Bestemmingsplan toelichting - Leerbroekseweg 9, Leerbroek.pdf
Tekst van het document
TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN ‘Leerbroekseweg 9, Leerbroek’
NL.IMRO.1961.BPleerbroekseweg9-VA01 Status: Vastgesteld Versie: 1.0
Langerak, 20-04-2023
Inhoudsopgave 1 INLEIDING ..............................................................................................................2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................2 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ..................................................................2 1.3 Vigerend bestemmingsplan .............................................................................3 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................3 2 BESTAANDE SITUATIE.........................................................................................4 2.1 Algemeen ........................................................................................................4 2.2 Ruimtelijke structuur ........................................................................................4 2.2.1 Ontstaansgeschiedenis en bebouwingsstructuren ...................................4 2.2.2 Huidig gebruik ...........................................................................................4 3 PLANBESCHRIJVING ............................................................................................6 3.1 Plan..................................................................................................................6 3.2 Ontsluiting en
parkeren ...................................................................................7 3.3 Beeldkwaliteit ...................................................................................................8 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 12 4.1 Rijksbeleid .................................................................................................... 12 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie ..................................................................... 12 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ........................... 12 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) .......................................................... 12 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................... 14 4.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht ......................................................... 14 4.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht ................................. 15 4.3 Regionaal Beleid .......................................................................................... 16 4.3.1 Regionale structuurvisie ‘open voor elkaar’........................................... 16 4.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden .......................
16 4.4 Gemeentelijk beleid ...................................................................................... 18 4.4.1 Toekomstvisie Zederik........................................................................... 18 4.4.2 Woonvisie gemeente Vijfheerenlanden 2020-2025 .............................. 18 4.5 Conclusie ...................................................................................................... 20 5 ONDERZOEK/VERANTWOORDING ................................................................. 21 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.)...................................................... 21 5.2 Geluidhinder ................................................................................................. 22 5.3 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................... 23 5.4 Bodem .......................................................................................................... 25 5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden ............................................ 26 5.6 Watertoets .................................................................................................... 29 5.7 Ecologie ........................................................................................................
33 5.8 Luchtkwaliteit ................................................................................................ 35 5.9 Externe veiligheid ......................................................................................... 37 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING .................................................................. 39
6.1 Inleiding ........................................................................................................ 39 6.2 Systematiek van de regels ........................................................................... 39 6.3 Bestemmingen .............................................................................................. 39 6.4 Aanduidingen en maatvoeringen .................................................................. 39 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 40 7.1 Exploitatie ..................................................................................................... 40 8 OVERLEG EN ZIENSWIJZEN ............................................................................ 40 8.1 Vooroverleg .................................................................................................. 40 8.2 Zienswijzen ................................................................................................... 40 Bijlage 1 2 3 4 5
6 7 8
Omschrijving Situatietekening Bouwhistorische quickscan Akoestisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Verkennend archeologisch onderzoek Watertoets Ecologische quickscan Stikstofdepositie onderzoek
Auteur Lagendijk Tuin- & Landschapsarchitecten Bureau Helsdingen
Referentie LTL21240
Datum 01-06-2022
-
28-07-2021
Voortman Ingenieurs Bakker Milieuadviezen
R-JVO/1690 BM/2747-2021
28-05-2021 06-2021
ADC Archeoprojecten
4230301
06-05-2022
Waterschap Rivierenland Blom Ecologie Van den Heuvel Milieuadvies
20210527-926597 BE/2021/369/r 19021
27-05-2021 16-04-2021 06-02-2023
1
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Het perceel Leerbroekseweg 7a/9 te Leerbroek betreft een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie (zie afbeelding 1). Op het erf is een karakteristieke boerderij met bijbehorende agrarische opstallen aanwezig. De bebouwing op het perceel is verouderd en raakt in steeds slechtere bouwkundige staat. De volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zullen op (korte) termijn worden beëindigd, aangezien er geen bedrijfsopvolging is. Hiermee zullen de agrarische opstallen leeg komen te staan. Hetgeen voor de eigenaar (tevens initiatiefnemer) en ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit niet wenselijk is. Men is daarom voornemens de agrarische bedrijfslocatie te saneren en te wijzigen tot een woonlocatie. Het plan is de boerderij (thans twee wooneenheden) verder te splitsen in drie wooneenheden en ter compensatie van de sanering van de agrarische opstallen, ten noordwesten van de boerderij een burgerwoning te realiseren. Zie paragraaf 3.1 voor een nadere uitwerking van het plan. Het plan is strijdig met de vigerende bestemmingsplannen ‘Kernen Zederik’ (2013) en ‘Herziening Kernen Zederik’ (2017). Het plangebied betreft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 2’. Binnen deze bestemming zijn burgerwoningen juridisch-planologisch niet toegestaan. Verder is het Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren van toepassing.
