CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

1. (RVE) Concept regionaal programma U16 (versie mei).pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 8 juli 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Categorie II: Ter afhandeling van het college16.064 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Regionaal Programma wonen en werken U16 CONCEPT Stec Groep in opdracht van Provincie Utrecht

Esther Geuting & Lotte Huiskens, revisie provincie Utrecht 11 mei 2021

2

Regionaal Programma U16

Inhoudsopgave 1

Aanleiding en doel

3

2

Regionaal programma wonen

6

3 Regionaal programma werken

15

4 Samenwerking en werkwijze

35

Regionaal Programma U16

3

1 Aanleiding en doel Dit eerste regionale programma wonen en werken is een gezamenlijk product van de gemeenten in de U16 en de provincie. Het bevat afspraken voor de voortgang van de woningbouw en de ontwikkeling van bedrijventerreinen voor de komende jaren, zowel kwantitatief als kwalitatief. Via dit programma kunnen gemeenten en provincie, ieder vanuit z’n eigen rol en verantwoordelijkheden, samen sturen op de woningbouw- en bedrijventerreinontwikkeling. Regionaal programmeren is een cyclisch proces: dit programma zal periodiek (jaarlijks) worden geactualiseerd. Ook is sprake van een groeimodel: deze eerste cyclus is gefocust op reeds bestaande plannen en korte (en middellange) termijn. De komende jaren kan het programma worden aangevuld, bijvoorbeeld naar aanleiding van besluitvorming in het kader van het REP. Samenwerking nodig voor aanpak van urgente maatschappelijke vraagstukken In de hele Provincie Utrecht spelen urgente vraagstukken op de woningmarkt en de markt voor bedrijventerreinen. Zo is er een grote behoefte aan extra woningen en ruimte voor bedrijfsvestigingen. De oplossing voor deze grote maatschappelijke vraagstukken kunnen niet door een enkele partij worden geboden. Samenwerking is noodzakelijk: tussen verschillende overheden, maar ook met andere partners. Daarbij zien we een duidelijke samenhang tussen wonen en werken.

Het gaat steeds vaker om gezamenlijke vraagstukken en ontwikkelingen. Bijvoorbeeld het realiseren van gemengde woonwerkmilieus, of juist transformaties van werklocaties naar wonen. Dergelijke ontwikkelingen, en mogelijkheden tot daadwerkelijke realisatie hiervan, dienen dan ook in samenhang te worden bekeken. Maatschappelijke vraagstukken die relevant zijn voor de programmering zijn onder andere: • Voldoende ruimte bieden voor de grote behoefte aan (extra) woningbouw, in de gewenste kwaliteiten (woonmilieus en -typen, inclusief betaalbaarheid), op passende locaties en fasering; • Versnelling van de woningbouwproductie, en voorkomen van vertraging daarvan; • Voldoende ruimte bieden voor bedrijventerreinen die nodig zijn voor de gewenste economische ontwikkeling, in de gewenste kwaliteiten, uitgaande van zorgvuldig en intensief ruimtegebruik; • Wonen-werken-bereikbaarheid in balans; • De samenhang met andere opgaven en kwaliteiten zoals groen, gezondheid, energie en klimaat (integraliteit). • De lokale vitaliteit van dorpen en steden, met balans in vraag en aanbod. De provincie Utrecht wil met andere partijen samenwerken aan het oplossen van deze maatschappelijke vraagstukken, waarbij ieder vanuit z’n eigen rol en verantwoordelijkheden een bijdrage levert.

Recentelijk heeft de provincie Utrecht daarom een nieuwe systematiek voor woon- en werklocaties geïntroduceerd in de Ontwerp Omgevingsvisie en Ontwerp Omgevingsverordening. Het doel is te komen tot een meer flexibele programmering en kortere doorlooptijd van de benodigde planologische processen. Daartoe stellen provincie en gemeenten/regio gezamenlijk een regionaal programma voor wonen en werken op. De versnelling willen we bereiken door als gemeenten, regio en provincie samen in gesprek te blijven over de opgaven, en met het regionale programma samen te kunnen sturen op realisatie en planvoorraad. Door de gekozen systematiek kunnen nieuwe locaties ieder jaar worden opgenomen, in plaats van eenmaal per vier jaar bij de herijking van de provinciale visie en verordening. Dit binnen de door PS vooraf vastgestelde kaders. Dit is voor zowel marktpartijen als gemeenten praktisch en leidt tot snelheid en duidelijkheid. Verder is de programmering frequent en naar behoefte aan te scherpen, en daardoor snel en flexibel. Hierdoor kunnen partijen sneller inspelen op actualiteiten. Ook biedt de regionale programmering een totaaloverzicht van alle plannen, met eventuele knelpunten vanuit gemeentelijk, regionaal of provinciaal belang. Wegnemen van de knelpunten draagt ook bij aan versnelling: wat is nodig om harde (en zachte) plancapaciteit gerealiseerd te krijgen?

Regionaal Programma U16

4

Het in regionaal verband bezien van de programmering is belangrijk, omdat de verstedelijkingsopgave een regionale opgave is. De woningmarkt en de werklocatiemarkt zijn ook in de U16 hoofdzakelijk regionaal (hoge aandelen regionale verhuisstromen). Vanuit dat perspectief is het nodig niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief te kijken naar de opgave: woningen en woon- en werklocaties van goede (omgevings)kwaliteit. Dat wil zeggen passend bij de geprognotiseerde behoefte en bij de (financiële) wens en/of draagkracht van de toekomstige woningzoekende of bedrijf. Maar ook toekomstbestendig, als het gaat om klimaatadaptief, energieneutraal en circulair bouwen. In dit programma is er tevens aandacht voor de wens vanuit kleinere gemeenten en kernen om te bouwen voor lokale vitaliteit. Het recent vastgestelde provinciale beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening die op 1 april 2021 in werking is getreden, biedt daar ruimte voor. Dit vergt echter wel maatwerk en zorgvuldigheid. Ook zal niet altijd alles mogelijk zijn. Waar mogelijk zoeken we samen naar maatwerkoplossingen. Regionale programmering als (toekomstbestendige) werkwijze om te komen tot voldoende plannen Regionale programmering, inclusief monitoring, evaluatie en bijsturing biedt de mogelijkheid snel in te spelen op urgente en veranderende marktomstandigheden.

Het is een instrument om te kunnen sturen op voldoende plancapaciteit voor wonen en werken op regionaal niveau, en te komen tot realisatie van de gewenste typen woningen en bedrijfshuisvesting. Deze flexibele en adaptieve werkwijze kan veel voordelen bieden voor alle partijen: gemeenten kunnen plannen die al ver genoeg zijn gevorderd in de planontwikkeling periodiek (jaarlijks) aandragen voor het programma, vervolgens vindt een gezamenlijke afweging plaats. Het uiteindelijke doel van regionaal programmeren is zorgen voor voldoende en kwalitatief goede woningen en bedrijventerrein op passende locaties, om in de groeiende behoefte hieraan te kunnen voorzien. Dit vraagt op regionaal niveau om voldoende uitvoeringsgerede plannen. De toegevoegde waarde van regionaal programmeren is dat er samenhang ontstaat tussen alle plannen, zodat inzichtelijk wordt waar en wanneer ontwikkelingen beoogd worden. Het regionaal programma maakt hierin onderscheid tussen verschillende tijdsvakken: korte, middellange en lange termijn. Deze wijze van programmeren sluit ook goed aan bij de geest van de Omgevingswet. Verschillende overheden werken, ieder vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid en vanuit onderling vertrouwen samen aan maatschappelijke vraagstukken. Het door GS vast te stellen provinciaal programma wonen en werken bevat de essentie van de drie regionale programma’s.

Voor dit provinciale programma wordt een (verplichte) planMER opgesteld. Alvorens GS overgaan tot definitieve vaststelling worden het programma en de planMER ter inzage gelegd en kan eenieder een zienswijze indienen. In de provinciale Interim Omgevingsverordening is bepaald, dat nieuwe bestemmingsplannen (straks: Omgevingsplannen) moeten passen in het provinciaal programma wonen en werken. Ook dit programma kan jaarlijks worden geactualiseerd. We komen samen tot een adaptieve en flexibele werkwijze: een groeimodel Het regionale programma is niet in beton gegoten, maar juist adaptief. Er is sprake van een groeimodel dat steeds verder aangescherpt en aangevuld kan worden. Eenvoudig beginnen en stap voor stap werken aan uitbreiding van de samenwerking, wanneer dit gewenst blijkt. Met een lichte en gerichte aanpak kunnen gemeenten (en andere partijen) snel aan de slag met toevoegen van plannen en realiseren van woningen. De adaptieve werkwijze biedt de mogelijkheid om het programma goed aan te blijven laten sluiten op regionale trajecten zoals het Ruimtelijk Economisch Perspectief en Programma U16 (REP). Keuzes voor wonen en werklocaties voor de meer langere termijn die gemaakt worden in het Integraal Ruimtelijk perspectief (IRP) van het REP en de 4e fase REP, kunnen in volgende jaren meegenomen worden in de concrete invulling van de regionale programmering.

