Bestemmingsplan toelichting - Panoven 17 en 19, Vianen.pdf
Tekst van het document
26
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek In de omgeving van de planlocatie zijn diverse functies zoals sport, maatschappelijk, wonen en bedrijvigheid aanwezig. Om die reden kan volgens de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' de locatie aangemerkt worden als een 'gemengd gebied'. De richtafstanden mogen hierdoor met één afstandstap worden verminderd. Direct ten oosten van de planlocatie zijn gronden met een sportbestemming aanwezig. Deze gronden worden momenteel niet gebruikt voor sportdoeleinden en zijn in eigendom bij de gemeente. Het bouwvlak van de sportbestemming ligt op een afstand van minstens 50 m van de planlocatie. Het bestemmingsvlak ligt op een kortere afstand. Daarmee voldoet de woning Panoven 17 niet aan de richtafstand van 30 meter (uitgaande van gemengd gebied), maar wel aan de feitelijke situatie ten opzichte van het huidige gebruik. Hieraan ten grondslag is gelegen dat een intensivering van eventuele sportactiviteiten in de nabijheid van Panoven 17 te Vianen niet beoogd zijn. Daarnaast is er een recht van overpad (ca. 5 meter breed) gelegen in de bestemming sport, vanaf de perceelgrens gezien. Wat betekent dat de bestemming sport in de feitelijke situatie al enigszins beperkt is - door deze ontwikkeling wordt deze grens met ca. 15 meter verschoven. De richtafstand voor sportvoorzieningen wordt bepaald door geluid. Daarbij is stemgeluid in veel gevallen maatgevend.
Gedurende de dagperiode mag, in het kader van het Activiteitenbesluit, stemgeluid buiten beschouwing gelaten worden. Om te toetsen of de beoogde woningbouw in strijd is met het daadwerkelijke gebruik van de voor sport bestemde gronden is door Adviesburo Van der Boom een verkennend akoestisch onderzoek gedaan. Hierbij is gekeken naar de maximale invulling zoals aangegeven door de ODRU, dit zouden dan tennisbanen kunnen zijn. Er is een indeling gemaakt rekeninghoudend met de beperkingen door richtafstanden van omliggende bestemmingen. Uit het onderzoek blijkt dat de nieuwe woning niet in de weg staat aan het daadwerkelijk in gebruik nemen. De ODRU heeft een andere interpretatie van dit rapport en adviseert anders. Volgens het geldende bestemmingsplan is ten noorden van de locatie een maatschappelijke functie aanwezig. Hier zijn maatschappelijke activiteiten in de categorie 1 en 2 toegestaan. In een gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Verder ten noorden van de planlocatie zijn op een afstand van ca. 120 m bestaande tennisbanen te vinden. Voor tennisbanen geldt de milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 m in een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Aan de andere zijde van het Merwedekanaal is een geluidsgezoneerd industrieterrein. Over het aspect geluid industrielawaai wordt hieronder ingegaan.
In het meest nabij gelegen gedeelte van het industrieterrein kan een betoncentrale worden gerealiseerd binnen de categorie 3.1. De geldende richtafstand is 100 meter voor het aspect geluid en 50 meter voor het aspect stof. Voor het aspect geluid kan 1 stap terug gegaan worden gezien het gemengde karakter van het gebied. Daarmee geldt er een richtafstand van 50 meter voor zowel stof als geluid. De nieuw te bouwen woning en de vervangende nieuwbouw ligt op een afstand groter dan 50 meter. Zoals in toelichting paragraaf 4.3 is aangegeven ligt de planlocatie binnen de onderzoekszone van het geluidgezoneerde industrieterrein 'De Biezen - De Hagen'. Door de zonebeheerder, de Omgevingsdienst Regio Utrecht (verder: ODRU) is een eerste zone berekening uitgevoerd (memo van 24 juni 2021). Op basis van deze eerste indicatieve berekening zijn de nieuw te bouwen woningen zo op de kavel gesitueerd dat nog net voldaan kan worden aan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) en er geen dove gevel toegepast hoeven te worden.
