CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan toelichting - Lakerveld 133-135, Lexmond.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 20 april 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Lakerveld 133-135, Lexmond16.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

110g Wgh; • Maatregelen aan de bron of in de overdrachtsweg om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde, zoals het aanbrengen van geluidreducerend asfalt of geluidschermen zijn niet doelmatig en ondervinden overwegende bewaren van civieltechnische, stedebouwkundige en financiële aard, mede gezien de kleinschalige ontwikkeling; • De woningen over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte beschikken, waarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 61 dB, exc. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai Een verzoek tot vaststelling voor de in tabel 4.1 weergegeven hogere waarden dient te worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

25

Geluidwering van de gevel Voor woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt aangevraagd dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt ten hoogste (61 – 33 = ) 28 dB conform het Bouwbesluit 2012.’ Conclusie Voor het plan dient een hogere grenswaarde te worden aangevraagd. Tevens dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan het Bouwbesluit.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

26

5.3 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (woningen) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving bedrijfsactiviteiten bevinden die relevante milieuhinder kunnen veroorzaken. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de realisatie van twee burgerwoning.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele bedrijfs- en milieuhinder van de omliggende bedrijven op de nieuwe woningen en de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van deze bedrijven door de nieuwe milieugevoelige objecten. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNGHandboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). De richtafstanden gelden voor een omgeving die getypeerd kan worden als ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’. Indien de omgeving getypeerd kan worden als ‘gemengd gebied’, kunnen de richtafstanden met één afstandstrap gereduceerd worden. Allereerst dient bepaald te worden of de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ of als ‘gemengd gebied’. Conform de VNG-Handreiking wordt onder een gemengd gebied de volgende definitie verstaan: ‘een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Daarnaast gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen’. Het plangebied maakt onderdeel van een lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Er is sprake van functiemenging; naast woningen komen andere functies voor als (agrarische) bedrijven. Er is derhalve sprake van een gemengd gebied. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. In de directe omgeving zijn de volgende relevante bedrijven juridisch-planologisch toegestaan. Tabel 1: Planologisch toegestane milieubelastende functies Adres Maximum toegestane Zwaarste richtafstand milieucategorie conform VNG (gemengd gebied) Lakerveld 141 Categorie 2 10 meter Lakerveld 184 Categorie 3.2 30 meter Lakerveld 206 Categorie 3.2 30 meter

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

27

De bedrijfspercelen aan het Lakerveld 141 en 184 zijn op ruim voldoende afstand gelegen (meer dan 100 meter) ten opzichte van het plangebied. Deze bedrijven worden derhalve niet belemmerd in hun bedrijfsvoering als gevolg van het plan. Het agrarisch bedrijf aan het Lakerveld 206 is op een afstand van 16 meter van het plangebied gelegen. In het plan is rekening met het agrarisch bedrijf gehouden door de bouwvlakken (de nieuwe woningen mogen uitsluitend binnen deze bouwvlakken gebouwd worden) op voldoende afstand te leggen vanaf het agrarisch bedrijf. De afstand van de bouwvlakken die de nieuwe woningen mogelijk maken en het agrarisch bedrijf aan het Lakerveld 206 bedraagt minimaal 30 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand en wordt het agrarisch bedrijf niet in haar bedrijfsvoering belemmerd als gevolg van het plan.

Afbeelding 10: Minimale afstand agrarisch bedrijf tot nieuwe woningen

Achtergrondbelasting (geur) De Wet geurhinder en veehouderijen noch de gemeentelijke geurverordening kennen normen voor de achtergrondbelasting. Voor het vaststellen is deze achtergrondbelasting is echter wel relevant om te kunnen beoordelen of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de stankuitstoot van omliggende agrariërs. Hierom is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek geurhinder veehouderijen uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘De hoogst berekende achtergrondgeurbelasting op een bouwvlak binnen het plangebied bedraagt ongeveer 0,2 ouE/m3. De achtergrondbelasting van maximaal 0,2 ouE/m3 komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting vormt geen belemmering voor het plan.’