Met dit paraplubestemmingsplan is voor het hele gemeentelijk grondgebied voorzien in aanvullende bepalingen voor wonen en parkeren. Het plan is middels een principeverzoek voorgelegd aan de gemeente Vijfheerenlanden. De gemeente heeft schriftelijk aangegeven in principe akkoord te zijn met het voorgenomen plan en medewerking te willen verlenen aan het wijzigen van het bestemmingsplan.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied (indicatief)
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft het perceel Leerbroekseweg 7a/9 te Leerbroek. Het plangebied is kadastraal bekend met de percelen ZDR00 – D 892, 893, 894 & 895. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Leerbroekseweg, aan de oostzijde door een (voormalige) basisschool en aan de westzijde door de polder
2
en het cultuurhistorische lint. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door open weidelandschap.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt binnen de bestemmingsplannen ´Kernen Zederik´ (2013) en ´Herziening Kernen Zederik´ (2017), waarvan een geconsolideerde versie beschikbaar is. De grond waarop het plangebied is gelegen heeft de enkelbestemming: • Agrarisch; De dubbelbestemming: • Waarde – Archeologie - 4. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Kernen Zederik Geconsolideerd'
1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: - Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; - Hoofdstuk 3: Planbeschrijving; - Hoofdstuk 4: Beleidskader; - Hoofdstuk 5: Onderzoek/verantwoording; - Hoofdstuk 6: Juridische planbeschrijving; - Hoofdstuk 7: Economische uitvoerbaarheid; - Hoofdstuk 8: Overleg en zienswijzen.
3
2 BESTAANDE SITUATIE 2.1 Algemeen Leerbroek is een dorp gelegen in de gemeente Vijfheerenlanden, welke per 1 januari 2019 is ontstaan uit de fusie van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik. Deze gemeente behoort tot de provincie Utrecht. De gemeente Vijfheerenlanden telt circa 54.000 inwoners. Het dorp Leerbroek telt circa 1.700 inwoners.
2.2 Ruimtelijke structuur 2.2.1 Ontstaansgeschiedenis en bebouwingsstructuren Leerbroek dankt zijn naam aan een oude waterloop, ‘de Leede’. Omstreeks 1025 is volgens bronnen het dorp Ter Leder Broek, later afgekort tot Leerboek, gesticht door Jan I van Arkel. In de middeleeuwen, tussen 1000 en 1300, is men gestart met de ontginning van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Het natte veengebied is vruchtbaar en daardoor geschikt om in cultuur te brengen. Door het systeem van copeontginningen, het graven van afwateringssloten en het ontwerpen van een dijk of oeverwal, ontstonden in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden talloze kavels van ongeveer gelijke lengte en breedte. Leerbroek ligt ten zuiden van de copeontginningen van Hei- en Boeicop en Middelkoop. Het ontginningsgebied van Leerbroek vormt een uitzondering op de copeontginningen door veel onregelmatigere vormen. Op de in het landschap van nature aanwezige hoger gelegen gronden is de eerste bewoning ontstaan. Ter plaatse van Leerbroek bevonden zich door de lagere ligging minder aantrekkelijke gronden voor vestiging. De dorpskern Leerbroek is langzaam ontstaan van klein dorp met verstrooid liggende huizen tot de huidige lintbebouwing. Het inwoneraantal van het dorp bleef ten opzichte van andere dorpen in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden achter. De reden hiervoor was de geïsoleerde ligging van het dorp.
De omgeving van Leerbroek kenmerkt zich nog altijd door de agrarische activiteiten. In de beginjaren na de ontginning betrof dit akkerbouw. Momenteel richt men zich met name op veeteelt. Het plangebied is gelegen langs het cultuurhistorische lint aan de rand van de kern van Leerbroek. Kenmerkend voor lintbebouwing ter plaatse van het plangebied is de afwisseling van woningen, agrarische bedrijven en overige niet-agrarische of agrarisch georiënteerde bedrijvigheid. Men ziet een afwisseling van grote karakteristieke boerderijen, kleinere arbeidershuisjes en meer modernere vrijstaande woningen. 2.2.2 Huidig gebruik Het perceel Leerbroekseweg 7a/9 te Leerbroek betreft een agrarische bedrijfslocatie. Op het perceel is een woonboerderij met twee wooneenheden en een stal in het achterhuis aanwezig. Achter (rondom) de boerderij zijn de agrarische bedrijfsopstallen gelegen tezamen met de nodige erfverharding. De ontsluiting op de Leerbroekseweg loopt door naar het achtergelegen polderlandschap.
4
Afbeelding 3: Vooraanzicht boerderij en naastgelegen schuur (vanaf Leerbroekseweg (noordoostzijde))
Afbeelding 4: Vooraanzicht voorerf (vanaf Leerbroekseweg (noordwestzijde))
Afbeelding 5: Impressies erf en opstallen 5
3 PLANBESCHRIJVING 3.1 Plan Het perceel Leerbroekseweg 7a/9 te Leerbroek betreft een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie. De bebouwing op het perceel is verouderd en raakt in steeds slechtere bouwkundige staat. De volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zullen op (korte) termijn worden beëindigd, aangezien er geen bedrijfsopvolging is. Hiermee zullen de agrarische opstallen leeg komen te staan. Hetgeen voor de eigenaar (tevens initiatiefnemer) en ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit niet wenselijk is. De initiatiefnemer is daarom voornemens om alle agrarische bedrijfsopstallen en overtollige erfverharding, behoudens de boerderij, te saneren. Echter, is uit bouwhistorisch onderzoek op de locatie gebleken dat niet enkel de boerderij, maar ook de ten oosten daarvan gelegen schuur van hoge cultuurhistorische waarden is (in de bijlagen van deze toelichting is dit onderzoek bijgevoegd). Daarom is besloten om naast de boerderij tevens deze schuur te behouden en niet te slopen. Het plan voorziet daarmee in de sloop van ca. 800 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing exclusief de sanering van de nodige vierkante meters verharding. Op afbeelding 6 is de bebouwing welke behouden blijft en wordt gesloopt indicatief weergegeven.
