Bestemmingsplan toelichting - Leerbroekseweg 9, Leerbroek.pdf
Tekst van het document
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische waarden daterend vanaf het Neolithicum blijven behouden door het aantreffen van een laklaag op de oeverafzettingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel en op de Schoonrewoerd crevasse ter plaatse van boringen 2 en 6. In de overige boringen is geen potentieel archeologisch (vegetatie)niveau aanwezig in de oeverafzettingen. Het is niet uitgesloten dat nog archeologische grondsporen aanwezig zijn in de onverstoorde (kalkrijke) oeverafzettingen. Maar gezien het ontbreken van een vondstniveau is de archeologische waarde hiervan gering. De verwachting voor archeologische resten daterend uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kan worden bijgesteld naar laag. Archeologische waarden die duiden op een bewoningslint zijn niet aangetroffen.
27
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De mogelijke archeologische waarden worden niet bedreigd voor de toekomstige planontwikkelingen. De laklaag (75 cm -mv 0,49 –NAP) in boring 6 bevindt zich in een zone waar geen diepe verstoringen plaats zullen vinden. De laklaag in boring 2 bevindt zich op 430 cm – mv (4.07 – NAP). Deze laklaag wordt ook niet bedreigd voor de geplande verstoringen.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht. Vervolgonderzoek is alleen nodig wanneer op de locatie van boring 6 de bodemverstoring dieper dan 70 cm –mv reikt en ter plaatse van boring 2 dieper dan 430 cm –mv.
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient het plangebied op de locatie van boring 6 niet dieper verstoord te worden dan 70 cm –mv en op de locatie van boring 2 niet dieper dan 425 cm –mv, omdat hier een laklaag is aangetroffen. In de laklagen kunnen mogelijk archeologische resten voorkomen, omdat zij oude bodemoppervlakken vertegenwoordigen. Wanneer de verstoring dieper reikt wordt er vervolgonderzoek geadviseerd. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Vijfheerenlanden.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Naar aanleiding van het archeologisch onderzoek is de archeologische dubbelbestemming ter plaatse aangepast, conform de onderzoekresultaten. De dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie – 4a & b zijn opgenomen ter bescherming van de eventueel archeologische waarde ter plaatse.
28
5.6 Watertoets Beleidskader Het Waterschap Rivierenland is beheerder van de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Deze verordening van het Waterschap Rivierenland is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.
In de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-waterloop mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de waterloop. Voor een Awatergang geldt in de Alblasserwaard Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de aan- en afvoer van water, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20210527-9-26597). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt.
Watergangen Op de grenzen van het plangebied zijn een drietal C-watergangen (036635, 037126 &041612) gelegen. Ten noorden van het plangebied is een A-watergang (222857) gelegen. De sloop- en bouwwerkzaamheden zijn gelegen buiten de beschermingszones van deze watergangen. Ten behoeve van de eventueel nieuwe watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
29
Afbeelding 13: Uitsnede legger wateren Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied VHL706. Het peilgebied heeft een zomer- en winterpeil van -0,70 en -0,75 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Afbeelding 14: Uitsnede peilgebiedenkaart Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m 3 30
waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht. In onderstaande tabel is de verhardingsbalans van de bestaande en nieuwe situatie weergegeven. De oppervlakte van de erfverharding is globaal opgemeten en die van de nieuwe vrijstaande woning is een inschatting. De oppervlaktes betreffen circa maten. Er is sprake van een afname aan verharding middels het onderhavige plan. De bebouwing neemt aanzienlijk af: een woning (met garage) van ca. 150 m2 in plaats van opstallen van ca. 800 m2. De verwachting is ook dat de erfverharding zal afnemen. Achter de boerderij wordt overtollige verharding gesaneerd, enkel rondom de nieuwe vrijstaande woning zal erfverharding worden gerealiseerd. Het onderhavige plan heeft hiermee positieve gevolgen voor de waterhuishouding ter plaatse. Het is dus niet noodzakelijk om gebruik te maken van de vrijstelling voor toename verhard oppervlak.
