Bestemmingsplan met bijlagen - Leerbroekseweg 33a, Leerbroek.pdf
Tekst van het document
3
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 2 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 5 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 6 2.1 Ligging van het plangebied ....................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................
7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 4 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 9 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 9 4.3 Natura2000 ............................................................................................................................................ 11 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 12 5 Soortenbescherming; het onderzoek ............................................................................................................ 13 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 13 5.2 Methode .................................................................................................................................................
13 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 14 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 18 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 19 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 21 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 21 6 Conclusies ...................................................................................................................................................... 22 Bijlage ............................................................................................................................................................... 23
4
1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor sloop en vervangende nieuwbouw van een woning aan de Leerbroekseweg 33a te Leerbroek. Sloop van bebouwing kan leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming omdat beschermde dieren er soms een rust- en/of voortplantingsplaats bezetten. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten te kunnen bepalen is Natuurbank Overijssel gevraagd om het plangebied te onderzoeken op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde soorten en waarden. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Omgevingsverordening Zuid-Holland; vastgesteld 19-12-2018 (Natuurnetwerk Nederland). Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
2 Het plangebied 2.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is gesitueerd aan de Leerbroekseweg 33a te Leerbroek. Het ligt in het buitengebied, circa 800 meter ten Noordwesten van de woonkern Leerbroek. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op de topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker in de cirkel aangeduid (bron: pdok.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een woonerf en bestaat uit bebouwing en tuin, met bomen, struiken, heesters en klimop. In het plangebied staat en woning welke gebouwd is van bakstenen en gedekt is met gebakken dakpannen. Tussen de woning en een schuur bevindt zich een aanbouw met plat dak. Deze aanbouw heeft houten wanden. De woning werd tijdens het veldbezoek bewoond en bevindt zich in een goede staat van onderhoud; het gebouw is wind- en waterdicht. Op onderstaande afbeelding wordt een luchtfoto van het plangebied weergegeven, evenals de begrenzing van het onderzoeksgebied. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: Ruimtelijke plannen).
6
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om de huidige woning te slopen en een nieuwe woning te bouwen. De nieuw te bouwen woning wordt op min of meer dezelfde plek als de huidige woning gebouwd. Om de woning te kunnen bouwen moet tuinbeplanting gerooid worden en dient erfverharding verwijderd te worden. De onbebouwde slooplocatie, wordt nadien ingericht als tuin. Op onderstaande afbeelding wordt de bouwplaats van de nieuwe woning weergegeven.
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld.
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Slopen woning; Rooien beplanting; Bouwrijp maken bouwplaats; Bouwen woning;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.
7
In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het rooien van beplanting, het slopen van de huidige woning en het bouwen van een nieuwe woning. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingslocaties buiten het plangebied.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijkgesteld aan het plangebied.
8
4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.
De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Zuid-Holland Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v.
het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 1,4 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
9
1,4 kilometer afstand tussen plangebied en gronden die tot het NNN behoren
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. Wettelijke consequenties Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
10
4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 2,85 kilometer afstand van het Natura2000-gebied Zouweboezem. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
2,85 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura2000 behoren
Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied. Natura2000-gebied wordt met de groene en okergele kleur aangeduid. De ligging van het plangebied wordt met de rode stip aangeduid (bron pdok.nl).
Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere 11
plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het stopzetten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Er wordt door de landelijke overheid momenteel gewerkt aan een nieuwe methode om plannen, die leiden tot een verhoogde depositie, mogelijk te maken. Effectbeoordeling Het plangebied ligt op minimaal 2,85 kilometer afstand van een Natura2000-gebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten (sloop en vervangende nieuwbouw van één woning), is een negatief effect op Natura2000-gebied uitgesloten. Er is geen berekening uitgevoerd m.b.v.
het computerprogramma Aerius Calculator, maar deze conclusie is tot stand gekomen op basis van ervaring met het opstellen van diverse stikstofberekeningen voor soortgelijke projecten.
4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het uitgesloten dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura2000-gebied. Nader onderzoek, zoals een berekening m.b.v. Aerius-Calculator, wordt niet noodzakelijk geacht.
12
5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat uitbebouwing en beplanting. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame- en kritische (grondgebonden) diersoorten en als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd. Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige diersoorten uit onderstaande soortgroepen: vogels; vleermuizen; amfibieën; grondgebonden zoogdieren; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen.
5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 29 oktober 2019 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: veldbezoek door ervaren ecoloog;1 aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Half bewolkt, droog, temperatuur 12⁰C, windstil 2-3 Bft.