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

28

Afbeelding 11: Kaart Achtergrondbelasting

Uit bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Daarnaast vormt de achtergrondbelasting (geur) geen belemmering voor het plan. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van het plan. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven en milieuhinder geen belemmeringen. Gesteld kan dan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van het plan.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

29

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de twee nieuwe woonpercelen in kaart te brengen is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘De oorspronkelijk bodem ter plaatse bestaat uit humeuze klei, overgaand in veen tussen 0.4 en 0.8 m-mv. In een beperkt aantal boringen is de bovengrond zandig. In de meeste boringen is puin waargenomen in de bovengrond. Met uitzondering van de gedempte sloot en een boring langs de oprit is het gehalte als licht gekwalificeerd. In de demping is tot 0.7 m-mv matig puin aangetroffen. Dit bestaat voornamelijk uit baksteen-achtig materiaal.

In de boring langs de oprit, net voorbij de woning, is het gehalte aan baksteen tussen 0.5 en 0.8 m-mv als sterk gekwalificeerd. Het puin van de oprit bestaat voor ruim 50% uit bodemvreemd materiaal. Deze laag is daarmee geen onderdeel van de bodem. Dat geldt ook voor de recente aangebrachte puinbaan. Grond In de boven- en ondergrond van het terrein aan de Lakerveld worden geen tussenwaarden overschreden. Met één uitzondering is de grond als AW- of wonenkwaliteit gekwalificeerd. De uitzondering is de zandige en puinhoudende grond uit de gedempte sloot en onder de oprit. Deze grond is Industrie. Van de PFAS-componenten is de som PFOA boven de Achtergrondwaarde verhoogd in de bovengrond van de bouwlocatie. Grondwater Voor geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket wordt in het grondwater een tussenwaarde overschreden. Asbest Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locatie aan de Lakerveld. Er zijn zes mengmonsters van de meest verdachte grond van het terrein geanalyseerd op asbest. Analytisch is door het lab in één monster asbest aangetoond. Dit is het mengmonster van de gedempte sloot, de sleuven 8A en 8B. Het gaat om zes stukjes met een grootte tussen 2 en 8 mm. Deze bestaan uit hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet en resulteren in een gewogen asbestgehalte van 4.0 mg/kg ds.

Het asbest is door het lab omschreven als vlakke cement-plaat. Voor asbest in grond is een interventiewaarde of hergebruiksnorm van toepassing van 100 mg/kg ds. In sommige situaties wordt ook een tussenwaarde van 50 mg/kg ds gehanteerd. Het gemeten gehalte van 4.0 mg/kg ds in de gedempte sloot ligt daar ruim onder. Grond met asbestgehaltes onder de 100 mg/kg ds wordt geacht geen risico te vormen voor de volksgezondheid. Voorwaarde daarvoor is dat er geen asbestvezels kleiner dan 0.5 mm in de grond aanwezig zijn. Dat is het

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

30

zogenaamde respirabele asbest, het meest risicovolle. Op het analysecertificaat is aangegeven dat dergelijk asbest niet is aangetroffen door het lab. Conclusie, aanbevelingen De kwaliteit van de grond en het grondwater van het perceel aan de Lakerveld zijn geen belemmering voor de plannen voor ontwikkeling van de locatie. Licht verhoogde gehaltes zijn geen risico's voor de volksgezondheid. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden is er geen aanleiding voor verder onderzoek. Er hoeft voor de nieuwbouw waarschijnlijk geen grond afgevoerd te worden. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek in relatie tot het benodigde grondverzet is Omgevingsdienst ODRU, namens Gemeente Vijfheerenlanden.’ Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. Bij de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen van de woningen dient aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden in de vorm van grondanalyses (NEN5740) ter plaatse van de woningen en een grondanalyse op OCB’s voor perceel sectie B, nummer 970.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

31

5.5 Archeologie Beleidskader In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. De gemeenteraad van de voormalige gemeente Zederik heeft op 13 december 2010 het gemeentelijk archeologiebeleid en de bijbehorende archeologische waardenkaart en archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vastgesteld. Op deze kaarten staat vermeld welke archeologische waarden en verwachte waarden aanwezig zijn en op welke manier hiermee om gegaan dient te worden bij bodemverstorende activiteiten.

