Bestemmingsplan Toelichting - Hei- en Boeicopseweg 139.pdf
Tekst van het document
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.
Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
24
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied
Transport gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in de nabijheid van de A27. De A27 is aangewezen als transportroute van (zeer) toxische stoffen. Hiervoor geldt een effectafstand van 880 m, waarbij dat stofcategorie Liquid Toxic 2 (LT2) maatgevend is. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 750 m van de A27. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de A27 is gelegen. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) wordt geborgd dat, ondanks een kleine kans, ook het effect van een ongeval met gevaarlijke stoffen wordt beoordeeld op de punten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bij een dergelijke calamiteit met een giftige gaswolk zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Voor hulpdiensten is de toegang tot het plangebied gegarandeerd middels de Hei- en Boeicopseweg. Inrichtingen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen risicovolle bedrijven of activiteiten (stationaire inrichtingen) in of nabij het plangebied aanwezig zijn.
Met andere woorden, het plangebied ligt niet in een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
25
4.8 Milieuzonering In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan hinder door bedrijven in algemene zin. Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken door onaangename geuren, lawaai, stof, trillingen of drukke verkeersbewegingen. Het is daarom wenselijk als bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies zijn gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek bedrijf er een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van de VNG-publicatie wordt ingeschat. Bovendien moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (milieuvergunning) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen.
Deze voorschriften hebben onder meer als doel de hinder voor de omgeving te reguleren en op een acceptabel niveau te houden. Deze voorschriften bieden daarom ook inzicht in de hindersituatie. Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt een nieuwe loods van ca. 450 m² gerealiseerd om dit mogelijk te maken wijzigt het bouwvlak uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’ qua vorm, maar blijft in oppervlakte gelijk aan het huidige bouwvlak. Ten aanzien van de nieuwe loods bestaat met name de kans op hinder als gevolg van stof, geluid en geur. De bedrijfsvoering ter plaatse betreft een veehouderij dat zich toelegt op groothandel in levend vee en het fokken en houden van schapen, met als nevenactiviteit de handel in marathonwagens. In het kader van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is de ontwikkeling binnen het plangebied aan te merken als het 'fokken en houden van overige graasdieren' (SBI: 0145, 2), hiervoor geldt een richtafstand van 50 m (buiten de bebouwde kom). De handel in marathonwagens is aan te merken als de 'handel in auto's, motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' (SBI: 451, 452, 454). Voor dergelijke inrichtingen geldt een richtafstand van 30 m. Omdat het plangebied als een gemengd gebied wordt bestempeld mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verminderd, er geldt in dit een geval een richtafstand van maximaal 30 m.
De meest nabijgelegen milieugevoelige bestemming is de agrarische bedrijfswoning aan de Hei- en Boeicopseweg 137c op een afstand van ca. 27 m van de gevel van de bestaande stal. Hiermee wordt in de huidige situatie niet voldaan aan de richtafstand van 30 m voor het aspect 'geur'. Voor het aspect geur kan, in afwijking van de richtafstanden uit de VNG-publicatie, uitgegaan worden de minimale afstanden uit de Wet geurhinder een veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Vanuit de Wgv geldt een minimale afstand van 50 m buiten de bebouwde. In de Geurverordening van de gemeente Vijfheerenlanden (vastgesteld op 12 januari 2021) wordt de minimale afstand verlaagd naar 25 m buiten de bebouwde kom tussen de gevel van de stal en de gevel van de woning Hei- en Boeicopseweg 137C. En op basis van de geurverordening geldt een minimumafstand van 25 meter tussen emissiepunt van de stal en de gevel van de woning. Aan deze afstanden wordt voldaan. De opslag van vaste mest ligt op een afstand van circa 65 meter van woningen van derden zodat wordt voldaan aan de minimum afstand van 50 meter (artikel 3.46 Activiteitenbesluit). Om te bepalen of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat is middels het computerprogramma V-Stacks Vergunning aangetoond dat wordt voldaan aan de norm van 8,0 ouΕ/m³ (zie bijlagen bij toelichting bijlage 3).
Op basis van de Wgv kan worden gesteld dat bij het geurgevoelige object aan de Heien Boeicopseweg 137c sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Anderzijds is het mogelijk dat het voorgenomen plan omliggende functies belemmert in zijn werkzaamheden.