1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 13
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat vogels in deze tijd van het jaar geen territoriumindicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en geen bezette nesten hebben. Sommige standvogels, zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn nog aanwezige in de buurt van de nest-/rustplaats, maar trekvogelsoorten hebben de broedplaats verruild voor de winterverblijfplaatsen buiten Nederland. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Met uitzondering van sommige muizensoorten, hebben de meeste grondgebonden zoogdieren geen zogende jongen in deze tijd van het jaar.
Veel van de in het voorjaar geboren jongen zijn zelfstandig en hebben de nestplaats verlaten. Dat heeft tot gevolg dat ‘zwervende’ grondgebonden zoogdieren soms op de meest vreemde plekken opduiken. Dit hoeven dan niet altijd ‘vaste rust- of voortplantingsplaatsen’ te zijn. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. In deze tijd van het jaar bezetten vleermuizen de winterrustplaats en zitten ze diep weggekropen in gebouwen. Gewone dwergvleermuizen hebben in de periode half augustus-half september de massa-winterverblijfplaatsen bezocht tijdens de donkere uren van de nacht (zogenaamde middernachtzwermen), wat vaak duidelijk zichtbaar is door de aanwezige uitwerpselen en urine op muren, ramen en op de grond nabij de invliegopening(en). Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rustverblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het plangebied duiden.
Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied.
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken.
14
Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten de buitenruimte in het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er ieder voortplantingsseizoen vogels in de klimop en andere beplanting in het plangebied. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn grauwe vliegenvanger, merel, houtduif, Turkse tortel, vink en tjiftjaf. Er zijn in het plangebied en het omliggende erf geen huismussen waargenomen. Ook de bewoonster heeft aangegeven dat er géén huismussen (of andere soorten) onder de dakpannen van de woning nestelen. In het verleden heeft de huiszwaluw enkele keren in het plangebied genesteld, maar de nestplaats is jaren geleden (>10 jaar) verlaten. In de te rooien beplanting is geen nest van een roofvogel (zoals sperwer) of uil (zoals ransuil) aangetroffen.
Oud nest van een merel in de druivenstruik aan de muur van de woning.
Door het slopen van de woning en het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten gaat de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels verloren. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen woning tijdens de voortplantingsperiode; - Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, egel, huisspitsmuis en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte vermoedelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten bosmuis en huisspitsmuis er ook een rust- en/of voortplantingsplaats. Voorgenoemde soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder bladeren en (groen)afval.
De bebouwing is niet toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren. Een geschikte rust- en/of voortplantingsplaats voor de egel of steenmarter ontbreekt in het plangebied. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en/of de ligging van het plangebied t.o.v. het verspreidingsgebied, wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied van sommige zeldzame grondgebonden zoogdiersoorten als wezel, bunzing of hermelijn beschouwd. Door het rooien van beplanting en het uitvoeren van grondverzet, worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood, en worden mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en 15
vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied niet aangetast.
Vleermuizen Rust- en verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. De woning beschikt over een (holle) spouwmuur, maar er zijn geen potentiële invliegopeningen, zoals open stootvoegen of andere gaten/kieren, waargenomen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de spouw. Ook ontbreken gaten en kieren tussen de buitengevels en de betimmering van het overstek, zodat vleermuizen niet via een kier tussen het overstek en de gevel, de spouw kunnen betreden. Aan de woning zijn zonneschermen geplaatst, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten achter een zonnescherm. Andere potentiële verblijfplaatsen, zoals een holle ruimte achter een vensterluik, loodslab of windveer, ontbreken in het plangebied. De te rooien beplanting vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen.
De betimmering is strak tegen de buitengevel geplaatst. Hierdoor kunnen vleermuizen géén verblijfplaats bezetten achter de gevelbetimmering.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Mogelijk foerageren sommige algemene soorten als laatvlieger en gewone- en ruige dwergvleermuis incidenteel rond de woning en de tuinbeplanting, maar de betekenis ervan is beperkt. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de (beperkte) functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;
16
Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een geschikt functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd.
Mogelijk benutten sommige algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander het plangebied als foerageergebied en bezetten ze er een (winter)rustplaats. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen (bouw)materialen, groen(afval) en strooisel. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Gelet op de ligging van het plangebied op enige afstand van voortplantingswateren, en de ligging in intensief beheerd agrarisch cultuurland, is de betekenis van het plangebied als functioneel leefgebied zeer beperkt. Vermoedelijk duiken op jaarbasis niet meer dan één of enkele dieren op in het plangebied. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied voor zeldzame amfibieënsoorten beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
17
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Zuid-Holland van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten.
Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.
18
5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het verwonden/doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Initiatiefnemer mag maatregelen treffen die vogels weerhouden om te gaan nestelen in het plangebied, zoals het snoeien van de klimop en rooien van beplanting buiten het broedseizoen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vogels niet aangetast.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Gebouw slopen tijdens de voortplantingsperiode; - Beplanting rooien buiten voortplantingsseizoen; Vleermuizen Verblijfplaatsen Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Essentieel foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;
19
Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes2 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. Voor de in het plangebied aanwezige beschermde grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van een rust- en voortplantingsplaats’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. Voor de amfibieënsoorten die in het plangebied voorkomen geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van de vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
2
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 20
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden en verwonden van dieren Foerageergebied
Diverse soorten
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd)
Diverse soorten
Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; functie is niet beschermd (de gunstige staat van instandhouding van geen enkele vogelsoort wordt aangetast) Art. 3.1 lid 2
Vogels
Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden en verwonden van dieren
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Diverse soorten
Art. 3.1 lid 2
Vleermuizen Vleermuizen
Verblijfplaats Foerageergebied
Vleermuizen Vleermuizen
Niet van toepassing Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing
Amfibieën
Vliegroute Doden en verwonden van dieren Foerageergebied
Niet aanwezig Vermoedelijk diverse soorten Niet aanwezig Niet aanwezig Diverse soorten
Amfibieën
Vaste rustplaats
Diverse soorten
Amfibieën Amfibieën
Voortplantingsplaats Doden en verwonden van dieren Dieren en overige functies
Niet aanwezig Diverse soorten
Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Niet van toepassing
Vogels
Overige soorten
Diverse soorten Diverse soorten
Niet aanwezig
Geen Geen Geen
Beplanting rooien en bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode Geen Beplanting rooien en bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode Geen Geen Geen Geen Geen Geen Geen Geen Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties.
Soortgroep
Rust- en verblijfplaats
Voortplantingsplaats
Vliegroute (vleermuizen)
Essentieel foerageergebied
Wettelijke consequenties?
Nader onderzoek vereist
Ontheffing vereist?
Grondgebonden zoogdieren Vogels
ja
ja
n.v.t
nee
nee
nee
nee
nee
ja
n.v.t
nee
ja
nee
Vleermuizen Amfibieën
nee ja
nee nee
nee n.v.t.
nee nee
nee nee
nee nee
Nee, kan niet verleend worden nee nee
Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.
5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
21
6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Zuid-Holland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd3. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen schaduwwerking kent.
Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is een negatief effect Natura2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, uitgesloten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. In het plangebied nestelen uitsluitend vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
De functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën, vogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdiersoorten, wordt niet aangetast. Conclusie Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen schaduwwerking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura2000-gebied en het plangebied, is het uitgesloten dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura2000-gebied. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden en er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
3
De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, wordt vermoedelijk medio november 2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen dan vermoedelijk niet meer onder de vrijstelling. 22
Bijlage Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
23
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.
24
Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
25
Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
26
Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 4 maart 2019.
27
Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.
28
29
Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl
30
Bijlage 3 Aerius berekening
Notitie
1
project: Herbouw woning de Jong Leerbroek
betreft: Aerius-berekening
datum: 04 januari 2021
kenmerk: N001
Inleiding
Er zijn plannen voor de herbouw van een grondgebonden woning aan de Leerbroekseweg 33A te Leerbroek. Voor dit plan is een stikstofberekening uitgevoerd met behulp van de voorgeschreven rekentool AERIUS Calculator 2021. In voorliggende notitie wordt een toelichting op de AERIUS berekening gegeven.
1
2
Uitgangspunten berekening bouwfase
De bouw van de woning genereert zowel een toename van het aantal vervoersbewegingen, onder andere door technisch personeel en de aanvoer van bouwmaterialen, alsmede het gebruik van machines die noodzakelijk zijn tijdens de totale bouwfase, zoals een mobiele kraan voor het uitgraven van de bouwplaats en ontsluitingsweg, tractor met dumper voor transport van grond, graven van kabels en leidingen en de aanvoer van bouwmaterialen tijdens de bouw en de afwerking. Inzet materieel op bouwplaats In onderstaande tabel worden de verschillende machines, de inzet en het verbruik per dag weergegeven. Aangenomen wordt dat in totaal 670 liter brandstof (diesel) verbruikt wordt tijdens de bouwfase. Totale verbruik Type werktuig
Klasse
Verbruik/ dag (L)
n-dagen (liter)
STAGE IV, 75-130 kW, bouwjaar 2014/01, Inzet mobiele kraan
100
3
300
60
2
120
100
2
200
Categorie R Inzet minikraan t.b.v.