27
De nieuwe planopzet is opnieuw doorgerekend door de ODRU (advies 24 december 2021). Op basis van de laatste verbeelding, datum 21 december 2021, met hierop de locatie van het bouwvlakken voor de Panoven 17 en 19 is aan de hand van het zonebeheermodel “industrieterrein De Hagen - de Biezen” de 55 dB(A) contourlijn (etmaalwaarde) bepaald. Hierbij is rekening gehouden met de vergunde geluidsruimte van de bedrijven op het industrieterrein, al eerder verleende hogere waarden en MTGwaarden (maximaal toelaatbare geluidsbelasting) op gevels van geluidgevoelige gebouwen en de ligging van de 50 dB(A) zonegrens rond het industrieterrein. Door de omgevingsdienst zijn berekeningen uitgevoerd op een rekenhoogte van 5 meter (1e verdieping) en 7,5 meter (2e verdieping). Uitkomsten voor 1e verdieping. Uit de berekeningen blijkt dat het gehele bouwvlak woning Panoven 17 is gelegen achter de 55 dB(A) contourlijn bij een rekenhoogte van 5 meter. Ten zuidoosten van de 55 dB(A) contourlijn is de geluidsbelasting hoger dan 55 dB(A). In dit gebied met de bestemming ‘wonen’ mogen geen geluidsgevoelige gebouwen worden toegestaan. Dit moet worden geborgd in de planregels. Niet geluidsgevoelige gebouwen, zoals een garage of schuur, zijn wel toegestaan.
Verder bleek dat het bouwvlak woning Panoven 19 – vanuit het industrieterrein gezien – gedeeltelijk was gelegen vóór de 55 dB(A) contourlijn bij een rekenhoogte van 5 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de grenswaarde in de Wet geluidhinder van 65 dB(A) etmaalwaarde voor “vervangende nieuwbouw”, maar er werd bij een geluidsbelasting hoger dan 55 dB(A) etmaalwaarde, niet voldaan aan het criterium “goed woon- en leefklimaat / goede ruimtelijke ordening” zoals aangegeven in de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering. Hierop is het plan aangepast en is het bouwvlak achter de 55 dB(A) contour gelegd. Daarmee wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Uitkomsten voor de 2e verdieping Uit de berekeningen blijkt dat beide bouwvlakken grotendeels vóór de 55 dB(A) contourlijn liggen bij een rekenhoogte van 7,5 meter (2e verdieping). Op deze hoogte is de geluidsbelasting dus hoger. Dit houdt in dat op de 2e verdieping geen sprake mag zijn van te openen delen, zoals een te openen raam. De geveldelen aan de zuidwest, zuidoost en noordoost zijde dienen "doof" te worden uitgevoerd, conform artikel 1b, lid 5 van de Wet geluidhinder. In de planregels is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de
28
achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het voorgenomen initiatief maakt het mogelijk om twee vrijstaande woningen te realiseren, waarvan één woning de bestaande woning op het perceel vervangt. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.
De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof PM 10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van plangebied bedragen respectievelijk maximaal 18 µg/m³, 11 μg/m³ en 19 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De WHO heeft de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 recentelijk verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per m3. Hoewel naar verwachting de komende jaren de lucht een stuk schoner wordt, wordt nog geen van deze WHO-advieswaarden in de nabije toekomst gehaald. Omdat het hier advieswaarden betreft kan daarvan afgeweken worden en prevaleren nu nog de wettelijk vastgestelde waarden.
29
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
30
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Risicovolle inrichtingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Transport gevaarlijke stoffen De planlocatie ligt om meer dan 1 km afstand van zowel de A27 als de A2. Ondanks dat deze wegen onderdeel van het Basisnet zijn, kan gelet op de afstand gesteld worden dat de wegen geen invloed hebben op de planlocatie. Een groepsrisicoberekening en/of een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Buisleidingen Op een afstand van ca. 150 m ten zuidwesten van de planlocatie ligt een buisleiding (rode stippellijn op de bovenstaande kaart). Het betreft een leiding van Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO). Voor de leiding is sprake van een PR10-6-contour van 0 m. Daarnaast is het groepsrisico beperkt. Uit een adviesbrief van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat het groepsrisico voor deze buisleiding zeer beperkt is. Het gaat hier om slechts enkele meters. Met een afstand van ca. 150 m ligt de planlocatie op voldoende afstand.