Ter compensatie hiervan wordt de boerderij (thans twee wooneenheden) verder gesplitst in drie wooneenheden en wordt er een vrijstaande woning gerealiseerd ten noordwesten van de boerderij, zie afbeelding 7 en 9. Te behouden woonboerderij (350 m2)
Te slopen schuur (160 m2)
Te slopen schuur (390 m2)
Te slopen schuur (250 m2)
Te behouden schuur (215 m2)
Afbeelding 6: Bestaande situatie
6
Afbeelding 7: Nieuwe situatie
3.2 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting Het perceel wordt thans ontsloten middels twee ontsluitingen op de Leerbroekseweg. In de nieuwe situatie blijven deze ontsluitingen behouden Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernormen is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 381. Ten behoeve van het plangebied wordt er vanuit gegaan dat deze is gelegen in ‘weinig stedelijk’ gebied, binnen de ‘rest bebouwde kom’. De woningen in de boerderij kunnen worden geschaard onder het type ‘koop, huis, tussen/hoek’ en de vrijstaande woning onder het type ‘koop, huis, vrijstaand’. Hetgeen voor het plan neerkomt op de gemiddelde parkeernormen van driemaal 2,0 parkeerplaatsen ten behoeve van de boerderij en eenmaal 2,3 parkeerplaatsen voor de vrijstaande woning. Daarmee in totaal 8,3 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is er bij de woningen meer dan voldoende ruimte om het parkeren conform deze normering op te lossen (zie afbeelding 7), hiermee is er geen negatieve invloed op de openbare ruimte als gevolg van parkeren en wordt voldaan aan de Beleidsnota Parkeernormen Vijfheerenlanden 2022 – 2030.
7
3.3 Beeldkwaliteit Stedenbouw De routes Leerbroekseweg-Dorpsweg-Recht van ter Leede en de orthogonaal aantakkende Kerkweg vormen de ruimtelijke hoofdstructuur van Leerbroek. De Leerbroekseweg-Dorpsweg-Recht van ter Leede verbinden Leerbroek met Nieuwland en Leerdam en vormt tevens de belangrijkste ontsluitingsroute binnen de kern. Aan de Leerbroekseweg is langs de zuidzijde Iintbebouwing gesitueerd. Door de, aan de noordzijde gelegen waterloop staat de bebouwing aan deze kant op enige afstand zodat een breed profiel is ontstaan. Er is sprake van een afwisselend straatbeeld, doordat openheid en beslotenheid elkaar afwisselen. Door de diverse zichtlijnen houdt men contact met het achterland. Het afwisselende beeld van de Leerbroekseweg wordt tevens bepaald door de verscheidenheid aan functies. Rond de kerk is een zekere verdichting van bebouwing ontstaan, het functionele hart van de kern.
Plangebied
Afbeelding 8: Stedenbouwkundige structuur Leerbroek De randen die worden gevormd door de route Leerbroekseweg-Dorpsweg-Recht van ter Leede zijn zacht: door de menging van bebouwing en open, groene ruimten. De randen rond de uitbreidingswijk zijn veel duidelijker herkenbaar en harder. Er kan worden gesteld dat woningbouw binnen het plangebied ruimtelijk gezien zou kunnen passen binnen het landelijke karakter van de dorps- en lintbebouwing. Waarbij het landelijke karakter dus als uitgangspunt moet worden genomen, met de bebouwing relatief dichtbij het polderlint en extra aandacht voor de overgang naar het open landelijk gebied. Bouwhistorisch onderzoek Om de cultuurhistorische waarde van het karakteristieke erf en pand zoveel mogelijk te behouden naar de toekomst is door bureau Helsdingen een bouwhistorische quickscan uitgevoerd om deze cultuurhistorische waarde ter plaatse te beschrijven en te waarderen. Het rapport van deze quickscan is in geheel bijgevoegd in de bijlage van dit bestemmingsplan. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies omtrent de cultuurhistorische waarde van het erf en de panden kort uiteengezet. Het erf van de boerderij wordt in zijn geheel tezamen met de boerderij, de bijbehorende schuur ten oosten van de boerderij en de oprijlaan tussen beide
8
gebouwen als hoge cultuurhistorische waarde gewaardeerd. Aan de rand van het erf hebben zowel de sloten als de knotwilgen een hoge cultuurhistorische waarde. De overige gebouwen, de tweede ontsluiting ten westen van de boerderij en de latere aanbouw van een stal achter de boerderij hebben een indifferente cultuurhistorische waarde. Waarde boerderij ‘In het algemeen geldt dat de bouwfase van de bouw van de boerderij (1890) is gewaardeerd met een hoge monumentwaarde. Deze bouwfase betreft het originele ontwerp en vormt de kern van de boerderij. Aanpassingen aan de boerderij in de twintigste eeuw, zowel aan de woning als aan de bedrijfsgedeelte, zijn gewaardeerd met een indifferente monumentwaarde. Deze aanpassingen hebben, hoewel zorgvuldig uitgevoerd, geen toegevoegde waarde voor de ontwikkeling van het gebouw en maken de oorspronkelijke opzet en indeling van de boerderij minder duidelijk. Onderdelen van het pand die binnen de boerderij zijn hergebruikt of aangepast hebben een positieve monumentwaarde vanwege hun ouderdom en herkomst uit het pand zelf.’ Waarde schuur ten oosten van de boerderij ‘Schuur 1 is even oud als de boerderij en behoort bij de oorspronkelijke opzet van het erf.
