43. (RWD) Handboek kabels en leidingen 2022.docx
Tekst van het document
Indien leidingen boven een onderbouwing worden gesitueerd, dan moet de diepte van de bovenkant van de onderbouwing ten opzichte van het ter plaatse vastgestelde maaiveld tenminste 2,00 meter bedragen. Dit in verband met benodigde gronddekking voor leidingen. 10. Tijdelijk aan te brengen voorzieningen in de openbare ruimte moeten de goedkeuring hebben van de beheerder van de openbare ruimte. Deze tijdelijke voorzieningen, waaronder damwanden en heipalen moeten na voltooiing van de (graaf)werkzaamheden worden verwijderd. Mocht dit om welke reden dan ook niet mogelijk zijn, dan kan door de beheerder van de openbare ruimte besloten worden deze voorzieningen tot een nader te bepalen maat onder het maaiveld te verwijderen. In de regel is deze maat minimaal 2,50 meter. 11. Bij het plannen van routes van kabels, leidingen en voorzieningen nabij bomen en in of nabij groenvoorzieningen, moeten de bepalingen uit hoofdstuk 11 van dit handboek strikt in acht worden genomen. 12. Er worden geen obstakels boven leidingen geplaatst. Indien geen andere oplossing mogelijk is, dan kan in overleg met de betreffende netbeheerder(s) onder voorwaarden en/of voorzieningen alsnog tot plaatsing boven leidingen worden overgegaan.
Pagina 18 van 39
13. (Huis)aansluitingen worden zo veel mogelijk haaks op distributieleidingen aangelegd om geen beslag te leggen op de ruimte voor distributieleidingen.
14. Er kan sprake zijn van voorbereide (huis)aansluitingen, waarbij de voor de (huis)aansluitingen
bedoelde buis, kabel of leiding al op de volledig benodigde lengte vanaf de hoofdleiding tot aan de klantaansluiting in de openbare grond tijdelijk moet worden opgeborgen (voornamelijk bij CAI, FTTH- en datanetten). In die gevallen moet deze voorbereiding zo strak mogelijk opgerold en gebundeld, evenwijdig aan de erfgrens en op de profieldiepte worden weggezet tegen de erfgrens van het perceel waar de voorziening voor bedoeld is. Het hiervoor eventueel benodigde tracé en/of de wegkruisingen moeten tegelijk met de aanleg van de hoofdsleuf worden aangebracht.
5.3
Situering handholes
1.
Voor aanleg van handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen), gelijktijdig met de aanleg van de bijbehorende leidingtracés, moet in de aanvraag iedere handhole en/of ondergrondse lasmof specifiek genoemd worden. De locatie van de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) moet middels een detailschets apart aangegeven zijn. De handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen)worden in de te verlenen graaftoestemming specifiek benoemd. 2. Voor solo aanleg van handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) in bestaande tracés moet afzonderlijk instemming/vergunning verkregen worden. Dit verzoek moet eveneens voorzien zijn van detailschetsen van de geplande locaties. 3. De aanvraag moet vergezeld gaan van documentatie van het type toe te passen handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen). Tevens moet zijn bijgevoegd een schets met topografie 1: 200 van de gewenste locatie(s) van de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen). 4. Aanvrager moet een spitprofiel maken waaruit de ligging van alle aanwezige kabels en leidingen blijkt op de plaats waar de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) is/zijn geprojecteerd. Dit ingetekende profiel, aangevuld met een (digitale) foto(‘s), moet bij gereedmelding van het werk aan de GCKL worden overhandigd. 5.
Tijdens de uitvoering kan alsnog de instemming/vergunning voor de aangevraagde locatie(s) worden ingetrokken als blijkt dat plaatsing tot onoverkomelijke problemen voor de gemeente of derden leidt. De graaftoestemminghouder zal in die gevallen samen met de GCKL een alternatief zoeken. 6. De exacte locatie(s) van de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) moet(en) altijd in overleg met de GCKL worden vastgesteld. 7. Nadat montagegat(en) ten behoeve van de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) is/zijn ontgraven, moet de GTKL in de gelegenheid worden gesteld aanwezig te zijn bij de daadwerkelijke plaatsing van de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen). 8. De handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) moet(en) op eerste aanzeggen van de gemeente voor rekening van de graaftoestemminghouder worden verplaatst of verwijderd ten behoeve van gemeentelijke werken. 9. De handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) en/of de ingaande en uitgaande buizen mogen geen hinder veroorzaken voor de bereikbaarheid van kabels en leidingen en bijbehorende onderdelen van de infrastructuur van derden en de gemeente. De graaftoestemminghouder is hiervoor altijd verantwoordelijk. 10. De handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) moeten geplaatst worden op een, naar oordeel van de gemeente, maatschappelijk verantwoorde plaats.
In geen geval zal/zullen handhole(s) geplaatst mogen worden in kabel- en leidingtracés, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de aansluitlocatie van woningen en binnen een afstand van drie meter vanaf bomen. 11. Afgaande en inkomende buizen en kabels moeten onder de eventueel aanwezige kabels en/of leidingen van derden worden gelegd. De in- en uitgaande buizen van handhole(s) moet(en) onderlangs het tracé uitgebogen worden naar de handhole(s) toe. Verweving van het kabel- en/of buizenstelsel moet zoveel mogelijk worden voorkomen. 12. Handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) mogen niet geplaatst worden nabij (hoofd)rioleringen, (hoofd)leidingen en/of huis- en bedrijfsaansluitingen van de nuts/telecombedrijven. Minimale afstand is 1,00 meter. Wanneer niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan, moet aanvrager zelf contact op nemen met de betreffende eigenaar van de aansluiting teneinde van hem schriftelijke toestemming te verkrijgen voor een belemmering van zijn rechten. Deze toestemming is onderdeel van de aanvraag graaftoestemming. 13. De handhole(s) waarvan, ter beoordeling van de gemeente, aangenomen kan worden dat deze bij normale bedrijfsvoering maximaal twee keer per jaar geopend gaan worden moeten zodanig aangebracht worden dat het deksel van de handhole een minimale dekking heeft van 0,25 meter onder maaiveld.
Verder moet de handhole ingebed en afgedekt worden met straatzand conform de vigerende RAW-bepalingen.
Pagina 19 van 39
14. De handhole(s) waarvan, ter beoordeling van de gemeente, aangenomen kan worden dat deze bij normale bedrijfsvoering meer dan twee keer per jaar geopend gaan worden moeten voorzien zijn van een zwart gecoate, geprofileerd stalen putdekselconstructie van de ter plaatse vereiste verkeersklasse. De handhole moet zodanig aangebracht worden dat het deksel van de handhole na zetting van het omringende straatwerk gelijk ligt met het peil van het omringende maaiveld (bovenkant elementenverharding). Verder moet de elementenverharding rond de handhole ingeknipt worden in het bestaande verband. 15. De maximaal toegestane uitwendige breedte van de handhole is 0,70 meter. Indien dit niet toepasbaar is door ruimtegebrek, moet een andere locatie worden bepaald of meerdere handholes van een kleiner formaat worden toegepast. Bij handholes van afwijkend formaat moeten de specificaties daarvan vooraf ter goedkeuring aan de GCKL worden voorgelegd. 16. De handhole(s) moet zodanig worden geplaatst en gefundeerd dat alle soorten wegverkeer over de plaats van de handhole kunnen rijden of erop staan zonder dat daardoor verzakkingen optreden als gevolg van bezwijken of verzakken van de handhole. 17. Bij plaatsing in de rijweg, of een onderdeel daarvan, moet de handhole worden voorzien van een deksel dat bestand is voor belastingen conform verkeersklasse D400 volgens NEN-EN 124.
De handhole(s) moet(en) zodanig aangebracht worden dat het deksel van de handhole na zetting van het omringende straatwerk gelijk ligt met het peil van het omringende maaiveld (bovenkant elementenverharding). Verder moet de elementenverharding rond de handhole ingeknipt worden in het bestaande verband. 18. De handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen) blijft/blijven eigendom van de graaftoestemminghouder. De graaftoestemminghouder draagt zorg voor het beheer van de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen), waartoe behoort het op eerste aanzegging van de GCKL op de juiste hoogte stellen van de handhole. 19. De graaftoestemminghouder blijft altijd aansprakelijk voor alle schade en gevolgschade die mogelijkerwijs ontstaat door de aanwezigheid van de handhole(s) en/of ondergrondse lasmof(fen).
