CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Toelichting - Hei- en Boeicopseweg 139.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 juli 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Hei-en Boeicopseweg 13912.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Hei- en Boeicopseweg 139 Gemeente Vijfheerenlanden

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1961.BPHBheiboeicop139-VA01

Datum:

2021-07-08

Contactpersoon Buro SRO:

L. Toppen | H.J.M. van Arendonk

Kenmerk Buro SRO:

SR190136

Opdrachtgever:

Gemeente Vijfheerenlanden

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 11 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 13

4 Milieu- & omgevingsaspecten .............................................................................................................. 15 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 15 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 16 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 17 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 20 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 20 4.6 Archeologie ....................................................................................................................................................... 21 4.7 Externe veiligheid ..............................................................................................................................................

23 4.8 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 26 4.9 Ecologie ............................................................................................................................................................. 27 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 30

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 32 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 32 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 32 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 32 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 33

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 34 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 35 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 35 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 35 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 36

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gronden aan de Hei- en Boeicopseweg 139 te Hei- en Boeicop zijn bedrijfsmatig in gebruik. Ter plaatse is een bedrijf gevestigd dat zich toelegt op groothandel in levend vee en het fokken en houden van schapen. Als nevenactiviteit is er sprake van handel in marathonwagens. Initiatiefnemer is voornemens een loods te slopen en een nieuwe loods te realiseren ten behoeve van de genoemde bedrijfsactiviteiten. Voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling is door Langerak teken- en adviesbureau een Schetsplandocument vervaardigd (d.d. 31 mei 2018), dat als principeverzoek is ingediend. Op 25 september 2018 heeft het college besloten hiermee akkoord te gaan. Dit initiatief past echter niet binnen de mogelijkheden van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik', vastgesteld op 29 juni 2015. Om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren dient de bestemming 'Bedrijf' te worden uitgebreid, in samenhang met een oppervlakte-neutrale aanpassing van het bouwvlak en van het bestemmingsvlak. Hierbij wordt een gedeelte van de huidige bedrijfsbestemming veranderd in een agrarische bestemming.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied betreft Hei- en Boeicopseweg 139, ten westen van Hei- en Boeicop. Het gaat hierbij om de kadastrale percelen 710 en 711 (deels), sectie C, met een oppervlakte van circa 4.400 m². Onderstaande afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied (rode omkadering | Bron: Google Maps)

4

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering | Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan heeft met name betrekking op een perceel dat in het vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik', vastgesteld op 29 juni 2015, de bestemming 'Bedrijf' heeft. Ter plaatse zijn bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten toegelaten en de bestaande bedrijfswoning. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven, waarbij in de regels is opgenomen dat de goot- en bouwhoogte maximaal respectievelijk 6 en 10 meter mogen bedragen. De beoogde uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten vindt plaats op gronden die thans de bestemming 'Agrarisch' hebben. Het plangebied is verder voorzien van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsbied'. Deze aanduiding is bedoeld voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening. Het bestemmingsplan 'Reparatieplan Buitengebied Zederik', vastgesteld op 19 november 2018 voorziet het plangebied van enigszins aangepaste bestemmingsregelingen. Verder regelt dat plan de van toepassing zijnde dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 6'. 'Waarde - Archeologie 1' geldt aan de noordzijde van het plangebied en omcirkeld voornamelijk het verharde gebied. De noordzijde van het plangebied is tevens voorzien van de dubbelstemming 'Waarde - Archeologie 2'.

De zuidzijde van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. De volgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan.

Bestemmingen van het plangebied (rood omkaderd) Bron: ruimtelijkeplannen.nl

Om de beoogde ontwikkeling te realiseren dient de ligging van de bestemming 'Bedrijf' te worden aangepast, in samenhang met een oppervlakte-neutrale aanpassing van het bouwvlak. Om ook het de omvang van de bedrijfsbestemming niet te vergroten wordt de oostzijde van het plangebied ingericht met de bestemming 'Agrarisch'. Zowel het bouwvlak als het bestemmingsvlak houden hierbij hetzelfde oppervlakte. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerend bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een passend planologisch regime.