Regionaal Programma U16

5

Het gezamenlijke regionale programma wonen en werken wordt gemonitord, geëvalueerd en kan periodiek worden bijgesteld (bijvoorbeeld jaarlijks). Op die manier komen we samen tot voldoende met elkaar gedeelde en afgestemde plancapaciteit (kwantiteit, kwaliteit en fasering) en uitvoeringsgerede plannen. Bovendien kunnen we de voortgang monitoren en tijdig eventuele knelpunten signaleren, zodat waar mogelijk barrières kunnen worden weggenomen. De provincie zet haar instrumenten uit haar programma Versnelling woningbouw in voor het realiseren van de in het programma opgenomen plannen. Daarnaast zijn er mogelijkheden voor ondersteuning vanuit het Rijk, bijvoorbeeld via de Woondeal en Woningbouwimpuls. Het (eerste) programma zal voor de korte termijn verder zijn uitgewerkt dan voor de langere termijn, omdat lopende trajecten de keuzes hierover nog beïnvloeden. Ambities en zoekrichtingen kunnen in een volgende versie van het regionaal programma worden opgenomen, wanneer de planvorming concreter is. Wanneer actualisering van het programma plaatsvindt, kan de invulling voor de langere termijn verder worden aangevuld en bijgesteld.

BOX: REGIONAAL PROGRAMMEREN IN RELATIE TOT HET REP (RUIMTELIJKE ECONOMISCH PROGRAMMA) Naast dit regionale programma wonen werken, dat door gemeenten en provincie samen wordt opgesteld, werken de gemeenten in de U16 in vier fasen toe naar een regionaal integraal programma op wonen, werken, groen, mobiliteit en energie (REP). Fase 1 en 2 daarvan zijn afgerond met de vaststelling van een REP Contour waarin opgave en onderzoeksvragen zijn geformuleerd. Fase 3 leidde tot een Verstedelijkingsperspectief (september 2020) en een Integraal Ruimtelijk Perspectief (eerste kwartaal 2021). Fase 4 volgt daarna, in die periode wordt de locatieontwikkeling uitgewerkt in de subregio’s. Bij het opstellen van dit regionaal programma is gebruik gemaakt van de uitkomsten van fase 3 REP (IRP). Bij een volgende actualisering kunnen zo mogelijk de uitkomsten van fase 4 worden verwerkt. Samen met het Rijk hebben regio en provincie in U Ned verband gezamenlijk het verstedelijkingsperspectief Utrecht Nabij opgesteld. Dit vormt onze gezamenlijke visie voor de toekomstige verstedelijking.

6

Regionaal Programma U16

2 Regionaal programma wonen Kwantitatieve afspraken wonen Kwantitatieve opgave: behoefte aan circa 59.300 tot 85.700 woningen tot 20301 In de U16 bestaat de komende tien jaar een additionele behoefte aan 59.300 woningen (bron: Primos 2020). In de eerste vijf jaar gaat het richtinggevend om een toename van 30.200 woningen en de vijf jaar daarna om 29.100. Deze toename van de woningbehoefte komt tot stand door de autonome huishoudensgroei de komende tien jaar. Zie onderstaande tabel 1. Op dit moment is het woningtekort al circa 26.400 woningen in de U16 (bron: ABF). Dit betekent dat er in totaal, afhankelijk van de mate waarin het huidig tekort in de eerste tien jaar al wordt ingelopen, behoefte is aan 59.300 tot maximaal 85.700 woningen (bij het inlopen hele tekort tussen nu en 2030). Tussen 2030 en 2040 bestaat daarnaast nog een toename van de woningbehoefte met 39.900 woningen. Dit resulteert in een totale kwantitatieve opgave van 99.200 en 125.600 woningen tussen nu en 2040 in de U16. Deze bandbreedtes uit het provinciale kader zijn leidend voor de omvang van de regionale programma’s. In de tabellen hierna laten we ook de behoefte per subregio zien (U16-West, U16-Oost en U16-Midden). De omvang van het regionaal programma dient zich in totaliteit tussen de aangegeven bandbreedtes te bevinden.

De ‘schotten’ tussen de verschillende tijdvakken zijn richtinggevend, maar niet absoluut. Mits goed gemotiveerd is hier flexibiliteit in mogelijk. Tabel 1: bandbreedte woningbouw tot 2040 uit provinciaal kader voor regionale programmering wonen en werken Opgave inlopen woningtekort 2020 U16 Regio Amersfoort Regio Foodvalley Provincie totaal

26.400 4.900 1.200 32.500

Toename woningbehoefte 2020 t/m 2025 t/m Subtotaal 2020 2024 2029 t/m 2029 30.200 29.100 59.300 8.500 7.200 15.700 2.300 2.400 4.700 41.000 38.700 79.700

2030 t/m 2039 39.900 10.400 3.200 53.500

Totaal 2020 t/m 2039 99.200 – 125.600 26.100 – 31.000 7.900 – 9.100 133.200 – 165.700

Bron: Provinciaal Kader voor de regionale programmering wonen en werken (PS 30-9-2020)

Met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) zijn in het kader van de woondeal ook afspraken gemaakt. Qua woningbouwopgave gaat BZK uit van het inlopen van het woningtekort tot 2% in 2035. Dit resulteert in een woningbouwopgave tot 2040 van 115.300 woningen voor de U16. Daarnaast is met het Rijk afgesproken dat er wordt gestreefd naar een plancapaciteit van 130%, zodat eventuele vertraging en planuitval kan worden opgevangen. De hierboven aangegeven bandbreedte biedt de ruimte voor deze beide afspraken. Aanbod regio U16: regionaal programma met realisatie en pijplijn Het regionaal programma bestaat uit twee categorieën met plannen: de realisatie en de pijplijn. Het vertrekpunt voor de samenstelling van het kwantitatief programma is de provinciale planmonitor. Hierin voeren gemeenten concrete plannen op voor korte en middellange termijn, maar ook ambities en zoeklocaties voor de langere termijn.

1

Waarbij 85.700 de maximale behoefte is wanneer het tekort voor tot 2030 helemaal ingelopen wordt.

7

Regionaal Programma U16

De meer uitvoeringsgerede plannen (concreet en openbaar) worden ingebracht in het ‘realisatie’ deel van het regionaal programma. Dit deel van de plannen is het eigenlijke ‘regionale programma’: hiervoor is de realiseerbaarheid in het aangegeven tijdvak het uitgangspunt, het gaat immers niet alleen om meer plannen maar ook daadwerkelijk toevoegen van woningen. De minder concrete planen voor de langere termijn, als ook gemeentelijke ambities, zoekrichtingen en/of nu nog vertrouwelijke plannen, zijn opgenomen in de categorie ‘pijplijn’. Het totaal aantal woningen in zowel realisatie als pijplijn van het regionaal programma is opgenomen in onderstaande tabel 2. Dit om in beeld te brengen dat er, aanvullend op de locaties/plannen in de realisatietabel, nog een ruime hoeveelheid aan plannen is. Periodiek (jaarlijks) kunnen gemeenten plannen inbrengen in het regionaal programma, waarbij nieuwe plannen aan het regionaal programma toegevoegd (kunnen) worden (zowel voor de pijplijn als het ‘realisatie’ deel). We benutten de – door gemeenten ingevulde – planmonitor wonen als basis. Uitgangspunt hierbij is dat het ‘realisatie’ deel van het regionaal programma openbaar wordt en de ‘pijplijn’ niet. Plannen die (om welke reden dan ook) vertrouwelijk 2 dienen te blijven, staan daarom altijd in de pijplijn.