5.4 1. 2.
Bovengrondse voorzieningen behorend bij kabel- /leidingnet De exacte plaats van bovengrondse voorzieningen behorend bij een kabel-/leidingnet, waaronder kabelkasten, verdeelkasten, onderstations en andere kasten moet altijd in overleg met gemeente worden vastgesteld. De GTKL moet minimaal één werkdag voorafgaand aan de plaatsing door de netbeheerder of uitvoerder op de hoogte worden gebracht om eventueel aanwezig te kunnen zijn bij de plaatsing ervan.
Pagina 20 van 39
6
VOORSCHRIFTEN TEN AANZIEN VAN DE UITVOERING
6.1 1. 2.
3. 4.
5.
6.2 1.
2.
3. 4. 5.
6.3 1.
2.
Inventariseren bestaande kabels en leidingen De graaftoestemminghouder moet zich, voor de start van de (graaf)werkzaamheden, overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk aanwezige kabels en leidingen. Dit moet gebeuren door het tijdig opvragen van de leidinggegevens en overige voorwaarden bij het Kadaster, sectie KLIC, dan wel bij de betreffende netbeheerders. Op de werklocatie moeten, naast een kopie van de graaftoestemming en de gewaarmerkte graaftoestemmingtekening(en), eveneens de maatvoeringtekeningen met leidinggegevens van alle in de ondergrond aanwezige kabels- en leidingen aanwezig zijn. De graaftoestemminghouder moet zich overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk gelegen kabels en leidingen door het graven van proefsleuven. De locaties voor de proefsleuven dienen samen met de GTKL bepaald te worden. Van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels en leidingen houdt graaftoestemminghouder een actuele registratie bij die op eerste aanzeggen van de GCKL wordt overhandigd. Indien afwijkingen van het vigerende standaard dwarsprofiel dan wel het door gemeente aangewezen tracé worden geconstateerd zal de GTKL in overleg met graaftoestemminghouder een nieuw tracé uitzetten. De graaftoestemminghouder moet bij het maken van proefsleuven de AVOI, het HKL en WIBON bepalingen stipt naleven.
Informatie en communicatie Namens de graaftoestemminghouder moet er altijd één aan te spreken verantwoordelijke persoon op het werk aanwezig zijn. De naam van deze persoon moet bij alle betrokken partijen bekend zijn. Deze persoon heeft tot taak te controleren en te verifiëren dat alle gespecificeerde materialen worden toegepast en dat de constructiewerkzaamheden worden uitgevoerd volgens het bestek, de specificaties, de tekeningen en de gemaakte afspraken, alsmede dat de uitvoering geschiedt overeenkomstig het gestelde in de graaftoestemming. Hij moet de door GTKL en andere toezichthouders gevraagde informatie verstrekken en de nodige medewerking verlenen om hun werk mogelijk maken. De voertaal op het werk is Nederlands. Graaftoestemminghouder moet er voor zorgdragen dat de sleutelfunctionarissen in zijn projectorganisatie, dan wel van zijn grondroerder deze taal voldoende beheersen. Op de werklocatie dient tijdens de werkzaamheden minimaal één persoon aanwezig te zijn die de Nederlandse taal goed beheerst. Bij projecten zullen, ter beoordeling van de graaftoestemminghouder en/of grondroerder, op regelmatige tijden bouwvergaderingen worden gehouden, waarbij in ieder geval de GCKL of GTKL wordt uitgenodigd. Van deze vergaderingen zal de graaftoestemminghouder en/of grondroerder notulen opmaken en aan de GCKL toezenden.
Bij (graaf)werkzaamheden waarbij de bereikbaarheid van belanghebbenden en/of omwonenden tijdelijk wordt verminderd, alsmede bij grotere wegafzettingen, moet de grondroerder namens de graaftoestemminghouder minimaal één week voor aanvang van de (graaf)werkzaamheden de belanghebbenden en omwonenden schriftelijk op de hoogte stellen. De gemeente zal de wijze waarop dit moet gebeuren vaststellen, waarbij de gemeente de omvang en de gevolgen van het werk in haar beoordeling zal betrekken. De grondroerder zal van iedere schriftelijke aankondiging een afschrift naar de gemeente sturen.
Door de gemeente ter beschikking te stellen bouwstoffen De gemeente stelt in principe geen bouwstoffen ter beschikking. Graaftoestemminghouder moet zelf zorgen voor het leveren en aanbrengen van de benodigde bouwstoffen en verhardingselementen. De GTKL kan op verzoek de specificaties van elementenverharding aanleveren. Indien de gemeente besluit dat het esthetisch fraaier is om uitsluitend oude materialen te gebruiken voor het herstel van de verharding stelt de gemeente een kleine hoeveelheid van deze materialen (indien voorradig) op de gemeentewerf om niet ter beschikking. Indien veel oude materialen benodigd zijn, dient graaftoestemminghouder zelf voor het verkrijgen en de aanvoer zorg te dragen. Indien de benodigde materialen niet op voorraad zijn, zal graaftoestemminghouder het werk moeten uitstellen, dan wel voor eigen kosten het werk tijdelijk dichtmaken met andere materialen naar genoegen van de gemeente. Zodra te leveren materialen
Pagina 21 van 39
zijn afgeleverd zal graaftoestemminghouder op zijn kosten het werk met deze materialen definitief herstellen.
6.4
Verkeersmaatregelen en bereikbaarheid
1.
De (graaf)werkzaamheden moeten in overeenstemming met de gemeente zodanig worden gepland dat de belemmering van de bereikbaarheid van woningen en bedrijven tot het minimum wordt beperkt. 2. In geval van doodlopende straten of woonerven moet graaftoestemminghouder er zorg voor dragen, middels tijdelijke verkeersmaatregelen en/of aan te brengen tijdelijke voorzieningen (bijvoorbeeld rijplatenbanen, tijdelijke waterkruisingen en doorsteken door groenstroken), dat de bereikbaarheid per auto van aanliggende woningen en bedrijven tijdens de uitvoering van de (graaf)werkzaamheden zoveel mogelijk en de bereikbaarheid voor hulpdiensten altijd is gegarandeerd. Het aanbrengen, opruimen en weer in oorspronkelijke staat brengen van de openbare ruimte geschiedt door en voor rekening van de graaftoestemminghouder. 3. Te zake van het gestelde in lid 2, stelt aanvrager een gedetailleerde verkeers-, werk- en tijdplanning op die onderdeel uitmaakt van de (deel)aanvraag graaftoestemming. Gemeente kan verlangen dat separaat nog meer verkeersplanningen worden vervaardigd. 4. De toe te passen verkeersmaatregel(en) moet(en) voldoen aan de richtlijnen CROW publicatie 96B. 5. Indien de gemeente het noodzakelijk acht, met name bij afsluiten van belangrijke verkeerswegen, kan graaftoestemminghouder worden verplicht zoveel mogelijk ´s nachts of in de avonduren de (graaf)werkzaamheden uit te voeren.
Dit zal indien vooraf bekend bij graaftoestemming schriftelijk worden medegedeeld. 6. De noodzakelijke verkeersvoorzieningen ter plaatse van de uit te voeren werken moeten in overleg met de GTKL, door graaftoestemminghouder worden verzorgd. De kosten van de maatregelen komen ten laste van de graaftoestemminghouder. Een overzicht van de voorgenomen voorzieningen en maatregelen moet ten minste drie weken voor aanvang van de (graaf)werkzaamheden door de grondroerder bij de GCKL worden ingediend, tenzij anders is overeengekomen. 7. Als de door graaftoestemminghouder uit te voeren (graaf)werkzaamheden begeleid moeten worden door (een) tijdelijke verkeersregelinstallatie(s) (VRI), dan moet de graaftoestemminghouder dit drie weken van tevoren melden bij de GCKL. Binnen vijf werkdagen na aanlevering zal door de gemeente het een en ander beoordeeld worden. Eventuele opmerkingen zullen door aannemer verwerkt moeten worden alvorens de tijdelijke VRI in gebruik te nemen. Incidenteel kan het voorkomen dat, voor een tijdelijke VRI in gebruik kan worden genomen, het noodzakelijk is dat de gemeente eerst een tijdelijk verkeersbesluit vaststelt. 8. Verkeersvoorzieningen die tijdelijk geen dienst doen, moeten door graaftoestemminghouder direct verwijderd, dan wel afgedekt worden tot het tijdstip dat deze weer nodig zijn.
