11. 9AZ) Haalbaarheid en betaalbaarheid Utrecht_definitief concept.pdf
Tekst van het document
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
Een onderzoek naar de mogelijkheid van woningeigenaren om te investeren in het verduurzamen van de eigen woning en naar de betaalbaarheid van de energierekening voor iedereen P ROV I N C I E- U T R EC H T.N L
COLOFON
Uitgave: Het PON, Tilburg, in opdracht van Provincie Utrecht Auteur(s): dr. S. Agterbosch, C. Wentink MSc, S. Paenen MSc Vormgeving: Het PON Datum: 11-06-2020
2 | PROGRAMMAPLAN ENERGIETRANSITIE 2020-2025
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Introductie Aanleiding Haalbaarheid en betaalbaarheid Wijkaanpakken Onze opdracht Financiering Warmtefonds voor bijzondere doelgroepen Leeswijzer
1 1 1 2 3 4 5
2 Onderzoeksaanpak op hoofdlijnen 2.1 Haalbaarheid van investeringen 2.1.1 Investeringsomvang 2.1.2 Financieringsruimte 2.2 Betaalbaarheid van de energierekening 2.2.1 Energiekosten 2.2.2 Woonlasten 2.2.3 Noodzakelijke bestedingen 2.3 Doelgroepenanalyse
6 6 7 7 10 10 11 11 11
3 3.1 3.2 3.3
Haalbaarheid van de investering Verschillen in de provincie Waar komt het geld vandaan Achtergrondkenmerken van huishoudens, waarvoor de financiering van energiemaatregelen niet haalbaar is
12 12 13
Betaalbaarheid van de energierekening Verschillen in de provincie Achtergrondkenmerken van de groep huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is
18 18
5
Combinatie van problemen bij haalbaarheid en betaalbaarheid
24
6 6.1 6.2 6.3
Conclusies en samenvatting Haalbaarheid van de investering Betaalbaarheid van de energierekening Niet haalbaar en niet betaalbaar
25 25 26 28
7 7.1 7.2 7.3
Beleidsimplicaties Kennis over haalbaarheid en betaalbaarheid Collectieve aanpakken Rol van de provincie
29 29 30 30
4 4.1 4.2
Resultaten analyses haalbaarheid en betaalbaarheid
INHOUDSOPGAVE
14
19
31
1
INTRODUCTIE
1.1
AANLEIDING In het Klimaatakkoord is afgesproken dat alle woningen, kantoren, scholen en andere gebouwen de komende 30 jaar gefaseerd en stapsgewijs worden verduurzaamd 1. Dat betekent minder energiegebruik en de resterende energie gebruiken uit duurzame bronnen. De provincie Utrecht onderschrijft deze doelstelling en heeft de ambitie om in 2040 al energieneutraal te zijn. Om die ambitie waar te maken moeten de komende 20 jaar 555.560 woningen verduurzaamd worden, waarvan 330.600 koopwoningen en 224.900 huurwoningen. Veel van deze woningen zijn nu maar matig geïsoleerd en worden nog verwarmd met aardgas 2. Er is dus werk aan de winkel en versnelling is gewenst. De provincie Utrecht wil deze versnelling helpen realiseren op een wijze die voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Dit noemt zij de inclusieve energietransitie. In deze rapportage gaan we in op deze ambitie. Om de haalbaarheid in kaart te brengen hebben we gekeken naar de financieringsruimte van huishoudens met een koopwoning. We hebben in beeld gebracht in hoeverre zij (toegang tot) voldoende financiële middelen hebben om de eigen woning te verduurzamen. Daarnaast hebben we gekeken naar de betaalbaarheid van de energierekening voor zowel kopers als huurders.
1.2
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID Zowel voor particuliere woningeigenaren als voor huurders heeft de energietransitie nogal wat praktische en financiële gevolgen. Om de energietransitie haalbaar te laten zijn voor woningeigenaren moeten ze de investeringen in hun woning op kunnen brengen en de bereidheid hebben om te investeren. Zij moeten zelf aan de slag om de eigen woning te verduurzamen. Zij krijgen de rekening voor de investering én profiteren vervolgens van het lagere energieverbruik. Of deze investering economisch rendabel is (en zichzelf in economische zin terugverdient) blijft in deze rapportage buiten beschouwing. We hebben alleen gekeken of huishoudens voldoende financieringsruimte hebben. Toegang tot aantrekkelijke, laagdrempelige en verantwoorde financieringsmogelijkheden vormt daarvoor een basisvoorwaarde. Die voorwaarde is nu nog niet voor iedereen ingevuld: er zijn huishoudens die op de markt niet terecht kunnen voor financiering. Zij hebben hun maximale leenruimte al benut, hebben een te laag inkomen, tijdelijk geen inkomen of kunnen geen lening krijgen, omdat ze niet aan de voorwaarden voor financiering voldoen. Door het
1 Ministerie van Economische Zaken en Koningsrelaties (2019). Klimaatakkoord. Den Haag.
Directoraat-generaal Energie, Telecom en Mededinging: 28 juni 2019. 2 Een (bestaand) huis aardgasvrij maken leidt overigens niet automatisch tot een vermindering van het energiegebruik en/of een vermindering van de CO2-uitstoot. Een eventuele CO2emissiereductie hangt af van de brandstofmix die wordt ingezet voor de productie van de benodigde stroom en warmte in de aardgasvrije woning.
1 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
ontbreken van financiering kunnen zij de investering om hun woning te verduurzamen niet opbrengen 3. Voor huurders is de situatie anders. Voor het verduurzamen van de woning is een huurder afhankelijk van de verhuurder. De verhuurder wil de kosten voor het verduurzamen van de woning over het algemeen wel terugverdienen en zal daarom een vergoeding vragen voor de kosten van de verduurzaming. Woningbouwcorporaties streven over het algemeen naar woonlastenneutraliteit bij verduurzamende renovaties: de gemiddelde reële besparing op de energierekening compenseert dan de huurverhoging. Echter, of een renovatie ook daadwerkelijk woonlastenneutraal kan worden uitgevoerd, hangt af van een veelheid aan aspecten, zoals het functioneren van technologische installaties, maar ook van de samenstelling van een huishouden, de leeftijd van bewoners, zorgbehoefte, leefstijl en andere gedragsbepalende aspecten.
1.3
WIJKAANPAKKEN De bedoeling is dat iedere gemeente uiterlijk in 2021 een eigen Transitievisie Warmte heeft vastgesteld. Daarin komt te staan wanneer welke wijken verduurzaamd worden en welke duurzame alternatieven er mogelijk zijn. Bij het vormgeven van deze visie is kennis nodig over de technische en economische kant van verduurzaming. Gemeenten hebben kennis nodig over wat het beste financiële alternatief is voor een wijk, over welke ingrepen daarvoor nodig zijn en over de implicaties van de keuze voor een warmtenet, warmtepompen, duurzaam gas of volledig elektrisch. Naast deze technisch-economische aspecten is kennis nodig over welke impact de transitie op de bewoners in een wijk zal hebben. Wat wordt van mensen verwacht? Welke mogelijkheden krijgen bewoners om mee te doen? Wat zijn de kosten? En van welke financieringsmogelijkheden kunnen ze gebruik maken? Voor bewoners zijn dit belangrijke randvoorwaarden. Hen wordt immers gevraagd een grote (voor)investering te doen in bijvoorbeeld het isoleren van de woning, de installatie van een warmtepomp en het plaatsen van zonnepalen. Daarbij moeten zij zelf de kansen en risico’s kunnen inschatten en dragen. Gemeenten hebben als regisseurs van de wijkaanpakken een belangrijke rol toebedeeld gekregen. Maar ze staan vaak nog aan het begin van dit proces en zijn zoekende in de vormgeving ervan.