31
Conclusie Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Om te toetsen of de beoogde planontwikkeling ook ecologisch mogelijk is, is door Blom ecologie een quickscan flora en fauna uitgevoerd (10 december 2021 / 2021-1051). Uit dit onderzoek is gebleken dat de planlocatie geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake en is ook een aanvullende AERIUS berekening niet nodig. Daarnaast heeft de planlocatie geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Op locatie zijn broedvogels of andere beschermde soorten aangetroffen. De beoogde ontwikkeling van twee woningen is voor wat betreft het aspect flora en fauna uitvoerbaar.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Als de Omgevingswet in werking treedt, zullen onderdelen uit de Erfgoedwet worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Het betreft het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
32
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Op basis van de gemeentelijke beleidskaart archeologie geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting in verband met de ligging in een komgebied, dat door de natte omstandigheden in het verleden weinig aantrekkelijk is geweest voor bewoning. Een archeologisch onderzoek is pas verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10 hectare. De voorgenomen ontwikkeling valt hier ruim onder. Er hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het nu geldende bestemmingsplan kent ook geen archeologische dubbelbestemming. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.8.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie.
Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn ter plaatse niet aanwezig. Er zijn dan ook geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief vanuit het aspect cultuurhistorie.
4.9 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
33
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.9.2 Beleid Waterschap Rivierenland Waterschapsbeleid Het Waterschap Rivierenland heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'versterken, verbinden, vergroenen'. In dit programma beschrijft het waterschap wat het in de planperiode (2022-2027) wil bereiken, met wie, hoe men dat wil doen en waarom. In het WBP zijn voor het waterbeheer in het beheergebied de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. Ook is aangegeven hoe het waterschap deze opgaven samen met anderen wil oppakken en in wil spelen op initiatieven van derden. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren. Bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd.
Voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes en enkele woningen geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan respectievelijk 500 m² en 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. 4.9.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
34
Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Bij een eventuele toename aan verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Hiervoor geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied, waarvan hier sprake is. Met de ontwikkeling wordt de bestaande bebouwing op de percelen gesloopt, waarvan één loods met een oppervlakte van circa 400 m2. Hiervoor in de plaats worden slechts twee nieuwe vrijstaande woningen inclusief bijgebouwen teruggebouwd. De oppervlakte aan verharding zal hierdoor niet met meer dan 500 m² toenemen ten opzichte van de bestaande hoeveelheid verharding. De onderstaande verhardingsbelans maakt dit inzichtelijk. Watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk.
Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Rivierenland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:
• • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Het hemelwater wordt afgekoppeld en zoveel als mogelijk geïnfiltreerd in de bodem dan wel geloosd op de sloot. Hierbij worden geen uitlogende materialen zoals lood en zink gebruikt. Voor de afvoer van het afvalwater worden de woningen aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Waterkeringen Een gedeelte van de planlocatie langs het Merwedekanaal ligt binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Voor het bouwen binnen de beschermingszone geldt dat een ontheffing nodig is. Ter bescherming van de regionale waterkering wordt voor de beschermingszone de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. De beoogde woning nr. 19 wordt (deels) binnen de dubbelbestemming gesitueerd. Bij de planregels zijn twee bijlagen (link: bijlagen bij de regels) met doorsnedes opgenomen die inzichtelijk maken hoe de bestaande en nieuwe bebouwing zich verhoud tot de bestaande waterkering. Alleen de nieuw te bouwen woning nummer 19 komt boven het profiel van vrije ruimte (pvvr). Bouwen boven het profiel van vrije ruimte is vanuit het waterschap vergunbaar. Paalconstructies mogen wel 'door' het profiel van vrij ruimte. Bestaande watergangen Binnen het plangebied bevinden zich enkele drooggevallen sloten/greppels. Deze aanwezige sloten/greppels worden weer watervoerend gemaakt. De bestaande sloot achter nummer 17 wordt iets naar het noorden opgeschoven.
