CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Handreiking stedelijk waterplan VNG en UWV handre-hydrotheek

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 2 juli 2026, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Programma Water 2026-202910.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

HANDREIKING STEDELIJK WATERPLAN VNG EN UVW

HANDREIKING VERENIGING VAN NEDERLANDSE GEMEENTEN (VNG) EN UNIE VAN WATERSCHAPPEN (UVW) VOOR GEMEENTE EN WATERSCHAP OM TE KOMEN TOT EEN GEZAMENLIJK STEDELIJK WATERPLAN

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW Handreiking Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Unie van Waterschappen (UvW) voor gemeente en waterschap om te komen tot een gezamenlijk stedelijk waterplan

Postbus 30435, 2500 GK Den Haag. Telefax (070) 346 92 01 Internet: www.vnguitgeverij.nl

COLOFON Basisvormgeving Bertine Colsen, Den Haag

Redactie Deze handreiking is een product van de VNG en UvW. Auteurs zijn: E. van der Meide (VNG) M. van der Werf (UvW) Het product is vastgesteld door de leden van het bestuurlijk overleg VNG-UvW. In het voortraject is de handreiking in diverse gremia besproken. Dank wordt uitgesproken in de richting van hen die daarmee een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van deze handreiking. Genoemd worden: de leden van het bestuurlijk overleg VNG-UvW, de ambtelijke en bestuurlijke watercommissies van de VNG en UvW, de leden van het landelijk bestuurlijk overleg water (LBOW) en de leden van de daarbij behorende onderliggende gremia (regiegroep, coördinatiegroep en cluster water in de stad).

Uitgave Unie van Waterschappen Koningskade 40 Postbus 93218 2509 AE Den Haag

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Postbus 30435 2500 GK Den Haag

THESAURUS VERENIGING VAN NEDERLANDSE GEMEENTEN Thesaurustermen: water ; waterkwaliteitsbeheer ISBN 90 322 7320 5

© VNG en UvW, Den Haag, 2004 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.

Inhoud 1 2 3 4

Inleiding Uitgangspunten Proces Modules Module 1: Waterkwantiteit Module 2: Waterkwaliteit Module 3: Water in de bebouwde leefomgeving Module 4: Stedelijk grondwater Module 5: Afvalwater en afkoppelen regenwater Module 6: Beheer en onderhoud stedelijk water

Bijlage 1 Relevante passages uit het NBW en de rijksvisie waterketen over het stedelijk waterplan Bijlage 2 Gezamenlijke visie op aanpak stedelijke grondwaterproblematiek Bijlage 3 Gezamenlijke uitgangspuntennotitie Waterbodem in het bebouwd gebied

7 9 13 15

21 23 29

Inleiding

7

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW 1

Inleiding

Het onderwerp water is momenteel zeer actueel, zowel op het lokale als landelijke niveau. Al eeuwenlang houdt de mensheid zich bezig met de omgang met water in het bebouwd gebied en de afvoer hiervan. Recente extreme weerssituaties hebben laten zien dat deze oude vraag actueler is dan ooit. De burger vraagt droge voeten en een goede waterkwaliteit, maar wil tegelijkertijd zo weinig mogelijk betalen. De verschillende wateropgaven moeten dus gehaald worden tegen de laagst maatschappelijke kosten. Gemeenten en waterschappen zijn de partijen die deze stedelijke wateropgave uiteindelijk moeten realiseren. Afstemming van wederzijds beleid en taken is dus zeer belangrijk. Het waterplan is een geschikt instrument om deze afstemming te realiseren. Een waterplan positioneert het onderwerp water en de kennis van het waterschap daarover, binnen de gemeente steviger in de richting van de ruimtelijke ordening en de inrichting van het bebouwde gebied. Meer concreet levert een waterplan de onderbouwing vanuit waterperspectief voor de integrale ruimtelijke keuzes die gemaakt moeten worden. Tevens kan een waterplan de stedelijke inbreng vormen in meer regionale processen als de deelstroomgebiedsvisies WB21 en de stroomgebiedbeheersplannen KRW. Medio 2003 hebben de betrokken partijen het NBW ondertekend waarin afspraken staan over de wijze waarop met water wordt omgegaan.