In 2018 is door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties via het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) een bedrag 120 miljoen beschikbaar gesteld voor pilots in 27 gemeenten die met een wijk- of buurtgerichte aanpak buurten aardgasvrij zou moeten maken. Het doel van het programma was om te leren welke aanpak werkt en hoe deze kan worden opgeschaald, rekening houdend met woningtypes, eigendomsverhoudingen en de sociaal-economische status van de wijk. Een recente evaluatie van het PAW door de Algemene Rekenkamer laat zien dat de praktijk weerbarstig is. Begin 2020 zijn slechts enkele woningen in één van de 27 pilots daadwerkelijk aardgasvrij gemaakt. En uit de evaluatie is “niet duidelijk
3 We kijken in dit onderzoek alleen naar de haalbaarheid van de investering (kan een eigenaar de
kosten opbrengen) niet of deze ook economisch rendabel is en zichzelf terugverdiend (winstgevend).
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 2
geworden hoe het aardgasvrij maken van deze huizen in een wijk (als onderdeel van een proeftuin) op termijn tot gevolg heeft dat de rest van de wijk of gemeente ook aardgasvrij wordt” 4. De kennis- en leeragenda is dan ook onverminderd actueel. Kennis over haalbaarheid van de investering voor woningeigenaren en betaalbaarheid van de energierekening is daarbinnen onontbeerlijk.
1.4
ONZE OPDRACHT De provincie Utrecht heeft PON / Telos gevraagd om voor alle gemeenten in de provincie Utrecht tot op buurtniveau de haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie voor woningeigenaren en huurders in beeld te brengen. Haalbaarheid We hebben het aantal en de geografische spreiding van woningeigenaren in kaart gebracht, die niet zomaar mee kunnen doen aan de energietransitie, omdat zij geen (toegang tot) financiële middelen hebben om een eigen woning te verduurzamen. Ongeacht een eventuele motivatie daartoe. Betaalbaarheid We hebben gekeken naar de betaalbaarheid van de energierekening voor zowel kopers als huurders. Het gaat dan om het segment huishoudens dat moeite heeft om de maandelijkse energiefacturen te betalen, omdat een relatief groot deel van het beschikbaar inkomen (na aftrek van de woonkosten) opgemaakt wordt aan gas- en elektriciteitskosten. Een deel van de huishoudens houdt na het betalen van de woon- en energielasten niet voldoende geld over voor minimaal levensonderhoud. Zij hebben te maken met, of lopen risico op, problemen bij het voldoen van noodzakelijke bestedingen. Helemaal bij stijgende energie gerelateerde woonlasten. Haalbaarheid en betaalbaarheid Huishoudens kunnen ook te maken krijgen met een problemen bij zowel de haalbaarheid als de betaalbaarheid.
Voor deze groep huishoudens geldt dat ze al een hoge energierekening hebben, maar ook niet de investeringsmogelijkheden om hier iets aan te doen (aangenomen dat de hoge energierekening het gevolg is van de kwaliteit van woning en niet van bijvoorbeeld gedrag). Aangezien we in deze studie bij haalbaarheid alleen kijken naar woningeigenaren, brengen we dit alleen in beeld voor de huishoudens met een koopwoning.
4 Algemene Rekenkamer (2020). Resultaten verantwoordingsonderzoek 2019.Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII). Rapport bij het jaarverslag.Den Haag: Algemene rekenkamer.
3 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
Praktische uitwerking Het onderzoek geeft, op buurtniveau, inzicht in: 1 Haalbaarheid van investeringen, het aantal woningeigenaren die niet in staat zijn de verduurzaming van de woning te financieren: • • • • •
bij een investering van € 5.000,-; bij een investering van € 12.500,-; bij een investering van € 25.000,-; bij een investering van € 40.000,-; bij een investering van € 65.000,-.
2 Betaalbaarheid van de energierekening, het aantal huishoudens (woningeigenaren en huurders) die na aftrek van woonlasten: • •
meer dan 10% van het besteedbaar huishoudinkomen kwijt zijn aan energiekosten: de energiearmen; na het betalen van de energierekening onvoldoende besteedbaar inkomen overhouden voor overige noodzakelijke bestedingen.
3 (Achtergrond)kenmerken van zowel de woningeigenaren die niet kunnen investeren en van huishoudens (woningeigenaren en huurders) die problemen ondervinden met de betaalbaarheid van de energierekening: • • • • •
1.5
energetische woningkwaliteit leeftijd; migratieachtergrond; uitgeponde woningen; inkomstenbron.
FINANCIERING WARMTEFONDS VOOR BIJZONDERE DOELGROEPEN Recent (13 mei 2020) heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) een nieuw financieringsproduct aangekondigd. Een maatwerklening voor woning¬eigenaren, die nu niet op de markt niet terecht kunnen voor financiering (ook niet via het Nationale Energiebespaarfonds / Warmtefonds). Deze maatwerklening komt vanaf januari 2021 beschikbaar voor woningeigenaren in buurten, waar sprake is van een wijkaanpak 5. Ook komt de maatwerklening beschikbaar voor individuele woningeigenaren, waarvan de woning onderdeel is van een aangesloten rij woningen of een appartementencomplex met veel corporatiewoningen, het zogenaamde gespikkeld bezit, waarbij de woningcorporatie de huurwoning wil gaan verduurzamen. Bij deze maatwerklening bepaalt de financiële positie van de aanvrager in hoeverre de financiering maandelijks terugbetaald kan worden (aflossing naar draagkracht). Het maximale financieringsbedrag is € 25.000,- 6.
5 Wanneer er sprake is van een wijkaanpak is vooralsnog niet gedefinieerd. 6 De kosten van het aanvragen en afsluiten van de maatwerklening, denk aan kosten voor toetsing en administratie, worden gedragen door het Warmtefonds.
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 4
In dit onderzoek hebben we met de beschikbaarheid van de nieuwe maatwerklening geen rekening gehouden. We hebben gekeken naar die huishoudens met een koopwoning, die niet in staat zijn de investering te financiering vanuit eigen vermogen (bank- en spaartegoeden), hypothecaire leningen en/of consumptief krediet (zoals de Energiebespaarlening 7). Daarmee genereert dit onderzoek inzicht in de omvang en geografische spreiding van de doelgroep van de nieuwe maatwerklening tot op buurtniveau.
1.6
LEESWIJZER In het volgende hoofdstuk 2 gaan we in op de uitgangspunten en berekeningen, die gebruikt zijn voor het bepalen van de haalbaarheid van de investering voor huishoudens met een koopwoning en de betaalbaarheid van de energierekening voor alle huishoudens. Hoofdstuk 3 geeft inzicht in aantallen en spreiding van huishoudens, waarvoor de investering niet haalbaar is. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in aantallen en spreiding van huishoudens waarvoor de energierekening niet of moeilijk betaalbaar is of in ieder geval een substantieel (meer dan 10%) deel van het besteedbaar inkomen beslaat. In hoofdstuk 5 wordt inzicht gegeven in de huishoudens waarvoor de energietransitie zowel niet haalbaar als betaalbaar is. Hoofdstuk 6 bevat de samenvatting en conclusies. In tot slot gaan benoemen we in hoofdstuk 7 enkele beleidsimplicaties. De resultaten van dit onderzoek zijn voor alle 26 gemeenten op buurtniveau beschikbaar en ontsloten via een factsheet per gemeente. Deze factsheets geven langs de lijn van de in paragraaf 1.4 genoemde doelen inzicht in de haalbaarheid van de investering voor woningeigenaren en de betaalbaarheid van de energierekening voor iedereen. De onderliggende data zijn voor gemeenten opvraagbaar bij de provincie Utrecht via energietransitie@provincie-utrecht.nl.
7 https://www.energiebespaarlening.nl/particulieren/
5 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
2
ONDERZOEKSAANPAK OP HOOFDLIJNEN In dit hoofdstuk geven we de belangrijkste uitgangspunten en kort de berekeningen die gebruikt zijn voor het bepalen van (1) de haalbaarheid van de investering voor woningeigenaren en (2) de betaalbaarheid van de energierekening voor alle huishoudens 8. Voor het bepalen van de haalbaarheid en betaalbaarheid is gebruik gemaakt van microdatabestanden van het CBS. Deze bestanden bevatten geregistreerde gegevens van alle inwoners en huishoudens in Nederland.