Wanneer deze openbaar gemaakt mogen worden, kunnen deze opgevoerd worden in het ‘realisatie’ deel van het regionaal programma. Onderstaande tabellen geven inzicht in de omvang van het regionaal programma, met daarbij onderscheid in de realisatie en de pijplijn. Het realisatiedeel van het programma bestaat uit openbare plannen die al voldoende concreet zijn om tot uitvoering te komen. Het gaat dan onder andere om: • Harde binnenstedelijke locaties en alle harde uitbreidingsplannen (locaties buiten stedelijk gebied); • Zachte binnenstedelijke locaties, voor zover die op openbaar zijn (tot 2030, na 2030 in pijplijn); • Daarnaast zijn door gemeenten enkele specifieke openbare nieuwe uitbreidingslocaties toegevoegd. 3 De pijplijn van het programma bestaat uit overige plannen, die minder concreet zijn en/of nog vertrouwelijk dienen te blijven. Het gaat onder andere om 4: • Zachte openbare binnenstedelijke plannen voor na 2030; • Zachte vertrouwelijke binnenstedelijke plannen; • Zachte openbare uitbreidingsplannen (tenzij specifiek door gemeenten aangedragen voor realisatie); • Zachte vertrouwelijke uitbreidingsplannen. Tabel 2: Overzicht van behoefte, realisatie programma en pijplijn voor de regio U16 totaal Periode Tot en met 2024

Behoefte (sub)regio in provinciaal kader 30.200 (excl. inlopen tekort)

2025 tot en met 2029

Realisatie

Pijplijn 32.059

5.919

Totaal plannen (programma en pijplijn) 37.978

29.100 (excl. inlopen tekort)

31.346

16.172

47.518

Vanaf 2030

39.900 (excl. inlopen tekort)

1

49.472

49.473

Totaal

99.200 tot 125.600 (incl. inlopen tekort)

63.406

71.563

134.970

Bron: behoefte op basis van provinciaal Kader regionale programmering wonen en werken, realisatie en pijplijn op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten.

De bij dit regionaal programma behorende bijlage 1 bevat een overzicht van de afzonderlijke plannen per gemeente die zijn opgenomen in het realisatiedeel. Hierbij past een belangrijke nuancering. Voor binnenstedelijke plannen is flexibiliteit mogelijk. In de loop van het jaar kunnen zich kansen voordoen, in de vorm van nieuwe (kleinschalige) plannen en locaties. Daartegenover kunnen zich ook knelpunten voordoen waardoor in het programma opgenomen

Plannen kunnen vertrouwelijk zijn omdat ze nog niet lokaal (politiek en/of maatschappelijk) zijn besproken, of in verband met grondposities of -aankopen. Daarnaast zijn nog niet alle plannen al concreet: het gaat mede om ambities en zoekrichtingen. 3 De provincie geeft in het kader van dit programma een opvatting over deze nieuwe uitleglocaties die nog niet verankerd zijn in provinciaal beleid, waarbij mogelijke aandachtspunten voor realisatie worden meegegeven. 4 De provincie geeft zoals gebruikelijk in het planproces een opvatting over nieuwe kleinschalige transformatielocaties buiten het stedelijk gebied (conform eisen functieverandering vrijkomende agrarische bebouwing of kleine bebouwingsconcentraties). 2

Regionaal Programma U16

8

binnenstedelijke locaties stagneren. Het blijft mogelijk hier op in te spelen: voortgang van de woningbouw is immers het doel. Bij de volgende actualisatie passen we de programmering hier op aan. Tabel 2 laat zien dat er voor de regio U16 in totaal voor de eerste vijf en tien jaar voldoende plannen in het programma zijn opgenomen om in de huishoudensgroei te voorzien. De hoeveelheid plannen boven de behoefte vanuit huishoudensgroei kan ingezet worden om het huidig tekort in te lopen. De opgave tot 2030 is 59.300 woningen. De plancapaciteit (realisatie en pijplijn) ten opzichte van de behoefte (excl. inlopen tekort) tot 2030 bedraagt 144% en ligt daarmee boven de met BZK afgesproken 130%. Als we echter het woningtekort in 2035, conform het streven van BZK, terug willen brengen tot 2%, betekent dat dat de woningbouwopgave stijgt tot ca. 75.000 woningen. In dat geval zou de plancapaciteit tot 2030 op 114% uitkomen. Vanaf 2030 zijn er slechts plannen in de pijplijn opgenomen, nog niet in het realisatiedeel. Gezamenlijke keuzes voor locaties na 2030 zullen gemaakt worden in het kader van het programma U Ned, waarbij voor de U16 het REP/IRP een belangrijke input vormt. NB: het regionale programmeren is een groeimodel. Ook zal – in een volgende ronde van het regionaal programmeren – inzicht worden gegeven in het totaal aantal woningen bij de belangrijkste knooppunten.

9

Regionaal Programma U16

Tabel 3: Overzicht van behoefte, realisatie en pijplijn voor subregio U16-West Periode Tot en met 2024

Behoefte (sub)regio in provinciaal kader 5.000 (excl. inlopen tekort)

2025 tot en met 2029

Realisatie

Pijplijn 8.443

3.243

Totaal plannen (programma en pijplijn) 11.686

3.700 (excl. inlopen tekort)

2.789

2.420

5.209

Vanaf 2030

4.900 (excl. inlopen tekort)

1

8.933

8.934

Totaal

13.600 tot 16.900 (incl. inlopen tekort)

11.233

14.596

25.830

Bron: behoefte op basis van Provinciaal Kader, realisatie en pijplijn op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten.

Tabel 4: Overzicht van behoefte, realisatie en pijplijn voor subregio U16-Oost Periode Tot en met 2024

Behoefte (sub)regio in provinciaal kader 2.400 (excl. inlopen tekort)

2025 tot en met 2029

1.300 (excl. inlopen tekort)

Vanaf 2030

2.400 (excl. inlopen tekort)

Totaal

6.100 tot 9.000 (incl. inlopen tekort)

Realisatie

Pijplijn 2.828

980

Totaal plannen (realisatie en pijplijn) 3.808

1.610

829

2.439

0

1.203

1.203

4.438

3.012

7.450

Bron: behoefte op basis van Provinciaal Kader, realisatie en pijplijn op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten.

Tabel 5: Overzicht van behoefte, realisatie en pijplijn voor subregio U16-Midden Periode Tot en met 2024

Behoefte (sub)regio in provinciaal kader 22.800 (excl. inlopen tekort)

2025 tot en met 2029 Vanaf 2030 Totaal

79.500 tot 99.700 (incl. inlopen tekort)

Realisatie

Pijplijn 20.788

1.696

Totaal plannen (realisatie en pijplijn) 22.484

24.100 (excl. inlopen tekort)

26.947

12.923

39.870

32.600 (excl. inlopen tekort)

0

39.336

39.336

47.735

53.955

101.690

Bron: behoefte op basis van Provinciaal Kader, realisatie en pijplijn op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten.

10

Regionaal Programma U16

Tabel 6: Overzicht van realisatie en pijplijn voor regio U16, uitsplitsing naar gemeenten Periode

2020 tot en met 2024 Binnen-stedelijk

2025 tot en met 2029

Vanaf 2030

Totaal

Uitleg

Totaal

Binnenstedelijk

Uitleg

Totaal

Binnenstedelijk

Uitleg

Totaal

Realisatie (aantallen per gemeente) De Ronde Venen Lopik Montfoort Oudewater Stichtse Vecht Vijfheerenlanden Woerden

1.002 25 165 324 3.244 1.460 2.024

0 126 20 0 44 9 0

1.002 151 185 324 3.288 1.469 2.024

438 0 0 0 783 100 1.098

0 0 110 150 110 0 0

438 0 110 150 893 100 1.098

0 0 0 0 0 0 1

0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 1

1.440 151 295 474 4.181 1.569 3.123

U16 West (totaal)

8.244

199

8.443

2.419

370

2.789

1

0

1

11.233

De Bilt Utrechtse Heuvelrug Wijk bij Duurstede Zeist

217 597

18 94

235 691

200 635

0 0

200 635

0 0

0 0

0 0

435 1.326

265

0

265

37

650

687

0

0

0

952

1.637

0

1.637

88

0

88

0

0

0

1.725

U16 Oost (totaal)

2.716

112

2.828

960

650

1.610

0

0

0

4.438

Bunnik Houten IJsselstein Nieuwegein Utrecht

372 1.118 185 3.498 15.447

147 0 5 0 16

519 1.118 190 3.498 15.463

0 0 0 1.966 24.981

0 0 0 0 0

0 0 0 1.966 24.981

0 0 0 0 0

0 0 0 0 0

0 0 0 0 0

519 1.118 190 5.464 40.444

U16 Midden (totaal)

