1 - toelichting BPKweldamLekdijk.pdf
Tekst van het document
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek
Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak voor prehistorie tot middeleeuwen. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk (bruin).
31
Afbeelding 15: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
Het plan voorziet niet in bodemingrepen groter dan 250 m², waardoor een archeologisch onderzoek niet nodig is. De archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan ‘Kernen Zederik’ wordt overgenomen in het voorliggend bestemmingsplan. Conclusie Het plan voorziet niet in bodemingrepen groter dan 250 m², waardoor een archeologisch onderzoek niet nodig is. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Indien een archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht, zal deze als voorwaarde worden opgenomen bij de omgevingsvergunningaanvraag. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’ en bijbehorende regels uit het bestemmingsplan ‘Herziening Kernen Zederik’ overgenomen in het onderhavige bestemmingsplan.
32
5.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijvoorbeeld evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur.
Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een Awatergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water-aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen A- en/of B-watergangen gelegen.
Binnen het plangebied zijn twee C-watergang gelegen (044313 en 044316). De bouwwerkzaamheden vinden buiten deze watergangen plaats. Voor de bouwwerkzaamheden hoeft derhalve geen watervergunning bij het Waterschap Rivierenland aangevraagd te worden.
33
Afbeelding 16: Uitsnede Legger wateren
Onderzoek Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (20210602-9-26679). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW001. Het peilgebied heeft een zomerpeil van 1,44 m NAP en een winterpeil van -1,44 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.
Afbeelding 17: Uitsnede peilgebiedenkaart Alblasserwaard
34
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Verharding Schuur behorende bij Lekdijk 46
Oppervlakte 641 m² 115 m²
Totaal bestaande situatie
756 m²
Nieuwe situatie Schuur behorende bij Lekdijk 46 Nieuwe bebouwing Eventueel bijgebouw 75 m² per woning Verharding
115 m² 155 m² 150 m² 311 m²
Totaal nieuwe situatie
731 m²
Verschil
25 m² afname
Afbeelding 18: Nieuwe percelen
Het onderhavige plan resulteert in een afname aan verharding van 25 m2. Op basis hiervan is het realiseren van watercompensatie niet noodzakelijk. 35
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering)
Conform de Leidraad Riolering en het wetenschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. Het hemelwater wordt (vertraagd) afgevoerd naar C-watergang 044316. Primaire waterkering Het plangebied is gelegen in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering ‘de Lekdijk’. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding.
Afbeelding 19: Uitsnede legger waterkeringen
36
De nieuwe woningen vallen buiten de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland is hiermee niet vereist dan wel noodzakelijk. Op basis van de Barro (2012) wordt op de verbeelding ter plaatse van de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ opgenomen. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingszone als bedoeld in de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone grondwaterbeschermingsgebied' zijn bestemd voor het beschermen van grondwater. Het heien van palen is toegestaan, mits geen palen met verbrede voet worden gebruikt. In het onderhavige plan worden geen handelingen uitgevoerd die de deklaag kunnen beschadigen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ overgenomen in het bestemmingsplan. Voorschriften werkzaamheden in de omgeving van waterwinningen Oasen is voor de drinkwatervoorziening aangewezen op grondwater, dat gewonnen wordt in zandlagen op 15 tot 100 meter diepte. Dit grondwater is kwetsbaar voor verontreinigingen.
Om te voorkomen dat het grondwater vervuild raakt door verontreinigingen aan de oppervlakte of door het toenemend gebruik van de ondergrond, heeft de provincie ‘milieubeschermingsgebieden voor grondwater’ aangewezen. De milieubeschermingsgebieden voor grondwater zijn onderverdeeld in: • waterwingebieden • grondwaterbeschermingsgebieden • boringsvrije zones Het plangebied is gelegen in een boringsvrije zone van een waterwingebied. Het grondwater ter plaatse dient als bron voor de lokale- en regionale drinkwatervoorziening. Ter bescherming van de drinkwatervoorziening is door de provincie Utrecht een aantal ‘Milieubeschermingsgebieden voor grondwater” aangewezen waar extra aandacht voor de bodem en grondwaterkwaliteit is geregeld. Om de kwaliteit hiervan te waarborgen zijn er aanvullende regels opgesteld in de provinciale milieuverordening om het grondwater te beschermen. In de boringsvrije zone zijn alleen het hebben van boorputten en het graven dieper dan 2,5 meter verboden. Bij activiteiten in de boringsvrije zone dient men: • voor alle grondroerende zaken een vergunning/ontheffing aan te vragen bij de provincie • gaten die zijn ontstaan na bijvoorbeeld boringen of sonderingen, correct af te dichten met klei. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
37
5.7 Ecologie Beleidskader
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt de 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Het doel van de nieuwe Wet natuurbescherming is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende plant- en diersoorten, Natura 2000-gebieden en bossen. Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat u werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. In de Wet natuurbescherming geldt tevens dat onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde bosopstanden (ecologische quickscan). Ter bescherming van natuurwaarden is er door de Europese Unie een netwerk van speciale beschermingszones aangewezen onder de naam Natura 2000. De richtlijnen zijn in Nederland onder meer verankerd in de Wet Natuurbescherming (Wnb).