2.1
HAALBAARHEID VAN INVESTERINGEN Bij haalbaarheid kijken we naar de financieringsruimte van huishoudens met een koopwoning. We kijken in hoeverre deze huishoudens de mogelijkheid hebben om de investeringen die nodig zijn voor het verduurzamen van de woning te financieren.
Figuur 1
Opbouw van de haalbaarheid van de energietransitie voor huishoudens met een koopwoning
De financieringsruimte van huishoudens is opgebouwd uit vrij besteedbaar vermogen en leenruimte (zie figuur 1). Als de financieringsruimte groter is dan de benodigde investering dan is het voor een huishouden haalbaar om verduurzamingsmaatregelen te bekostigen. Daarbij kijken we dus niet naar individuele voorkeuren van huishoudens om het beschikbare geld op andere manieren te besteden. We kijken alleen of de financiële positie van huishoudens de investering mogelijk maakt.
8 Een uitgebreide onderzoeksverantwoording is beschikbaar in een separaat bijlagerapport
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 6
2.1.1
INVESTERINGSOMVANG De kosten voor het verduurzamen van je huis zijn afhankelijk van het type woning, de energetische kwaliteit van de woning en de keuzemogelijkheden technologisch gezien. Voor de benodigde investering maken we in dit onderzoek gebruik van generieke bedragen. We hebben dus niet op adresniveau gekeken naar de investeringen die nodig zijn voor de woning waar een huishouden in woont. De aangenomen bedragen voor de investeringsomvang van de energiemaatregelen zijn, (hierbij is illustratief aangegeven wat er voor dit bedrag mogelijk is): • • • • •
2.1.2
€ 5.000,- (bijvoorbeeld voor het aanschaffen van zonnepalen of het isoleren van het dak); € 12.500, - (voor bijvoorbeeld het volledig isoleren van de woning); € 25.000,- (gemiddeld bedrag voor het aardgasvrij maken van een woning 9 en het maximum bedrag van de nieuwe maatwerklening in het Warmtefonds) € 40.000,- (volledig energetisch renoveren van een jaren 70 woning); € 65.000,- (energieneutraal maken van een kleine woning en het maximum bedrag van de Energiebespaarlening).
FINANCIERINGSRUIMTE De financieringsruimte bestaat uit vrij besteedbaar vermogen en de eventuele leenruimte van huishoudens. In de analyse is dit opgebouwd uit vier componenten: • • • •
bank- en spaartegoeden; maximale hypothecair krediet; maximaal consumptief krediet; openstaande schulden.
Bank- en spaartegoeden De bank- en spaartegoeden zijn beschikbaar vanuit de microdata van het CBS. Een deel van de bank- en spaartegoeden wordt in de analyse gereserveerd voor te verwachten en onverwachte uitgaven in de toekomst. Deze reservering is berekend op basis van de uitkomsten van de bufferberekenaar van het Nibud 10 en is afhankelijk van het inkomen en huishoudsamenstelling. Dit is een minimumreservering, bedoeld om onverwachte, grotere, noodzakelijke uitgaven direct te kunnen betalen. Zoals het vervangen van kapotte apparaten of reparaties aan een auto. Huishoudens kunnen uiteraard ook geld achter de hand willen houden voor andere doelen. Daar hebben we in onze berekening geen rekening mee gehouden. Hypothecair krediet Een hypothecair krediet is een lening waarbij de eigen woning van het huishouden als onderpand dient. Door het onderpand hebben hypothecaire kredieten vaak betere voorwaarden (langere looptijd en lagere rente) dan
9 Milieu Centraal geeft op haar website twee voorbeelden van investeringskosten voor aardgasvrij, de kosten hiervoor lopen uiteen van € 12.500 tot € 35.000 (https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/energiezuinig-huis/wonen-zonder-aardgas/). 10 https://www.nibud.nl/consumenten/bufferberekenaar/
7 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
consumptieve kredieten. Een maximale hypotheek is te berekenen met behulp van de financieringslastnormen die door het Nibud jaarlijks worden vastgesteld 11. De financieringslast hangt vooral af van het inkomen van een huishouden en het rentepercentage. De gegevens over het inkomen van huishoudens zijn afkomstig uit de microdata van het CBS. Voor het rentepercentage van bestaande hypotheken sluiten we aan op het gemiddelde rentepercentage gegeven door de Nederlandse Bank (2,85%). Voor de extra hypotheek die wordt afgesloten voor de investering in energiemaatregelen sluiten we aan de huidige marktrente. Voor extra energiebespaarhypotheken tot € 25.000 rekenen we met een rente van 1,5 procent en voor de hogere investeringsbedragen met 1,9 procent. De maximale hypotheek hangt ook af van de woningwaarde. Gebruikelijk mag tot maximaal 100% van de woningwaarde gefinancierd worden uit een hypotheek. In de financieringslastnormen van het Nibud wordt een uitzondering gemaakt voor investeringen in energiebesparende maatregelen, daarvoor mag de hypotheek oplopen tot maximaal 106% van de woningwaarde. Voor de woningwaarde maken we gebruik van gegevens van uit de microdata. De kosten voor het afsluiten van de hypotheek (zoals taxatiekosten) zijn in deze analyse niet meegenomen.
Deze kosten dienen te worden opgebracht uit de eigen middelen van het huishouden en kunnen niet gefinancierd worden uit de hypotheek zelf. Consumptief krediet Voor het berekenen van het maximale consumptief krediet sluiten we aan op gedragscode consumptief krediet 12. Hierin wordt het maximale consumptief krediet afgeleid van een leennorm die ervoor moet zorgen dat huishoudens een minimum budget overhouden om noodzakelijke bestedingen te kunnen doen. Van het overblijvende inkomen moeten aflossing en rente betaald kunnen worden. Voor de rente op bestaande consumptieve kredieten van huishoudens gaan we uit van het landelijke gemiddelde van 3,68 procent en de in de gedragscode gehanteerde looptijd van 50 maanden. De rente en looptijd voor de lening die wordt afgesloten voor de investering in energiemaatregelen is aangesloten op de Energiebespaarlening 13. Afhankelijk van het totale leenbedrag bedraagt de rente 1,6 tot 2,1 procent en een looptijd van 7 tot 20 jaar. Openstaande schulden De openstaande schulden van huishoudens zijn afkomstig uit de microdata van het CBS. Daarin wordt onderscheid gemaakt naar: 1 2 3 4
hypothecaire schulden voor de eigen woning; overige hypothecaire schulden (bijvoorbeeld tweede woning); studieschuld; overige schulden.
11 Warnaar, M., Bos, J., & Verbek, M. (2019). Financieringslastnormen 2020: Advies voor de financieringslastnormen van 2020. Nibud. 12 Gedragscode Consumptief Krediet (2012). Nederlandse Vereniging van Banken. 13 www.energiebespaarlening.nl rentestand april 2020
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 8
In onze analyse nemen we de overige hypothecaire schulden niet mee. We gaan namelijk uit van investeringen in energiemaatregelen van de eigen woning en de maximale hypotheek hebben we alleen voor de eigen woning berekend. De studieschuld en de overige schulden zijn als openstaand consumptief krediet beschouwd. De openstaande schulden zijn afgetrokken van de maximale hypotheek en consumptief krediet. Uitzonderingen, extra voorwaarden en restricties Huishoudens waarvan de leden ouder zijn kunnen minder makkelijk aan een extra lening komen. Bij de Energiebespaarlening wordt een leeftijdsgrens van 75 jaar gehanteerd. Bij hypotheken is er geen formele leeftijdsgrens, maar vanaf 56 jaar zijn er aanvullende voorwaarden die de mogelijkheid voor een hypotheek en het maximale bedrag beïnvloeden. In de berekeningen hebben we gehanteerd dat huishoudens waarvan de hoofdbewoner ouder is dan 75 geen extra krediet meer kan krijgen. In de praktijk van kredietverstrekking zijn er allerlei voorwaarden verbonden aan het krijgen en de hoogte van het krediet. Voorbeelden hiervan zijn het hebben van een stabiel inkomen en niet negatief geregistreerd staan bij het bureau krediet registratie (BKR). Ook gelden er restricties voor mensen die nog maar kort ZZPer of zelfstandige zijn. In de analyses hebben we geen rekening gehouden met deze uitsluitende voorwaarden.