STAGE IV 56-75 kW, bouwjaar 2014/01,
kabels en leidingen
Categorie R STAGE IV 75-130 kW, bouwjaar 2014/01,
Tractor + dumper Categorie R Overig, trilplaat,
STAGE IV 56-75 kW, bouwjaar 2014/01,
shovels
Catergorie R
50
Verkeersbewegingen Het bouwen van de woning leidt tot een tijdelijke toename van het verkeer. Aangenomen wordt dat alle verkeer vanaf de A27 via de Zijlkade, Lange Schenkel en de Leerbroekseweg richting de bestemming rijdt. De volgende toename van het aantal vervoersbewegingen is opgenomen in het model: 1. 2. 3.
Licht verkeer: 4 voertuigen per etmaal (totaal 8 verkeersbewegingen per etmaal); Middelzwaar verkeer: 2 voertuigen per etmaal (totaal 4 verkeersbewegingen per etmaal): Zwaar verkeer: 1 voertuig per etmaal (totaal 2 verkeersbewegingen).
2
3
Uitgangspunten berekening gebruiksfase
De bewoning van de nieuwe woning genereert geen toename van het aantal verkeersbewegingen in en rondom het plangebied. Woon-werkverkeer, dienstverlening en het privégebruik van auto’s zal leiden tot een toename van verkeer. Doordat de bestaande woning wordt gesloopt en een nieuwe op nagenoeg dezelfde positie wordt terug gebouwd.
Verkeersbewegingen In de berekening wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal per woning. Dit is gebaseerd op Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (CROW). Uitgaande van een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal met een gemiddeld autobezit van 1,1 auto per woning betreft dit een totale verkeersgeneratie van 9,02 mvt/etmaal. In de berekening is dit afgerond op 10 mvt/etmaal. Aangenomen wordt dat alle verkeer via de Leerbroekseweg naar de bestemming rijd.
Gebruik installatie In de berekening wordt uitgegaan van een emissiefactoren van 3,03 NOx voor een vrijstaande woning. Dit is gebaseerd op tabel 9.1 van Emissiefactoren voor woningen, kantoren en winkels (bron: CBS/CBP/ER). In de berekening hoeft voor NH3 geen emissie berekend te worden. Dit wordt namelijk in de achtergronddepositie verwerkt en is meegenomen in de autonome ontwikkeling binnen het PAS.
4
Resultaten
Uit de AERIUS berekeningen blijkt dat op geen enkel Natura 2000 gebied sprake is van een toename aan stikstofdepositie. Van significante gevolgen van het voorgenomen plan voor Natura 2000 gebieden als gevolg van stikstofdepositie is derhalve geen sprake. De AERIUS berekeningen zijn als bijlage toegevoegd aan deze notitie.
3
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RiMMwRoZzSTG (04 januari 2021) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Huls Architecten
Leerbroekseweg 33A, 4245 KS Leerbroek
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Realisatie woning J.C. de Jong
RiMMwRoZzSTG
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
04 januari 2021, 11:28
2021
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
40,08 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Bouwfase: realisatie woning
Situatie 1
RiMMwRoZzSTG (04 januari 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Resultaten
Bron Sector
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
Verkeersbewegingen bouwfase Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
38,03 kg/j
Materieel op bouwplaats Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
2,05 kg/j
RiMMwRoZzSTG (04 januari 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Verkeersbewegingen bouwfase 129254, 434886 38,03 kg/j < 1 kg/j
Naam
Situatie 1
Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
8,0 / etmaal NOx NH3
4,39 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
4,0 / etmaal NOx NH3
18,96 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
2,0 / etmaal NOx NH3
14,68 kg/j < 1 kg/j
Materieel op bouwplaats 131048, 436024 2,05 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Voertuig
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Inzet mobiele kraan
300
0
0,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 56 <= kW < 75, bouwjaar 2015 (Diesel)
Inzet minikraan t.b.v. kabels en leidingen
120
0
0,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Tractor + dumper
200
0
0,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 56 <= kW < 75, bouwjaar 2015 (Diesel)
Overig, trilplaat, shovels
50
0
0,0 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1
RiMMwRoZzSTG (04 januari 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.