26
Hei- en Boeicopseweg 137 Grenzend aan het plangebied ten westen van het plangebied is een agrarisch bouwvlak gelegen, waarbinnen een varkenshouderij actief is. In het kader van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is een varkenshouderij aan te merken als het 'fokken en houden van varkens' hiervoor geldt milieucategorie 4.1, met een richtafstand (binnen gemengd gebied) van 100 meter voor het aspect geur. Voor het aspect geur kan, in afwijking van de richtafstanden uit de VNG-publicatie, uitgegaan worden de minimale afstanden uit Geurverordening van de gemeente Vijfheerenlanden, waarbij de minimale afstand wordt verlaagd naar 25 m buiten de bebouwde kom. Indien met het voorgenomen plan een geurgevoelig object mogelijk wordt gemaakt moet worden voldaan aan de minimale afstand van 25 m. Doordat het agrarisch bouwvlak op minder dan 25 m van het plangebied is gelegen kan dit mogelijk belemmerend zijn voor de naastgelegen varkenshouderij. Met het voorgenomen plan wordt een nieuwe loods mogelijk gemaakt ten behoeve van een groothandel in levend vee en het fokken en houden van schapen, met als nevenactiviteit de handel in marathonwagens. Onderdeel van de handel in marathonwagens is een onderhoudswerkplaats. De onderhoudswerkplaats zal incidenteel worden gebruik, maximaal 1 uur per 24 uur voor één persoon.
Hierdoor wordt met het voorgenomen plan geen geurgevoelig object mogelijk gemaakt en is er geen sprake van een belemmering voor het agrarisch bedrijf aan de Hei- en Boeicopseweg 137. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
27
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2019/338/r, 23 mei 2019) uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1. In dit oriënterend onderzoek is uitgegaan van:
• • • • •
saneren van stal: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden.
Hierbij komen thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk). Methode Het onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. in het onderzoek wordt ingegaan op vaatplanten, zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en reptielen, vissen, insecten, libellen en andere ongewervelden en op vogels. De aanwezige bebouwing heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels.
Tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met mogelijke kolonisatie door de rugstreeppad. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 3,9 km ligt het Natura 2000-gebied 'Zouweboezem' en op 5,6 km het 'Lingegebied & Diefdijk-Zuid'. De planlocatie ligt op een afstand van circa 750 m ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland.
28
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Doordat in de toekomstige situatie de bedrijfsactiviteiten hooguit beperkt zullen toenemen is er geen effect op Natura 2000-gebieden te verwachten. Stikstofdepositie Het initiatief gaat gepaard met enige uitstoot van stikstof in de gebruiks- en bouwfase. Met behulp van de Aerius Calculator is bepaald of de beoogde ontwikkeling significante gevolgen heeft voor Natura 2000gebieden: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen bomen of struiken aanwezig. Een kapvergunning of -melding in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde. Conclusie De beoogde sloop van een schuur en realisatie van een loods leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen uitvoerbaar zijn zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
Te treffen maatregelen
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
•
• •
•
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
29
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan de Hei- en Boeicopseweg buiten de bebouwde kom van Hei- en Boeicop. De Hei- en Boeicopseweg is een 60 km/u-weg en vormt de as waarlangs de kenmerkende lintbebouwing van Hei- en Boeicop is opgezet. De ontsluiting vindt plaats direct op de Hei- en Boeicopseweg en dat verandert niet in de nieuwe situatie.
Voor een berekening van de verkeersgeneratie als gevolg van het realiseren van een nieuwe bedrijfsloods is tevens gebruikgemaakt CROW publicatie 318. Uit de kengetallen voor bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) blijkt dat in het buitengebied, niet stedelijke omgeving, de verkeersgeneratie per etmaal circa 5 motorvoertuigen per 100 m² bvo bedraagt. Uitgaande van een toename van de bebouwing van (450 - 60 =)390 m² bvo, bedraagt de verkeersgeneratie (3,9*5=) 19,5 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De erftoegangsweg en de Hei- en Boeicopseweg beschikken over genoeg capaciteit om deze zeer beperkte toevoeging aan verkeersgeneratie op te vangen. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Op de percelen van de Hei- en Boeicopseweg 139 is een veehouderij gevestigd met als nevenfunctie handel in marathonwagens. Voor bedrijfsmatige doeleinden wordt de bestaande loods gesaneerd en een nieuwe loods gerealiseerd. Ten opzichte van de bestaande situatie zal het bebouwd oppervlak met ca. 390 m² bvo toenemen.