Ook wordt er in de kredietverstrekking anders omgegaan met de bestaande openstaande schulden. Hiervoor gebruiken wij de huidige openstaande schuld (die al gedeeltelijk is afgelost) terwijl bij kredietverstrekking de kredietsom aan het begin van de lening wordt gehanteerd. Al deze uitzonderingen leiden ertoe dat de huidige analyse het aantal huishoudens die de investering in energiemaatregelen niet kunnen opbrengen waarschijnlijk wat te laag inschat.
Kader 1:
Wijken en buurten
De resultaten van de analyse van haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie voor huishoudens worden gepresenteerd voor wijken en buurten. Voor de grenzen van de wijken en buurten sluiten we aan op de indeling zoals deze door het CBS wordt geleverd. De grenzen van wijken en buurten worden niet door het CBS zelf bepaald maar worden door gemeenten aan het CBS aangeleverd. De gemeenten zijn hierbij vrij hun eigen grenzen te bepalen. Buurten zijn in deze indeling het laagste schaalniveau. Een buurt bestaat minimaal uit een aantal straten, maar ook grotere gebieden kunnen een buurt vormen. Een aantal buurten samen vormen een wijk. In de provincie Utrecht zijn er in totaal 910 buurten en 192 wijken in 26 gemeenten. Voor niet alle buurten en wijken zijn gegevens beschikbaar. Als er in een buurt of wijk minder dan 10 huishoudens zijn waarvoor de haalbaarheid en / of betaalbaarheid een probleem vormt dan mogen er in het kader van de privacy-regels geen gegevens worden verstrekt. In dit rapport laten we uit praktische overwegingen de resultaten zien op het niveau van wijken. Gegevens op buurtniveau zijn per gemeente beschikbaar.
9 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
2.2
BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIEREKENING De betaalbaarheid van de energierekening kan voor huishoudens om verschillende redenen een probleem zijn. Ten eerste kan de energierekening en relatief groot deel van het inkomen betreffen. We hanteren als grens 10 procent of meer van het besteedbaar inkomen. Dit is een gangbare en internationaal geaccepteerde norm ter indicatie van energie-armoede 14. Ten tweede kan het zo zijn dat huishoudens na het betalen van de energierekening te weinig overhouden om noodzakelijke bestedingen te kunnen doen. Deze laatste groep heeft een bestedingsrisico. De betaalbaarheid van de energierekening hangt dus af van de energiekosten en het inkomen dat een huishouden heeft. Voor het inkomen gaan we in de berekeningen uit van het besteedbaar inkomen zoals gegeven in de microdata. Van dit inkomen moeten namelijk de energierekening en de noodzakelijke bestedingen betaald worden. In navolging van andere onderzoeken 15 halen we van het besteedbaar inkomen de woonlasten af.
2.2.1
ENERGIEKOSTEN De kosten voor energie komen voort uit het gebruik van aardgas en elektriciteit 16. Deze kosten zijn opgebouwd uit verschillende componenten, namelijk: • • •
leveringskosten; netwerkkosten; belastingen. De leveringskosten hangen af van het energiegebruik, de netwerkkosten zijn voor het grootste deel vast. De belastingen bestaan uit BTW en specifieke energiebelastingen, zoals de opslag voor duurzame energie- en klimaattransitie (ODE). De totale leveringskosten worden berekend door de gemiddelde leveringskosten (CBS statline) te vermenigvuldigen met het energiegebruik per huishouden uit de microdata. Voor het berekenen van de netwerkkosten gaan we uit van de tarieven die Stedin (de grootste netwerkbeheerder in de provincie Utrecht) hanteert. De belastingtarieven zijn afkomstig van de belastingdienst.
14 Boardman, B. (1991). Fuel poverty: from cold homes to affordable warmth. London, United
Kingdom: Belhaven Press. Breukers, S., Agterbosch, S. & Mourik, R. (2020) Energietransitie: wie kunnen, willen en mogen er mee doen? Geaccepteerd voor publicatie in Beleid en Maatschappij (BenM). Schellekens, J., Oei, A., Haffner, R. (2019) De financiële gevolgen van de warmtetransitie, Een onderzoek naar de investeringsuitdaging, effecten op energie-betaalbaarheid en het potentieel van (nieuwe) financieringsvormen. Studie in opdracht van Milieudefensie. Ecorys Rotterdam, Februari 2019. Rotterdam, 13-2-2019 15 Moore, R. (2012). Defintions of fuel poverty: Implications for policy. Energy Policy, 49, 19-26. Middelkoop, M. van, Polen, S. van, Holtkamp, R., & Bonnerman, F. (2018). Meten met twee maten: Een studie naar de betaalbaarheid van de energierekening van huishoudens. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving. 16 Er zijn ook woningen met aansluitingen op stadsverwarming, het energiegebruik in de vorm van warmte is voor deze woningen niet bekend. Voor deze woningen vindt er dus onderschatting van het aantal huishoudens met mogelijk problemen met het betalen van de energierekening plaats.
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 10
2.2.2
WOONLASTEN De woonlasten van huishoudens zijn niet direct beschikbaar in de microdata van het CBS. Hierdoor hebben we de woonlasten moeten bepalen op basis van gemiddelden die door het CBS worden gegeven. De gemiddelden zijn verkregen voor de onderstaande huishoud- en woningkenmerken: • • •
2.2.3
inkomensgroep (20% verdeling) van het huishouden; woningoppervlakte (per 75 m2); huur- of koopwoning.
NOODZAKELIJKE BESTEDINGEN Voor de noodzakelijke bestedingen sluiten we, in navolging van het PBL, aan op de armoedegrenzen van het SCP. Het SCP gaat uit van twee definities: namelijk het ‘basisbehoeftebudget’ en het ‘niet-veel-maar-toereikend budget’ 17. Het verschil wordt gevormd doordat in het ‘niet-veel-maar-toereikend budget’ ook een kleine post voor sociale participatie is opgenomen. Voor haar eigen berekeningen gaat het SCP uit van het ‘niet-veel-maar-toereikend budget’. Voor een alleenstaande is het ‘niet-veel-maar-toereikend budget’ € 1.135,- per maand. Voor meerpersoonshuishoudens wordt het budget vermenigvuldigd met een factor die afhankelijk is van de samenstelling van het huishouden.
2.3
DOELGROEPENANALYSE Van de groepen huishoudens waarvoor de haalbaarheid van de investering of de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is, is nagegaan hoe deze zijn samengesteld. Daarbij is onderscheid gemaakt naar: • • • • • •
leeftijd: naar vier categorieën naar leeftijd van de hoofdbewoner; inkomstenbron: de belangrijkste inkomstenbron van het huishouden; migratieachtergrond: geboorteland van de hoofdbewoner of van de ouders van de hoofdbewoner buiten Nederland; eigendom woning: of de bewoner een huurder is of een eigen woning heeft; uitgeponde woning: de woning is de afgelopen vijf jaar overgegaan van huur naar koop; energetisch slechte woning: een woning met energielabel E tot en met G.
Bij de samenstelling wordt ook een vergelijk gemaakt met de gemiddelde samenstelling van de bevolking.
17 Hoff, S., Hulst, B. van, Wildeboer Schut, J.M., & Goderis, B (2019). Armoede in kaart 2019.
Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau.