Deze afspraken hebben ook hun weerslag op het bebouwde gebied. In het NBW is opgenomen dat gemeenten (in samenwerking met waterschappen) voor de eerste helft van 2006 stedelijke waterplannen opstellen waar dat uit het oogpunt van tenminste de wateroverlastproblematiek noodzakelijk wordt bevonden. De betreffende artikelen uit het NBW zijn opgenomen in bijlage 1. In 2006 dient de stedelijke wateropgave inzichtelijk te zijn en de afspraak is gemaakt dat de VNG hierover een landelijke rapportage opstelt. De VNG zal in samenwerking met de UvW het proces van totstandkoming van waterplannen volgen en monitoren. Via deze handreiking willen de VNG en UvW het opstellen van stedelijke waterplannen door gemeenten en waterschappen stimuleren en faciliteren. Met deze handreiking wordt in de eerste plaats uitwerking gegeven van de afspraken die in het NBW zijn gemaakt over het waterplan. Hierin staat met name de stedelijke

8

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

wateropgave in kwantitatieve zin centraal. Ook wordt aangesloten bij hetgeen in de rijksvisie waterketen over waterplannen staat vermeld. Daarin wordt vooral het visionaire karakter van een waterplan benadrukt, inclusief de inbedding van water in de ruimtelijke inrichting. Deze aspecten zouden derhalve tenminste in een waterplan moeten worden opgenomen. Op diverse plaatsen zijn reeds waterplannen opgesteld. De leerpunten daaruit zijn verwerkt in deze handreiking. De handreiking sluit daarmee nadrukkelijk aan bij de opgaven die in het stedelijk gebied momenteel op gemeenten en waterschappen afkomen. De lokale partijen kunnen zelf ook andere aspecten in een waterplan opnemen. Daarbij kan met name gedacht worden aan zaken die meer te maken hebben met de meer ‘zachte’ component van water (kansen en beleving van water).

Uitgangspunten

2

9

Uitgangspunten

Doel waterplan Doel van een waterplan kan zijn: – het verkrijgen van een gezamenlijke visie op het stedelijk waterbeheer, inclusief de plaats van het stedelijk water binnen de inrichting van het stedelijk gebied (strategische functie); – het afstemmen van waterbeleid binnen de gemeente, tussen de gemeente en het waterschap en met andere partijen, zodat de stedelijke wateropgaven (inclusief de WB21- en KRW-beleidsuitgangspunten) gehaald worden tegen de laagst maatschappelijke kosten (tactische functie); – Het maken van concrete afspraken over ambities, maatregelen, de bekostiging daarvan en de doorwerking in de ruimtelijke ordening (operationale functie). Hiertoe kunnen operationele plannen onderdeel uitmaken van het waterplan. Op het lokale niveau dient het uiteindelijke accent gemaakt te worden. De VNG en UvW beschouwen het waterplan primair als strategisch document. Het bereiken van de laagst maatschappelijke kosten is een centraal uitgangspunt. Inhoud waterplan Een waterplan bevat in de eerste plaats een strategische algemene visie. Hierin staat de algemene ambitie vermeld en de wijze waarop partijen tegen het stedelijk water en de stedelijke wateropgave aankijken. Integraal waterbeheer (inclusief de relatie met de afvalwaterketen) en integraal omgevingsbeheer (inclusief de relatie met de ruimtelijke ordening) zijn de uitgangspunten.

Een waterplan kan een aantal onderwerpen bevatten. In deze handreiking is er voor gekozen om deze onderwerpen in modulen op te nemen. De VNG en UvW zijn van mening dat de volgende thema’s in een waterplan opgenomen kunnen worden: 1 Waterkwantiteit: deze module beschrijft de stedelijke wateropgave in kwantitatieve zin. Uitgangspunt daarbij is artikel 4.13 van het NBW (zie bijlage 1). Deze module bevat tevens de stedelijke inbreng in de discussie over deelstroomgebiedsvisies die in de nabije toekomst in overleg met gemeenten nader uitgewerkt zullen worden. 2 Waterkwaliteit: daarnaast kan het waterplan ook kwalitatieve aspecten van water bevatten. Hierbij is de kaderrichtlijn water van groot belang. Als in de toekomst de kwalitatieve wateropgave meer inzichtelijk wordt, kan deze module verder ingevuld worden.