Het afvoeren van deze voorzieningen moet op een zodanig zorgvuldige wijze gebeuren dat er geen beschadigingen optreden aan gemeentelijke en particuliere eigendommen. 9. Indien de tijdelijke verkeersvoorzieningen in een verharding aangebracht moeten worden, moet het te verwijderen verhardingsmateriaal door en voor rekening van graaftoestemminghouder worden afgevoerd en na verwijderen van de verkeersvoorziening weer terug aangebracht worden in de oorspronkelijke staat. Indien tijdelijke verkeersmaatregelen bevestigd zijn aan straatmeubilair zal bij beschadiging het straatmeubilair hersteld/vernieuwd moeten worden. 10. Graaftoestemminghouder draagt zorg voor een regelmatige en voldoende controle op de instandhouding van verkeersborden, wegbebakening en -afzettingen, ook buiten de normale werktijden en moet zorgen voor het zo spoedig mogelijke herstel van in het ongerede geraakte verkeersvoorzieningen. Dit geldt ook voor de door de gemeente geplaatste verkeersvoorzieningen. Eventuele aanwijzingen door de GTKL, met betrekking tot verkeersmaatregelen moeten direct worden opgevolgd. 11. De verkeersmaatregelen en voorzieningen mogen maximaal 72 uur voor aanvang van de (graaf)werkzaamheden, buiten functie (afgedraaid), worden aangebracht. Het in functie brengen (omdraaien) mag pas twee uur voorafgaand aan de aanvang van de (graaf)werkzaamheden gebeuren.
Na afloop van de (graaf)werkzaamheden moeten de verkeersvoorzieningen, direct zodra de situatie dit toelaat, weer buiten functie worden gesteld (afgedraaid). Indien de (graaf)werkzaamheden worden onderbroken en de situatie laat dit toe dan moeten de verkeersvoorzieningen buiten functie worden gesteld gedurende het staken van de (graaf)werkzaamheden. Twee uur voor de hernieuwde opstart van het werk moeten de verkeersvoorzieningen weer in functie worden gesteld. De vooraankondiging bij een volledige afsluiting dient 10 werkdagen van te voren te worden geplaatst
Pagina 22 van 39
12. Tijdelijke bebording mag niet aangebracht worden aan bestaande verticale elementen en lichtmasten.
13. De aannemer of onderaannemer die verkeersvoorzieningen opzet en/of verwijdert, moet in het
bezit zijn van een KOMO-procescertificaat op basis van de BRL-9101 conform het KIWA Reglement voor Procescertificatie. 14. De aannemer of onderaannemer die verkeersregelaar(s) levert, moet in het bezit zijn van een geldig certificaat volgens de vigerende wettelijke verplichtingen. De verkeersregelaars moeten individueel gecertificeerd zijn. 15. Graaftoestemminghouder draagt zorg voor de bereikbaarheid van woningen, winkels en openbare gebouwen en dergelijke voor (mindervalide) voetgangers en (brom)fietsers. In overleg met de betrokkenen kan de gemeente aan de mate van bereikbaarheid nader inhoud geven. 16. Graaftoestemminghouder houdt het gemotoriseerde bestemmingsverkeer naar woningen, winkels, bedrijven, bouwwerken, landerijen en dergelijke, in overleg met de betrokkenen, zoveel mogelijk in stand. Indien met de betrokkenen geen overeenstemming kan worden bereikt over de beperking van de bereikbaarheid, verzoekt de grondroerder tijdig bemiddeling van de gemeente. 17. Bouwmaterialen moeten goed afgeschermd worden, zodat derden daartoe geen toegang hebben. 18. De stallingsplaats van haspel-, vracht-, directie-, materiaalwagens en dergelijke moet in overleg met de gemeente worden bepaald. Hiervoor moet in het kader van de APV door de grondroerder instemming of vergunning worden verkregen. 19.
Plaatsing van obstakels moet voldoen aan CROW-publicatie 130, “richtlijn voor het markeren van onverlichte obstakels”.
6.5 1.
2.
3. 4.
5.
6. 7.
8.
Beperking van overlast Het is niet toegestaan om op zaterdagen, zondagen alsmede nationale feestdagen opbreek- , graaf-, kabel-, aanvulling-, verdichting-, en/of bestratingswerkzaamheden uit hoofde van regulier werk in de openbare ruimte te verrichten, tenzij in de graaftoestemming expliciet anders is aangegeven. Het is niet toegestaan om op werkdagen, uitgezonderd de dag voorafgaande aan een zaterdag of nationale feestdag, vóór 07.00 uur en na 18.00 uur opbreek- , graaf-, kabel-, aanvulling-, verdichting-, en/of bestratingwerkzaamheden uit hoofde van regulier werk in de openbare ruimte te verrichten, tenzij in de graaftoestemming anders is aangegeven. De dag voorafgaande aan een zaterdag of nationale feestdag moet om uiterlijk 18.00 uur alle (graaf)werkzaamheden gereed zijn en alle verhardingen zijn hersteld en gesloten. Tijdens de verkeersspits (7.30 uur tot 9.00 uur en 16.00 uur tot 18.00 uur) mogen geen (graaf)werkzaamheden op of langs hoofdwegen en gebiedsontsluitingswegen plaatsvinden. De gemeente kan de graaftoestemminghouder verplichten (graaf)werkzaamheden ‘s nachts uit te voeren. In winkelstraten en op evenementenpleinen mogen geen opbrekingen zijn of worden uitgevoerd gedurende de door de gemeente in het kader van de APV, namens het college vergunde evenementen, inclusief de opbouw- en afbreekperiode.
Hieronder vallen onder andere: • De periode tussen de Kerstdagen en Nieuwjaarsdag • Koningsdag; • De wekelijkse markten; • Lokale evenementendagen. Een afschrift van de evenementenkalender is te verkrijgen bij de gemeente. Voorafgaand aan het graven van hoofdgeulen moeten, indien op het werk van toepassing, de voorzieningen ten behoeve van de klantaansluitingen op/in/onder de eigen erven worden aangebracht. Bij (graaf)werkzaamheden waarbij de bereikbaarheid van belanghebbenden en/of omwonenden tijdelijk wordt verminderd, alsmede bij grotere wegafzettingen, moet graaftoestemminghouder uiterlijk drie weken van tevoren een verkeersplan op stellen en door de gemeente laten goedkeuren. In het plan moet aangegeven worden op welke wijze de bereikbaarheid van panden, woonerven en dergelijke tijdens de (graaf)werkzaamheden wordt gegarandeerd, welke omleidingsroutes er worden uitgezet en welke voorzieningen hiervoor tijdelijk worden getroffen, dan wel aangebracht. Minimaal twee weken voor aanvang van de (graaf)werkzaamheden moeten de belanghebbenden en/of omwonenden schriftelijk en tevens door middel van informatieborden langs alle aanliggende wegen op de hoogte worden gebracht. De gemeente zal de wijze waarop dit moet gebeuren vaststellen, waarbij de gemeente de omvang en de gevolgen van het werk in haar beoordeling zal betrekken.
Graaftoestemminghouder moet alles doen wat op grond van de meest actuele inzichten redelijkerwijs mogelijk is en verwacht mag worden om hinder als gevolg van bijvoorbeeld lawaai, stank, modder en dergelijke veroorzaakt door voertuigen, machines, apparaten en dergelijke tot
Pagina 23 van 39
een aanvaardbaar niveau te beperken. Indien graaftoestemminghouder bij hoge uitzondering door de gemeente wordt toegestaan ’s avonds en/of ‘s nachts te werken, is graaftoestemminghouder verplicht in verband hiermee aanwijzingen van de gemeente op te volgen en zelf zorg te dragen voor de benodigde aanvullende instemmingen en/of vergunningen en/of ontheffingen. 9. Graaftoestemminghouder moet tijdens en na het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden de begaanbare trottoir- en wegverhardingen vrij van verontreinigingen houden. 10. Indien er sprake is van een calamiteit, spoedeisende werkzaamheden of overige bijzondere omstandigheden kan, ter beoordeling van het college, worden afgeweken van hetgeen is bepaald in lid 1 tot en met 9.