11 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
3
HAALBAARHEID VAN DE INVESTERING Het aandeel huishoudens met een koopwoning dat geen eigen geld heeft of leningen kan afsluiten om te investeringen in energiemaatregelen ligt in Utrecht minimaal tussen de 6 en 12 procent. Of een huishouden energiemaatregelen niet kan financieren hangt uiteraard af van het benodigde investeringsbedrag. In figuur 2 zijn de percentages en aantallen huishoudens per investeringsbedrag in de provincie Utrecht opgenomen. Opvallend is dat het aandeel huishoudens bij een investeringsbedrag van € 12.500,- lager ligt dan bij € 5.000,-. Dit komt door de gunstigere voorwaarden (vooral een langere looptijd en daarmee lagere aflossing per maand) van de Energiebespaarlening bij een hoger leenbedrag. De genoemde percentages en aantallen hebben betrekking op de haalbaarheid vanwege financiële overwegingen. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor er geen financiering verstrekt kan worden (zie paragraaf 2.1.2 onderaan).
Percentage eigenaar-bewoners die niet kunnen investeren
14% 12%
42.500
10%
37.700 32.500
8% 6%
27.100 20.500
4% 2% 0% tot € 5.000
tot € 12.500
tot € 25.000
tot € 40.000
tot € 65.000
Investeringsbedrag Figuur 2
3.1
Percentages en aantallen huishoudens met een koopwoning die energiemaatregen niet kunnen financieren per investeringsbedrag in de provincie Utrecht
VERSCHILLEN IN DE PROVINCIE Kijken we naar de geografische spreiding van de huishoudens, die energiemaatregelen niet kunnen financieren (zie figuur 3) dan zien we dat relatief de meeste huishoudens te vinden zijn in het oostelijke en noordelijke deel van de provincie. Daarbij lijkt het ook dat deze huishoudens relatief gezien vaker een woning hebben in het buitengebied. Ten opzichte van de steden gaat het daarbij om kleinere aantallen omdat de bevolkingsdichtheid in steden groter is. Bij een investeringslast van € 25.000,- loopt het aandeel huishoudens met een koopwoning dat geen eigen geld heeft of leningen kan afsluiten om dit bedrag te financieren op wijkniveau uiteen van 2,1 tot en met 35,2%. De verschillen zijn dus aanzienlijk.
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 12
Huishoudens waarvoor investeringen tot € 25.000 niet haalbaar zijn < 4% 4 - 10% 10 - 13% 13 - 18% > 18% minder dan 10 huishoudens minder dan 10 huishoudens die niet kunnen investeren
Figuur 3
3.2
Het percentage eigenaar-bewoners met een koopwoning per wijk in de provincie Utrecht, die geen investering van € 25.000 op kunnen brengen.
WAAR KOMT HET GELD VANDAAN Energiemaatregelen zijn te financieren uit verschillende bronnen. In dit onderzoek is gekeken naar bank- en spaartegoeden, hypotheken en andere leningen. We hebben, op basis van landelijke cijfers, gekeken naar de wijze waarop huishoudens energiemaatregelen kunnen financieren (zie figuur 4 voor een indicatieve weergave). Als huishoudens alleen bank- en spaartegoeden hiervoor aanwenden dan kan ongeveer 40% van de huishoudens de maatregelen bekostigen. Nog eens 40% kan de maatregelen financieren uit bank- en spaartegoeden en een extra hypotheek. Van de overblijvende 20% kan de helft de maatregelen financieren uit een combinatie van bank- en spaartegoeden, een extra hypotheek en een additioneel consumptief krediet (bijvoorbeeld uit het Energiebespaarfonds). Bij deze indicatieve analyse hebben we geen rekening gehouden met individuele keuzes van huishoudens, alleen met de mogelijke middelen voor financiering. Zo kunnen huishoudens andere bestemmingen hebben voor hun spaargeld of een consumptief krediet verkiezen boven een hypotheek.
13 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
Figuur 4
ACHTERGRONDKENMERKEN VAN HUISHOUDENS, WAARVOOR DE FINANCIERING VAN ENERGIEMAATREGELEN NIET HAALBAAR IS Huishoudens die energiemaatregelen niet kunnen financieren zijn niet evenredig verdeeld naar (achter)grondkenmerken. In deze paragraaf wordt de samenstelling van deze groep gegeven naar leeftijd, inkomstenbron, migratieachtergrond en het hebben van een uitgeponde woning of een woning met een slechte energetische kwaliteit (energielabel E tot en met G). De achtergrondkenmerken kunnen van invloed zijn op de manier waarop de groep van huishoudens die geen financiering kunnen krijgen te benaderen 18.
Percentage eigeinaar-bewoners
3.3
Indicatie van de verdeling van mogelijke financieringsvormen voor energiemaatregelen (bij een investering van € 25.000, op basis van landelijke cijfers)
60%
14.800
40%
9.500
20%
6.100 0%
2.200 35 jaar of jonger
36 tot 55 jaar
56 tot 75 jaar
ouder dan 75 jaar
Leeftijdscategorie t.o.v. totaal eigenaar-bewoners Figuur 5
t.o.v. eigenaar-bewoners die niet kunnen investeren
Het percentage eigenaar-bewoners met een koopwoning die een investering van € 25.000 niet op kunnen brengen naar leeftijd
18 De analyse van achtergrondkenmerken is niet bedoeld als verklaring voor het wel of niet
haalbaar zijn van een financiering voor energiemaatregelen. Hoewel de verschillen tussen de groepen groot zijn, zijn de statistische effecten klein.
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 14
Leeftijd Kijken we naar de verschillen in leeftijd van de hoofdbewoner dan zien we dat meeste huishoudens die de investering niet op kunnen brengen vallen in de categorie boven de 75 jaar (zie figuur 5). Deze leeftijdscategorie is oververtegenwoordigd. Het hoge aandeel in de categorie 75 jaar en ouder komt doordat deze huishoudens (in de analyse) zijn uitgesloten van het aangaan van extra leningen. Inkomstenbron
Percentage eigeinaar-bewoners
De verdeling van het aantal huishoudens dat de investering in energiemaatregelen niet op kan brengen naar inkomstenbron overlapt met de verdeling naar leeftijd. Huishoudens die pensioen als belangrijkste inkomstenbron hebben zijn de grootste groep en zijn sterk oververtegenwoordigd (zie figuur 6). De groep huishoudens met loon als belangrijkste inkomstenbron is groot, maar is wel de enige groep waar huishoudens die de investering niet op kunnen brengen niet oververtegenwoordigd is. 80%
60% 16.200
40%
20%
10.100 3.200
0% loon
zelfstandige
1.700
1.400 uitkering
pensioen
overig
Inkomenstenbron t.o.v. totaal eigenaar-bewoners Figuur 6
t.o.v. eigenaar-bewoners die niet kunnen investeren
Percentages eigenaar-bewoners die een investering van € 25.000 niet op kunnen brengen naar inkomstenbron
Migratieachtergrond Huishoudens met een migratieachtergrond hebben een iets grotere kans om investeringen in energiemaatregelen niet op te kunnen brengen (zie figuur 7). De verschillen met de bevolkingssamenstelling zijn echter klein.