De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Lage verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

32

Plangebied

Afbeelding 12: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

De bodemingrepen ter plaatse van de (zeer/middel)hoge archeologische verwachting zijn zodanig dat er een archeologisch onderzoek opgesteld dient te worden. Door ADC ArcheoProjecten is een archeologisch onderzoek opgesteld. De conclusie van dit onderzoek luidt: •

‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? In het plangebied is sprake van een rivierkomvlakte / ontgonnen veenvlakte met kalkloze drechtvaaggronden. De ondergrond bestaat geologisch gezien uit een afwisseling van komafzettingen met veen.

•

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bodemopbouw is met name in het westen (boringen 4 en 5) natuurlijk. In de overige boringen is de bouwvoor in meer of mindere mate verstoord.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Nee.

•

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? N.v.t.

•

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Nee.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Hoewel het gebied is gelegen langs een ontginningsas, zijn binnen het

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

33

plangebied geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een woonheuvel. •

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? N.v.t.

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Op basis van het uitgevoerde bureau- en booronderzoek wordt de archeologische verwachting voor het hele plangebied bijgesteld naar laag. Bescherming van archeologische waarden door middel van archeologische dubbelbestemmingen is niet langer noodzakelijk en worden derhalve niet opgenomen in het plan.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

34

5.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijvoorbeeld evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur.

Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn A- en C-watergangen gelegen.

De sloopwerkzaamheden vinden deels binnen de beschermingszone van A-watergang 000434. Voor de werkzaamheden die binnen de beschermingszone plaatsvinden dient een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland aangevraagd te worden.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

35

C-039978

C-040422

C-037868

C-039979

A-000434

C-039980

Afbeelding 13: Uitsnede legger wateren

Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20210204-9-25465). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied VHL617. Het peilgebied heeft een zomer- en winterpeil van -0,55 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 14: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

36

compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m 3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Boerderij Stenen schuur achter boerderij * Schuur * Halfopen vervallen kapschuur * Garage * Terreinverharding Totaal bestaande situatie

Oppervlakte 126 m² 105 m² 213 m² 82 m² 38 m² 558 m² 1.122 m2

Nieuwe situatie Bebouwing Erfverharding

362 m² 570 m²

Totaal nieuwe situatie

932 m²

Verschil * De schuren zijn om veiligheidsredenen reeds gesaneerd.

190 m² afname

Afbeelding 15: Indicatie verharding bestaande en nieuwe situatie

Het onderhavige plan resulteert in een afname aan verharding van 190 m2. Op basis hiervan is het realiseren van watercompensatie niet noodzakelijk. Het plan voorziet in het dempen van water en het verwijderen en realiseren van een brug. Voor beide werkzaamheden is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast dient de demping van de watergangen voor 100% gecompenseerd te worden. De compensatie voor de waterdemping wordt gerealiseerd door middel van het verbreden van C-watergang 038304. Voor deze werkzaamheden is door het waterschap reeds een watervergunning verleend (kenmerk 2021039312/2021059746).

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

37

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Hemelwater stroomt rechtstreeks af op de omliggende watergangen. In het plan wordt ervan uitgegaan dat het vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Vijfheerenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een regionale of primaire waterkering. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor de sloopwerkzaamheden binnen de beschermingszone van de A-watergang dient een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap Rivierenland. Voor het verwijderen en realiseren van de brug en het dempen en graven van water is reeds een watervergunning verleend door het waterschap (kenmerk 2021039312/2021059746).

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

38

5.7 Ecologie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt de 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De soortenbescherming binnen de Wnb is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitat- richtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura 2000-gebieden en bossen. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat u werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In de Wnb geldt tevens dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden (ecologische quickscan). Ter bescherming van natuurwaarden is er door de Europese Unie een netwerk van speciale beschermingszones aangewezen onder de naam Natura 2000. De richtlijnen zijn in Nederland onder meer verankerd in de Wnb. De Nederlandse Natura 2000-gebieden worden op basis van de Wnb vastgelegd, waarbij de bescherming gericht is op beheer en instandhouding van natuurlijke habitats en leefgebieden van plant- en diersoorten.