In de toekomst is het eventueel mogelijk voor particulieren om een eenmalige vrijstelling aan te vragen indien deze niet eerder is benut. De afdeling vergunningen van het waterschap zal dan toetsen of hier gebruik van kan worden gemaakt. Voor het onderhavige plan is dit niet noodzakelijk. Tabel 3: Verhardingsbalans Bestaande situatie Boerderij Opstallen Erfverharding
Oppervlakte 350 m2 1.015 m2 3.000 m2
Totaal bestaande situatie
4.365 m2
Nieuwe situatie Boerderij Te behouden schuur Vrijstaande woning (met garage) Erfverharding
350 m2 215 m2 150 m2 2.000 m2
Totaal nieuwe situatie
2.715 m2 Verschil
1.650 m2
Hemelwater- en vuilwaterafvoer Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en 31
bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Hemelwater stroomt rechtstreeks af op de omliggende watergangen. In het plan wordt ervan uitgegaan dat het vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen nabij een regionale of primaire waterkering. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de eventueel nieuwe watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.
32
5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Ecologische quickscan In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten uit de quickscan luiden als volgt: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Contouren. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’ toets en/of AERIUS-stikstofberekening is niet noodzakelijk.
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Het saneren van drie schuren en het slopen van een aantal kleine objecten ten behoeve van de realisatie van een vrijstaande woning aan de Leerbroekseweg 9 te Leerbroek is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een 33
•
•
vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’
Stikstof Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase. De resultaten uit het onderzoek luiden als volgt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens beide fases niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft ecologie en stikstof.
34
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 4: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Grenswaarde 40 μg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 μg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
Jaargemiddelde concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Vanaf 2015
Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie een advieswaarde voor NO2 van 10 μg/m3, voor fijnstof 15 μg/m3 PM10 en 5 μg/m3 PM2,5 voor het jaar 2030. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 13,1 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 15,9 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 8,9 μg/m3 PM2,5; En voor het jaar 2030 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 9.8 μg/m3 NO2 • Een fijnstofconcentratie van 14,0 µg/m³ PM10; • Een fijnstofconcentratie van 7,5 µg/m³ PM2,5; Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
35
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
36
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Plangebied
Afbeelding 15: Uitsnede externe veiligheidskaart Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de
37
externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
38
6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Leerbroekseweg 9, Leerbroek’ bestaat uit drie delen: de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Leerbroekseweg 9, Leerbroek’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Leerbroekseweg 9, Leerbroek’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Zederik Geconsolideerd’, geconsolideerd op 25 juni 2020. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Agrarisch Op het achterste deel van het plangebied wordt het bouwvlak verwijderd, maar blijft de bestemming ‘Agrarisch’ behouden. Tuin Conform het moederbestemmingsplan wordt voor de voorgevels van de woningen de enkelbestemming ‘Tuin’ opgenomen. Wonen De enkelbestemming ‘Agrarisch’ wordt gewijzigd naar de enkelbestemming ‘Wonen’ op het voorterrein ter plaatse van de boerderij en nieuwe woning. Waarde – Archeologie – 4a & b De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’ wordt aangepast en gesplitst in ‘Waarde – Archeologie – 4a & b’. De dubbelbestemming archeologie wordt daarmee gewijzigd conform de resultaten van het uitgevoerd archeologische onderzoek. De dubbelbestemming dient ter bescherming van de eventueel archeologische waarde in de grond ter plaatse.
6.4 Aanduidingen en maatvoeringen • • • • • • •
Bouwvlak; Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 3; Maatvoering: maximum bouwhoogte: 8 m; Maatvoering: maximum goothoogte: 4 m; Bouwaanduiding: karakteristiek; Bouwaanduiding: vrijstaand; Bouwaanduiding: aaneengebouwd.
39
7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
8 OVERLEG EN ZIENSWIJZEN 8.1 Vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is op 20 januari 2022 volgens artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening aan de bestuurlijke partners voorgelegd. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om voor 23 februari 2022 opmerkingen kenbaar te maken. Het voorontwerpwijzigingsplan is naar de volgende bestuurlijke partners gestuurd: • Dunea Duin & Water; • Gasunie; • Oasen drinkwater; • Provincie Utrecht; • Vitens; • Veiligheidsregio Utrecht; • Waterschap Rivierenland. Van de Gasunie, de provincie Utrecht en Vitens zijn geen reacties ontvangen. Dunea, de Veiligheidsregio Utrecht en Oasen hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben. De ingekomen inhoudelijke reacties worden hierna samengevat en beantwoord. Waterschap Rivierenland ‘Het beschreven beleid is verouderd. In paragraaf 5.6 wordt er verwezen naar het waterbeheerplan voor de periode 2015 -2021. Graag aanpassen naar het huidige beleid. Dit is het waterbeheerplan 2022-2027. Dit kunt u vinden op onze website.’ Reactie gemeente De tekst in paragraaf 5.6 is hierop aangepast.
8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen van 17 november 2022 tot 28 december 2022, waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. 40