20.620

168

20.788

26.947

0

26.947

0

0

0

47.735

Regio U16 Totaal

31.580

479

32.059

30.326

1.020

31.346

1

0

1

63.406

418 57 12 487

3.243 980 1.696 5.919

1.475 601 1.027 3.103

8.934 1.203 39.337 49.474

Pijplijn (totaal per regio) U16 West U16 Oost U16 Midden U16 Totaal

2.825 923 1.684 5.432

1.298 412 10.855 12.565

1.122 417 2.067 3.606

2.420 829 12.922 16.171

7.459 602 38.310 46.371

14.597 3.012 53.955 71.564

Regionaal Programma U16

11

Er zijn verschillen in de verhouding tussen realisatie en pijplijn in de subregio’s. Zo is er in subregio Oost bijvoorbeeld op langere termijn onvoldoende planvoorraad om in de behoefte (tot 2040) te kunnen voorzien. In de subregio West lijkt er een overschot aan plannen te zijn. En in de subregio Midden zijn er uitgaande van de afspraak om te komen tot 130% aan planvoorraad, nog onvoldoende plannen. Omdat er in de subregio Midden op zich wel voldoende plannen in beeld zijn is het in deze regio de opgave om plannen naar voren te halen (versnelling). Balans tussen behoefte (incl. tekort) en plannen op subregionaal niveau is het uitgangspunt. Echter, voor de volgende actualisatie zal moeten worden bezien of deze subregio inderdaad kan voorzien in haar behoefte, dan wel dat deze (deels) door andere naastgelegen gemeenten kan worden ingevuld.

2.2 Kwalitatieve afspraken wonen Hieronder werken we de kwalitatieve thema’s deels uit het Provinciaal Kader Regionaal Programmeren uit in gezamenlijke kwalitatieve ambities en aanvullende afspraken aansluitend op de kwalitatieve thema’s.

Thema Integrale stedelijke kwaliteit

Uitgangspunten Gezamenlijke ambitie: We streven naar een goede stedelijke kwaliteit: vitale en levendige kernen en

wijken. Dit betekent dat: • we primair inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling, ontwikkeling bij knooppuntlocaties en op efficiënt ruimtegebruik; • we streven naar functiemenging, passend bij de lokale situatie en woonmilieus; • we aandacht hebben voor een gezonde inrichting van de openbare ruimte in het stedelijk gebied met voldoende groen en water, • we zorg dragen voor een goede bereikbaarheid die past bij de aard en functie van de ontwikkeling en we bezien wonen, werken en bereikbaarheid in samenhang en als onderdeel van de integrale opgave van de regio. • we aandacht hebben voor energieneutraliteit, klimaatadaptatie en circulariteit. Afspraken: • Verdere verkenning van (locatie)keuzes en afwegingen voor na 2030 zullen via het programma U Ned en het REP/IRP plaatsvinden. Hierna kan aanscherping/aanvulling van de gezamenlijke ambitie plaatsvinden. • We zetten ons maximaal in om bij te dragen aan de in dit regionaal programma genoemde ambities. Een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving is immers in ieders belang. Wij beseffen dat we onze ambities niet allemaal van vandaag op morgen kunnen bereiken en dat verschillende ambities elkaar in de weg kunnen zitten (bijvoorbeeld ruimtelijk of financieel). Niet in alle plannen kunnen alle ambities voor 100% worden gerealiseerd.

Onze inzet is dat de totale kwaliteit van de uitvoering van dit programma ten minste ‘voldoende’ maar bij voorkeur ‘goed’ moet zijn. • We ontwikkelen het komend jaar een gezamenlijk monitoringssysteem om voorgaand punt te kunnen volgen. De provincie neemt daartoe het initiatief. Daarbij zal zoveel als mogelijk gebruik worden gemaakt van reeds bestaande of te verzamelen informatie en monitors. Gemeenten werken mee aan het aanleveren van de benodigde informatie.

Betaalbaarheid en beschikbaarheid

Toelichting: • Functiemenging resulteert in stads- en dorpscentra vaker in multifunctionele woon-werkmilieus, daarbuiten zal functiemenging op een ander niveau zijn. Niet iedere woonwijk of woonkern leent zich voor functiemenging en dat is ook niet wenselijk. Bedrijfsmatige functies moeten passend zijn binnen een woonwijk en niet ten koste gaan van de leefbaarheid en van een prettig woon- en/of werkklimaat. Milieucategorie 1 en 2 zijn in de basis geschikt voor mengen. • Eenmalige kleinschalige uitbreidingen tot 50 woningen per kern worden rechtstreeks mogelijk gemaakt via de provinciale Interim Omgevingsverordening. Deze kleinschalige uitbreidingen worden wel opgenomen in het regionale programma, zodat dit een zo compleet mogelijk beeld bevat. Veel kernen hebben naar aard en omvang behoefte aan een grotere uitbreiding. Deze uitbreidingen worden in dit regionaal programma afgewogen, waarbij het lokale belang, maar ook de provinciale belangen in de afweging worden betrokken. Gezamenlijke ambitie: Gemeenten en provincie spreken de intentie uit dat op regionaal niveau 50% van

de toe te voegen woningen behoort tot het goedkope of middeldure segment. Gezien de opgave streven

Regionaal Programma U16

we ernaar dat zoveel mogelijk woningen gebouwd worden die een eind onder de bovengrens van middelduur zitten, zodat een grotere doelgroep bereikt wordt. Afspraken: • Partijen spannen zich in voor het realiseren van deze ambitie door aanpassing van plannen waar nodig en mogelijk. Daarbij realiseren we ons dat dit beperkt te beïnvloeden is voor (harde) plannen tot en met 2024, maar naar de toekomst toe brengen we in beeld hoe dit percentage zich ontwikkelt, en zetten we ons in om de plannen waar mogelijk aan deze ambitie aan te passen. • We bezien de 50% op programmaniveau en naar periode, niet op planniveau of per jaar. Daarbij streven gemeenten zoveel mogelijk naar verevening binnen eigen grenzen (voor lopende en nieuwe plannen). • We verkennen en monitoren of de differentiatie van woningen en woonmilieus in de uitvoering overeenkomt met gestelde ambities (zoals in rapport van Companen 5 en/ of andere gemeentelijke studies naar woonmilieus en woningtypen). • We verkennen hoe we komen tot een goede spreiding van goedkope en middeldure woningen over de regio (en houden hierbij rekening met lokale ambities en de bestaande woningvoorraad). Belangrijk daarbij is dat we het komende jaar afspraken maken over hoe we dit gaan doen en wat daarvoor nodig is.

• We verkennen welke gezamenlijke prijsgrenzen we hanteren voor het goedkope en middeldure segment in relatie tot bijpassende inkomensgrenzen. Hierbij nemen we de grenzen uit het provinciaal kader in acht. We beseffen dat we bij deze opgave ook afhankelijk zijn van afspraken die door andere partijen worden gemaakt (zoals woningcorporaties). • We werken in 2021 concreet uit hoe we de ambitie en de onderliggende afspraken monitoren, welke gegevens hiervoor nodig zijn, hoe deze worden aangeleverd en met welke frequentie. Hierbij gaan we ook na hoe we een meer compleet beeld kunnen verkrijgen over de prijssegmenten van de bekende plancapaciteit. In het volgende regionale programma verankeren we deze systematiek. Toelichting: • Prijsgrenzen vanuit gemeentelijk beleid liggen gemiddeld genomen lager dan in provinciaal kader. We hanteren daarom de grenzen uit het provinciaal kader als maximale prijzen, maar houden lokaal (indien gewenst) lagere grenzen aan. Evenwichtige ontwikkeling van rood en groen

Gezamenlijke ambitie: We streven naar een evenwichtige groen- en landschapsontwikkeling om een gezonde leefomgeving te (blijven) bieden aan onze inwoners. Dit betekent onder andere dat er voldoende (recreatief) groen in onze regio beschikbaar en toegankelijk moet zijn, zowel in omvang als kwaliteit. Dit is randvoorwaardelijk en vraagt investeringen. De opgave verschilt per locatie en gemeente. Afspraken: • In het programma ‘Groen groeit mee’ wordt de regionale groenopgave in beeld gebracht zowel kwantitatief (in hectares) als financieel. Op basis van deze ruimteclaim en financiële opgave wordt dan een relatie gelegd met dit programma en in het REP verkennen gemeenten waar de regionale groenopgave kan landen. Op basis daarvan maken we hierover aanvullende afspraken. Toelichting: • In het programma ‘Groen groeit mee’ wordt allereerst door provincie, regio’s, waterschappen en terreinbeherende organisaties de regionale groeiopgave in beeld gebracht. Op basis daarvan wordt een relatie gelegd met dit regionale programma en wordt door provincie en gemeenten gezamenlijk verkend waar de regionale groenopgave kan landen.