In het algemeen geldt dat de bouwfase uit 1890 is gewaardeerd met een hoge monumentwaarde, terwijl toevoegingen en wijzigingen in de twintigste eeuw zijn gewaardeerd met een indifferente monumentwaarde. Zij doorbreken de oorspronkelijke opzet en structuur van de schuur. Vervangen onderdelen van de originele opzet hebben net als bij de boerderij een positieve monumentwaarde.’ In het rapport brengt Helsdingen het volgende advies uit: ‘Boerderij De eigenaren hebben de wens om de boerderij uit 1890 in drieën te bewonen. Momenteel wordt de boerderij reeds in tweeën bewoond, met één woning in het oorspronkelijke woongedeelte voor de brandmuur, en één woning achter de brandmuur. Het plan bestaat om in de woning achter de brandmuur een tweede woning te creëren. De huidige indeling van de tweede woning leent zich voor een verdere opdeling zonder dat hierbij de cultuurhistorische waarden worden aangetast. Op de begane grond is reeds een grote open ruimte in de voormalige stal die van de rest van de woning is afgescheiden, met daarboven de lege, voormalige hooizolder. Op deze plek kan zonder grote gevolgen voor de indeling van de boerderij een derde woning worden gecreëerd. De belangrijkste uitdagingen in het ontwerp voor de nieuwe situatie zijn het creëren van een eigen toegang en voldoende daglichttoetreding.
Als algemeen uitgangspunt geldt om hierbij zoveel mogelijk de bestaande en voormalige deuren en vensters in de gevel te gebruiken, evenals het oude hooiluik op het dak. Schuur Bij de schuur naast de boerderij is sprake van achterstallig onderhoud, maar het pand heeft net als de boerderij een hoge monumentwaarde door de ouderdom, vormgeving en traditionele locatie op het erf. Uitgangspunt bij het herstel van de schuur is het vinden van een economische drager, zoals bijvoorbeeld een woonfunctie. De schuur heeft voldoende oppervlak voor het creëren van één of twee woningen. Voor het behoud van deze waardevolle schuur is het creëren van een economische drager essentieel. Ook hier geldt, net als bij de boerderij, dat voor het creëren van een entree en daglichttoetreding bij voorkeur zoveel mogelijk de oorspronkelijke vensteropeningen worden gebruikt. In de rechter zijgevel van de schuur zijn verschillende delen van het metselwerk ingeboet en voorzien van nieuwe vensters en deuren. Hier kunnen zonder inbreuk op de cultuurhistorische waarde het gemakkelijkst nieuwe vensteropeningen worden aangebracht.
9
Erfstructuur en inritten Aan de noordwestzijde van de boerderij bevindt zich een deels begroeide en deels open ruimte waar eventueel ontwikkelingen mogelijk zijn. Indien hier een woning zou worden gebouwd, dan dient deze woning aan enkele criteria te voldoen zodat deze ontwikkeling geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische context van het boerderijenlint en de naastgelegen boerderij. Daarbij is het belangrijk om rekening te houden met het volgende. De plaatsing op de kavel moet zodanig zijn dat de boerderij de blikvanger blijft en de nieuwe ontwikkeling daaraan ondergeschikt is. De woning dient een eenvoudige en heldere hoofdvorm te hebben van één laag met een kap met zadeldak met de nok evenwijdig aan de kavelrichting, net als de boerderij. De voorgevel is gericht op de weg, de gevels zijn van baksteen en verticaal geleed met staande vensters en het dak bedekt met keramische pannen of riet.’ Landschappelijke inpassing / beeldkwaliteit Om de ruimtelijke kwaliteit zoveel mogelijk te versterken is het wenselijk zorg te dragen voor een passende inrichting van het plangebied en ontwerp van de bebouwing conform de richtlijnen en het karakter van het stedenbouwkundige en historische landelijke karakter.
Daarom is met behulp van de stedenbouwkundige en bouwhistorische richtlijnen door een landschapsarchitect een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie afbeelding 9 (tevens in de bijlagen van deze toelichting). De boerderij dient als karakteristiek hoofdvolume behouden te blijven met daarnaast de te behouden karakteristieke schuur. Aan de westzijde wordt de nieuwe vrijstaande woning gerealiseerd in een ondergeschikte ingetogen uitstraling ten opzichte van de boerderij. Hiermee blijft de boerderij in architectonisch opzicht het meest beeldbepalende object ter plaatse. De nieuwe woning wordt conform de stedenbouwkundige richtlijnen zo dicht mogelijk bij het polderlint gerealiseerd, zodat deze opgaat in de lintbebouwing. Bijgebouwen zijn uitsluitend toegestaan achter de voorgevelrooilijn van de woningen. De bestaande ontsluitingen blijven behouden en in gebruik, waarbij het bestaande groene karakter voor de bebouwing behouden blijft. Hiermee valt de bebouwing grotendeels weg achter de karakteristieke streekeigen beplanting. De bestaande knotwilgenrijen aan beide zijden langs de bestaande watergangen blijven behouden en worden waar mogelijk doorgetrokken/verdicht. De erven bij de boerderij worden met streekeigen hagen gescheiden van de nieuwe woning, waarbij er achter de bebouwing ruimte is voor enkele erf- of hoogstam(fruit)bomen.
Hiermee kan tezamen met een nieuwe dwarse watergang een zachte overgang worden gecreëerd van het cultuurhistorische lint naar de achtergelegen polder.
10
Afbeelding 9: Indicatie landschappelijke inpassing
11
4 BELEIDSKADER 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • duurzaam economisch groeipotentieel; • sterke en gezonde steden en regio's; • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke
12
ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Er is geen verdere definitie gegeven van het begrip. Inmiddels biedt jurisprudentie een verder beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929).