15 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
t.o.v. totaal eigenaarbewoners
87,7%
12,3%
t.o.v. eigenaarbewoners die niet kunnen investeren
84,5%
5.000 15,5%
geen migratieachtergrond Figuur 7
met migratieachtergrond
Percentages eigenaar-bewoners die een investering van € 25.000 niet op kunnen brengen naar migratieachtergrond
Energetische kwaliteit woning
t.o.v. totaal eigenaarbewoners
Een derde van de huishoudens die de investering in energiemaatregelen niet op kunnen brengen woont in een woning met een slechte energetische kwaliteit (zie figuur 8). Dit is relatief gezien iets meer dan het totaal aantal huishoudens dat in Utrecht in een energetisch slechte woning woont. Deze huishoudens naar verwachting een hoge investeringslast te financieren, gezien de slechtere energetische kwaliteit van de woning.
t.o.v. eigenaarbewoners die niet kunnen investeren
72,8%
66,8%
energetisch gemiddeld of goede woning Figuur 8
27,2%
10.800 33,2%
energetische slechte woning
Percentages eigenaar-bewoners met een koopwoning die een investering van € 25.000 niet op kunnen brengen naar energetische woningkwaliteit
Uitgeponde woning Van het totaal aantal huishoudens in een koopwoning woont 8,3% in een uitgeponde woningen (zie figuur 9). Van de groep huishoudens, die geen investering op kan brengen woont 8,2% tot 8,5% in een uitgeponde woning (afhankelijk van het investeringsbedrag). Huishoudens in een uitgeponde woning HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 16
t.o.v. totaal eigenaarbewoners
91,7%
8,3%
t.o.v. eigenaarbewoners die niet kunnen investeren
zijn dus niet oververtegenwoordigd. Daarvoor zijn verschillende verklaringen denkbaar. Huishoudens in een uitgeponde woning hebben relatief vaak een overwaarde op het huis, omdat ze de woning tegen een relatief laag bedrag hebben kunnen kopen. Ook kan het zijn dat uitgeponde woningen bovengemiddeld vaak gekocht zijn door zogenaamde ‘scheefhuurders’, ofwel de hogere inkomensgroepen binnen het huurdersbestand.
91,5%
2.700 8,5%
reguliere koopwoning Figuur 9
uitgeponde woning
Percentages eigenaar-bewoners met een uitgeponde woning die een investering van € 25.000 niet op kunnen brengen
17 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
4
BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIEREKENING
Percentage huishoudens waarvoor de betaalbaaheid een probleem is
De betaalbaarheid van de energierekening kan voor huishoudens een probleem opleveren doordat de energierekening een (te) groot deel van het inkomen betreft, of doordat ze na betaling van de energierekening te weinig overhouden voor het voldoen van noodzakelijke bestedingen (bestedingsrisico). In figuur 10 is te zien dat de totale groep, van huishoudens waarvoor de betaalbaarheid een probleem is, in de provincie Utrecht ongeveer 11% van het aantal huishoudens betreft. De groep met een bestedingsrisico is iets groter dan de groep met een relatief hoge energierekening. 12% 67.300
10% 8% 47.500 6%
39.200
4% 2% 0% bestedingsrisico
Figuur 10
4.1
hoge energierekening
Totaal
Percentages en aantallen huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is in de provincie Utrecht
VERSCHILLEN IN DE PROVINCIE De verdeling over de provincie van het aantal huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is, is anders dan van de huishoudens die de investering niet op kunnen brengen (zie figuur 11). Huishoudens waarvoor de betaalbaarheid een probleem is wonen vaker in de stedelijke gebieden. Dit komt doordat huishoudens met een laag inkomen ook vaker in de stad wonen . Het aandeel huishoudens, waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is, loopt op wijkniveau uiteen van 2,9% tot en met 29,7%. Wijken verschillen dus van elkaar.
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 18
Huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is < 5% 5 - 10% 10 - 15 % 15 - 25% > 25% minder dan 10 huishoudens minder dan 10 huishoudens waarvoor betaalbaarheid een probleem is
Figuur 11
4.2
Het percentage huishoudens per wijk in de provincie Utrecht met een relatief hoge energierekening en/of een bestedingsrisico
ACHTERGRONDKENMERKEN VAN DE GROEP HUISHOUDENS WAARVOOR DE BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIEREKENING EEN PROBLEEM IS Ook voor huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is, hebben we gekeken naar de samenstelling. Naast leeftijd, inkomstenbron, migratieachtergrond, het hebben van een uitgeponde woning of een woning met een slechte energetische kwaliteit (energielabel E tot en met G), kijken we hier ook naar de verschillen tussen huishoudens in een koop- of huurwoning, omdat de betaalbaarheid van de energierekening ook voor huurders een probleem kan zijn.
19 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
Koop- of huurwoning
t.o.v. totaal huishoudens
Het blijkt dat veruit de meesten mensen waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is in een huurwoning wonen (zie figuur 12).
t.o.v. huishoudens waarvoor betaalbaarheid een probleem is
42,1%
57,9%
53.300 79,1%
huur Figuur 12
14.000 20,9%
koop
Percentages huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is naar woningeigendom
Leeftijd De meeste huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is vallen in de jongste leeftijdscategorie (zie figuur 13). Dit komt doordat jongeren vaker nog een laag inkomen hebben. In de groep huishoudens waarvan de hoofdbewoner ouder is dan 75 jaar is het aantal huishoudens waarvoor de betaalbaarheid een probleem relatief gezien laag, maar deze groep kent wel een kleine oververtegenwoordiging ten opzichte van de bevolkingssamenstelling.
Percentage huishoudens
40% 30%
24.700
17.200
20%
16.700
10%
8.800
0% 35 jaar of jonger
36 tot 55 jaar
56 tot 75 jaar
ouder dan 75 jaar
Leeftijdscategorie t.o.v. totaal huishoudens t.o.v. huishoudens waarvoor betaalbaarheid een probleem is Figuur 13
Percentages huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is naar leeftijd
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 20
Inkomstenbron Als we differentiëren naar inkomstenbron zien we dat de grootste groep van huishoudens, waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is, te vinden is bij de huishoudens die inkomsten uit loon ontvangen (zie figuur 14). De grootte van deze groep is wel duidelijk lager dan verwacht mag worden op basis van de verdeling naar inkomstenbron van alle huishoudens in de provincie Utrecht. De grootste oververtegenwoordiging zien we bij huishoudens die een uitkering ontvangen, dit valt uiteraard samen met de relatief lage inkomens in deze groep. Ook bij zelfstandigen is een lichte oververtegenwoordiging te zien. Opvallend is de lichte ondervertegenwoordiging van huishoudens met een pensioen, dit in tegenstelling tot de groep ouder dan 75 jaar.
Percentage huishoudens
60% 50% 40% 30% 20%
20.400
10%
16.900
14.800 9.700
5.500
0% loon
zelfstandige
uitkering
pensioen
overig
Inkomstenbron t.o.v. totaal huishoudens t.o.v. huishoudens waarvoor betaalbaarheid een probleem is Figuur 14
Percentages huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is naar inkomstenbron
21 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
Migratieachtergrond
t.o.v. totaal huishoudens
Wanneer we differentiëren naar migratieachtergrond zien we dat groep huishoudens met een migratieachtergrond vaker problemen heeft met de betaalbaarheid van de energierekening dan huishoudens zonder migratieachtergrond (zie figuur 15). Dit houdt waarschijnlijk verband met de gemiddeld lagere inkomens van huishoudens met een migratieachtergrond 19.
t.o.v. huishoudens waarvoor betaalbaarheid een probleem is
79,4%
66,5%
geen migratieachtergrond Figuur 15
20,6%
22.600 33,5%
met migratieachtergrond
Aandelen huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is naar migratieachtergrond
Energetische kwaliteit woning Figuur 16 geeft de verdeling van huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is, voor huishoudens met een energetisch slechte woning (energielabel E tot en met G). Hiervoor zijn twee redenen aan te geven. Ten eerste is zal de energierekening van de huishoudens in slechte woningen gemiddeld hoger liggen. Ten tweede kan het zo zijn dat mensen met lagere inkomens vaker in een slechte woning wonen, omdat de huur hiervoor gemiddeld lager is.
19 Het landelijk gemiddeld besteedbaar inkomen van huishoudens zonder migratieachtergrond
van € 43.900 en voor huishoudens met een migratieachtergrond van € 28.400 (bron CBS statline situatie 2018).