• In de provinciale Interim Omgevingsverordening is voor uitbreidingslocaties opgenomen: ‘de woningbouw wordt in samenhang ontwikkeld met lokale en regionale groenontwikkeling waarbij de omvang van de woningbouw in evenwichtige verhouding staat tot de hoeveelheid te ontwikkelen natuur en recreatie; en de realisatie van natuur en recreatie en de duurzame instandhouding daarvan is verzekerd.’ (art. 9.13)

Energieneutrale nieuwbouw,

5

Gezamenlijke ambitie: We stimuleren energieneutrale nieuwbouw en klimaatadaptief en circulair

bouwen, en gaan hierover in gesprek met initiatiefnemers en partijen in de bouwketen. Gemeenten

Kwalitatieve woningmarktanalyse U16 gemeenten, 16 juli 2020 (Companen).

12

Regionaal Programma U16

klimaatadaptatie en circulariteit

13

koppelen de uitwerking van deze ambitie aan het RES en de vertaling daarvan in de gemeentelijke omgevingsplannen. Afspraken: • Gemeenten en provincie spannen zich in om de gezamenlijke ambities het komend jaar te borgen via het convenant duurzaam bouwen. In dat kader worden onder andere afspraken gemaakt over gezamenlijke definities, indicatoren en ambitieniveau en kennisuitwisseling. • In 2021 verkennen we de nadere uitwerking van de ambitie ten aanzien van energieneutraliteit en de uitvoeringsplannen die hierbij horen. • De provincie stelt een (meer)jaarplan op met activiteiten, dat gemeenten in staat stelt om de beschreven ambitie op het gebied van energieneutraliteit ook daadwerkelijk te realiseren. • Via de werkregio’s klimaatadaptatie geven regionale overheden (gemeenten, waterschappen en provincie) samen met de partners uitvoering aan klimaatadaptatie strategieën, waaronder maken van afspraken voor klimaatadaptief bouwen en het opnemen in omgevingsvisies en -plannen. • In de monitoring van dit programma besteden we aandacht aan deze ambitie (zie verder H 4) Toelichting: • Het convenant duurzaam bouwen is een initiatief van EBU, waarbij momenteel een aantal gemeenten en een enkele marktpartij betrokken zijn. Bedoeling daarvan is gezamenlijke ambities en acties af te spreken op het gebied van duurzaam bouwen in brede zin (incl.

energieneutraliteit, circulair bouwen en klimaatadaptief bouwen). Gestreefd wordt naar ondertekening deze zomer. • De provincie heeft afgelopen jaar bij Utrechtse gemeenten verkend wat haalbaar is ten aanzien van bovenwettelijke normen voor energiezuinig bouwen. Energieneutrale nieuwbouw lijkt haalbaar; de meeste gemeenten vinden een gemeenschappelijke ambitie wenselijk. Ze willen dit bestuurlijk geborgd hebben (bijvoorbeeld via het Convenant Duurzaam Bouwen) en hebben behoefte aan beleid(skaders) hierover. Daarnaast is er behoefte aan een leidraad voor gesprekken met ontwikkelaars, kennisdeling en gebruik te maken van de goede voorbeelden in de provincie. • De invulling en aanscherping van deze ambitie is daarnaast mede afhankelijk van Rijksbeleid, en de normen en financieringsmogelijkheden die op dit thema ontstaan.

Monitoren van prijssegmenten: circa 38% van het programma goedkoop of middelduur Een van de kwalitatieve ambities voor woningbouw is om op regionaal niveau te streven naar een programma waarin 50% van de toe te voegen woningen behoort tot het goedkope of middeldure segment (zie paragraaf 2.2). Een eerste analyse van het huidige programma (op basis van de informatie zoals opgenomen in de planmonitor) laat zien dat circa 38% van het programma nu in dit segment valt, zie onderstaande tabellen. Dit betekent niet dat een groot deel van het programma duur zal zijn: voor circa een derde van de woningen in de totale U16 is het prijssegment nog onbekend. Dit betekent niet altijd dat de prijssegmenten voor deze plannen echt niet bekend zijn, maar dat deze gegevens ontbreken in de planmonitor. We spannen ons in om in het vervolg de planmonitor ook op dit onderdeel zo volledig mogelijk in te vullen, voor een goede programmering is deze informatie immers essentieel. Als we uitsluitend kijken naar het deel van de plannen waar het prijssegment wèl bekend is, valt in totaal 58% onder de segmenten goedkoop en middelduur.

14

Regionaal Programma U16

Tabel 7: Aandeel woningen naar prijssegment in tabel realisatie (categorie 1) voor regio U16 totaal Periode

Goedkoop/middelduur

Duur

Prijssegment onbekend

Totaal

Tot en met 2024

38%

29%

33%

100%

2025 tot en met 2029

39%

25%

36%

100%

Vanaf 2030

0%

0%

100%

100%

Totaal

38%

27%

34%

100%

Bron: Aandelen programma op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten. Huur en koop opgeteld.

Tabel 8: Aandeel woningen naar prijssegment in tabel realisatie (categorie 1) voor subregio U16-West Periode Tot en met 2024

Goedkoop/middelduur 36%

Duur 10%

Prijssegment onbekend 54%

Totaal 100%

2025 tot en met 2029

19%

6%

75%

100%

Vanaf 2030

0%

0%

100%

100%

Totaal

32%

9%

59%

100%

Bron: Aandelen programma op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten. Huur en koop opgeteld.

Tabel 9: Aandeel woningen naar prijssegment in tabel realisatie (categorie 1) voor subregio U16-Oost Periode Tot en met 2024

Goedkoop/middelduur 56%

Duur 36%

Prijssegment onbekend 8%

Totaal 100%

2025 tot en met 2029

25%

14%

61%

100%

Vanaf 2030

0%

0%

0%

100%

Totaal

45%

28%

27%

100%

Bron: Aandelen programma op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten. Huur en koop opgeteld.

Tabel 10: Aandeel woningen naar prijssegment in tabel realisatie (cat. 1) voor subregio U16-Midden Periode

Goedkoop/middelduur

Duur

Prijssegment onbekend

Totaal

Tot en met 2024

36%

36%

28%

100%

2025 tot en met 2029

42%

28%

30%

100%

Vanaf 2030

0%

0%

0%

100%

Totaal

39%

32%

29%

100%

Bron: Aandelen programma op basis van Provinciale Planmonitor en controles gemeenten. Huur en koop opgeteld.

GEHANTEERDE DEFINITIES VAN PRIJSKLASSEN (CONFORM HET PROVINCIAAL KADER VOOR REGIONALEPROGRAMMERING WONEN EN WERKEN Goedkope huur: tot de liberalisatiegrens (‘huur 1’ en ‘huur 2’ in de planmonitor) Middeldure huur: tot circa € 1.000 (‘huur 3’ in de planmonitor) Dure huur: vanaf € 1.000 (‘huur 4’ in de planmonitor) Goedkope koop: tot circa € 200.000 (‘koop 1’ in de planmonitor) Middeldure koop: Nationale Hypotheek Garantie grens 2020 € 310.000 (‘koop 2’ in de planmonitor) Dure koop: Vanaf NHG-grens 2020 € 310.000 (‘koop 3’ en ‘koop 4’ in de planmonitor)

Regionaal Programma U16

15

3 Regionaal programma werken 3.1 Schets opgave bedrijventerreinen Gemeenten streven ernaar de groei van banen in de U16 gelijk op te laten gaan met de groei van de beroepsbevolking. Op die manier blijven we een evenwichtige regio en blijft de groei van het woon/werkverkeer beperkt. Het gaat tot 2040 om ruim 80.000 arbeidsplaatsen erbij, waarvan 70.000 gerelateerd aan de stad Utrecht. Bedrijventerreinen vormen een belangrijke drager onder de werkgelegenheid in de U16. Het betreft circa 20% van de werkgelegenheid en verwacht wordt dat er een extra behoefte is van circa 15.000 arbeidsplaatsen op bedrijventerreinen. Tot 2030 gaat het om een ruimtebehoefte van in totaal ca. 200 ha en circa 10.000 arbeidsplaatsen 6. Dit eerste regionale programma werken richt zich op de opgave op bedrijventerreinen tot 2030. Op termijn willen de U16-gemeenten het regionaal programma werken verbreden met kantoren, wetenschap en andere segmenten van werklocaties. Om deze opgave te kunnen accommoderen zal de ruimte voor formele en informele werklocaties zo efficiënt mogelijk moeten worden benut. Het leeuwendeel van de werkgelegenheidsgroei zal op informele werklocaties en in het gemengde stedelijke milieu moeten worden opgevangen. Voorts zullen de formele bedrijventerreinen fors efficiënter moeten worden benut.