De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724). Een ontwikkeling welke voorziet in het realiseren van 12 woningen wordt wel gezien als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015, ELCI:NL:RVS:2015:953).’ Middels het onderhavige plan worden per saldo twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
13
4.2 Provinciaal beleid Per 1 januari 2019 is de gemeente Zederik (provincie Zuid-Holland) gefuseerd met de gemeenten Vianen en Leerdam tot de gemeente Vijfheerenlanden. Deze gemeente maakt deel uit van de provincie Utrecht. 4.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De provincie Utrecht beslaat circa 1.550 km2, grenst aan vier andere provincies, heeft 26 gemeenten, 4 waterschappen en circa 1,35 miljoen inwoners. De toekomst laat zich niet exact voorspellen. Eén ding is echter zeker: Utrecht ziet er in 2050 anders uit dan nu. De komende 30 jaar pakt de provincie omvangrijke, complexe en urgente opgaven aan. Er is veel ruimte nodig voor duurzame ontwikkeling van diverse functies, zoals wonen, werken, mobiliteit, energie, recreatie, natuur en landbouw. Tegelijkertijd heeft de provincie de ambitie om de bestaande Utrechtse kwaliteiten verder te versterken. Het is belangrijk om nu al na te denken over de juiste balans tussen opgaven en Utrechtse kwaliteiten en keuzes te maken die daarvoor nodig zijn. Hiervoor is de Omgevingsvisie provincie Utrecht opgesteld, welke is opgebouwd uit 7 beleidsthema’s: 1. Stad en land gezond; 2. Klimaatbestendig en waterrobuust; 3. Duurzame energie; 4. Vitale steden en dorpen; 5. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; 6. Levend landschap, erfgoed en cultuur; 7. Toekomstbestendige natuur en landbouw. Samenvattend houden de beleidsthema’s het volgende in.
Stad en land gezond De provincie zet zich in op de ontwikkeling van een groenblauwe en recreatieve structuur die robuust is langs bestaande doorgaande waterlopen en biedt daarbij voldoende gelegenheid om te zwemmen. Stad/land-verbindingen worden versterkt en er wordt geïnvesteerd in groen in en om bebouwd gebied, recreatieve verbindingen, recreatiezones en -terreinen. Klimaatbestendig en waterrobuust Utrecht zet zich in voor een klimaatbestendige en waterveilige provincie en draagt zorg voor aantrekkelijke en toekomstbestendige dijken en omgeving langs de Nederrijn en Lek en het verzilveren van meekoppelkansen met andere functies. Het hydrologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug wordt benut om regenwater vast te houden en te infiltreren. In de veenweidegebieden worden maatregelen genomen voor het tegengaan van bodemdaling. Verder zorgt de provincie ervoor dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater voldoet. Nieuwe ontwikkelingen in stedelijk en landelijk gebied worden klimaatadaptief ingericht. Duurzame energie De ambitie van de provincie is om in 2040 een energieneutrale provincie te zijn door energiebesparing te stimuleren. Nieuwe technieken voor duurzame energieopwekking faciliteert de provincie als ze minder impact hebben op de leefomgeving.
Ook biedt Utrecht in grote delen van de provincie ruimte om op zoek te gaan naar geschikte locaties met draagvlak voor wind- en zonne-energie. Vitale steden en dorpen Er wordt in algemene zin gekozen om de ruimtevraag voor wonen en werken binnenstedelijk en binnendorps te ontwikkelen. De provincie heeft in aanvulling hierop enkele potentiële locaties rond knooppunten benoemd voor integrale ontwikkelingen. Van deze locaties zijn twee locaties rond de stad Utrecht opgenomen als zoekrichting voor grootschalige integrale ontwikkeling wonen werken-bereikbaarheid. Naast de omvangrijke opgave krijgen kleinere steden en
14
dorpen zo mogelijk passende ontwikkelruimte om te bouwen ten behoeve van lokale vitaliteit. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar Om goed bereikbaar te blijven is het streven om het spoor- en hoogwaardig OV netwerk beter te benutten met aandacht voor het beter benutten van het hoofdwegennet en het provinciale wegennet. Daarbij wordt ingezet op knooppuntontwikkeling om overstap tussen vervoerswijzen mogelijk te maken en het OV- en fietsgebruik te stimuleren. Tussen een aantal woon-, werk- en leefgebieden wordt een regionaal netwerk van (snel)fietsroutes aangelegd. Levend landschap, erfgoed en cultuur Utrecht beschermt en benut landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit. In de landschappen ontwikkeld de provincie met de kernkwaliteiten van het landschap mee. De universele waarden van de Hollandse Waterlinie en Neder-Germaanse Limes worden verzilverd. Toekomstbestendige natuur en landbouw De ambitie is om een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteiten met hoge biodiversiteit te ontwikkelen. Bestaande natuurgebieden worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden. Verder wordt de transitie naar een duurzame landbouw gestimuleerd. Het onderhavige plan voorziet in het saneren van een voormalige agrarische bedrijfslocatie.
