen (1475), samen zijn ze vrij uniek in het Nederlandse straatbeeld.

38

4.3

Interne monumentwaarde stadhuis

Bouwmassa/structuur De bouwmassa van het stadhuis is oorspronkelijke en heeft een hoge monumentwaarde. Het draagt in grote mate bij aan de herkenbaarheid van het gebouw. In het dakvlak hebben in het verleden ooit kleine dakkapellen zeten, deze zijn sinds de restauratie van 1956-1960 niet meer aanwezig. Exterieur Het exterieur heeft een hoge monumentwaarde. Delen van het exterieur zijn tijdens de bouwfase van 1956-1960 gereconstrueerd. Hierbij is de historische vorm zoveel mogelijk gevolgd. Soms is er echter wel voor ander materiaal gekozen zoals basalt lava. Er is bij de reconstructie (1956-1960) van het exterieur aan de zuidzijde wel iets meer vrijheid genomen omdat veel verloren was gegaan. Constructie De constructie (draagconstructie en kapconstructie) dateert nog grotendeels uit de 15e eeuw en heeft derhalve een hoge monumentwaarde. De monumentale waarde van het nieuw toegevoegde materiaal uit 1956-1960 is relatief iets lager (vb. de sporen), maar wel gebaseerd op historisch voorbeeld (materiaal, formaat, constructiemethode). Interieur Het interieur is in 1956-1960 tot stand gekomen. Hierbij is in het materiaal en de vormgeving wel gekeken naar de materialen en vormgeving van de 15e eeuw. Hierbij moet worden gedacht aan de stenen vloeren, zitjes in de vensterbank en eiken deuren.

Andere elementen zoals de zuilen in de kamer aan de achterzijde (begane grond) en de schouw aan de achterzijde (verdieping) hebben hier waarschijnlijk niet in deze vorm gezeten. Ze bevatten wel historisch materiaal, maar zijn vrij gekunsteld. Ze hebben derhalve geen hoge maar een positieve waarde. Deze positieve waarde is vooral te danken aan het hergebruikte historische materiaal. Behoud op deze locatie is niet perse noodzakelijk. De schouw geeft wel goed de oorspronkelijke locatie van een schouw weer en ook de tussenverdieping is waarschijnlijk gebaseerd op aangetroffen historisch materiaal. De vloerdelen van de eerste verdieping en zolderverdieping zijn mogelijk nog deels oorspronkelijk. Gezien de ingrijpende restauratie/reconstructie in 1956-1960 zal een groot deel, mogelijk alle vloerdelen in historische stijl zijn vervangen. Op de zolderverdieping waren deze tijdens de opname niet goed zichtbaar. Mochten er nog oorspronkelijke/oude vloerdelen aanwezig zijn dan hebben deze een hoge monumentwaarde.

4.4 Interne monumentwaarde gasthuiskapel met tussengebouw Bouwmassa/structuur De bouwmassa is in 1956-1960 tot stand gekomen, waarschijnlijk wel gebaseerd op aangetroffen bouwsporen, al was de kapel mogelijk iets hoger. De bouwmassa is wel van belang voor de herkenbaarheid van het gebouw en heeft derhalve een positieve monumentwaarde. Latere toevoegingen (bouwfase 2006-2007) zoals de loopbrug en dakkapellen hebben een indifferente monumentwaarde. De aansluiting op de loopbrug is wel goed gekozen omdat hier een eerdere doorgang heeft gezeten (waarschijnlijk naar een toilet). Exterieur Het exterieur draagt bij aan de herkenbaarheid van de kapel en heeft derhalve een positieve monumentwaarde. Geen hoge waarde omdat het in 1956-1960 opnieuw is opgetrokken, waarbij een deel van de reconstructie een vrije interpretatie is geweest. Er zijn restanten van de glas-in-lood vensters aangetroffen, daar zijn de huidige vensters op gebaseerd. Het geheel (metselwerk, vensters, deur) heeft een positieve monumentwaarde omdat het wel aansluit op de kennis van de 15e eeuw en deels is gebaseerd op aangetroffen bouwsporen. Constructie De constructie schijnt gebaseerd ze zijn op aangetroffen bouwsporen. Deze heeft daarom een positieve monumentwaarde. Het materiaal zelf dateert bijna geheel uit de bouwfase 1956-1960 en heeft een indifferente monumentwaarde.

Interieur Het interieur dateert uit de bouwfase 1956-1960 en heeft een indifferente monumentwaarde. De indeling en afwerking hebben geen relatie met de historie van het pand. De kelder is geheel ‘1956-1960’ en heeft een indifferente monumentwaarde. De scheiding tussen kapel en ‘tussengebouw’ heeft wel een positieve monumentwaarde omdat deze scheidingsmuur zeer waarschijnlijk op zijn oorspronkelijke plaats opnieuw is opgetrokken (mogelijk in dezelfde vormgeving).

39

4.5

Waarderingsplattegrond

De in 4.3 en 4.4 beschreven waardenstelling wordt samengevat in de waarderingsplattegronden op deze pagina’s. Ze dienen samen met de geschreven waardenstelling in de vorige paragrafen te worden gelezen.

Waarderingsplattegrond kelder – begane grond – eerste verdieping/zolder gasthuiskapel/tussengebouw – zolderverdieping stadhuis

40

Colofon Product Bouwhistorische verkenning met waardestelling Projectnr: 23.163.03 Datum: 13-02-2024

Opdrachtgever Gemeente Vijfheerenlanden

Opdrachtnemer Hylkema Erfgoed Contactpersoon: Hester Wessels Auteur: Katheleine Koornstra Mariahoek 4 3511 LD Utrecht 030-2328866 info@hylkemaerfgoed.nl

Bibliografie J.A.L de Meyere en J.M.M. Ruijter, In en uit het Stadhuis van Vianen, 1984

F.D.J. Moorrees, Aan de oevers van Lek en Linge: historische schetsen, 1883 uitgever W.N. van Noten, Schoonhoven Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) Panddossier Beeldbank

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=fe7f156f-241f-445d-b42a-b61dc5a9423f