Bestemmingsplan regels - Overboeicop 44, Schoonrewoerd
Tekst van het document
29
8.5.2 Werken en werkzaamheden waarvoor het verbod niet geldt Het onder artikel 8 lid 5.1 vervatte verbod geldt niet: a. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van: 1. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 1', 30 cm onder het bestaande maaiveld; 2. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 2', 30 cm onder het bestaande maaiveld; 3. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 4', 150 cm onder het bestaande maaiveld; 4. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 6', 30 cm onder het bestaande maaiveld; Waarbij tevens aan het bepaalde onder b. dient te worden voldaan. b. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van: 1. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 1', 30 m2; 2. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 2', 100 m2; 3. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 4', 250 m2; 4. Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 6', 10.000 m2; Waarbij tevens aan het bepaalde onder a. dient te worden voldaan; c.
Indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; d. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een aanlegvergunning in dit kader is verleend; e. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende ontheffing op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 4.1; f. Indien het agrarische werkzaamheden betreft binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' en 'Agrarisch - Bouwvlak' welke vallen onder het begrip 'normaal beheer en onderhoud'. 8.5.3 Verlening Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8 lid 5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b.
De verplichting tot het doen van opgravingen, of; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die 30
voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. 8.5.4 Verplichting rapportage De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8 lid 5.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld of getoetst wordt aan een daartoe opgestelde archeologische beleidsadvieskaart. 8.5.5 Advies archeologische deskundige Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een aanlegvergunning winnen burgemeester en wethouders advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de aanlegvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 8.5.6 Strafbepaling Overtreding van het bepaalde in artikel 8 lid 5.1 is een strafbaar feit als bedoeld in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op de economische delicten.
8.6 Wijzigingsbevoegdheid 8.6.1 Wijziging verwijdering bestemming archeologisch waardevol gebied Burgemeester en wethouders kunnen met toepassing van artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening het plan wijzigen, teneinde de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is. 8.6.2 Wijziging naar bestemming Waarde - Archeologie 2 Burgemeester en wethouders kunnen met toepassing van artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening het plan wijzigen, teneinde aan gronden de bestemming 'Waarde Archeologie 2' toe te kennen, indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.
31
3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene aanduidingsregels 10.1 Wetgevingszone Ter plaatse van de gebiedsaanduiding: a. 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied buitengebied gebonden functies'; gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de bestemming waarbinnen dit geldt.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 11.1 Gebouwen voor openbaar nut Burgemeester en wethouders kunnen, voor zover niet reeds op grond van een andere bepaling ontheffing kan worden verleend, ontheffing verlenen van het plan voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwtjes van openbaar nut, zoals telefooncellen, wachthuisjes, gasreduceerstations en schakelstations, mits de inhoud niet meer bedraagt dan 50 m3 en de goothoogte niet meer dan 3 m. 11.2 Ontheffing sloop-bonusregeling Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen om na sloop extra gebouwen toe te staan in de bestemming Bedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Er dienen krachtens een rechtsgeldige omgevingsvergunning gebouwde gebouwen binnen de gemeente Vijfheerenlanden te worden gesloopt. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' komen niet voor deze regeling in aanmerking; b. Van de gesloopte inhoud aan bijgebouwen mag maximaal 50% worden teruggebouwd, met dien verstande dat de inhoud van de terug te bouwen gebouwen ook nooit meer mag bedragen dan 50% van de inhoud van de gesloopte gebouwen; c. Voor de bestemming 'Bedrijf' geldt dat het terugbouwen van gebouwen uitsluitend mag geschieden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'; d.
De totale oppervlakte aan terug te bouwen gebouwen mag in totaal niet meer bedragen dan 150 m2, waarbij de te bebouwen gronden voor niet meer dan 50% mogen worden bebouwd; e. Met de nieuwbouw ontstaat een ruimtelijke eenheid met bestaande hoofd- en bijgebouwen; f. Er dient te zijn voorzien in een goede stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
32
g. De wijziging mag niet leiden tot (extra) belemmeringen voor de bedrijfsontwikkeling van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving; h. Door middel van een flora- en faunaonderzoek dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de natuurbeschermingswetgeving; i. Door middel van een onderzoek naar de waterstaatkundige consequenties dient te worden aangetoond dat het waterbelang voldoende is meegewogen; j. Voor de overige maatvoeringen van de bijgebouwen dient bovendien te worden voldaan aan de eisen zoals die voor gebouwen zijn opgenomen in de betreffende bestemmingen; k. Deze ontheffing mag per te slopen oppervlakte gebouwen slechts eenmaal worden verleend; l. Indien het uit ruimtelijk, stedebouwkundig en/of landschappelijk oogpunt niet gewenst is dat het mogelijk blijft om na toepassing van deze ontheffing het gesloopte gebouw te herbouwen, dan wordt aanvullend een wijzigingsbevoegdheid als opgenomen in artikel 12 lid 1 doorlopen.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels 12.1 Wijziging ten behoeve van sloop-bonusregeling Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde de verbeelding zodanig aan te passen dat bouwmogelijkheden worden beperkt, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. bij toepassing van de ontheffingsbevoegdheid als opgenomen in artikel 11 lid 2 ten behoeve van een sloop-bonusregeling blijkt dat het uit ruimtelijk, stedebouwkundig en/of landschappelijk oogpunt niet gewenst is dat het mogelijk blijft om na toepassing van de genoemde ontheffing het gesloopte gebouw te herbouwen; b. Op de verbeelding wordt de aanduiding 'bouwvlak' verkleind of, in de situaties dat de afwijkingenregeling als opgenomen in artikel 4 lid 2.6, van toepassing is, wordt een aanduiding 'specifieke bouwaanduidig - gebouwen uitgesloten' op de verbeelding opgenomen op de locatie waar het gesloopte gebouw was gesitueerd. Aan deze aanduiding wordt in de regels de regeling gekoppeld dat de betreffende afwijkingenregeling niet van toepassing is.