6.6 1.
Voorbereide (huis)aansluitingen Er kan sprake zijn van voorbereide (huis)aansluitingen, waarbij de voor de (huis)aansluitingen bedoelde buis, kabel of leiding al op de volledig benodigde lengte gemeten vanaf de hoofdleiding tot aan de klantaansluiting, in de openbare grond tijdelijk moet worden opgeborgen (voornamelijk bij CAI-, FTTH- en datanetten). In die gevallen moet deze voorbereiding zo strak mogelijk opgerold en gebundeld, verticaal op de juiste diepte onder een beschermende voorziening worden weggezet tegen en evenwijdig aan de erfgrens van het perceel waar de voorziening voor bedoeld is. De hiervoor eventueel benodigde tracés of straatoversteken moeten tegelijk met de aanleg van de hoofdsleuf worden aangebracht.
Pagina 24 van 39
7
VOORSCHRIFTEN WERKEN IN OPENBARE RUIMTE
7.1
Algemene voorwaarden
1.
Tenzij anders is voorgeschreven, mag per dag geen grotere sleuflengte worden gemaakt dan op die dag kan worden gedicht en afgetrild. Volledig herstellen van bestrating moet binnen 24 uur na afloop van de (graaf)werkzaamheden gebeuren. Op de werkdagen voorafgegaan aan een zaterdag of nationale feestdag moet de bestrating nog diezelfde dag voor 18.00 uur volledig zijn hersteld. Als dit aantoonbaar niet haalbaar is en de sleuf dieper is dan 0,50 meter moet dit volledig in de bouwhekken. 2. Dwarssleuven in trottoir, fietspad en/of rijweg, alsmede langssleuven ter hoogte van in/opritten naar parkeergelegenheden op eigen erf, garageboxen, erven en terreinen van bedrijven, moeten dezelfde dag worden bestraat en afgewerkt. Indien een en ander niet mogelijk is, moeten noodmaatregelen worden getroffen zodat de bereikbaarheid van genoemde objecten dezelfde dag weer gegarandeerd is. 3. Bij het graven van een sleuf in de lengterichting langs een gefundeerde weg dient minimaal een afstand van 0,50 meter tussen de rand van de sleuf en de rand van de wegfundering te worden aangehouden. 4. Oversteekbuizen, mantelbuizen en overige beschermingsmaatregelen moeten minimaal 0,25 meter aan weerszijden van het te kruisen verhardingsvlak door lopen. 5. Na het afwerken van de bestrating mag geen puin, grond, zand en/of afval van de (graaf)werkzaamheden op het werk meer voorkomen. 6.
Het herstel van de openbare ruimte zal in beginsel door of in opdracht van de graaftoestemminghouder geschieden. In bijzondere omstandigheden kan de gemeente aangeven dat zij het herstel van de openbare ruimte in eigen beheer zal laten uitvoeren voor rekening van de netbeheerder. Uitgezonderd hiervan zijn beplantingen, deze worden altijd door de gemeente, voor rekening van graaftoestemminghouder en/of grondroerder hersteld. Het plantvak dient wel plant klaar afgewerkt te worden met schone zwarte grond. 7. Het herstel van de openbare ruimte dient direct na voltooiing van het werk te worden uitgevoerd. In overleg met de GTKL kan hier zo nodig van worden afgeweken. Totdat de openbare ruimte geheel is hersteld, dient de graaftoestemminghouder en/of grondroerder de afzettingen en verkeersvoorzieningen in stand houden. 8. In het geval van verhardingen niet ouder dan vijf jaar, moet met de gemeente overlegd worden over de wijze waarop de vereiste kwaliteit bereikt gaat worden. In het geval dat de door de gemeente gewenste kwaliteit niet kan worden bereikt, kan zij verzoeken om de kabels en leidingen via een ander tracé te leggen dan wel de verharding over de volle breedte opnieuw te leggen. 9. Ter plaatse van nieuwbouw-, reconstructie- en herbestratingprojecten kunnen er tussen de gemeente en civiele aannemers garantie afspraken bestaan inzake de aanwezige verharding.
In die gevallen kan gemeente van de graaftoestemminghouder en/of grondroerder verlangen dat het herstel van de verharding, op kosten van graaftoestemminghouder en/of grondroerder door betreffende contractpartij wordt uitgevoerd. 10. Er mag pas worden gestart met graafwerk als met de GTKL overeenstemming is bereikt over het te ontgraven tracé. 11. Graaftoestemminghouder is verplicht om tijdens de uitvoering de bepalingen aangaande de WION na te leven. 12. Voor het aanvullen van de sleuf of een pers-, dan wel montage- of lasgat moet(en) de netbeheerder(s) van de vrij gegraven naastliggende en/of kruisende kabel(s) en/of leiding(en) altijd in de gelegenheid worden gesteld om zijn/hun kabel(s) en leiding(en) te inspecteren. Graaftoestemminghouder is verplicht om de informatieverstrekking en coördinatie terzake uit te voeren. 13. Voor het inmeten van kabels en leidingen moet de leiding goed worden gefixeerd, opdat bij het verder aanvullen van de sleuf de leiding niet meer kan verschuiven. 14. Graaftoestemminghouder moet zelf het dagelijkse toezicht houden op de uitvoering. Het toezicht van de gemeente beperkt zich tot het controleren van het naleven van de bepalingen uit de graaftoestemming, de APV, AVOI en het HKL. 15.
Tenzij vooraf schriftelijk anders is voorgeschreven, mag nimmer meer dan 40,00 meter straat of erf moeilijk bereikbaar zijn voor gemotoriseerde hulpdiensten zoals brandweer en/of ambulance. Indien een en ander niet mogelijk is moet graaftoestemminghouder in overleg met- en ter goedkeuring van betreffende hulpdiensten noodmaatregelen treffen.
Pagina 25 van 39
7.2 1.
2. 3. 4.
5.
6. 7.
7.3 1.
2.
3.
7.4 1.
Ontgraven en verdichten sleuf en/of montage-/lasgat Indien er in een te graven sleuf meerdere lagen grondsoorten zijn moeten deze apart worden ontgraven en op dezelfde diepte weer terug worden gebracht. De lagen moeten afzonderlijk worden verdicht. Indien er worteldoek of ander constructie materiaal aanwezig is en kapot getrokken is moet dit, in overleg met de gemeente, met een overlap van 0,50 meter aan weerszijde van de sleuf hersteld worden. De verschillende lagen dienen gescheiden ontgraven en opgeslagen te worden. Als dit niet gebeurd kan GTKL eisen dat dit op kosten van de grondroerder hersteld wordt De plaats van een eventuele opslag van uitgekomen sleufmateriaal moet vooraf in overleg met GTKL worden bepaald. Voor de opslaglocatie dient ontheffing aangevraagd te worden conform de Algemene Plaatselijke Verordening Vijfheerenlanden. De aanvulling moet worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 meter, waarbij elke laag mechanisch moet worden verdicht. Aandrukken met de bak van de kraan of aanrijden met de rups is niet voldoende. Onder de verharding moet het oorspronkelijke zandbed weer worden hersteld. Indien de oorspronkelijke dikte van het zandbed kleiner is dan 0,10 meter, zal de graaftoestemminghouder het te kort komende zand leveren en aanbrengen, waarbij de kosten van het nieuw zand voor rekening van de gemeente is.