De Nederlandse Natura 2000-gebieden worden op basis van de Wet Natuurbescherming vastgelegd, waarbij de bescherming gericht is op beheer en instandhouding van natuurlijke habitats en leefgebieden van plant- en diersoorten. Kaders hiervoor zijn uitgewerkt in het Natura 2000-doelendocument. Op basis van de Wet Natuurbescherming worden speciale beschermingszones aangewezen. Voor deze gebieden worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Nationaal Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Onderzoek Soortenbescherming Het onderhavige plan gaat uit van het opruimen van de verrommeling en het realiseren van twee burgerwoningen. Omdat het plangebied verhard is middels stelconplaten is het niet mogelijk voor beschermde flora en fauna om zich binnen het plangebied te ontwikkelen. Er zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd welke in het kader van flora en fauna nadelige gevolgen kunnen hebben voor de verblijfsplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het uitvoeren van een ecologische quickscan niet noodzakelijk is.
Tijdens de werkzaamheden zal voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000-gebieden, Belangrijk Weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 300 meter ligt het Natura2000-gebied Uiterwaarden Lek. Het plangebied is op circa 115 m tot het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland.
38
Afbeelding 20: Plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden
Afbeelding 21: Plangebied in relatie tot Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Verder is in het kader van stikstofdepositie een voortoets stikstofdepositie opgesteld. De conclusie van de voortoets luidt: ‘Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. Geconcludeerd wordt dat het plan niet voorziet in stikstofdepositie op Natura2000-gebieden.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie en stikstof geen belemmeringen.
39
5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Geldig vanaf Januari 2015 11 juni 2011 11 juni 2011 Januari 2015
Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie een advieswaarden voor fijn stof van 20 µg/m3 PM10 en 10 µg/m3 PM2,5. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 16,5 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 17,8 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 11,1 μg/m3 PM2,5; En voor het jaar 2030 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 11,8 μg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 15,4 μg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 8,8 μg/m3 PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Tevens wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van acceptabele concentraties. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
In het Besluit Niet in Betekenende Mate en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: 40
• •
Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
41
5.9 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de wet milieubeheer. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden.
Het besluit is - op enkele onderdelen na - op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Wanneer zich binnen de 10-6 per jaar contour kwetsbare objecten kan een bestemmingsplan worden vastgesteld mits er zodanige voorschriften aan het besluit zijn verbonden dan wel er een traject van wijziging van de milieuvergunning is ingezet, zodat binnen 3 jaar na vaststelling van het besluit voldaan wordt aan de grenswaarde (artikel 8 lid 3 Bevi). Wel dient in de tussentijd voldaan te worden aan de grenswaarde van 10-5 per jaar. Naast Bevi-inrichtingen zijn er ook inrichting die niet onder het Bevi vallen, maar waar wel opslag van risicovolle stoffen plaatsvindt.
Regulering van de risicoaspecten die samenhangen met de opslag van deze stoffen vindt plaats middels het Activiteitenbesluit dan wel de WM-vergunning. Een belangrijke richtlijn voor opslag en gebruik vormen de zogenaamde PGS-richtlijnen. De PGS-richtlijnen beschrijven de eisen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan worden bereikt. Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan.
42
Afbeelding 22: Uitsnede Risicokaart
Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In en om het plangebied zijn geen van dergelijke buisleidingen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen – spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen – vaarwegen Het onderhavige plangebied is gelegen in de nabijheid van rivier de Lek. De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Voor de rode, zwarte en groene vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd.
Deze gebruiksruimten worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) 10-6 per jaar contour op de vaarweg en het groepsrisico. In tegenstelling tot het Basisnet Weg en Basisnet Spoor is in het Basisnet Water geen risicoplafond ingevoerd voor het plaatsgebonden en het groepsrisico. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor de rode en zwarte vaarwegen beperkingen opgelegd. Zo dient er rekening te worden gehouden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Langs enkele vaarwegen zijn eveneens de 43
zogenaamde Plasbrand Aandacht Gebieden (PAG’s) vastgesteld. Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden. Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid > 1500 personen/ha dubbelzijdig of 2250 personen/ha enkelzijdig. Voor het onderhavige plangebied geldt dat de afstand tussen de waterlijn en het plangebied meer dan 25 meter bedraagt (circa 265 meter). Daarnaast blijft de bevolkingsdichtheid in de kern Tienhoven aan de Lek ruim onder de 1.500 inwoners per hectare, waardoor een verantwoordingsplicht van het groepsrisico niet aan de orde is. Wel dient conform artikel 7 van Bevt ingegaan te worden op maatregelen inzake zelfredzaamheid en rampenbestrijding.
Artikel 7 van het Bevt schrijft voor dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval moet worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op dat de weg, en; • Voor zover dat plan betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid en vluchtmogelijkheden aanwezigen en rampenbestrijding Als gevolg van een incident met een botsing van een schip waarbij de ladingtank openscheurt, kan een scenario ontstaan waarbij zich een koude Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion (BLEVE) voordoet. De LPG komt hierbij vrij en ontsteekt direct. Hierdoor ontstaat er een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. De kans dat personen hieraan overlijden naar aanleiding van dit scenario wordt groter naarmate personen zich op een kortere afstand van de risicobron bevinden.