Intensivering van het gebruik van formele en informele werklocaties is dan ook de belangrijkste uitdaging tot 2030 en daarna. Daarnaast vormen bedrijventerreinen ook de sleutel in het realiseren van een circulaire economie in 2050. Dat betekent dat we terreinen die een belangrijke rol kunnen gaan spelen in het realiseren van circulaire ketens daarvoor moeten beschermen in dit regionale programma. Daarnaast is er ruimte voor uitbreiding van een aantal lokale bedrijventerreinen. De afspraken die hierover in het verleden zijn gemaakt zijn door de provincie geborgd in het kader voor de regionale programmering wonen en werken. Het is in het grootste belang voor de regio U16 dat deze nieuwe uitbreidingen worden benut om de intensivering op bestaande locaties mogelijk te maken, én deze nieuwe uitbreidingen zo intensief mogelijk te gebruiken. De vraag die daarbij gesteld kan worden is hoe de uit te breiden nieuwe werklocaties alleen worden gebruikt wanneer dat echt niet anders kan, op grond van een gezamenlijk uitgifteprotocol. Dit wordt in de U16 een sleutelinstrument bij nieuwe uitgiftes op de terreinen die op basis van dit regionaal programma in uitgifte komen. Dit regionale programma loopt tot 2030, maar zal regelmatig worden geactualiseerd. Tot 2040 zijn er meer plannen nodig om de groei van werkgelegenheid te borgen. Deze locaties zijn nog niet allemaal in beeld.

De vraag is in hoeverre binnen de U16 (boven)regionale vraag kan worden geaccommodeerd. Dit is ook een vraag die in andere trajecten beantwoord moet worden. Daarbij dient de overweging gemaakt te worden wat de bijdrage van dergelijke toevoeging aan bedrijventerrein zou zijn vanuit het oogpunt van de vitaliteit van het regionale woon- en leefklimaat en de economische vitaliteit van de U16. In dit regionale programma maken gemeenten en provincie afspraken over het faciliteren van de bedrijventerreinenbehoefte. Het programma bestaat uit twee onderdelen: realisatie en pijplijn. In het realisatiedeel zijn de terreinen opgenomen die in uitvoering kunnen worden genomen en die met gemeenten binnen de U16 en de provincie zijn afgestemd. In de pijplijn staan plannen waarvan gemeenten

6 Prognose Bedrijventerreinen provincie Utrecht (Stec groep i.o.v. provincie Utrecht, 2019): 209 ha; Naar toekomstbestendige werklocaties in de regio U16 (Stec Groep in opdracht van U16, mei 2020) 196 ha.

16

Regionaal Programma U16

hebben aangegeven deze te willen verkennen. Deze terreinen zijn soms nog niet openbaar en zijn nog niet regionaal en met de provincie afgestemd.

3.2 Kwantitatieve kaders werken tot 2030 Om de groei aan arbeidsplaatsen te kunnen opvangen is er op 1 januari 2019 een uitbreidingsvraag van circa 209 hectare netto formeel bedrijventerrein tot en met 2030 (bron: Prognose bedrijventerreinen provincie Utrecht, 2019). Hierbij is het WLO Hoog scenario voor de werkgelegenheid als uitgangspunt gehanteerd. Voor de periode 2031-2040 wordt uitgegaan van een aanvullende 93 hectare uitbreidingsvraag (excl. te behalen ruimtewinst door intensivering). In de volgende tabel staan de uitgangspunten uit het provinciaal kader voor regionaal programmeren wonen en werken benoemd zoals deze is vastgesteld in september 2020. In dit kader verwoorden Provinciale Staten de ambities en uitgangspunten die ze willen meegeven aan het gezamenlijk proces van regionaal programmeren. Insteek daarbij is dat eenieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheden invulling geeft aan dit kader. Tabel 11: kwantitatieve uitgangspunten uit het PS kader

Behoefte (WLO hoog) Waarvan: • Ruimtewinst door intensivering bestaand terrein • Reservering: niet accomoderen • Nieuw bedrijventerrein Beschikbaar aanbod Nog max te accommoderen nieuw terrein Restcapaciteit Bandbreedte nieuw terrein Bron: PS Kader, bewerking Stec Groep

Regio U16 tot en met 2030 7 209 ha 42-63 ha 9-30 ha 137 ha 94 ha 8 43 ha 42 ha 42-43 ha

Kwantitatief aanbod: nog circa 37 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein beschikbaar De U16 beschikte (peildatum ultimo 2019) over een uitgeefbaar (plan)aanbod van circa 85,5 hectare (hiervan is echter januari 2021 nog maar circa 37 ha beschikbaar. Hierbij gaat het om terstond aanbod, zowel in gemeentelijk als particulier eigendom. Bij een volgend regionaal programma worden behoefte en aanbod geactualiseerd. Tabel 12: Uitgeefbaar (plan)aanbod van bedrijventerreinen in regio U16 (in netto ha) Gemeente De Ronde Venen

Kern Mijdrecht

Bedrijventerrein Bedrijventerrein Mijdrecht

Uitgeefbaar 0,2 (waarvan 0

Houten

Houten

Houten

Houten

Sport en werklandschap de Meerpaal De Meerpaal

Lopik

Lopik

De Copen

1

Nieuwegein

Nieuwegein

Het Klooster

36,8 (waarvan

ha per direct beschikbaar per 2021) 8,5 (waarvan 5,6 ha beschikbaar per 2021). 3,3 (waarvan 1,8 ha beschikbaar per 2021)

4,3 ha nog

Locatietype Functioneel werkmilieu klein/middelgroot

Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot/groot

De provinciale bedrijventerreinenprognose (2018) raamt de uitbreidingsvraag tot en met 2030. Tabellen 12 en 13 geven een confrontatie voor de periodes tot en met 2024, 2025 tot en met 2029 en 2030 tot en met 2039. 8 Uitgeefbaar aanbod in 2019, dit uitgangspunt is gebruikt in het provinciaal kader, op 1 januari 2021 is er nog 37,3 ha beschikbaar. 7

17

Regionaal Programma U16

beschikbaar per 2021) 0,2 (waarvan 0 ha nog beschikbaar per 2021) 6 (waarvan 2,6, ha nog beschikbaar per 2021) 3,4 (waarvan 2,9 ha nog beschikbaar per 2021)

Stichtse Vecht

Breukelen

Breukelerwaard

Utrecht

De Meern

Haarrijn

Utrecht

Utrecht

Oudenrijn

Utrecht

Utrecht

Hooggelegen

2,1

Utrecht

Utrecht

Nieuw Overvecht

0,7(waarvan 0

Utrecht

Utrecht

De Wetering Noord+Zuid

Utrechtse Heuvelrug

Maarsbergen

Maarsbergen Oost

Vijfheerenlanden

Lexmond

Kortenhoeven-Oost

1,8

Vijfheerenlanden

Lexmond

Kortenhoeven

0,3

Vijfheerenlanden

Meerkerk

Meerkerk IV

0,2 (waarvan 0

Vijfheerenlanden

VIanen

Gaasperwaard

Wijk bij Duurstede

Wijk bij Duurstede

Broekweg Noord

Woerden

Harmelen

De Putkop

ha nog beschikbaar per 2021) 10,5(waarvan 9,2 ha nog beschikbaar per 2021) 5,7 (waarvan nog 0,5 ha beschikbaar per 2021)

ha beschikbaar in 2021) 2,5 (waarvan 2,2 ha beschikbaar per 2021) 1,9 (waarvan 0,3 ha beschikbaar per 2021) 0,2

Functioneel werkmilieu klein/middelgroot

Functioneel werkmilieu klein/middelgroot

Functioneel werkmilieu klein/middelgroot

Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot

Stedelijk werkmilieu klein/middelgroot

Functioneel werkmilieu klein/middelgroot

Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot Functioneel werkmilieu klein/middelgroot

85,5 (waarvan

Totaal

beschikbaar in 2021: 34,8 ha)

Bron: IBIS, 2019; Inventarisatie gemeenten, Q2 2020; aangevuld door gemeenten, stand van zaken april 2021

De U16-gemeenten hanteren voor formele bedrijventerreinen twee soorten werkmilieus, waarbij omvang en (mate van) interactie met de omgeving centraal staan. • Functioneel werkmilieu, bestaande uit de drie subsoorten klein/middelgroot, grootschalig en XXL. • Stedelijk werkmilieu: klein/middelgroot. Zie tabel 13 en 14 voor een toelichting: Tabel 13 toelichting van een functioneel werkmilieu Type gebruikers

Functioneel werkmilieu B2B terreinen voor zowel MKB als meer grootschalige & hogere milieucategorie (HMC) bedrijvigheid.