30
Op basis van de CROW-normen zijn in totaal (afgerond) 4 parkeerplaatsen benodigd voor de uitgebreide loods. Op het beschikbare perceel is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in de benodigde 4 parkeerplaatsen. crow aansluiting
Bedrijf bezoekersextensief transportbedrijf) Totaal
totaal m² bvo
arbeidsextensief/ (loods, opslag,
390 m²
parkeernorm per woning (buitengebied, niet stedelijk) 0,8 - 1,3 per 100 m² bvo
totaal
3,9
3,9
Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn voldoende parkeermogelijkheden op eigen terrein aanwezig.
31
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
32
5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de (dubbel-)bestemmingen: Agrarisch Aan de oostzijde wordt de rand ingericht met de bestemming 'Agrarisch'. Hiermee wordt aangesloten op de bestemming 'Agrarisch' grenzend aan de zuidzijde. De bestemmingsregeling is ontleend aan die van het geldende bestemmingsplan 'Reparatieplan Buitengebied Zederik', maar wel een stuk beperkter omdat binnen het voorliggende plangebied geen bouwvlak/bouwmogelijkheden aanwezig zijn. Bedrijf De bestemming 'Bedrijf' is integraal overgenomen uit het geldende 'Reparatieplan Buitengebied Zederik', maar wel toegespitst op de voorliggende situatie. Zo is in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat naast agro-gerelateerde bedrijven ook de onderhavige activiteiten (een groothandel in levend vee, het fokken en houden van schapen en handel in en reparatie van marathonwagens) zijn toegelaten. Het bestemmingsvlak en het bouwvlak zijn beiden van vorm gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, maar de oppervlakten van het bestemmingsvlak en van het bouwvlak zijn gelijk gebleven. Waarde - Archeologie 1, 2 en 6 Ter bescherming van de archeologische waarden zijn de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 6' opgenomen. De begrenzingen en regeling is overgenomen uit het geldende 'Reparatieplan Buitengebied Zederik'.
Bij elke dubbelbestemming is geregeld dat bij het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden aangetoond moet worden dat er geen archeologische waarden teniet worden gedaan. Daarbij is een uitzondering toegestaan voor werkzaamheden tot een bepaalde oppervlakte en diepte; deze zijn dus zonder meer mogelijk. Voor wat betreft 'Waarde - Archeologie 2' geldt dat voor ingrepen in de bodem kleiner dan 100 m² of niet dieper dan 30 cm. Bij 'Waarde - Archeologie 1' is dat resp. 30 m² en 30 cm, terwijl het bij 'Waarde - Archeologie 6' om resp. 10.000 m² en 30 cm gaat. Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied De aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' is opgenomen voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening. Algemene gebruiksregels in de Algemene gebruisregels zijn de in de gemeente gebruikelijke regels opgenomen met betrekking tot strijdig gebruik en voor het toestaan van bed & breakfast. Tevens is een bepaling opgenomen voor het benodigde parkeren, met een verwijzing naar CROW-publicatie 381.
33
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Er zijn voor de gemeente geen kosten verbonden aan de realisering van het initiatief. De gemaakte kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het bestemmingsplan is hierdoor economisch uitvoerbaar.
34
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan aan de wettelijke overlegpartners ter kennis gesteld met het verzoek om op de inhoud van het bestemmingsplan te reageren. Provincie Utrecht heeft te kennen gegeven geen op- of aanmerkingen te hebben op het plan. Waterschap Rivierenland heeft op 26 juni 2019 een inhoudelijke reactie gegeven. Deze is hieronder samengevat en van een reactie in cursief voorzien. Waterschap Rivierenland adviseert positief op de ontwikkeling, mits de volgende punten meegenomen worden in de verdere uitwerking: Het waterschap merkt op dat bij de uitleg van het beleid van het waterschap wordt aangegeven dat een vrijstelling kan worden aangevraagd bij toename van het verhard oppervlak. Bij de planspecifieke uitleg wordt echter gesteld dat pas bij een toename van meer dan 500 m² verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Het waterschap geeft aan dat dit niet klopt en ook in tegenspraak is met elkaar. De betreffende paragraaf is hierop aangepast. Verzocht wordt om een nadere uitwerking te geven van hoe de toename verhard oppervlak is opgebouwd. In paragraaf 4.3.3. is dit nader toegelicht, waarbij een tekening van Langerak teken- en adviesbureau, d.d. 19 september 2019 is toegevoegd.
Het waterschap benadrukt dat, als er iets moeten veranderen aan de uitrit, daarvoor een vergunning nodig is van het waterschap. Bij de verdere uitwerkingen zal hier rekening mee gehouden worden.
35
7.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 9 april 2021 tot en met 20 mei 2021 ter inzage gelegen, waarbij een ieder de mogelijkheid had een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.
36