Artikel 13 Parkeerregels 13.1 Parkeerregels 13.1.1 Algemene parkeerregels Het is verboden te bouwen dan wel het gebruik van gronden en/of bouwwerken te wijzigen indien er niet wordt voldaan aan de op grond van dit artikel gestelde parkeernormen. Voorafgaand aan de verlening van een omgevingsvergunning wordt aan de hand van de parkeernormering en de van toepassing zijnde stedelijke zone (zoals vervat in de bij de regels gevoegde bijlage) bepaald of voorzien is in voldoende parkeergelegenheid. 13.1.2 Specifieke parkeerregels bij bouwplannen Een bouwplan dient te voorzien in voldoende parkeermogelijkheden op de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden. De toename van de parkeerbehoefte wordt bepaald met inachtneming van door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening 33
van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Indien er geen beleidsregels aanwezig zijn, gelden de actuele CROW kencijfers. Zijn er wel beleidsregels en wijzigen deze gedurende de planperiode dan gelden de gewijzigde regels. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, gelden de gewijzigde regels. 13.1.3 Specifieke parkeerregels bij gebruikswijzigingen ndien het wijzigen van het gebruik van gronden en/of bouwwerken daartoe aanleiding geeft, moet, voor wat betreft de toename in de parkeerbehoefte, in voldoende mate ruimte zijn aangebracht op die gronden of op de bij die bouwwerken behorende en daartoe bestemde gronden. De parkeerbehoefte wordt bepaald aan de hand van de parkeernormering o.b.v. de meest actuele CROW publicatie dan wel het gemeentelijk parkeerbeleid. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, gelden de gewijzigde regels. 13.1.4 Specifieke gebruiksregels Op grond van het bepaalde in de regels mogen voor de verschillende bestemmingen aangewezen gronden daarvoor slechts worden bebouwd en gebruikt onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid voor voertuigen wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan de parkeernormering o.b.v. de meest actuele CROW publicatie dan wel het gemeentelijk parkeerbeleid.
Indien dit gemeentelijke parkeerbeleid gedurende de planperiode wijzigt, dient rekening te worden gehouden met de wijziging. 13.2 Gebruiksregels parkeren 13.2.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden of bouwwerken als bedoeld in artikel 13 lid 1, indien niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering o.b.v. de meest actuele CROW publicatie dan wel het gemeentelijk parkeerbeleid. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wijzigen, gelden de gewijzigde regels. 13.3 Afwijken parkeren 13.3.1 Afwijken van de parkeerregels Het college van burgemeester en wethouders kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13 lid 1, artikel 13 lid 2 en artikel 13 lid 4, met in achtneming van het gemeentelijk parkeerbeleid, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie. Het college neemt hierbij in overweging of: a. Het voldoen aan de parkeerregels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; b. Er op andere wijze in de benodigde parkeer- en stallingsbehoefte wordt voorzien; c. Er een financiële voorwaarde dient te worden gesteld. Indien gedurende de planperiode het gemeentelijk parkeerbeleid wijzigt, geldt het gewijzigde parkeerbeleid.
34
13.3.2 Afwijken van de parkeereis Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 13 lid 1 indien in het plangebied, dan wel in de directe omgeving, op een andere wijze in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, met dien verstande dat aan de omgevingsvergunning financiële voorwaarden verbonden kunnen worden. 13.4 Nadere eisen parkeervoorzieningen 13.4.1 Afmetingen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van maatvoering van de parkeervoorzieningen indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is. 13.5 Afwijking verbod kamergewijze verhuur en/of woon (zorg) initiatieven Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het toegestane gebruik van een woning en/of wooneenheid door kamergewijze verhuur en / of woon (zorg) initiatieven met meerdere huishoudens toe te staan mits het: a. Past binnen de daarvoor geldende gemeentelijke beleidsregels; b. Past binnen de geldende bouwregels en de voor het overige geldende gebruiksbepalingen; c. De belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; d. Het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad; e. Door initiatiefnemer een zekerheidstelling is afgeven met betrekking tot de (plan)kosten; f.
De afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke motivatie.
35
4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht 14.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. Gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. Na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. Dit lid onder a en b is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 14.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a.
Het gebruik, dan wel laten gebruiken, van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. Indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. Dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 15 Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Overboeicop 44, Schoonrewoerd'.
36