Kaders hiervoor zijn uitgewerkt in het Natura 2000-doelendocument. Op basis van de Wnb worden speciale beschermingszones aangewezen. Voor deze gebieden worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Onderzoek Het plan voorziet in sloopwerkzaamheden en de realisatie van twee woningen. In het kader van flora en fauna voorziet het plan hiermee in werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor de verblijfsplaatsen van beschermde planten diersoorten. Op basis hiervan is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dienen enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de Algemene Zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er zijn belangen vanuit volksgezondheid klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien voornoemde is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

39

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour of een ganzenrustgebied. De planlocatie ligt in een weidevogelkerngebied. De beoogde ontwikkeling resulteert echter niet in significante negatieve effecten op de functies die dit gebied vervult voor weidevogels. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De effecten omtrent stikstofemissie dienen inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

Afbeelding 16: Afstand plangebied tot Natuurnetwerk Nederland

Afbeelding 17: Afstand plangebied tot Natura 2000-gebied

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

40

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad wordt geadviseerd het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017).

Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Conclusie De ontwikkeling aan de Lakerveld 133 & 135 te Lexmond is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro)

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

41

Naar aanleiding van de conclusie uit de ecologische quickscan om een aanvullend huismusonderzoek uit te voeren is door Blom Ecologie een huismusonderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit huismusonderzoek luidt: ‘Huismus In de periode mei 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de huismus in de woningen aan het plangebied. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woning op de planlocatie nesten (8) biedt voor de huismus. In totaal zijn in de woningen op de planlocatie 8 nesten van huismussen waargenomen. Tevens maakt de planlocatie onderdeel uit van het functioneel habitat. De beoogde sanering leidt tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (wegnemen nesten en functioneel leefgebied). Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de beoogde ingreep uitgevoerd kan worden. Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn geen nesten van andere vogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli).

Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Vervolgstap(pen) Voor de uitvoering van een deel van de saneringswerkzaamheden is ontheffing nodig van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (3.1 lid 2). Conform het Kennisdocument huismus wordt aanbevolen om de navolgende aspecten te onderbouwen. Deze aspecten maken integraal onderdeel uit van het projectplan ten behoeve van de ontheffingsaanvraag. 1) Er is sprake van een wettelijk belang (Wnb, art. 3.3, lid 4b) 2) Bepaal waarborging van gunstige staat van instandhouding (Wnb, art. 3.3, lid 4c) 3) Onderbouw de meest bevredigende oplossing (alternatieven afweging) (Wnb, art. 3.3, lid 4a) 4) Bepaal mitigerende en compenserende maatregelen (Wnb, art. 3.3, lid 4c) Een ontheffingsaanvraag is enkel succesvol als al deze aspecten voldoende onderbouwd kunnen worden. Indien de werkzaamheden geen wettelijk belang kennen of indien er vergelijkbare maatregelen zijn die gunstiger zijn voor de aanwezige soorten kan een ontheffing mogelijk geweigerd worden.’ Er dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze procedure is inmiddels in gang gezet door Blom Ecologie, waarbij bovengenoemde aspecten worden voldoende worden onderbouwd.

Naar het oordeel van het deskundig ecologisch adviesbureau ligt het in de lijn der verwachting dat de ontheffingsaanvraag wordt verleend, mede omdat er mitigatiemaatregelen genomen worden. Tevens is naar aanleiding van de ecologische quickscan een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Dit aspect is behandeld in paragraaf 5.8 van deze toelichting. Conclusie Voor het plan is een ontheffing voor huismus noodzakelijk. De ontheffingsaanvraag is thans in procedure. Het is niet te verwachten dat de ontheffingsaanvraag wordt geweigerd. Verder dienen de genoemde maatregelen getroffen te worden en dient ten alle tijden de zorgplicht in acht genomen te worden.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

42

5.8 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.

Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Onderzoek Om de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden vanwege het onderhavige plan te bepalen is een stikstofdepositieonderzoek opgesteld. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling.

Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming op het onderdeel stikstofdepositie.’ Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura2000-gebieden.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

43

5.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf jan. 2015

Fijnstof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011

24-uurgemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3

Vanaf 11 juni 2011

Fijnstof (PM2,5)

Vanaf jan. 2015

Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden. Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie voor het jaar 2030 een advieswaarde voor fijn stof van 10 µg/m3 PM2,5 en 20 μg/m3 PM10. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht (rekenpunt 694286 langs rijksweg A27 ter hoogte van plangebied): • Een stikstofconcentratie van 23,9 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 9,2 μg/m3 PM2,5; • Een fijnstofconcentratie van 16,8 μg/m3 PM10; En voor het jaar 2030 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 8,0 µg/m3 PM2,5; • Een fijnstofconcentratie van 15,4 µg/m3 PM10 Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan en tevens voldoet aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie voor het jaar 2030. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

44

•

Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

45

5.10 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.

Plangebied

Afbeelding 18: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

46

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen en vaarwegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Hoogspanningsmasten In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsmasten gelegen. Reactie Veiligheidsregio Utrecht De Veiligheidsregio Utrecht heeft het concept ontwerpbestemmingsplan doorgenomen en het volgende geconcludeerd: ‘Na bestudering van het concept ontwerpbestemmingsplan en uit eigen onderzoek stel ik vast dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het concept ontwerpbestemmingsplan.

In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig waarvoor een verantwoordingsplicht geldt voor het groepsrisico. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Daarvoor dient het plangebied goed bereikbaar te zijn, en dient de brandweer onder meer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater. De bereikbaarheid van het plangebied voldoet aan de eisen die hieraan gesteld worden, met betrekking tot de bluswatervoorziening wordt geconcludeerd dat er geen primaire bluswatervoorziening in de nabijheid van het plangebied is gelegen. Wel ligt er een tertiaire bluswatervoorziening (oppervlakte water) in de directe omgeving van het plangebied. Ik adviseer u om de primaire bluswatervoorziening nabij het plangebied uit te breiden (conform artikel 6.30, Bouwbesluit 2012) zodat er op maximaal 40 meter afstand van de nieuwbouw woningen een primaire bluswatervoorziening aanwezig is met een minimaal debiet van 30 m3/h.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

47

5.11 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

48

6 JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Lakerveld 133135, Lexmond’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’, vastgesteld op 19 november 2018 door de voormalige gemeente Zederik en het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Agrarisch Het open slagenlandschap achter het woonperceel behoud de agrarische bestemming. Het bouwvlak wordt verwijderd. Groen Langs de woonbestemming is een bestemming ‘Groen’ opgenomen. Hierbinnen is groen (weiland, (hoogstam)fruitbomen, knotwilgen) toegestaan alsmede erfinrichting ten behoeve van de woningen (zoals een terras). Gebouwen zijn niet toegestaan binnen deze bestemming. Tuin Het voorerf van de voorste woning wordt bestemd met de enkelbestemming ‘Tuin’. In de tuinbestemming is het niet toegestaan om gebouwen te realiseren. Daardoor kunnen binnen de richtafstand voor geur van het agrarisch bedrijf Lakerveld 206 geen (milieugevoelige) gebouwen worden gerealiseerd. Binnen de bestemming zijn tuinen, groenvoorzieningen, verhardingen, parkeervoorzieningen en in- en uitritten toegestaan. Wonen Om de functie van het perceel te wijzigen in een woonperceel wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar Wonen. Binnen deze bestemming zijn de woningen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan. Bij-, aan- en uitbouwen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. De goot- en bouwhoogte van de voorste woning bedraagt maximaal 3 en 10 meter. De achterste (schuur)woning krijgt een maximale goot- en bouwhoogte van 3 en 8,5 meter en is daarmee architectonisch ondergeschikt aan de voorste woning.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

49

6.4 Aanduidingen • • •

Bouwvlakken; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m), maximum goothoogte (m): 8,5, 3,0’ Maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m), maximum goothoogte (m): 10,0, 3,0’