Indien de uitkomende grond en/of bouwstoffen door de GTKL niet geschikt wordt geacht om terug aan te brengen, dan zal de graaftoestemminghouder voor rekening van de gemeente de aanvulling moeten uitvoeren met zand. De overtollige grond en/of bouwstoffen moeten in overleg met de GTKL en op kosten van de graaftoestemminghouder afgevoerd worden naar een erkende verwerker. Indien er mogelijkheden zijn om de overtollige grond en/of bouwstoffen elders te verwerken dient dit altijd in overleg te gaan met de GTKL. Uitgevoerd straatwerk moet zijn afgetrild en ingeveegd met schoon zand bij betonelementen en brekerzand bij gebakken elementen. Zand uit de sleuf is hiervoor niet toegestaan. De geroerde grond in berm of onverharde grond moet over de volle breedte worden aangevuld en verdicht conform de in dit hoofdstuk gestelde eisen. Het uitgegraven materiaal moet, vrij van stenen en dergelijke, met zorg in de juiste volgorde worden ingebracht om de oorspronkelijke profielopbouw zoveel mogelijk te herstellen. Daar waar nodig aanvullen met schone teelaarde.
Meten en registreren verdichtingsgraad geroerde grond De graaftoestemminghouder moet door middel van vastgelegde verdichtingsmetingen aan de GTKL aantonen dat de verdichting zoals aangegeven in de in dit hoofdstuk genoemde normen is bereikt. Per meting moet in ieder geval aan weerszijden van de grondroering twee referentiemetingen zijn genomen tot de diepte van de ontgraving en een doelmeting in de verdichte ontgraving in de as tussen de twee referentiemetingen. Uitgangspunt is dat de verdichting van de geroerde grond in de sleuf gelijk is aan de bestaande dichtheid van de omringende ongeroerde grond, tenzij de gemeente ter plaatse vooraf aangeeft dat een RAW-bepaling van toepassing is. Langere tracés dan 30 meter mogen pas dicht gemaakt worden na akkoord GTKL. De graaftoestemminghouder moet de verdichtingswaarden aan het begin en vervolgens iedere 50,00 strekkende meter sleuf alsmede bij ieder gemaakt montage-/lasgat meten en schriftelijk of elektronisch vastleggen. Deze gegevens moeten op verzoek van de GTKL onmiddellijk aan de gemeente ter beschikking worden gesteld. De graaftoestemminghouder moet een registratiesysteem aan leggen en onderhouden waaruit op verzoek de locatie en waarden van de metingen zijn te verkrijgen, voor de zowel de GCKL als de GTKL.
Herstel elementenverharding De wegverharding moet door de graaftoestemminghouder en/of grondroerder in minimaal dezelfde staat worden teruggebracht als aanwezig voordat de ontgraving werd uitgevoerd. Uitzondering hierop zijn situaties waarbij in gezamenlijke, schriftelijk vastgelegde vooropname van het tracé met de GTKL nadere afspraken zijn gemaakt. Voor tegelverharding wordt een breedte van 0,45 meter gehanteerd, voor klinkerverharding een breedte van 0,30 meter. Voor bijzonder verhardingen zal de gemeente het straten zelf (laten)uitvoeren. De kosten worden hiervoor bij de graaftoestemminghouder in rekening gebracht.
Pagina 26 van 39
2.
3. 4.
7.5 1.
2.
3.
7.6 1. 2.
3.
4.
5.
Alle materialen en elementen moeten onbeschadigd worden opgeleverd. De graaftoestemminghouder moet bij beschadiging zelf zorgen voor herstel en zorgen voor vervangend materiaal. Uitzondering hierop zijn situaties waarbij in gezamenlijke vooropname van het tracé met de GTKL nadere afspraken zijn gemaakt. Al het te gebruiken (bestratings)materiaal moet van dezelfde soort, vorm, afmeting, kleur, afwerking en van minimaal dezelfde kwaliteit zijn als het oorspronkelijk aanwezige materiaal en de door de gemeente gebruikelijk toe te passen materialen. Na het afwerken van de bestrating mag geen puin, grond, zand en/of afval van de (graaf)werkzaamheden op het werk meer voorkomen.
Herstel bijzondere wegfundaties Indien de wegverharding niet op zand maar op een fundatie is gelegd moet door de graaftoestemminghouder en/of grondroerder deze fundatie in minimaal dezelfde staat worden teruggebracht als aanwezig voordat de ontgraving werd uitgevoerd. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn om nieuw beton of menggranulaat aan te voeren, dan wel cement toe te voegen aan het her te gebruiken granulaat. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het herstel van trottoirbanden die op beton zijn gefundeerd en wegfundatie met een infiltratiefunctie. Indien een sleuf door een voorziening voor infiltratie van regenwater (Wadi) of daarmee gelijkgestelde constructie wordt gegraven, dient na afloop van de (graaf)werkzaamheden door graaftoestemminghouder en/of grondroerder de gehele wadi constructie weer in de oorspronkelijke vorm, hoedanigheid en functionaliteit te worden hersteld. Indien noodzakelijk dient graaftoestemminghouder en/of grondroerder op haar kosten de gehele wadi opnieuw te construeren. Bij het graven van een sleuf in de lengterichting langs een gefundeerde weg dient minimaal een afstand van 0,50 meter tussen de rand van de sleuf en de rand van de wegfundering te worden aangehouden.
Herstel asfaltverharding Zagen in asfaltverharding is in principe niet toegestaan. In overleg en tenzij een andere werkwijze niet mogelijk is kan hiervan worden afgeweken. Geen asfalt zagen binnen 25 m1 uit een gebouw. In specifieke gevallen kan de GTKL eisen het tijdelijke herstel met asfalt te doen. Het asfalt dient machinaal te worden aangebracht De minimale sleuf breedte voor de degeneratie vergoeding is 0,60 cm. Minimale sleufbreedte moet 0,30 cm zijn anders kan het niet verdicht worden Alvorens een asfaltconstructie te verwijderen moeten de sleufkanten worden ingezaagd. De vrijgekomen materialen worden onderscheiden in: • Teerhoudend; • Niet teerhoudend. Asfalt verwijderen en/of verwerken conform CROW-publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt). De kosten voortkomend uit de in de CROW-publicatie 210 genoemde werkzaamheden zijn voor rekening van de graaftoestemminghouder.
Binnen vijf werkdagen na ondertekening van het begeleidingsformulier door de uitvoerende partij, moet bij de GTKL een kopie van het dossier met betrekking tot het in lid 1 genoemde worden ingeleverd, met daarin opgenomen: • Tekening waarop duidelijk de wegvak(ken) met teerverdachte lagen zijn aangegeven (oppervlakte, diepte en laagdikte); • Onderzoeksrapport van de boorkern(en) (laagopbouw en hoeveelheid teer per laag); • Frees- of schollenplan; • Plan voor het omgaan met vrijgekomen materialen; • (Kopie) weegbon(nen); • Vergunning tijdelijk opslagdepot (indien van toepassing); • Vergunning Wet milieubeheer (WM) van uitvoerende partij (een bewijs dat een omgevingsvergunning en inzamelvergunning gevaarlijk afval is verleend); • (Kopie van de) doorslag (bewijs van ontvangst) van het door de vergunde inrichting ondertekende begeleidingsformulier(en) (waarop aangegeven de aard, de hoeveelheid, de herkomst en de vervoerder). De ontstane sleuf in de asfaltverharding moet over de volle breedte worden opgevuld en verdicht tot 0,40 meter onder de oppervlakte met zand en een toplaag van 0,25 meter menggranulaat, sortering 0/31.5 mm. De ondergrond van de fundering en de funderingslaag moeten hersteld en verdicht zijn volgens de vigerende RAW-standaard.
Pagina 27 van 39
6.
Direct aansluitend aan de verdichting moet de sleuf in de asfaltverharding worden dicht gestraat in ten minste 0,05 meter brekerzand met betonstenen in blokverband in een ligging die geen gevaar oplevert. De bovenzijde van de stenen moeten gelijk liggen met het ingezaagde asfalt. De betonstenen moeten door de graaftoestemminghouder voor diens rekening worden geleverd.
Pagina 28 van 39
8
AANSPRAKELIJKHEID EN SCHADE
8.1 1.
2.
3.
4.
5.
6. 7. 8.
8.2 1.
2.
3.
4.
5.
6.