Waar ter plaatse in de boerderij een extra woning wordt gerealiseerd en daarnaast een extra vrijstaande woning. De woningen worden conform beleid binnendorps ontwikkeld. Daarbij neemt de bebouwing ter plaatse aanzienlijk af en wordt er meer openheid gecreëerd. Waarbij tevens de cultuurhistorisch waardevolle boerderij wordt beschermd. Daarmee is er sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te voorzien is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld met richtlijnen, zie paragraaf 3.3. 4.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht De omgevingsverordening is een juridische vertaling van de Omgevingsvisie Utrecht. De verordening is daarom opgebouwd uit dezelfde 7 thema’s uit de Omgevingsvisie. Dit nieuwe provinciale beleid gaat onder andere uit van de volgende basisprincipes voor verstedelijking: • Zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; • Daarnaast in overig stedelijk gebied. Tevens zijn artikel 9.10 en 9.11 (instructieregel functiewijziging (voormalig) agrarisch bedrijfsperceel naar woonfunctie met extra woningen (‘ruimte voor ruimte’) van toepassing. Het onderhavige plan voorziet per saldo in de toevoeging van twee wooneenheden binnen de bestaande bebouwde ruimte, binnendorps. Het plan volgt de voorwaarden uit deze artikelen.
Het perceel is optimaal gesitueerd in het lint en aan de kern. De cultuurhistorische en landschappelijk waarden worden behouden. Omliggende bedrijven worden niet beperkt in de bedrijfsvoering. Én in de nieuwe woningen zijn slechts een kantoor of bedrijf aanhuis toegestaan die ondergeschikt is aan de woonfunctie. Daarbij wordt opgemerkt dat 800 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en daarmee wordt voldaan aan de richtlijn van minimaal 750 m2, waarmee het verantwoord is één nieuwe woning te realiseren. Deze wordt op een stedenbouwkundige wijze optimaal gesitueerd in het cultuurhistorische lint, waarbij de woning landschappelijk goed wordt ingepast.
15
4.3 Regionaal Beleid 4.3.1 Regionale structuurvisie ‘open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio recent een nieuwe visie, de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en hierin worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie spelen de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open, voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, is het authentieke karakter van de regio waar bewoners zich thuis voelen een streven.
Middels het slopen van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, en het realiseren van passende burgerwoningen in de boerderij en het landschap wordt er een nieuwe toekomstbestendige situatie gecreëerd voor het karakteristieke perceel. Verder wordt de mogelijkheid tot nieuwvestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf juridisch-planologisch uitgesloten en daarmee wordt bijgedragen aan een verbetering van het woon- en leefklimaat en het milieu. Er wordt meer openheid gecreëerd in het cultuurhistorische lint aan de polder. Het open rustige authentieke karakter van de omgeving blijft gewaarborgd en wordt zelfs versterkt. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid. 4.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In antwoord op de door de provincie opgestelde woonvisie heeft de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een regionale woonvisie opgesteld. De regionale woonvisie is een uitwerking van de Visie 2030 en heeft als doel de regionale afstemming van woningbouwplannen te bevorderen en de beleidslijnen ten aanzien van woningbouw in de regio helder te krijgen. De gemeenten kunnen de regionale woonvisie tevens gebruiken voor de verantwoording van nut en noodzaak van een bestemmingsplan waarin woningbouw is opgenomen. Doel van de visie is om in te kunnen spelen op de veranderende dynamiek van de woningmarkt en de woonkwaliteit te verbeteren.
De woonvisie gaat uit van investeren in nieuwbouw regio-breed, maar aangepast op de lokale vraag. Om hierin het onderscheid aan te kunnen geven wordt er in de visie onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. Leerbroek is aangeduid als een woondorp. Woondorpen zijn met hun hechte gemeenschappen vitaler dan ooit. Veel huishoudens behoren tot traditionele of moderne burgerij. Zij hebben een sterk lokaal sociaal netwerk en gebruiken dat. Voorzieningen vinden ze op korte afstand in het naastgelegen voorzieningendorp. Voor woondorpen geldt dat voor het realiseren van woningen de lokale vraag bediend moet worden. Plannen met een bovenlokale functie dienen afgestemd te worden, door ze regionaal toe te lichten met oog voor vraaggericht bouwen en de lokale context. Voor woondorp Leerbroek geldt dat voor het realiseren van 5 wooneenheden (of meer), mits de totale groei van het aantal wooneenheden in Leerbroek groter is dan 0,7% van de totale woningvoorraad in de planperiode 2010-2020, regionale 16
afstemming noodzakelijk is. Ook dienen de woningen dan te worden gemeld en te worden meegenomen in de jaarlijkse monitor. De gemeente dient te waken over een goede spreiding van deze plannen in de tijd. Het onderhavige plan voorziet in de toevoeging van per saldo twee wooneenheden.
17
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Toekomstvisie Zederik De voormalige gemeente heeft in 2015 de Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030 vastgesteld. Hierin is het toekomstbeeld van de gemeente beschreven op het gebied van sociale cohesie & identiteit, bereikbaarheid, voorzieningen, wonen, zorg, economie, landschap & recreatie en duurzaamheid. Voor het onderhavige plan zijn met name de punten wonen en landschap van belang. Het plangebied is gelegen in de zogenaamde ‘agrarische woonkern’, waar behoud van het landelijke karakter uitgangspunt is. Het plangebied is gelegen naast de voorzieningen van het te behouden spetterbad en de sportvoorzieningen daaromheen. Ter plaatse is teven een doorzichtpijl naar het open polderlandschap weergegeven. Het onderhavige plan voorziet in het saneren van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Waar ter plaatse in de boerderij een extra woning wordt gerealiseerd en daarnaast een extra vrijstaande woning. Hiermee neemt de bebouwing ter plaatse aanzienlijk af en wordt meer openheid gecreëerd. Het plan sluit aan bij het landelijke karakter en de oorspronkelijke boerderij. De nieuwe woning wordt relatief dicht bij het polderlint gerealiseerd conform de stedenbouwkundige richtlijn en er wordt extra aandacht besteed aan de overgang naar het open landelijk gebied, zie paragraaf 3.3.