Regionaal Programma U16

Type locatie

•

Segmentering

• •

18

Werklocaties zonder (of weinig) menging met andere functies, zowel meer generieke locaties als locaties met een specifieke branchering. Dominant is de bedrijfsmatige insteek van de locatie, de interactie met bijvoorbeeld de consument ontbreekt grotendeels (in de vorm van dienstverlening, retail of anderszins). Aan de rand van de stad of stedelijk gebied, bij snelweg of andere modaliteiten, zoals water en spoor. Hierbij maken we onderscheid in (1) kleinschalige tot middelgrote locaties en (2) grootschalige locaties. 1. Kleinschalig tot middelgroot: locaties met overwegend bedrijven en vestigingsmogelijkheden tot 5.000 m2, al dan niet aangevuld met enkele grotere vestigers van een paar hectare. 2. Grootschalig: locaties met bedrijven en vestigingsmogelijkheden vanaf twee hectare oplopend tot 5 hectare, al dan niet aangevuld met enkele kleinschalige vestigers. 3. XXL: locaties voor grootschalige logistiek en/of industrie, met kavels groter dan 5 hectare netto.

Bron: Stec Groep 2021

Tabel 14 toelichting van een stedelijk werkmilieu Type gebruikers Type locatie

Segmentering

Stedelijk werkmilieu Vooral B2C en C2C-gerichte werklocaties voor MKB, creatieve en ambachtelijke bedrijvigheid. • Locaties in of direct aan de rand van de stad, en die veel interactie hebben met de omgeving. Het gaat om werkomgevingen die zijn blootgesteld aan stedelijkheid. Denk aan stedelijke voorzieningen, informele ontmoetingsplekken. Het gaat om locaties waar vaak bovengemiddeld startups en ZZP’ers vestigen en die (in potentie) een brede attractiviteit hebben om te werken en te bezoeken. • Daarnaast gaat het om hoogwaardige werkmilieus met consumentendiensten, waaronder ook combinaties met PDV/GDV, gezondheidszorg en onderwijs. • Regelmatig komt op deze locaties menging met andere werkfuncties voor, incidenteel ook met wonen (bv aan de randen van het gebied). • Voor stedelijke werkmilieus onderscheiden we één segment: kleinschalig tot middelgroot. (locaties met overwegend bedrijven en vestigingsmogelijkheden tot 5.000 m2, al dan niet aangevuld met enkele grotere vestigers van een paar hectare).

Bron: Stec Groep 2021

Wanneer we vraag en aanbod confronteren naar terreintype (exclusief de ambitie om 20-30% van de uitbreidingsvraag te intensiveren), ontstaat het beeld dat er tot 2030 tekorten zijn naar alle typen terreinen.

Regionaal Programma U16

19

Figuur 1: confrontatie van uitgeefbaar (plan)aanbod (groen) met uitbreidingsvraag (blauw) naar locatietype, in netto hectare (exclusief de ambitie van 20-30% intensivering van het ruimtegebruik)

Bron: Stec Groep, 2020

In het regionaal programma maken gemeenten en provincie jaarlijks afspraken om te komen tot de programmering van bedrijventerreinen vanuit kwantitatief en kwalitatief perspectief.

3.3 Kernonderdelen regionaal programma Het regionaal programma bestaat uit de volgende kernonderdelen: • Strategische uitgangspunten voor werklocaties • Regionaal uitgifteprotocol • Monitoring van het regionaal programma • Het kwantitatieve programma: onderscheid in ‘realisatie’ en ‘pijplijn’ • Verduurzaming Deze punten worden hieronder verder toegelicht. Paragraaf 3.4 bevat de uiteindelijke gezamenlijke afspraken (kwantitatief en kwalitatief, onderverdeeld in de ‘3 knoppen’). Strategische uitgangspunten werklocaties Gemeenten en provincie hanteren onderstaande strategische uitgangspunten voor bedrijventerreinen in de U16: • Altijd mengen van functies in stad en regio, er is alleen een uitzondering wanneer het écht niet past. • De circulaire keten vereist complementariteit van werklocaties in de U16. • Verdichten en intensief ruimtegebruik is noodzakelijk voor Gezond Stedelijk Leven in de U16. • Kantoren op bedrijventerreinen op termijn verplaatsen naar stationslocaties. Geen nieuwe zelfstandige kantoren op bedrijventerreinen toestaan. • We zetten maximaal in op intensief programmeren van bedrijventerreinen. We verwachten dat na 2025 en na 2030 de meeste ruimtewinst te behalen zal zijn.

Regionaal Programma U16

• • •

20

Op alle locaties is sprake van toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking (onderbouwing die behoefte aantoont en aangeeft waarom de ontwikkeling niet binnenstedelijk kan plaatsvinden). Bij alle nieuwe terreinen hoort een passende beoordeling van de effecten op N2000-gebieden. De planMER brengt dit ook in beeld. Het totaal van de plannen die worden opgenomen in het programma (onderdeel ‘realisatie’) moet passen binnen de bandbreedte voor de (sub)regio en het tijdvak zoals opgenomen in het provinciaal kader voor regionale programmering wonen en werken. Hierbij is enige flexibiliteit mogelijk.

Regionaal uitgifteprotocol geldt vanaf heden voor alle plannen Het tot uitvoering brengen van de regionale afspraken brengt een cultuuromslag met zich mee in de wijze waarop het EZ-beleid binnen de gemeenten wordt vormgegeven. De aandacht zal meer verschuiven naar de samenhang tussen de bestaande bedrijventerreinen en de nieuwe uitgifte van terrein. Dit vraagt in de eerste plaats dat gemeenten deze samenhang vertalen in een gericht uitgifteprotocol voor nieuwe terreinen, zoals dat in de kwalitatieve afspraken is beschreven. Het protocol is niet van toepassing op direct uitgeefbaar aanbod. Elementen in het uitgifteprotocol: • We geven zoveel mogelijk lokaal voorrang aan lokale bedrijven. • We stellen aan nieuwe uitgiften eisen ten aanzien van de floor space index en terrein quotiënt (passend bij de activiteit). • We stellen ten aanzien van vrijkomende terreinen ook eisen aan de floor space index en terrein quotiënt (passend bij de activiteit), waarbij we eerst kijken naar alternatieve mogelijkheden op de kavel en op bestaande bedrijventerreinen. • We zetten in op het concentreren van grootschalige ruimtegebruikers op een aantal regionaal (georiënteerde) bedrijventerreinen (bestaand en nieuw). • We vestigen grootschalige bedrijven van buiten de regio enkel binnen de U16, wanneer het bedrijf bijdraagt aan de economisch vitaliteit.

• We bieden – gemeentegrens overstijgend –de ruimte aan het faciliteren van de groei van lokale en regionale bedrijven. • We zetten zoveel mogelijk en passend binnen financiële randvoorwaarden in op een clustering van bedrijven uit eenzelfde sector zodat samenwerking en innovatie en circulariteit kan worden versterkt. Dit kan betrekking hebben op bestaande terreinen en op nieuwe terreinen. • Gemeenten monitoren jaarlijks de effecten van het uitgifteprotocol. De provincie ondersteunt hierbij met de Vastgoedmonitor en IBIS. Monitoring van het regionaal programma De planmonitor Bedrijventerreinen (als onderdeel van de Vastgoedmonitor die wordt ontwikkeld door de provincie) vormt, naast IBIS een belangrijke basis voor het proces om jaarlijks te komen tot het Regionaal programma wonen en werken. In de monitor kunnen alle ambities van gemeenten worden opgenomen, ongeacht planologische status of regionale overeenstemming. Dit is de basis voor het regionale programma (zowel realisatie als pijplijn). Met betrekking tot plannen in het programma kan er vanuit partijen een gesprek wenselijk zijn over de kwalitatieve/kwantitatieve invulling van de locatie, danwel het versnellen of vertragen daarvan. We gaan ook de realisatie en voortgang van dit regionale programma monitoren, de uitkomsten daarvan zijn belangrijk voor een goede evaluatie en volgende actualisering van het programma.