Aansprakelijkheid Ongeacht al dan niet verleende graaftoestemming van het college en/of goedkeuring door andere bevoegde instanties, is de netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder tegenover de gemeente en/of derden aansprakelijk voor schade als gevolg van de uitvoering van het werk. De gemeente is niet aansprakelijk voor schade die netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder of derden lijden, ingeval kabels en/of leidingen van verschillende netbeheerders, door afwijking van de door gemeente gegeven aanwijzingen en richtlijnen, in lengterichting boven elkaar of te dicht bij elkaar zijn of worden gelegd. Kabels en/of leidingen die zijn gelegd op eigen initiatief van netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder en die liggen in afwijking van aanwijzingen, richtlijnen en dergelijke van het college moeten op eerste aanzegging van het college door en voor rekening van de betreffende graaftoestemminghouder worden verlegd naar de door het college aan te geven plaats en/of hoogte. Behoudens opzet of grove schuld van de gemeente, kan de gemeente geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden voor vorderingen van derden wegens schade, die het gevolg is van het uitvoeren van werkzaamheden van netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder.
De graaftoestemminghouder en, indien wordt gegraven zonder graaftoestemming, de betreffende netbeheerder, is aansprakelijk voor alle schade aan gemeente-eigendommen die het gevolg is van het (ver)leggen, verwijderen repareren en dergelijke van kabels en/of leidingen. Bij gecombineerde kabel– en/of leidingaanleg zijn de deelhebbende bedrijven hoofdelijk aansprakelijk jegens de gemeente. Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van dit artikel geldt ook indien het (ver)leggen c.q. verwijderen van kabels en/of leidingen wordt uitgevoerd in opdracht of op verzoek van de gemeente. Indien een grondroerder een kabel c.q. leidingtracé wil aanleggen in een gebied waarvan vooraf is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is, dan vervalt elke aansprakelijkheid van de gemeente. Een eventuele saneringsplicht ligt in die gevallen bij de grondroerder. Het risico voor het afvoeren en aanvoeren van bouwstoffen ligt altijd bij de grondroerder. De grondroerder dient daarbij aan alle eisen en (milieu-)voorschriften te voldoen.
Schade De netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder moet redelijkerwijs alle mogelijke maatregelen nemen om te voorkomen dat de gemeente en/of derden ten gevolge van het werk schade lijden. Bij boringen moet een boorplan / boorprofiel bij de vergunning / instemming toegevoegd zijn. Indien tijdens (graaf)werkzaamheden schade ontstaat aan gemeentelijke eigendommen en/of eigendommen van derden, dient dit direct, doch uiterlijk binnen 24 uur na het ontstaan van de schade, door de betreffende graaftoestemminghouder en/of grondroerder per telefoon en per mail of fax te worden gemeld aan de GTKL en aan de eigenaar van het beschadigde object. Het herstel van opgetreden schade vindt plaats in overleg met en voor rekening van de veroorzaker. Uitgangspunt bij het herstel van de (voorziene) schade als gevolg van de (graaf)werkzaamheden is dat de betreffende netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder de situatie in oorspronkelijke staat herstelt. Niet alle schades die de gemeente als gevolg van (graaf)werkzaamheden lijdt, kunnen vooraf door middel van de vastgestelde tarieven voor leges en degeneratie worden gedekt. Dit is het geval bij: • Schade aan groenvoorzieningen; • Schade die ontstaat buiten de sleuf; • "Verborgen gebreken" die zich achteraf openbaren.
In geval van schade aan of vervanging van groenvoorzieningen zal de graaftoestemminghouder hiervan in kennis worden gesteld en gelegenheid krijgen om de schade te beoordelen. De gemeente zal voor herstel en/of vervanging zorgen. De kosten hiervan worden doorbelast aan de graaftoestemminghouder. Schade aan groenvoorzieningen is aan de orde in de volgende situaties: • (Graaf)werkzaamheden waarbij de overlevingskans van de aanwezige beplanting gering is en deze dus moet worden vervangen; • (Graaf)werkzaamheden waarbij dicht in de buurt van bomen moet worden gewerkt;
Pagina 29 van 39
7.
8.
8.3 1. 2.
3.
4.
8.4 1. 2. 3.
4. 5.
• Aantasting (ecologische) kwaliteit groeiplaats. In deze gevallen zullen al vóór het verstrekken van de graaftoestemming specifieke afspraken worden vastgelegd. Afhankelijk van de omvang van het werk kan in de voorwaarden "het eerstejaars onderhoud groen" en "inboet beplanting na het eerste groeiseizoen" worden voorgeschreven. De schade aan bomen wordt vastgesteld op basis van de vigerende richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB). Bij ontstane schade buiten de sleuf en/of het werkgebied ten gevolge van (graaf)werkzaamheden zal, indien aantoonbaar, de betreffende netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder aansprakelijk worden gesteld. Hieronder vallen onder andere schade aan voet/fietspaden, groenstroken en dergelijke als gevolg van rijden/parkeren door voertuigen en/of ander materieel. Afhankelijk van de situatie kan het wenselijk zijn voorafgaand aan de (graaf)werkzaamheden een (gezamenlijke) schouw uit te voeren waarbij de bestaande situatie wordt nagegaan en vastgesteld. Ontstane schades zullen door de GTKL worden vastgelegd in een schaderapport voorzien van fotomateriaal. Bij schades die zich als gevolg van (graaf)werkzaamheden achteraf openbaren of bij verborgen gebreken, wordt indien aantoonbaar, de betreffende netbeheerder en/of graaftoestemminghouder en/of grondroerder alsnog aansprakelijk gesteld.
Veiligheid Alle (graaf)werkzaamheden moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de geldende weten regelgeving ten aanzien van de veiligheid. De op dit gebied van kracht zijnde voorschriften moeten op het werk beschikbaar zijn. Het personeel dat bij de (graaf)werkzaamheden is betrokken, moet zijn geïnstrueerd met betrekking tot de op de werklocatie geldende wetten en regels ten aanzien van de uitvoering en veiligheid. Leidinggevend personeel van de grondroerder en de graaftoestemminghouder moeten erop toezien dat de van toepassing zijnde voorschriften worden nageleefd. Voor de aanvang van de (graaf)werkzaamheden moet een veiligheids- en gezondheidsinstructie zijn opgesteld door graaftoestemminghouder en/of grondroerder en aan de GTKL zijn overhandigd en gemaild.
In deze instructie moet minimaal het volgende zijn opgenomen: • De wijze waarop de veiligheid en bereikbaarheid van de openbare ruimte en de veiligheid van de burgers ter plaatse van de werklocatie(s) wordt geborgd; • De wijze waarop verontreiniging van het milieu wordt voorkomen respectievelijk beheerst; • De wijze waarop de afhandeling van calamiteiten (met name schade aan gas en/of waterleidingen waarbij uitstroming van gas of water plaatsvindt en elektriciteitsleidingen waarbij vuur of vonken vrijkomen dan wel de omgeving onder elektrische spanning komt of kan komen te staan) worden voorkomen respectievelijk beheerst; • De wijze waarop ongevallen worden afgehandeld. De GTKL controleert vanuit de publieke taakstelling van de gemeente of het werk veilig wordt uitgevoerd en is bevoegd om, bij onveilige situaties, correctieve maatregelen af te dwingen.
Peilen en hoofdafmetingen De gemeente hanteert voor het leggen van kabels en leidingen een standaard dwarsprofiel. Deze zijn voor de leidingtracés leidend. Indien het standaard dwarsprofiel niet haalbaar is moet vooraf met de GTKL een alternatief profiel bepaald worden. Bij afwijkingen in diepteligging (in overleg en ter goedkeuring van de GTKL) zal een signaallint moeten worden aangebracht In geval van aanleg van kabels en leidingen in een nieuwbouwsituatie waarbij (nog) geen woningen en dergelijke aanwezig zijn om als vaste punten voor maatvoering voor K&L tracering en revisie te dienen, zal de gemeente op aanvraag en kosten van de graaftoestemminghouder een digitale plantekening aanleveren. Bij (graaf)werkzaamheden in particulier eigendom zal graaftoestemminghouder en/of grondroerder met betreffende grondeigenaar en/of projectontwikkelaar rechtstreeks afspraken moeten maken. De gemeente is hierin geen partij. De aanwijzing door de gemeente zal zich in de in artikel 2 genoemde situatie verder beperken tot het aangeven van digitale coördinaten en de locatie en hoogtegegevens van de nabijgelegen peilbouten, zodat de graaftoestemminghouder door middel van eigen meetwerk in horizontale en in verticale zin zelfstandig de tracés in detail kan uitzetten.