6

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de resultaten uit het vooroverleg en de zienswijzen.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de Hei- en Boeicopseweg, buiten de bebouwde kom van Hei- en Boeicop in het buitengebied van de gemeente Vijfheerenlanden. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint langs de Hei- en Boeicopseweg. Het bebouwingslint kenmerkt zich door een afwisseling van woningen, veelal in één laag met een kap, kleinschalige bedrijvigheid, maatschappelijke functies en agrarische percelen. Het achterliggende gebied wordt gekenmerkt door agrarisch gebied met een ruim zicht. De navolgende afbeeldingen geven een indruk van het bebouwingslint langs de Hei- en Boeicopseweg en een vooraanzicht van het plangebied.

Links het bebouwingslint langs de Hei- en Boeicopseweg (bron: Google Streetview) Rechts vooraanzicht plangebied (bron: Google Streetview)

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een bedrijfswoning en verschillende bedrijfsmatige opstallen. Achter de bedrijfswoning ligt een grote loods van ca. 220 m² en een kleinere loods van ca. 60 m². Binnen het plangebied is een tweetal bedrijven actief. Ter plaatse is een veehouderij gevestigd gericht op de handel in schapen en ter plaatse worden schapen gehouden. Het gaat om circa 40 volwassen schapen. Deze lopen in principe buiten in de weilanden ten zuiden van het huidige perceel. Naast de veehouderij is er een bedrijf gericht op de handel in marathonwagens gevestigd binnen het plangebied, waarbij tevens kleine reparaties worden uitgevoerd. De daadwerkelijke stalling van de marathonwagens vindt in de huidige situatie elders plaats. Het voornemen is om in de toekomst de marathonwagens binnen het plangebied te stallen waarbij ook de stallingsruimte voor materieel en een werkplaats voor klein repartiewerk wordt geoptimaliseerd. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van het plangebied.

Huidige situatie gezien vanaf de Hei- en Boeicopseweg. Links de agrarische gronden en rechts het perceel van De Wilgenhove (bron: google streetview)

8

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens de kleine loods te saneren en hiervoor een nieuwe loods te realiseren. De nieuwe loods wordt achter de bestaande grote loods gesitueerd. De nieuwe loods zal een oppervlakte hebben van circa 450 m² (30x15 meter). Het bestaande bouwvlak uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik' krijgt hierbij een andere vorm, maar blijft in oppervlakte wel gelijk aan het huidige bouwvlak. De bouwmogelijkheden worden dan ook niet uitgebreid ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Hierbij dient de bestemming 'Bedrijf' te worden aangepast. Ook dit gebeurt op een oppervlakte-neutrale wijze, waarbij aan de oostzijde van het plangebied de bestemming 'Agrarisch' wordt toegekend. Hiermee worden de zichtlijnen vanaf de Hei- en Boeicopseweg op het achtergelegen agrarisch gebied gewaarborgd. Hierbij zal een landschappelijke inpassing worden gerealiseerd, met streekeigen beplanting. Onderstaande afbeelding toont de beoogde ontwikkeling.

Plattegrond toekomstige inrichting plangebied (bron: Langerak teken- en adviesbureau)

Met de beoogde ontwikkeling is het mogelijk de bestaande bedrijfsactiviteiten te optimaliseren en er wordt een beperkte groei van de bedrijfsactiviteiten verwacht. Het gaat daarbij om een bedrijf dat zich toelegt op groothandel in levend vee en het fokken en houden van schapen. De circa 40 schapen lopen veelal buiten in de weilanden ten zuiden van het plangebied. In de lammertijd (februari-maart) zijn de betreffende schapen binnen. Tevens is ter plaatse sprake van handel in marathonwagens. In de huidige situatie vindt de stalling van de marathonwagens elders plaats. Het voornemen is in de toekomst de marathonwagens binnen het plangebied te stallen, waarbij tevens de ruimte voor de opslag van materieel en kleine repartiewerkzaamheden wordt geoptimaliseerd. Het aantal medewerkers verandert hierbij niet wezenlijk. Op het terrein zal ruimte worden geboden voor het benodigde parkeerplaatsen (4 parkeerplaatsen). De ontsluiting vindt plaats op de Hei- en Boeicopseweg.

9

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het onderhavige initiatief draagt in enige mate bij aan prioriteit 3, maar voorts is de NOVI niet specifiek van toepassing op het onderhavige initiatief.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

10

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het gaat hierbij niet om het uitbreiden van de bouwmogelijkheden. derhalve is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en is er geen verantwoording noodzakelijk in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.