Plangebied
Afbeelding 10: Toekomstvisie Leerbroek 4.4.2 Woonvisie gemeente Vijfheerenlanden 2020-2025 Het doel van de nieuwe Woonvisie voor Vijfheerenlanden is dat het voor iedereen goed wonen is in Vijfheerenlanden en de woonwensen en woningbehoefte van al onze inwoners zoveel mogelijk binnen onze gemeentegrenzen mogelijk te maken. Zo is Vijfheerenlanden samen sterk, met eigenheid en diversiteit in de verschillende kernen. In de woondorpen, waaronder Leerbroek, is er sprake van 18
huishoudensgroei. Dat betekent dat overal een (kleine) bouwopgave ligt. De netto huishoudenstoename komt in de woonkernen volledig voor rekening van de groeiende doelgroep 65-plussers, waardoor doorstroming op gang kan komen. De Woonvisie gaat uit van de volgende uitgangspunten: • Behoud en versterking van de vitaliteit heeft de prioriteit van de kleine kernen. • Bouwen voor de doorstroming binnen Vijfheerenlanden: voor ouderen en voor jongeren. • Aandacht voor lage inkomens en middeninkomens uit Vijfheerenlanden die in de knel komen. • Bouwen primair voor de eigen inwoners, ruimte voor kleine dorpsgerichte plannen, die aansluiten bij initiatieven van dorpsbewoners. • Ruimte bieden aan complementaire woningtypen: voorzien in de behoefte aan kleine woningen (tiny houses), mantelzorgwoningen, knarrenhofjes, en vrije kavels. • Focus op de verduurzaming van de bestaande voorraad, bij nieuwbouw zorgen voor energieneutraliteit. • Rekening houden met rode contour, en nieuwe regels zoals Omgevingswet, PAS en de POVI. • Aansluiting zoeken bij de strategische visie 2035. De nieuwe vrijstaande woning wordt voornemens levensloopbestendig gerealiseerd. In deze woning kunnen de initiatiefnemers intrek nemen op hun oude dag en zo lang als mogelijk thuis blijven wonen.
Door de woonboerderij verder te splitsen worden drie meer betaalbaardere woningen gerealiseerd, in plaats van duurdere woningen indien de boerderij uit twee woningen zou blijven bestaan. Met het plan wordt daarmee doorstroming gestimuleerd op de woningmarkt.
19
4.5 Conclusie Op basis van hoofdstuk 4 ‘Beleidskader’ kan worden geconcludeerd dat: • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Vanuit jurisprudentie is geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor toetsing aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk is. • Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
20
5 ONDERZOEK/VERANTWOORDING 5.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van twee extra woningen (en heeft betrekking op totaal 4 woningen) binnen het plangebied aan de Leerbroekseweg 7a en 9 in Leerbroek. Gelet op de aard, omvang en directe omgeving alsmede gelet op bestaande jurisprudentie over dit onderwerp, is de beoogde ontwikkeling in dit specifieke geval niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 in bijlage 1 van het Besluit m.e.r.). Er is namelijk ‘slechts’ sprake van een beperkt ruimtebeslag en de omliggende percelen hebben al de bestemmingen ‘wonen’ en ‘tuin’.
Ten aanzien van de beoogde woningbouw hoeft geen (vormvrije) m.e.r.(beoordelings)-procedure doorlopen te worden en er hoeft dus ook geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd.
21
5.2 Geluidhinder Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de splitsing van de boerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van geluidsgevoelige objecten. Het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van enkele wegen.
Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd bedrijventerrein. Deze kunnen dus buiten beschouwing worden gelaten. Om de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de geplande woningen in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Leerbroekseweg ten hoogste 43 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en daarmee niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van alle 30 km/h wegen ten hoogste 45 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en daarmee niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer. 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 47 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • De woningen beschikken alzijdig over een geluidluwe gevel en buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
(…) Voor de onderzochte woningen hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.
22
5.3 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (woningen) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving bedrijfsactiviteiten bevinden die relevante milieuhinder kunnen veroorzaken. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de realisatie van twee burgerwoningen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele bedrijfs- en milieuhinder van de omliggende bedrijven op de nieuwe woningen en de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van deze bedrijven door de nieuwe milieugevoelige objecten. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). De richtafstanden gelden voor een omgeving die getypeerd kan worden als ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’. Indien de omgeving getypeerd kan worden als ‘gemengd gebied’, kunnen de richtafstanden met één afstandstrap gereduceerd worden. Conform de VNG-Handreiking wordt onder een gemengd gebied de volgende definitie verstaan: ‘een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen’. Het plangebied maakt onderdeel van lintbebouwing met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid naast burgerwoningen. Er is derhalve sprake van een gemengd gebied. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. Tabel 2: Omliggende milieubelastende activiteiten (gemengd gebied) Adres Functie Max.
Richtafstand Werkelijke Milieuconform VNG afstand cat. tot nieuwe woning 2.0 Leerbroekse Basisschool 10 meter 20 meter
weg 5A Leerbroekse weg 8A Leerbroekse weg 11 Leerbroekse weg 14 Leerbroekse weg 24
Palletbedrijf (timmerfabriek) Transportbedrijf
3.2
Boomgaard (fruit) Transportbedrijf
2.0
3.2
3.2
(geluid) 50 meter (geluid) 50 meter (geluid) 10 meter (geluid) 50 meter (geluid)
125 meter 80 meter 115 meter 50 meter
23
24
14
11
5A 8A
Afbeelding 11: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven/functies (indicatief woningen in het rood) In bovenstaande tabel en afbeelding is het plangebied ten opzichte van de omliggende bedrijven en daarbij de maximaal toegestane planologische functies weergegeven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan alle gestelde richtafstanden. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van het plan. Gezien de sanering van een agrarische bedrijfslocatie kan zelfs gesproken worden van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven en milieuhinder geen belemmeringen.