Pagina 30 van 39
9 9.1
VOORWAARDEN EN EISEN TEN AANZIEN VAN VERVUILDE GROND Voorschriften voor werken in verontreinigde grond 1. Voor informatie over de verwachte gemiddelde bodemkwaliteit en bekende verontreinigingen in
een bepaald gebied binnen de gemeente kan de aanvrager informatie inwinnen bij bodemloket@rudutrecht.nl Voor het gebied van de voormalige gemeente Vianen is informatie ook beschikbaar op het Geoloket van de ODRU (www.odru.nl)
2. Graaftoestemminghouder moet altijd voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Wet
Bodembescherming (Wbb) ,de ARBO-wetgeving en andere evt. van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Aandachtspunt: Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt lid 2 en dient voldaan te worden aan de voorschriften uit de Omgevingswet.
3. Bij de aanvraag van de graaftoestemming, dient de aanvrager zelf onderzoek te verrichten naar (eventueel) verdachte locaties. Voor beschikbare informatie, zie 9.1.1.
4. Graaftoestemminghouder zal zelf alle benodigde maatregelen treffen om werkzaamheden uit te (kunnen) voeren op of nabij (eventueel) verdachte locaties.
5. Door de gemeente worden op eigen initiatief geen bodemonderzoeken verricht bij het aanleggen van kabels en leidingen door nutsbedrijven.
6. Indien een netbeheerder een kabel- en/of leidingtracé wil laten lopen door een gebied waarvan
vooraf is vastgesteld dat de bodem (vermoedelijk) verontreinigd is, dan treedt de Wet bodembescherming in werking. Graven in de bodem wordt dan als saneringshandeling aangemerkt. Als eigenaar van de grond is de sanering een verantwoordelijkheid van de gemeente als eigenaar van de grond. In andere gevallen geeft de gemeente aan de grondroerder formeel toestemming om te graven. Vanaf dat moment is de grondroerder zelf verantwoordelijk om te handelen volgens aanwijzingen van het bevoegd gezag WBB. Aandachtspunt: Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt lid 6 en dient voldaan te worden aan de voorschriften uit de Omgevingswet.
7. Het besluit bodemkwaliteit (BBK) is (in vrijwel alle gevallen) van toepassing op het toepassen van grond, bagger en steenachtige bouwstoffen. Het kan echter voorkomen dat grond binnen een werk wordt ontgraven om later weer teruggeplaatst te worden, vooral bij het leggen van kabels en leidingen. Wanneer de grond bij een dergelijke tijdelijke uitname het werk niet verlaat en de samenstelling ervan niet veranderd wordt, komt de grond wettelijk gezien niet vrij en wordt het terugplaatsen ervan ook niet als 'toepassing' gezien. Het BBK is dan niet van toepassing. Zie ‘Handvat tijdelijke uitname’. Dit geldt alleen voor niet-ernstig verontreinigde grond.
8. Voor tijdelijke uitname van sterk verontreinigde grond moet er altijd een BUS-melding tijdelijke uitplaatsing (BUS-TUP) ingediend worden bij het bevoegd gezag Wbb. Voor Vijfheerenlanden is dat de RUD Utrecht, namens de provincie Utrecht.
9. Bij het werken in een (vermoedelijk) ernstig geval van bodemverontreiniging (> 25 m3 grond) is de provincie Utrecht het bevoegde gezag en gelden de afwijkende en/of aanvullende voorschriften van de provincie vanuit de Wbb. Aandachtspunt: Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt lid 9 en dient voldaan te worden aan de voorschriften uit de Omgevingswet.
10. Het werken in de grond valt onder andere onder de Wbb (met name artikel 27 en 28) en als
zodanig moet graaftoestemminghouder aantonen dat de vereiste procedures zijn doorlopen, alvorens tot afvoer wordt overgegaan. Hiertoe moet de correspondentie met de betrokken instanties en/of bedrijven worden overhandigd aan de GCKL. Aandachtspunt: Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt lid 10 en dient voldaan te worden aan de voorschriften uit de Omgevingswet.
Pagina 31 van 39
11. Voor het afvoeren en verwerken van vervuilde grond en het leveren en aanvoeren van schone
grond in regulier werk grond en/ of bouwstoffen die vrijkomen uit de sleuf blijven eigendom van de gemeente en zijn te onderscheiden naar:
12. Niet verontreinigd; a.
Schone grond (klasse AW) kan hergebruikt worden binnen de eigen gemeente of in de regio op basis van de bodemkwaliteitskaart en het gebied specifieke grondstromenbeleid. De niet elders toe te passen, overtollige grond en/of bouwstoffen moeten in overleg met de GTKL en op kosten van graaftoestemminghouder worden afgevoerd naar een gecertificeerde verwerker. De bijkomende kosten, zoals acceptatieen beheerskosten komen eveneens voor de rekening van graaftoestemminghouder. LET OP: De grond is altijd PFAS-verdacht. Dus bij afvoer ook op PFAS laten onderzoeken. PFAS zit niet in het standaardstoffenpakket. 13. Verontreinigd; a. Licht verontreinigde grond die valt binnen Klasse Wonen kan op veel plaatsen op grond van de bodemkwaliteitskaart en het grondstromenbeleid hergebruikt worden. Indien grond niet toegepast kan worden, of als de grond sterker verontreinigd is, moet graaftoestemminghouder na overleg met de gemeente de grond en/of bouwstoffen op eigen kosten, afvoeren naar een gecertificeerde verwerker. Kosten in verband met aantoonbare stagnatie in het door graaftoestemminghouder uit te voeren werk komen niet voor rekening van de gemeente. De acceptatiekosten voor het storten en/of verwerken van deze grond en/of bouwstoffen, alsmede de werkelijke onderzoekskosten, komen eveneens voor rekening van graaftoestemminghouder. LET OP: De grond is altijd PFAS-verdacht.
Dus bij afvoer ook op PFAS laten onderzoeken. PFAS zit niet in het standaardstoffenpakket.
14. Bij het verhelpen van een calamiteit tijdens kantooruren kan de betreffende netbeheerder direct
informatie inwinnen over de kwaliteit van de bodem ter plaatse bij de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD Utrecht). Dit kan door de RUD te bellen (of de calamiteit te melden via handhavingbodem@RUDUtrecht.nl Of via de website https://rudutrecht.nl/bodemverontreiniging-melden).
15. Als er bij het verhelpen van een calamiteit buiten kantooruren grond vrijkomt, dan moet
betreffende netbeheerder er zorg voor dragen dat grond op milieu hygiënisch verantwoorde wijze op haar kosten tijdelijk wordt opgeslagen. De tijdelijk opgeslagen grond moet daarna, indien deze vervuild blijkt, op kosten van de betreffende netbeheerder op een milieu hygiënische verantwoorde wijze worden afgevoerd naar een erkende, gecertificeerde verwerker. Indien bij het verhelpen van een calamiteit grondwater moet worden onttrokken, moet altijd, voorafgaand aan het onttrekken, contact worden opgenomen met Waterschap Rivierenland.
16. Grond, (technisch) niet geschikt voor sleufaanvulling en/of verdichting; moet na aanwijzing van de gemeente door graaftoestemminghouder op haar kosten worden afgevoerd naar een gecertificeerde verwerker. De bijkomende kosten, zoals acceptatiekosten, komen voor rekening van graaftoestemminghouder. LET OP: De grond is altijd PFAS-verdacht. Dus bij afvoer ook op PFAS laten onderzoeken. PFAS zit niet in het standaardstoffenpakket.
9.2 1.
Arbeidsomstandigheden bij werken in verontreinigde grond De kosten gemoeid met de uitvoering van het Arbeidsomstandighedenbesluit komen voor rekening van graaftoestemminghouder.