11

Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek Een aantal thema's uit de Omgevingsvisie is van toepassing op het onderhavige plangebied. Dat betreft 'Tegengaan bodemdaling', wat in het gehele veenweidegebied speelt, 'Transitie naar een duurzame landbouw' en 'Ontwikkeling groenblauwe en recreatieve structuur', naast de algemeen geldende principes, zoals 'Provincie Utrecht CO2 neutraal'.

Aangezien het hier een bestaande situatie betreft die oppervlakteneutraal wordt aangepast zowel ten aanzien van het bestemmingsvlak als van het bouwvlak, vormen de bedoelde provinciale belangen geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.

De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Het betreft hier een Agrarisch cultuurlandschap met een kenmerkende ontginningsstructuur haaks op de Hei- en Boeicopseweg. De beoogde bebouwing blijft de ontginningsrichting volgen, binnen de bestaande structuur van het perceel. Doordat de oostzijde van het plangebied als agrarisch gebied wordt ingericht blijft de kenmerkende landschapsstructuur intact en draagt het bij aan het behoud van de maat en weidsheid van het landschap.

12

Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de doelstellingen van het Agrarisch cultuurlandschap. Ook op de andere onderdelen van de Interim Omgevingsverordening zijn er geen belemmeringen voor het voorliggende initiatief.

3.3 Gemeentelijk beleid Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is uitgegaan van het beleid van de voormalige gemeente Zederik. Inmiddels is het Zederiks beleidskader vervallen volgens de wet Algemene regels herindeling (Arhi). De voormalige beleidskaders (Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030 en Welstandsnota Zederik 2013) zijn wel richtinggevend geweest voor deze ontwikkeling.

3.3.1 Toekomstvisie Zederikse dorpen 2030 In de toekomstvisie geeft de gemeente de missie voor 2030 weer: de gemeente wil vitaal zijn, nabij de stad, in het groen. In de visie wordt een handreiking gedaan dit doel te bereiken, aan de hand van kernkwaliteit en kernwaarden van de gemeente, ideeën en opvattingen van de bewoners en overheidsbeleid. De hoofdambitie luidt om de vitale woon-, werk en leefomgeving te versterken. Met betrekking tot het bedrijfsleven wordt ingezet op werkgelegenheid, een voldoende geschikte beroepsbevolking en het stimuleren van de lokale diversiteit en ruimte om te ondernemen. Dit wordt ondermeer bewerkstelligd door het faciliteren van lokale bedrijvigheid en het behoud van bedrijvigheid. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling, het saneren van een loods en het realiseren van een nieuwe loods wordt er ruimte geboden tot ondernemen en blijft het bedrijf behouden voor de gemeente Vijfheerenlanden. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan de ambitie uit de toekomstvisie.

3.3.2 Welstandsnota Zederik 2013 Op 23 december 2013 heeft de voormalige gemeenteraad Zederik de 'Welstandsnota Zederik 2013' vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. Voor elk welstandsgebied is het gewenste welstandsniveau aangegeven. Het welstandsniveau sluit zoveel mogelijk aan bij het gehanteerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. In theorie zijn vier welstandsniveau’s mogelijk:

• • • •

het door het Rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezicht, het bijzondere welstandsgebied, het gewone welstandsgebied, het welstandsvrije gebied.

Het grootste deel van de voormalige gemeente Zederik is onderdeel van het gewone welstandsgebied. Hier heeft de gemeente gekozen voor het handhaven van de basiskwaliteit, met daarbij voldoende vrijheid voor de burger. Bouwplannen doen in principe geen afbreuk aan de basiskwaliteit van de omgeving. In de bijzondere en beschermde gebieden is extra inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. In de gemeente Zederik worden geen welstandsvrije gebieden aangewezen. De gemeente wenst in alle gebieden minstens een basiskwaliteit te handhaven.

13

Planspecifiek Onderhavig plangebied ligt aan het lint van Hei- en Boeicop. Het lint langs de Hei- en Boeicopseweg is aangemerkt als bijzonder welstandsgebied. Het beleid is terughoudend en gericht op behoud van variatie zonder verrommeling. De welstandscommissie zal bij de advisering onder meer aandacht schenken aan het behoud van de het gegroeide kleinschalige karakter, zonder wijzigingen en nieuwbouw onmogelijk te maken. Het lint van Hei- en Boeicop heeft overwegend gevarieerde, kleinschalige bebouwing uit diverse periodes in een gegroeide en compacte structuur met als basis het individuele pand met een dorps karakter. Het lint bestaat hoofdzakelijk uit de bebouwing aan de Hei- en Boeicopseweg. Voorliggend plan voor een nieuwe loods sluit met de positionering en maatvoering (één laag met een kap) aan op de daarvoor gelegen loods. Verder zal met het kleur- en materiaalgebruik rekening worden gehouden met de uitgangspunten uit de welstandsnota. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal het plan getoetst worden aan de hand van de welstandscriteria.