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 22
t.o.v. totaal huishoudens t.o.v. huishoudens waarvoor betaalbaarheid een probleem is
74,0%
26.000 38,6%
61,4%
energetisch gemiddeld of goede woning Figuur 16
26,0%
energetische slechte woning
Percentages huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is naar energetische kwaliteit van de woning
Uitgeponde woning
t.o.v. huishoudens waarvoor betaalbaarheid een probleem is
t.o.v. totaal huishoudens met een koopwoning
In figuur 17 is de verdeling van huishoudens met of zonder een uitgeponde woning opgenomen. Daarbij kijken we alleen naar huishoudens met een koopwoning, omdat uitgeponde woningen per definitie koopwoningen zijn. De percentages huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is, ligt bij uitgeponde woningen hoger dan het totale percentage uitgeponde woningen. Een verklaring zou kunnen zijn dat uitgeponde woningen vaker oudere en energetisch slechtere woningen zijn waardoor de energierekening hoger uitvalt. Daarnaast is het inkomen van huishoudens in een uitgeponde woning (ten opzichte van het gemiddelde inkomen van mensen met een koopwoning) mogelijk lager.
74,0%
2.400 38,6%
61,4%
reguliere koopwoning Figuur 17
26,0%
uitgeponde woning
Percentages huishoudens waarvoor de betaalbaarheid van de energierekening een probleem is met een (uitgeponde) koopwoning
23 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
COMBINATIE VAN PROBLEMEN BIJ HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID Bij huishoudens waar zowel de betaalbaarheid van de energierekening als de haalbaarheid van investeringen een probleem is vindt een stapeling van problemen plaats. Ze zijn een groot deel van het inkomen kwijt aan energiekosten en kunnen ook niet investeren in het energiezuinig maken van hun woning. Door de naar verwachting stijgende energieprijzen zal voor deze groep de betaalbaarheid van de energierekening een steeds groter probleem worden. In deze analyse is deze groep beperkt tot huishoudens met een koopwoning. Deze groep bestaat, afhankelijk van het investeringsbedrag, uit 5 tot 7,7 duizend huishoudens (zie figuur 18). Dit is ongeveer 20 tot 25% van de totale groep huishoudens die de investering in energiemaatregelen niet op kunnen brengen (figuur 2). 2,5%
Percentage eigenaar-bewoners waarvoor de betaalbaarheid en haalbaarheid een prolbeem is
5
2,0%
7.200
6.700 1,5%
5.600
7.700
5.300
1,0% 0,5% 0,0% tot € 5.000
tot € 12.500
tot € 25.000
tot € 40.000
tot € 65.000
Investeringsbedrag Figuur 18
Aantallen en percentages eigenaar-bewoners waarvoor zowel de haalbaarheid als de betaalbaarheid een probleem is
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 24
6
CONCLUSIES EN SAMENVATTING Om de gevolgen van opwarming van de aarde tegen te gaan, moeten we als samenleving overstappen van het gebruik van kolen, olie en gas naar duurzame energiebronnen. Om dat te realiseren zijn in het Klimaatakkoord ambitieuze doelen gesteld: de ambitie is om alle woningen de komende 30 jaar gefaseerd en stapsgewijs via een wijkgerichte aanpak te isoleren en aardgasvrij te maken (of tenminste gereed te maken voor omschakeling naar een andere duurzame warmtevoorziening) 20. De provincie Utrecht onderschrijft deze doelstelling en wil in 2040 al energieneutraal zijn. Om dat waar te maken moeten de komende 20 jaar 555.560 woningen verduurzaamd worden, waarvan 330.600 koopwoningen en 224.900 huurwoningen. Veel van deze woningen zijn nu maar matig geïsoleerd en worden nog verwarmd met aardgas. Er is dus werk aan de winkel en versnelling is gewenst. De provincie Utrecht wil deze versnelling helpen realiseren op een wijze die voor alle inwoners in de provincie haalbaar en betaalbaar is. Dit noemt zij de inclusieve energietransitie. Deze studie onderzocht deze ambitie tot haalbaarheid en betaalbaarheid voor iedereen.
6.1
HAALBAARHEID VAN DE INVESTERING Om de haalbaarheid in kaart te brengen hebben we gekeken naar de financieringsruimte van huishoudens met een koopwoning. We hebben onderzocht in hoeverre huishoudens met een koopwoning de mogelijkheid hebben om de investeringen die nodig zijn voor het verduurzamen van de woning te financieren bij verschillende investeringsbedragen. De financieringsruimte van huishoudens is opgebouwd uit vrij besteedbaar vermogen en leenruimte. Als de financieringsruimte kleiner is dan de benodigde investering dan is het voor een huishouden in technisch-financiële zin niet haalbaar om verduurzamingsmaatregelen te bekostigen. Afhankelijk van het investeringsbedrag (we zijn uitgegaan van €5.000,- tot € 65.000,- ) hebben 5,9 tot 12,1 procent van alle huishoudens in de provincie Utrecht onvoldoende financieringsruimte. Het gaat om 19.400 tot 40.100 huishoudens met een koopwoning verspreid over Utrecht. Deze groep huishoudens heeft de afgelopen jaren niet kunnen participeren in de energietransitie, ongeacht een eventuele individuele motivatie daartoe. Ook als ze onderdeel waren van een wijkaanpak aardgasvrij of als eigenaar van een koopwoning in gespikkeld bezit geconfronteerd werden met een renovatieproces van een woningcorporatie, konden ze hieraan niet meedoen en profiteren van de voordelen die dit bood.
Met de komst van de nieuwe maatwerklening in het Warmtefonds 21 gaat daar vanaf begin 2021 verandering in komen. Maar alleen
20 Ministerie van Economische Zaken en Koningsrelaties (2019). Klimaatakkoord. Den Haag.
Directoraat-generaal Energie, Telecom en Mededinging: 28 juni 2019 21 Kamerbrief over Warmtefonds – kenmerk 2020-0000131097
25 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
voor huishoudens, die onderdeel zijn van een wijkaanpak 22 of eigenaar zijn van een uitgeponde woning binnen een renovatieproject van een woningcorporatie. Niet haalbaar naar inkomstenbron Als we kijken naar de inkomstenbron dan zien we dat mensen in loondienst een substantiële groep (30%) vormen binnen de totale groep huishoudens die de investering niet op kunnen brengen. Het gaat om 10.100 huishoudens met inkomsten uit loon. Verder valt op dat zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden oververtegenwoordigd zijn. Het gaat om 3.200 zelfstandigen en 1.400 huishoudens met een uitkering en een koopwoning die onvoldoende financieringsruimte hebben. Voor deze groep huishoudens geldt bovengemiddeld vaak dat zij in de praktijk van de (groene) kredietverstrekking ook niet aan overige voorwaarden kunnen voldoen. Voorwaarden zijn bijvoorbeeld het hebben van een stabiel inkomen en het niet negatief geregistreerd staan bij het bureau krediet registratie (BKR). Ook gelden er restricties voor mensen die nog maar kort ZZP-er of zelfstandige zijn. Als we kijken naar het aandeel gepensioneerden dan zien we dat ook deze groep oververtegenwoordigd is. Dat komt omdat ouderen (> 75 jaar) uitgesloten zijn van hypothecaire leningen. Alleen 75-plussers met voldoende bank- en spaartegoeden zijn zodoende in staat de duurzaamheidsmaatregelen te financieren.
Ook daar gaat met de komst van de maatwerklening binnen het Warmtefonds verandering in komen. Althans voor die ouderen, die te maken krijgen met een wijkaanpak of die als eigenaar van een uitgeponde woning te maken krijgen met een renovatieproject van een woningcorporatie. Niet haalbaar en in een energetisch slechte woning Wanneer we verder inzoomen op de groep huishoudens, waarvoor de investering niet financierbaar is dan zien we dat 33% van deze huishoudens in een energetisch slechte woning woont. Het gaat om 10.800 huishoudens. Voor deze huishoudens heeft het niet kunnen investeren en participeren in de energietransitie relatief grote gevolgen bij stijgende energieprijzen.