Pagina 32 van 39
10 ARCHEOLOGISCH VOORONDERZOEK 1. 2. 3. 4.
Op bepaalde locaties is het verplicht om archeologisch onderzoek uit te voeren voorafgaand aan (graaf)werkzaamheden. Dit onderzoek is voor rekening van de graaftoestemminghouder. Op de archeologische beleidsadvieskaarten (bijlage 3) is aangegeven op welke locatie en bij welk mate van bodemverstoring archeologische onderzoek verplicht is. Als de conclusie uit het archeologisch vooronderzoek is dat er archeologische vondsten worden verwacht, dan de kosten die hier uit voortvloeien voor de graaftoestemminghouder. Als de conclusie uit het archeologisch vooronderzoek is dat geen archeologische vondsten worden verwacht maar deze worden wel aangetroffen dat geldt hetgeen staat vermeld in paragraaf 10.1
10.1 Archeologische vondsten 1. 2. 3.
4.
Het kan voorkomen dat tijdens (graaf)werkzaamheden een archeologische toevalsvondst wordt gedaan. Op basis van artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet moet deze vondst worden gemeld. Grondroerder moet de (graaf)werkzaamheden tot nadere order staken en direct contact opnemen met de gemeente en de GTKL. De procedure is vervolgens als volgt: • Ter plaatse wordt in samenwerking met een archeoloog beoordeeld of een archeologisch vervolgonderzoek moet plaats vinden; • Archeologisch vervolgonderzoek (opgraving of begeleiding) wordt door een gecertificeerd archeologisch bedrijf uitgevoerd in opdracht en voor rekening van de gemeente; • Na onderzoek geeft de gemeente het betreffende gebied vrij om de (graaf)werkzaamheden te hervatten. Kosten en/of schade door eventuele wachturen van personeel en/of vertraging van de (graaf)werkzaamheden veroorzaakt wegens een archeologisch onderzoek, word(t)(en) door de gemeente vergoed.
Pagina 33 van 39
11 VOORWAARDEN EN EISEN TEN AANZIEN VAN GROENVOORZIENINGEN 11.1 1. 2. 3.
11.2 1. 2.
3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
11.3 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
8. 9.
Algemeen De gemeente besluit aan de hand van de melding van graaftoestemminghouder of beplanting (bomen, heesters of gras) verwijderd of gesnoeid mag worden en, zo ja, of graaftoestemminghouder dit zelf mag uitvoeren en onder welke voorwaarden. Uitgenomen beplantingsmateriaal alsmede gazon- en bermbedekking wordt geacht verloren te zijn gegaan en dient door- en op kosten van graaftoestemminghouder te worden afgevoerd en verwerkt. Beplantingsmateriaal dat verloren is gegaan dient vervangen te worden. De voorwaarden over wie dit mag uitvoeren en de (kwaliteits)eisen voor het vervangend beplantingsmateriaal worden bepaald in overleg met de beheerder. De kosten hiervan zijn direct of indirect altijd voor de graaftoestemminghouder.
Eisen en uitvoering werkzaamheden bomen Werkzaamheden rondom bestaande, te handhaven bomen, dienen te worden uitgevoerd conform de omschrijving op de Bomenposter (Normeninstituut), zie bijlage 4. De wijze van graven binnen de wortelzone van te handhaven bomen dient vooraf te worden overlegd met de groenbeheerder van de gemeente. Goedkeuring van de groenbeheerder is benodigd alvorens kan worden gestart met de graafwerkzaamheden. Uitgangspunt is dat graven in deze zone alleen machinaal mag geschieden wanneer handmatig graven niet mogelijk is. Binnen een, door de groenbeheerder van de gemeente, te bepalen afstand tot opgaande beplanting moeten activiteiten achterwege blijven, die beschadigingen aan bovengrondse en ondergrondse delen van de beplanting tot gevolg hebben. Wortels van te handhaven bomen dikker dan 0,05 meter mogen niet worden afgestoken, doorgegraven, doorgezaagd, afgehakt of op een andere manier worden beschadigd. Werkzaamheden binnen de wortelzone van een boom die op de lijst met behoudenswaardige bomen van de gemeente staan mogen alleen geschieden onder toezicht van de gemeente. De lijst met behoudenswaardige bomen kan bij de gemeente worden opgevraagd. Wortels van bomen die op de gemeentelijke lijst met behoudenswaardige bomen staat en die dikker zijn dan 25mm in diameter, mogen niet verwijderd en/of beschadigd worden. Werkzaamheden t.b.v.
groenvoorzieningen dienen door een daartoe gespecialiseerd bedrijf te worden uitgevoerd. Een en ander ter goedkeuring van de groenbeheerder van de gemeente. Snoeiwerkzaamheden en werkzaamheden aan beschadigingen van stammen, schors, takken en/of wortels dienen ter goedkeuring aan de groenbeheerder van de gemeente te worden voorgelegd. Beschadiging aan bomen dient direct aan de groenbeheerder van de gemeente te worden gemeld.
Maatregelen in verband met bescherming te handhaven bomen Te treffen maatregelen ten behoeve van bescherming van bomen dienen te worden genomen conform de omschrijving op de Bomenposter (Normeninstituut), zie bijlage 4. Wanneer onder de kroon van te handhaven bomen gereden moet worden (uitsluitend na goedkeuring van de groenbeheerder) dient te alle tijde gebruik te worden gemaakt van rijplaten. Te handhaven bomen mogen niet worden gebruikt voor de bevestiging van stroppen, touwen, kabels, e.d. Ook mogen er in deze bomen geen draadnagels e.d. worden aangebracht. Tevens is het aanbrengen van markeringen op te handhaven bomen niet toegestaan. Te handhaven bomen beschermen tegen schade door het plaatsen van een bouwhek, hoog 2 m, in driehoeksverband, dan wel (indien dit naar oordeel van de groenbeheerder niet mogelijk is) een vrijstaande palissade van latten om de stam. Verlaging van het maaiveld binnen de wortelzone van te handhaven bomen is zonder toestemming van de groenbeheerder niet toegestaan. Verhoging van het maaiveld binnen de wortelzone van te handhaven bomen is zonder toestemming van de groenbeheerder niet toegestaan. Het verlagen van de grondwaterspiegel binnen de wortelzone van bomen die gehandhaafd blijven in het groeiseizoen (april tot december) de bomen minimaal 1 maal per dag watergeven.
Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van oppervlaktewater met voldoende zuurstof te worden gebruikt. Het inrichten van een werkterrein en/of opslaglocatie binnen de wortelzone van te handhaven bomen is niet toegestaan. Dat geldt ook voor grondopslag. Ontgravingen binnen de wortelzone van te handhaven bomen zo snel mogelijk dienen te worden aangevuld.
Pagina 34 van 39
10. Te handhaven beplanting, welke als gevolg van werkzaamheden aan de buitenlucht worden blootgesteld, moet zo snel mogelijk maar uiterlijk aan het einde van de werkdag, worden afgedekt met minimaal 0,05m uit het werk komend of door de aannemer te leveren zoet zand. 11. De afwatering rondom bomen dient te alle tijden te worden gegarandeerd, zodat geen wateroverlast kan ontstaan. 12. Het gebruik van machines die hoger zijn of kunnen zijn dan de onderkant van de kroon is niet toegestaan binnen de kroonprojectie.
11.4 1.
Schade vergoeding bomen
11.5
Schade vergoeding houtachtige vegetatie, niet zijnde bomen
Voor elke ten onrechte gerooide en/ of beschadigde boom, zal aan graaftoestemminghouder en/of grondroerder een boete per boom worden opgelegd, afhankelijk van de waarde van de betreffende boom, berekend volgens de vigerende richtlijnen van de NVTB 2013 (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen). De taxatiekosten komen voor rekening van de graaftoestemminghouder. 1. Indien door onzorgvuldigheid of nalatigheid van de aannemer een te handhaven boom verloren gaat, zullen de opruim- en herplantkosten evenals de waarde van de verloren gegane boom in rekening worden gebracht aan de aannemer. 2. In geval van schade aan bomen, geeft de groenbeheerder van de gemeente een boomverzorgingsspecialist opdracht de schade te herstellen. Deze kosten worden in rekening gebracht bij de aannemer.