14

4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie niet toe. Met het voorgenomen plan krijgt bestaande bouwvlak uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Zederik' een andere vorm, maar blijft in oppervlakte wel gelijk aan het

15

huidige bouwvlak. De bouwmogelijkheden worden dan ook niet uitgebreid ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Bovendien nemen de gebruiksmogelijkheden nauwelijks toe, de bedrijfsvoering ter plaatse betreft reeds een veehouderij dat zich toelegt op groothandel in levend vee en het fokken en houden van schapen, met als nevenactiviteit de stalling van de marathonwagens. Er is daarmee geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaande loods gesaneerd en een nieuwe loods gerealiseerd. De gronden waar de nieuwe loods wordt gerealiseerd hebben in de huidige situatie de bestemming 'Agrarisch', dit dient omgezet te worden naar de bestemming 'Bedrijf'. Om de omvang van de bedrijfsbestemming niet te vergroten wordt de oostzijde van het plangebied ingericht met de bestemming 'Agrarisch'.

Het omzetten van de bestemming 'Agrarisch' naar de bestemming 'Bedrijf' en het omzetten van de bestemming 'Bedrijf' naar de bestemming 'Agrarisch' betreft een functiewijziging naar een gevoeliger gebruik. Het gaat hierbij om gronden die altijd in gebruik zijn voor het (agrarische) bedrijf, zoals opslag. Uit de gegevens op Bodemloket blijkt dat de betreffende locatie deels 'voldoende onderzocht/gesaneerd' is. Voorts zijn geen activiteiten bekend waardoor de bodemkwaliteit in het geding is. Er zijn geen aanleidingen om te veronderstellen dat de locatie verdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. In het kader van het bestemmingsplan is het niet nodig om met een verkennend bodemonderzoek vast te stellen of de locatie geschikt is voor de nieuwe bestemming. Dat kan eventueel wel het geval zijn in het kader van een omgevingsvergunning als grondverzet en/of afvoer van grond plaats heeft. Er kan gesteld worden dat het aspect bodem voor het voorliggende bestemmingsplan geen belemmering vormt.

16

4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

4.3.1 Rijksbeleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

4.3.2 Waterschap Rivierenland Het waterbeheer is hier in handen van het Waterschap Rivierenland. Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toe getreden tot het klimaatverbond.

17

Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid. In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel. Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten' Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'.

Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Daarnaast geldt voor de realisatie van kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc. een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Hiervoor geldt dat het moet gaan om een verhard oppervlak of voorziening die op zichzelf staat. Wanneer het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan.

In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd. Waterplan Zederik De voormalige gemeente Zederik en het Waterschap Rivierenland hebben het stedelijk waterplan Zederik vastgesteld (2009), waarin de principes van een duurzaam stedelijk waterbeheer nader uitgewerkt worden. Gelet op de verwachte klimaatverandering (nattere winters, drogere zomers, hevigere buien) streven beiden met name naar een veerkrachtiger stedelijk watersysteem. Het Waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 met als belangrijkste beleidspunten een meer zelfvoorzienend watersysteem, het verbeteren van de waterkwaliteit, het afkoppelen van verhard oppervlak, het toepassen van duurzame bouwmaterialen en het versterken van natuurontwikkeling door onder andere de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Ook wil het waterschap vasthouden aan de ambities uit het NBW en de KRW.

4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstill beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Bij een eventuele toename aan verhardingen dient hiervoor dan ook

18

gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Hiervoor geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Onderhavig plan is in het buitengebied van de gemeente Vijfheerenlanden gelegen, derhalve geldt er een eenmalige vrijstelling van 1.500 m². Met het voorgenomen plan wordt een bestaande loods gesloopt en wordt er een nieuwe ruimere loods gerealiseerd. Hierbij treedt er een toename van ca. 870 m² aan verharding op, dit is beduidend minder dan 1.500 m². In dit geval is dan ook geen watercompensatie vereist. Onderstaande afbeelding toont een plattegrond van de toegevoegde verharding binnen het plangebied.