24
5.4 Bodem Beleidskader Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een ruimtelijk plan een bodemkwaliteitsparagraaf te bevatten. Er dient een motivering opgenomen te worden over de bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde functie. De bodemkwaliteit dient geschikt te zijn voor de gewenste bestemming welke middels het plan mogelijk wordt gemaakt. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels omtrent het beschermen van de bodem. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de twee nieuwe woonpercelen in kaart te brengen is door Bakker Milieuadvies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: •
‘De licht puinhoudende bovengrond op het noordoostelijke terrein (o.a. moestuin) bevat licht verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK. Een tweede mengmonster van dit terreindeel (boringen 5, 6 en 7) was licht verontreinigd met lood, zink, PAK, PCB en minerale olie. Dergelijke lichte verhogingen zijn gebruikelijk voor langdurig bewoonde of in gebruik zijnde percelen. Uit een door Adcim BV uitgevoerd bodemonderzoek blijkt dat deze licht geroerde zwak puinhoudende bovengrond geen noemenswaardig asbestgehalte bevat (5 mg/kgds): • De ongeroerde kleiige bovengrond onder de plaatselijke terreinverhardingen (boringen 4, 8, 11 en 20) is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket. • De tamelijk ongeroerde bovengrond ter plaatse van de westelijke tuin (speeltuin + grasveld voor kippen) bevat licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, zink en PAK. Op dit terreindeel is de bovengrond van 030 cm separaat onderzocht op OCB vanwege het boomgaardverleden (beter gezegd: de aanwezigheid van enkele fruitbomen in het verleden). Van de OCBreeks is alleen DDE in minimale mate boven de AW 2000 aangetroffen. Dit heeft geen consequenties; • Op de aangewezen locatie waar ooit gedurende enkele jaren een kleine bovengrondse olie-opslagtank stond op een betonvloer (bij boring 15), was de bodem tot 2 m-mv zintuiglijk schoon voor olie.
Analytisch is hier in de bovengrond ook geen olie aangetoond. • Op 5 meter ten westen van de boerderij is ooit een slootje gedempt met vermoedelijk terreineigen grond. Hier zijn 3 boringen verricht. De bodem is tot circa 1 m-mv licht geroerd en bevat lichte bijmengingen van puin- en kooldeeltjes. Deze dempingsgrond blijkt licht verontreinigd met diverse metalen en PAK. Deze laag is ook onderzocht op asbest (door het hierboven genoemde erkende bureau Adcim) en hierbij is een asbestgehalte van 8 mg/kgds aangetroffen. Dit minimaal verhoogde gehalte heeft geen consequenties; • De puinlaag onder de oprit en deels onder het bestrate erf is onderzocht op asbest door Adcim BV en hierin is geen asbest aangetroffen. • De kleiige ondergrond van circa 50-100 cm-mv is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket. De zandige ondergrond van circa 11.5 m-mv bevat minimale verhogingen aan kobalt en nikkel • In het grondwater is barium licht verhoogd aangetroffen. Dit is een gebruikelijke verhoging; Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bestemming wonen. En dus ook niet voor de voorgenomen bouwplannen.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. 25
5.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Afbeelding 12: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (plangebied indicatief)
26
Het onderhavige plan betreft enerzijds sloop van bebouwing en anderzijds nieuwbouw op het perceel. Hiermee worden de vrijstellingsgrenzen van de gemeentelijke beleidskaart overschreden, waardoor een verkennend archeologisch onderzoek vereist is. Om aan deze onderzoekplicht te voldoen is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De bodemkundige opbouw in het plangebied wordt beschreven van onder naar boven. In de ondergrond zijn oeverafzettingen aanwezig van de Gorkum-Arkel stroomgordel. Vervolgens is gebied vernat geraakt en heeft zich bosveen kunnen ontwikkelen. De ontwikkeling van bosveen is overgegaan naar rietveen. Boven op het rietveen is komklei aanwezig. Na een oeverwaldoorbraak van de Schoonrewoerd zijn er crevasseafzettingen afgezet op de komklei.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bodemopbouw is deels verstoord. De bodem opbouw is in boringen 1 t/m 5 verstoord tot ca. 40 – 70 cm –mv. (0.25 – 0.81 –NAP). Onder de verstoringen bevindt zich een natuurlijke bodemopbouw. In boring 6 blijft de verstoring beperkt tot een 30 cm dikke bouwvoor.
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In het plangebied zijn archeologische relevante geo(morfo)logische lagen aanwezig. In boring 2 is een laklaag aanwezig op de top van de oeverafzetiingen van de Gorkum-Arkel stroomgordel. De bovengrond bestaat uit oeverafzettingen van een crevasse van de Schoonrewoerd stroomgordel. In boring 6 is in de oeverafzettingen een laklaag aangetroffen. Bovengenoemde laklagen hebben tijdelijk aan het oppervlak gelegen en zijn daarom mogelijk een archeologisch potentieel niveau.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? In boring 2 bevindt de laklaag zich op 430 cm – mv (4.07 –NAP). De laklaag in boring 6 bevindt zich op 75 cm –mv (0.49 –NAP).
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.