Het plangebied is gelegen op meer dan 230 meter, waardoor gesteld kan worden dat de toekomstige bewoners van de woningen een kleine kans hebben op overlijden ten gevolge van de BLEVE. Een BLEVE is door zijn hitte-ontwikkeling en knal direct waarneembaar voor aanwezigen. Bij een BLEVE zijn aanwezige personen na het ontstaan van een BLEVE op zichzelf en anderen aangewezen. Bij een degelijk scenario is het voor het onderhavige plan het advies om binnen te blijven gezien de ruime afstand van de woningen tot de risicobron. Aanwezigen dienen wanneer ze zich binnenshuis bevinden schuilen in de woning en wanneer zij zich buitenshuis bevinden dient men te vluchten naar de woning. Wanneer men de woning niet kan betreden dient dekking te worden gezocht, bijvoorbeeld achter de woning. Men kan hulpdiensten snel alarmeren door 112 te bellen. Middels NL-Alert zullen betrokkenen geïnformeerd worden door de overheid via hun mobiel. De brandweer zal zich voornamelijk richten op het redden en verlenen van eerste hulp aan slachtoffers, ontstane branden in de omgeving blussen en het veiligstellen van het bron- en effectgebied. Bij een standaardinzet zal men voor alle woningtypen over een voorziening van 500 liter per minuut moeten beschikken. Een dergelijk debiet is zonder noemenswaardig drukverlies te verplaatsen over een afstand van 100 meter.
Binnen 100 meter van de nieuwe woningen is een brandwaterkraan aanwezig. De geneeskundige hulpverlening zal zich voornamelijk bezighouden met triage en traumabehandeling, behandelen van slachtoffers, inrichten van een gewondennest en vervoer naar ziekenhuizen. De hulpdiensten hebben voldoende ruimte om ter plaatse van het plangebied te komen.
44
35 m
65 m
35 m Bluswatervoorziening Afbeelding 23: Afstanden bluswatervoorzieningen
Afbeelding 24: Mogelijke aanrijroutes
Kabels en leidingen Voor zover bekend zijn er binnen het plangebied verder geen noemenswaardige (hoofdkabels en hoofdleidingen) kabels en leidingen aanwezig. Er is een gemeentelijk rioolstelsel aanwezig. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied de gebruikelijke kabels en leidingen van de nutsbedrijven, zoals KPN, elektriciteit, gas etc. aanwezig. In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsleidingen aanwezig. De uitvoering van het onderhavige plan levert om die reden geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen. 45
6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Inpassing 2 woningen Lekdijk-Kweldam’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Inpassing 2 woningen Lekdijk-Kweldam’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Inpassing 2 woningen LekdijkKweldam’ is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Herziening Kernen Zederik’, vastgesteld op 15 september 2017, van de voormalige gemeente Zederik. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
6.3 Bestemmingen Verkeer Ten behoeve van de ontsluitingsweg wordt de bestemming ‘Verkeer’ opgenomen. Wonen Het plangebied behoudt de enkelbestemming ‘Wonen’. Om de twee burgerwoningen te kunnen realiseren wordt een bouwvlak op de bestemming gelegd. Waarde – Archeologie – 4 De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie – 4’ is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.
6.4 Aanduidingen • • • • • • • •
Bouwvlak; Bouwaanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’; Figuur ‘gevellijn’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – hobbymatig houden van dieren’; Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘Maximum aantal wooneenheden: 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘Maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m): 4, 8’.
46
7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
47
8 Overleg en inspraak 8.1 Maatschappelijk draagvlak In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft de initiatiefnemer direct omwonenden schriftelijk geïnformeerd over het onderhavige plan. Tevens is het plan in een buurtbijeenkomst besproken met omwonenden en hebben enkele 1 op 1-gesprekken (keukentafelgesprekken) plaatsgevonden met de direct omwonenden. In 2020 heeft een eerdere versie van het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegen, waarbij een ieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Tijdens de terinzagelegging werden 4 zienswijzen binnen de daarvoor geldende termijn ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijzen is de initiatiefnemer in gesprek getreden met de omwonenden. Naar aanleiding van deze overleggen zijn afspraken gemaakt, waarna de omwonenden akkoord waren met het plan. Deze afspraken voorzien in het toevoegen van een gebouwvrije zone aan de westzijde van het plangebied en het wijzigen van de situering van de westelijke woning. Alle indieners hebben hun zienswijzen vervolgens ingetrokken. Hierna is het ontwerp bestemmingsplan volgens de afspraken aangepast en dit aangepaste ontwerp van het bestemmingsplan is vervolgens weer ter inzage gelegd.
8.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente Vijfheerenlanden bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de Provincie, Veiligheidsregio Utrecht en het Waterschap Rivierenland.
8.3 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 25 juli 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad 2021, nr. 198848), waarbij een ieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
48