De provincie neemt het initiatief om daarvoor een voorstel te doen, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande bronnen. Zowel waar het gaat om de uitgifte van nieuw terrein, als ook waar het gaat om de belangrijke indicatoren van de bestaande terreinen zoals de floor space index en de terreinquotiënt en de duurzaamheidsprestaties. De provincie neemt deze indicatoren mee in de totstandkoming en/of doorontwikkeling van de monitor bedrijventerreinen. Gemeenten leveren daartoe de benodigde beschikbare informatie. Zie hiervoor verder onder 4.

Regionaal Programma U16

21

PROVINCIALE MONITOR De Provinciale monitor zoals deze nu wordt ontwikkeld, heeft betrekking op terreinen die groter zijn dan 10 ha en gaat over de volgende aspecten: • Voorraad (≥ 750 m² v.v.o.): bedrijfsruimtevoorraad over de afgelopen 5 jaar; transformatie binnen de voorraad over de afgelopen 5 jaar • Aanbod (≥ 750 m² v.v.o.): aanbod totaal in m² over de afgelopen 5 jaar; courant/Incourant aanbod m² over de afgelopen 5 jaar; leegstand totaal in m² en % van de totale voorraad over de afgelopen 5 jaar • Opname (≥ 750 m² v.v.o.): Opname totaal in m² over afgelopen 5 jaar Voor een bedrijventerreinenmonitor is het daarnaast praktisch dat er door gemeenten gewerkt kan worden met een pijplijn van bedrijventerreinenplannen die een nog vertrouwelijke status hebben, wanneer deze bijvoorbeeld nog niet gedeeld kunnen worden in de regio of met de regio-gemeenten. In de monitor kunnen deze plannen mogelijk aangegeven worden met ‘een stip op het gemeentehuis’ (naar analogie van de monitor woningbouw). Voor regiogemeenten en provincie is dan duidelijk dat gemeenten hier mee aan het werk zijn, op een manier die op dat moment nog recht doet aan de vertrouwelijke status van het plan.

Aanvullend signaleren we dat we ten behoeve van de uitvoering van de ambities uit het regionaal programmeren ook aanvullende kennisontwikkeling en -uitwisseling nodig is, naast financiële middelen die specifiek op de thema’s uit het regionaal programma worden ingezet. Dit is voorwaardelijk om te komen tot het realiseren van een intensivering van het ruimtegebruik van 20 tot 30%, zoals de provincie in haar provinciale beleid heeft verankerd. Het kwantitatieve programma: onderscheid in ‘realisatie’ en ‘pijplijn’ Gemeenten geven zelf aan of zij een locatie willen opnemen in het onderdeel ‘realisatie’ dan wel ‘pijplijn’. Het realisatie-deel betreft het uiteindelijke openbare programma. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk om voor deze locaties lokaal draagvlak te organiseren. Plannen in het deel ‘pijplijn’ zijn niet openbaar, uitsluitend het totale regionale volume. Nieuwe uitbreidingslocaties voor bedrijventerreinen die worden ingebracht voor het realisatiedeel worden door de provincie zo snel mogelijk van een eerste ambtelijke opvatting voorzien. Hierbij wordt gekeken naar provinciaal beleid (waaronder regionale context), belangen en regels. Randvoorwaarden en aandachtspunten per locatie worden tevens opgenomen in het regionale programma.

Vervolgens wordt bezien of verdere regionale afstemming nodig is: passen alle plannen binnen de aangegeven kwantitatieve bandbreedte? Hoe verhouden plannen van verschillende gemeenten zich qua planning en invulling tot elkaar? Dit kwantitatieve programma wordt verder uitgewerkt onder 3.4. Verduurzaming Hieronder beschrijven en we de gezamenlijke ambitie en afspraken op het gebied van duurzaamheid en circulariteit. De uitwerking daarvan moet plaatsvinden in de aanpak volgens de drie knoppen zoals beschreven in paragraaf 3.4.

Tabel 15: duurzaamheidsambities en afspraken op alle terreinen in de U16 Kwalitatieve Criteria voor alle nieuwe bedrijventerreinen

Gezamenlijke ambitie en afspraken op alle terrein Gezamenlijke ambitie(s): Gemeenten en provincie willen alle werklocaties zo duurzaam en circulair mogelijk

maken en houden. Op een duurzame, circulaire werklocatie wordt per activiteit zo min mogelijk energie verbruikt, omdat processen zijn geoptimaliseerd en omdat het vastgoed goed is geïsoleerd. We zetten hierop

Regionaal Programma U16

22

in bij iedere nieuwe uitgifte vanaf 2021: nieuwe terreinen kunnen in beginsel netto energie opleveren. Voor de bestaande bedrijventerreinen proberen we duurzaam en circulair ruimtegebruik te bevorderen. Afspraken: • Gemeenten dragen er zorg voor dat er voldoende ruimte voor bedrijvigheid met een hogere milieucategorie behouden blijft, om zowel circulaire ontwikkeling als energietransitie mogelijk te kunnen (blijven) maken. Het is vanuit dat opzicht belangrijk de volgende terreinen te beschermen met een bovengemiddelde score op Next Economy. 9

•

• • • • • •

•

Gemeenten stimuleren samenwerking met en vooral ook tussen bedrijven. Verduurzaming begint met goed georganiseerde ondernemerscollectieven (ondernemersvereniging, industriële kring, bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.). Gemeenten streven ernaar de verduurzaming van nieuwe en bestaande werklocaties onderdeel te laten zijn van een regionaal uitgifteprotocol voor werklocaties. Gemeenten stimuleren individuele werklocaties om mee te gaan in de energietransitie. Welke middelen hiervoor worden ingezet zal worden onderzocht. Gemeenten bieden ruimte voor nieuwe duurzame concepten bij nieuw-ontwikkeling en op bestaande werklocaties. Gemeenten wijzen de komende 4 jaar een aantal geschikte, goed ontsloten, regionale locaties aan die concrete circulaire samenwerking direct kunnen faciliteren. Gemeenten en provincie samen ontwikkelen gemeenschappelijke kennis over verduurzamen van werklocaties. Dit kan ook betrekking hebben op uitwisseling van praktijkervaringen. Gemeenten en provincie monitoren de verduurzaming van werklocaties in U16 en verkennen of deze informatie ook verkregen kan worden uit de provinciale monitor werklocaties die in ontwikkeling is. Provincie is daarbij verantwoordelijk voor het opstellen en bijhouden van de monitor, en gemeenten leveren input aan.

Gemeenten vragen de provincie te ondersteunen met instrumenten om de verduurzaming tot stand te laten brengen.

3.4 Het programma bedrijventerreinen: aanpak op drie manieren Om te kunnen voorzien in de vraag naar bedrijventerreinen hanteren we drie knoppen: • Knop 1: uitbreiding van bedrijventerreinen door nieuwe locaties toe te voegen aan de programmering • Knop 2: zorgvuldig en intensief ruimtegebruik bestaande terreinen en nieuwe terreinen • Knop 3: transformeren en mengen van locaties.

Knop 1: uitbreiding van bedrijventerreinen door nieuwe lokale en regionale locaties toe te voegen aan de programmering Inventarisatie nieuwe lokale en regionale plannen Het bestaande aanbod aan bedrijventerreinen kan, voor zover passend binnen het provinciaal kader voor wonen en werken, worden uitgebreid (zie tabel 11). De provincie Utrecht heeft de in tabel 16 opgenomen plannen voor uitbreiding reeds planologisch aanvaardbaar geacht. Het gaat in totaal om circa 40 hectare. Dit is het realisatiedeel van het regionaal programma. De druk op de ruimte geeft de noodzaak om bij ieder De locatie Keulschevaart die in de NEER-analyse is verkend is onderdeel van het onderzoek naar knooppuntontwikkeling Breukelen, waarbij Keulschevaart aangemerkt wordt als woon-werk locatie.

9

23

Regionaal Programma U16

plan voor nieuw bedrijventerrein af te wegen hoe dit terrein maximaal bij kan dragen aan de kwalitatieve criteria en de regionale behoefte aan bedrijventerreinen. We zien daarnaast meerwaarde in de ontwikkeling van één of meerdere regionale terreinen om te voorzien in de behoefte aan regionale terreinen. Realisatie daarvan is echter niet op korte termijn aan de orde. Daarom verkennen gemeenten ten behoeve van een volgende actualisatie of het mogelijk is om één of meerdere regionale bedrijventerreinen toe te voegen aan het regionaal programma. Daar hoort ook een beeld bij over de definitie van een regionaal bedrijventerrein en de manier waarop een dergelijk terrein georganiseerd wordt en met welke financiële kaders een dergelijk terrein functioneert. Tabel 16: realisatiedeel regionaal programma Gemeente

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=d9670ac5-7c7e-4a27-9f71-1862ef812afe