Hiervoor zal een vergunning bij het waterschap worden aangevraagd.
35
4.10 Verkeer en Parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt twee vrijstaande woningen mogelijk. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Voor de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van 'weinig stedelijk' in de 'rest bebouwde kom'. Voor een vrijstaande woning geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal.
In totaal zullen de twee vrijstaande woningen een verkeersgeneratie van ca. 16,4 verkeersbewegingen per etmaal veroorzaken. In vergelijking tot de bestaande situatie is de toename aan verkeersbewegingen 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Binnen het bestaande wegennet is deze toename prima inpasbaar. Gezien deze minimale aantal verkeersbewegingen kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie opgevangen kan worden met de huidige verkeersstructuur. De woningen zullen ontsloten worden aan de Panoven. Het aspect verkeer vormt dan ook geen belemmeringen voor het voorliggende initiatief. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. De nota Parkeernormen 2022 - 2030 van de gemeente Vijfheerenlanden sluit aan op het CROW.
In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is de gemeentelijke nota geraadpleegd. De woningen vallen onder de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Voor de stedelijkheidsgraad wordt uitgegaan van 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. In onderstaande tabel staat het aantal benodigde parkeerplaatsen weergegeven. Soort woning
Categorie
Vrijstaand
koop, huis, vrijstaand
Aantal woningen 2
Totaal
CROW parkeernorm 2,3
Aantal parkeerplaatsen 4,6 4,6
36
In totaal zullen er voor de twee vrijstaande woningen afgerond 5 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Op het eigen terrein is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. De onderstaande tekening maakt dit inzichtelijk. Het plan voorziet in de aanleg van 8 parkeerplaatsen. Conform het gemeentelijk beleid worden parkeerplaatsen achter elkaar geteld als 1,5 parkeerplaats. Uitgaande van deze correctie komt het totaal aan parkeerplaatsen op 7. Daarmee wordt ruim voldaan aan de norm.
Er kan geconcludeerd worden dat de parkeerbehoefte op het eigen terrein opgelost kan worden. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
37
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
38
5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de (dubbel-)bestemmingen: Tuin Met deze bestemming wordt het voorerf bij de woning geregeld. Eenvoudig gezegd mogen deze gronden aangewend wordt als (voort)tuin met in begrip van parkeren. Qua bebouwing zijn uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan, lees erfafscheidingen. Water De bestemming ‘Water’ is opgenomen voor de nieuwe, nog te verleggen, sloot. Door deze de bestemming water te geven in combinatie met een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat de sloot ook daadwerkelijk ver-/aangelegd wordt. Wonen Voor de bestemming Wonen is aangesloten op de gangbare regeling die Vijfheerenlanden hanteert voor woningen binnen de bebouwde kom. In navolging op het initiële ruimtelijke akkoord is een inhoudsmaat opgenomen van 750 m3 voor de nieuwe woning. Ten einde een logisch systematiek te behouden is voor de te herbouwen woning ook een maximale inhoudsmaat opgenomen. Deze maat volgt uit de huidige bebouwingsmogelijkheden. De toestemming voor en extra woning kent een directe relatie met de kwaliteitsverbetering die nagestreefd wordt voor het achterliggende groengebied. Hiervoor is een onderhoudsplan opgesteld die als voorwaardelijke verplichting is geborgd. Op deze wijze is de uitvoering van het onderhoud conform het onderhoudsplan ook bestuursrechtelijk geborgd.
Daarnaast voorziet de planregeling in een verplichting tot het realiseren van twee dove gevels op de 2e verdieping. Waterstaat - Waterkering Met deze bestemming is het waterstaatsbelang van de dijk geborgd. Deze bestemming hoeft geen verdere toelichting.
39
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de herontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Een planschadeovereenkomst is hier onderdeel van. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure worden via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer doorberekend. Nadat de overeenkomst door beide partijen is getekend wordt een zakelijke kennisgeving hiervan gepubliceerd.