6.2
BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIEREKENING De betaalbaarheid van de energierekening kan voor huishoudens om verschillende redenen een probleem zijn. Ten eerste kan de energierekening een relatief groot deel van het inkomen betreffen. We hanteren als grens 10 procent of meer van het besteedbaar inkomen. Dit is een gangbare en internationaal geaccepteerde norm ter indicatie van energie-armoede 23. Ten tweede kan het zo
22 Wanneer er sprake is van een wijkaanpak is vooralsnog niet gedefinieerd. 23 Boardman, B. (1991). Fuel poverty: from cold homes to affordable warmth. London, United
Kingdom: Belhaven Press. Breukers, S., Agterbosch, S. & Mourik, R. (2020) Energietransitie: wie kunnen, willen en mogen er mee doen? Geaccepteerd voor publicatie in Beleid en Maatschappij (BenM). Schellekens, J., Oei, A., Haffner, R. (2019) De financiële gevolgen van de warmtetransitie, Een onderzoek naar de investeringsuitdaging, effecten op energie-betaalbaarheid en het potentieel van (nieuwe) financieringsvormen. Studie in opdracht van Milieudefensie. Ecorys Rotterdam, Februari 2019. Rotterdam, 13-2-2019
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 26
zijn dat huishoudens na het betalen van de energierekening te weinig overhouden om noodzakelijke bestedingen te kunnen doen. Deze laatste groep heeft een bestedingsrisico. In totaal heeft 11 procent van de huishoudens (koop en huur) in Utrecht te maken met ofwel een relatief hoge energierekening (meer dan 10%) ten opzichte van het besteedbaar inkomen en/of onvoldoende bestedingsruimte voor het doen van noodzakelijke uitgaven na het betalen van de energierekening. Het gaat om 67.300 huishoudens verspreid over de provincie Utrecht. Niet betaalbaar naar inkomstenbron Als we binnen deze groep huishoudens kijken naar de huishoudens die behoren tot de beroepsbevolking (werkend of beschikbaar voor werk) dan valt opnieuw op (net als bij haalbaarheid) dat mensen in loondienst ondervertegenwoordigd zijn ten opzichte van de bevolkingssamenstelling maar desondanks een substantiële groep (30,3%) vormen. Het gaat om 20.400 huishoudens met inkomsten uit loon. Zelfstandigen, en met name mensen met een uitkering, zijn oververtegenwoordigd. Het gaat om 5.500 zelfstandigen en 16.900 huishoudens met een uitkering, die een relatief hoge energierekening (meer dan 10%) hebben ten opzichte van het besteedbaar inkomen en/of onvoldoende financiële ruimte overhouden voor het doen van noodzakelijke bestedingen na het betalen van de energierekening.
Gepensioneerden zijn juist ondervertegenwoordigd: het gaat om 10,5 procent van alle gepensioneerden in Utrecht (14.800 huishoudens). Niet betaalbaar en in een energetisch slechte woning Wanneer we verder inzoomen op de groep huishoudens met mogelijke betalingsproblemen dan zien we dat 38,6% in een energetisch slechte woning woont. Het gaat om 26.000 huishoudens. Voor deze huishoudens is woonlastenneutraliteit bij het verduurzamen van de woning randvoorwaardelijk (zowel voor huurders als voor woningeigenaren) omdat zij bij stijgende woonlasten direct een bestedingsrisico lopen (onvoldoende ruimte voor noodzakelijke bestedingen). Verder zullen stijgende energieprijzen – wanneer de woning niet verduurzaamd wordt – vrij snel gevolgen hebben voor de bestaanszekerheid van deze groep. Niet betaalbaar: vooral huurders Het merendeel van de huishoudens, die een relatief hoge energierekening (meer dan 10%) hebben ten opzichte van het besteedbaar inkomen en/of onvoldoende financiële ruimte overhouden na het betalen van de energierekening huurt een woning (79,1%). Dat zijn 53.300 huurders. Wanneer woningcorporaties of private verhuurders niet investeren in het verduurzamen van de woningen van deze huurders en de energieprijzen gaan stijgen zal dat meteen van invloed zijn op de bestedingszekerheid van deze groep.
Wanneer zij wel investeren in het verduurzamen van deze woningen zullen zij rekening moeten houden met de beperkte bestedingsruimte van de huurders.
27 | HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT
6.3
NIET HAALBAAR EN NIET BETAALBAAR Tot slot is een aandachtspunt dat tussen de 20 en 25% van de huishoudens, die niet kunnen investeren, ook een relatief hoge energierekening (meer dan 10%) hebben ten opzichte van het besteedbaar inkomen, en/of onvoldoende financiële ruimte voor het doen van noodzakelijke bestedingen na het betalen van de energierekening. Het gaat in totaal om 5.000 tot 7.700 huishoudens in Utrecht. Deze huishoudens vormen een risicogroep. Wanneer zij geen onderdeel zijn van een wijkaanpak of eigenaar zijn van een uitgeponde woning binnen een renovatieproject van de woningcorporatie kunnen zij hun woning niet verduurzamen. Stijgende energieprijzen zullen de bestedingszekerheid van deze groep vrijwel zeker aantasten.
HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID VAN DE ENERGIETRANSITIE IN UTRECHT | 28
7
BELEIDSIMPLICATIES Gemeenten zijn geen homogene entiteit. Er zijn verschillen tussen wijken en buurten qua leefbaarheid, sociaal-economische samenstelling van de bevolking enz. Dat blijkt ook weer uit deze analyse naar de haalbaarheid van investeringen en de betaalbaarheid van de energierekening. Er zijn in vrijwel iedere gemeente buurten met relatief veel huishoudens die niet kunnen investeren (tot bijna 22% van de huishoudens in een buurt) en buurten met relatief veel huishoudens, waarvoor de betaalbaarheid een probleem is (tot meer dan 17% van de huishoudens in een buurt). Deze cijfers illustreren dat de kansen en mogelijkheden om mee te doen aan de energietransitie niet evenredig zijn verdeeld. Niet alle huishoudens zijn in technisch-financiële zin in staat om te participeren en de gevolgen van het niet participeren zijn ongelijk verdeeld.
7.1
KENNIS OVER HAALBAARHEID EN BETAALBAARHEID Kennis over de haalbaarheid van de investering en de betaalbaarheid van de energierekening voor huishoudens op buurtniveau biedt een aanvullend perspectief bij de vormgeving van de gemeentelijke Transitievisies Warmte. En ook voor woningcorporaties geldt dat kennis over betaalbaarheid onder huurders, maar ook over haalbaarheid en betaalbaarheid bij voormalige huurders, een aanvullend perspectief biedt bij het plannen en vormgeven van renovatieprocessen. Inzetten op verduurzaming door middel van een wijkaanpak of een renovatieproject heeft immers niet alleen invloed op de mogelijkheden van huishoudens in de betreffende wijken om te participeren, maar ook invloed op de huishoudens in wijken die nog niet aan de beurt zijn. Huishoudens die niet kunnen investeren in buurten buiten een wijkaanpak profiteren niet van de kansen die geboden worden om te verduurzamen via bijvoorbeeld de nieuwe maatwerklening binnen het Warmtefonds. En deze huishoudens ervaren evenmin de toegevoegde waarde die de energietransitie kan genereren zoals een gezondere en meer comfortabele woning en een lagere energierekening. Meebetalen aan de energietransitie doen ze wel, bijvoorbeeld via de Opslag Duurzame Energie (ODE).
In buurten waarin deze huishoudens oververtegenwoordigd kan dit ondermijnend zijn voor de veerkracht van de bewoners – zeker bij stijgende energieprijzen. Het is daarom zinvol om te monitoren hoe de verdeling van de lusten en lasten van de energietransitie uitpakt voor respectievelijk voorlopers, volgers en achterlopers. Dat kan door de impact van beleidsmaatregelen, zoals de planning van wijken of van renovaties, op de haalbaarheid en betaalbaarheid in buurten door te rekenen en te monitoren. En door gericht onderzoek te doen naar duurzaamheidbewustzijn en -gedrag onder verschillende segmenten in de samenleving.