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

50

7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8 OVERLEG EN INSPRAAK 8.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Vijfheerenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan besproken met de provincie Utrecht, het waterschap Rivierenland, de Veiligheidsregio Utrecht en Dunea. Naar aanleiding van het vooroverleg hebben de overlegpartners de volgende reacties toegezonden. Provincie Utrecht De provincie heeft gevraagd om een nadere motivering over de keuze om de woonboerderij met twee wooneenheden te vervangen voor twee vrijstaande woningen. Tevens vraagt de provincie om een nadere motivering over de verbetering van het bebouwingslint en de ruimtelijke kwaliteit. Over bovenstaande heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en de provincie. Het bouwplan is hierop aangepast. De nieuwe woningen worden aan de zuidzijde van het plangebied gerealiseerd, zodat deze samen met de gebouwen op het perceel Lakerveld 137 een bebouwingscluster vormen. Tevens onstaat hierdoor meer landschappelijke openheid aan de noordzijde van het plangebied. De voorste woning wordt gerealiseerd in de vorm van een woonboerderij en de achterste woning in de vorm van een schuurwoning, ondergeschikt aan de voorste woning.

Daarnaast stelt de provincie dat getoetst dient te worden aan artikel 9.10 van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht. Dit is toegevoegd in §4.2.4 van deze toelichting. Waterschap Rivierenland Het waterschap Rivierenland adviseert positief op het plan. Het waterschap geeft mee dat indien er sprake is van een toename van het verhard oppervlak door het realiseren van nieuwe parkeerplaatsen, hiervoor watercompensatie moet plaatsvinden en dat waterdoorlatende verharding de voorkeur heeft. Veiligheidsregio Utrecht De Veiligheidsregio Utrecht constateert dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het plan en dat er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn waarvoor een verantwoordingsplicht geldt voor het groepsrisico. Verder adviseert de Veiligheidsregio om de primaire bluswatervoorziening nabij het plangebied uit te breiden, zodat er op maximaal 40

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

51

meter afstand van de nieuwbouwwoningen een primaire bluswatervoorziening aanwezig is met een minimaal debiet van 30 m³ per uur. Dunea Er is geen reactie van Dunea ontvangen, waardoor aangenomen wordt dat Dunea geen opmerkingen heeft op het plan.

8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het college van de gemeente Vijfheerenlanden heeft op 9 juni 2022 bekend gemaakt (Gemeenteblad nr. 261296) dat het ontwerpbestemmingsplan “Lakerveld 133-135, Lexmond” vanaf 10 juni 2022 zes weken ter inzage ligt. Tijdens de terinzagelegging kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze omtrent het ontwerp kenbaar maken. Tijdens de terinzagelegging is er 1 zienswijze binnengekomen. De zienswijze is binnen de daarvoor geldende termijn ingediend en is ontvankelijk verklaard. Naar aanleiding van de zienswijze heeft er een gesprek op het gemeentekantoor plaatsgevonden met de indiener van de zienswijze en de initiatiefnemer. Naar aanleiding van dit gesprek is het ontwerp en daarmee ook het bestemmingsplan aangepast. Zo zijn de bouwvlakken van de woningen iets verder richting het noordoosten verschoven. Omdat de aanpassing invloed heeft op de inrichting van het erf en het landschap, zijn de provincie Utrecht, een ervenconsulent van MooiSticht, de indiener van de zienswijze en de initiatiefnemer betrokken geweest bij het ontwerpen van de nieuwe inrichting van het plangebied. Er is een nieuwe en passende erfinrichting ontworpen waar alle betrokkenen mee in kunnen stemmen.

In de Nota beantwoording van Zienswijze is de ingediende zienswijze behandeld en van een antwoord voorzien. De aanpassingen aan het bestemmingsplan zijn tevens opgenomen in de nota beantwoording van Zienswijze. Ook is De Nota is toegevoegd als bijlage bij de toelichting.

Bestemmingsplan ‘Lakerveld 133-135, Lexmond’

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d5e94a4f-3d4b-4657-8f22-171293ed986c