40
7 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie In reactie op het principeverzoek is door de gemeente Vijfheerenlanden aangegeven dat omwonenden geïnformeerd worden over het bouwplan. Door initiatiefnemers is hieraan invulling gegeven door op meerdere momenten contact te zoeken met de buurt. De onderstaande tabel geeft inzage in de verschillende contactmomenten. De onderstaande tabel is vanwege de AVG annoniem. Datum Doorlopend
Doorlopend 19 oktober 2021 11 december 2021 24 december 2021
31 december 2021 2 februari 2022 9 februari 2021 10 februari 2022 11-14 februari 2022 22 februari 2022 28 februari 2022 8 maart 2022 9 maart 2022
Omschrijving Tussentijds persoonlijk overleg met omwonenden, Panoven 21, Panoven 15, Lange Waaijsteeg 1, Panoven 29 en de bestuurders van Hongaars Centrum Beantwoorden vragen van geïnteresseerden die langs het perceel lopen. Introductie van ons en onze plannen bij Kijlstra Beton op omwonendenavond Afspraak Panoven 21 om bij te praten over werkzaamheden Kerstkaart bij bewoners Panoven 21 t/m 29 en Lange Waaijsteeg 1 t/m 11 met contactgegevens en aankondiging dat de wijziging bestemmingsplan wordt ingediend Kerstwens bij bewoners Panoven 3 t/m 15 die in de Panoven-appgroep zitten met indicatie over het verloop van de plannen Wob-verzoek van omwonende Naar aanleiding van Wob-verzoek opnieuw contact met omwonenden en Lange Waaijsteeg 1 Brief bij bewoners Lange Waaijsteeg 1 t/m 11 met kopie van de tekening bij het bestemmingsplan Drie positieve reacties per app over de plannen van omwonenden op Lange Waaijsteeg Afwikkeling Wob-verzoek door gemeente Contact geïnteresseerde projectontwikkelaar Brief bij bewoners Norbertushof met zicht op perceel met kopie van de tekening bij het bestemmingsplan Een positieve reactie per mail over de plannen van omwonende van
41
10 maart 2022
14 maart 2022 24 maart 2022 28 augustus 2022
Norbertushof Aan het hekwerk informatiebrief gehangen over het bouwplan. Via de mail ka gevraagd worden om nadere informatie. De brief hangt er tot en met vandaag. Vraag via het mailadres. Deze vraag is beantwoord. Vraag via het mailadres. Deze vraag is beantwoord. Brief in de bus gedaan bij omwonende Lange Waaijsteeg 1 t/m 11 en Norbertushof met zicht op het bos en Panoven 21 t/m 27 en 9 t/m 15. Update gegevens over laatste stand van zaken
7.2 Vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft de provincie Utrecht aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan. Het VRU heeft aangegeven ook geen opmerkingen te hebben en heeft vast kunnen stellen dat voldaan wordt aan artikel 6.30 van het Bouwbesluit. Het Waterschap Rivierenland heeft verzocht het nieuwe waterbeheerplan te beschrijven in de planlichting. Het plan is hierop aangepast. Daarnaast stelt het waterschap vast dat de woningen en 1 bijgebouw (deels) gerealiseerd worden binnen de beschermingszone van de regionale waterkering. Hiervoor is een ontheffing voor nodig en moet er buiten het profiel van vrije ruimte worden gebouwd. Het profiel van vrije ruimte (pvvr) geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige dijkversterking. Nieuwbouw van permanente bouwwerken in de beschermingszones is toegestaan, mits wordt voldaan aan beleidsregel 5.18b behorende bij de Keur, waaronder dat:
•
De funderingen het profiel van vrije ruimte en het leggerprofiel niet doorsnijdt. Een uitzondering hierop zijn de palen van paalfundaties.
•
Geen holle ruimtes onder de bouwwerken worden gemaakt of aanwezig zijn, ook niet boven het profiel van vrije ruimte.
•
Bouwwerken boven het aanwezige maaiveld gerealiseerd worden.
7.3 Zienswijzen Het bestemmingsplan heeft vanaf 23 december 2022 tot en met 2 februari 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. In het plan is nog één ambtelijke wijziging doorgevoerd. De bestemmingsregeling voor erfbebouwing is verder verduidelijkt.
42