Plattegrond verhard oppervlak in toekomstige situatie (bron: Langerak teken- en adviesbureau, d.d. 19 september 2019)

Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Waterschap Rivierenland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot noemenswaardige wijzigingen in de waterhuishouding en is daarmee uitvoerbaar voor wat betreft het aspect 'water'.

19

4.4 Geluid Voor onderhavig bestemmingsplan is alleen de geluidhinder die wordt veroorzaakt door het wegverkeer van belang. Met betrekking tot dit punt is in artikel 82 van de Wgh bepaald dat in principe de geluidsbelasting op woningen binnen een zone, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De Wet geluidhinder bepaald dat de afstand van een weg met een of twee rijstroken, in een buitenstedelijk/ binnenstedelijk gebied, 250 m/ 200 m aan weerszijde (gemeten vanuit de as van de weg) als geluidszone kent. Voor gevoelige bestemmingen betekent dit dat wanneer deze in de geluidszone vallen, een akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een loods. Een loods wordt in het kader van de Wet geluidhinder niet gezien als een geluidgevoelige functie. Het is daarom niet vereist om akoestisch onderzoek te verrichten.

Er kan gesteld worden dat het aspect geluid voor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (Wm) gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % (= 1,2 µg/m³) bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2)een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen of een kantoor van minder dan 100.000 m² bvo niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor fijnstof niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt slechts een loods gerealiseerd om de bestaande bedrijfsvoering efficiënter uit te kunnen voeren. Het aantal medewerkers verandert hierbij niet wezenlijk.

20

In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de globale concentraties over 2017 van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18.24 μg/m³ PM10, 11.29 μg/m³ PM2,5 en 17.67 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en wordt voldaan aan de door de WHO (wereldgezondheidsorganisatie) en GGD bepaalde advieswaarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Onderstaande afbeeldingen geven de luchtkwaliteit binnen het plangebied weer.

Concentratie fijnstof (PM10) 201, plangebied globaal rood omkaderd

Concentratie fijnstof (NO2) 2017, plangebied globaal rood omkaderd

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.

4.6 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan

21

wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. De gemeenteraad van de gemeente Zederik heeft op 13 december 2010 het gemeentelijk archeologiebeleid en de bijbehorende archeologische waardenkaart en archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart vastgesteld. Op navolgende afbeeldingen zijn deze kaarten weergegeven. Op deze kaarten staat vermeld welke archeologische waarden en verwachte waarden aanwezig zijn en op welke manier hiermee om gegaan dient te worden bij bodemverstorende activiteiten. De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is richtinggevend bij de ontwikkeling van nieuwe, of het aanpassen van bestaande, ruimtelijke plannen. Planspecifiek Het plangebied ligt aan een historisch lint. Een lintdorp is een lang uitgestrekt dorp dat zich heeft ontwikkeld langs een kanaal, dijk, weg, oeverwal of kreekrug. Hierdoor ontstaat een langgerekte bebouwing die ook wel lintbebouwing of lineaire bebouwing wordt genoemd. Aan de Hei- en Boeicopseweg zijn afwisselend (agrarische) bedrijven en woningen gelegen. De gronden binnen het plangebied hebben een middelmatige tot zeer hoge archeologische verwachting. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied binnen de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.

Het noordelijke deel van het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan 'Herziening Kernen Zederik' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden die een grotere oppervlakte beslaan dan 30 m² en/of dieper gaan dan 30 cm, dient rekening te worden gehouden met de archeologische belangen. Hier hebben geen veranderingen plaats. Ter plaatse van het bouwvlak van de toekomstige loods geldt grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 6'. Hiervoor geldt een vrijstellingsbepaling bij een oppervlakte kleiner dan 10.000 m² en dieper dan 30 cm. Het voorliggende initiatief blijft ver beneden de oppervlaktegrens. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' geldt voor een klein deel binnen het bouwvlak van de nieuw te realiseren loods. Hier geldt een vrijstellingsbepaling bij een oppervlakte kleiner dan 100 m² en dieper dan 30 cm. De uitbreiding blijft beneden deze oppervlaktegrens.

22

Ten behoeve van het onderhavige initiatief is geen archeologisch onderzoek nodig. Wel worden de betreffende dubbelbestemmingen ook in het voorliggende bestemmingsplan gehanteerd, waarmee de belangen vanuit het aspect archeologie zijn veiliggesteld.

4.7 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi)

23

worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d2b932f9-0eee-4d12-8212-bd9bed07095c