10

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

3 Water in de bebouwde omgeving: deze module is vooral van belang om het onderwerp water beter te verankeren in de stedelijke leefomgeving en –inrichting, en binnen de gemeentelijke organisatie. 4 Stedelijk grondwater: deze module beschrijft de wijze waarop de gemeente en het waterschap omgegaan wordt met stedelijke grondwaterproblemen. 5 Afvalwater en afkoppelen regenwater: deze module bevat het afkoppelbeleid van de gemeente en het waterschap en de wijze waarop met riooloverstorten wordt omgegaan. 6 Beheer en onderhoud stedelijk water: in deze module kunnen afspraken staan over beheer, onderhoud en de bekostiging van het stedelijk water. Het belang van een bepaald onderwerp, is afhankelijk van de lokale situatie. Een aantal onderwerpen zal echter voor vrijwel alle gemeenten relevant zijn. Wij beschouwen de modulen waterkwantiteit, waterkwaliteit en stedelijke leefomgeving daarbij als minimaal noodzakelijk. Over de andere modulen dient in elk geval nagedacht te worden. Daarbij moet een beslissing genomen worden of deze module inhoudelijk marginaal of uitgebreid behandeld wordt. Een module kan zowel bestaan uit strategische uitgangspunten als een concreet gezamenlijk maatregelenprogramma. Vooraf dient duidelijk te zijn wat met deze module bereikt moet worden en welke ambities worden nagestreefd.

Het is van belang dat de samenhang tussen de verschillende modules gewaarborgd blijft. De algemene strategische visie kan deze integraliteit waarborgen. Vorm waterplan De vorm van het waterplan is vrij. Dit geldt tevens voor de wijze waarop de verankering met andere (gemeentelijke) plannen is aangebracht. Het waterplan wordt gezien als een koepelplan met een strategische visie waaronder diverse andere (meer uitvoeringsgerichte) plannen kunnen hangen met concrete afspraken en maatregelenprogramma’s. Hierbij is met name de relatie met de in november 2003 door VNG en UvW opgestelde Handreiking afvalwaterakkoord van belang. De onderwerpen basisinspanning en optimalisaties, zoals opgenomen in de beschrijving van een waterplan in artikel 4.13 van het NBW, zijn in feite al centrale onderwerpen in de Handreiking afvalwaterakkoord. Samenwerken ten behoeve van een optimale afvalwaterketen is de belangrijkste reden om aan de slag te gaan met een afval-

Uitgangspunten

11

waterakkoord. Het is denkbaar dat een afvalwaterakkoord een onderdeel is van een waterplan. Regionale context Een waterplan bevat de stedelijke wateropgave, dat wil zeggen de wateropgave in het bebouwde gebied. Hierin hebben zowel de gemeente als het waterschap taken. Qua naamgeving is in deze handreiking gekozen voor stedelijk waterplan, omdat dit de gezamenlijkheid beter weergeeft dan gemeentelijk waterplan. De gemeente is regisseur voor het proces dat leidt tot een waterplan en maakt daarbij gebruik van de kennis van het waterschap. Hierbij is uiteraard wel een relatie met het buitengebied en de regionale context aanwezig. Er dient derhalve aangegeven te worden op welke wijze de stedelijke wateropgaven interfereren met de wateropgaven in het landelijk gebied. Dit betekent dus niet automatisch dat de maatregelen ook in het stedelijk gebied zelf genomen moeten worden. Laagst maatschappelijke kosten is daarbij het uitgangspunt en eventuele afwentelingen dienen transparant gemaakt te worden. De stedelijke wateropgave wordt afgestemd met de regionale opgaven en omgekeerd. De provincie wordt betrokken in verband met mogelijke ruimteclaims vanuit regionale belangen. Ook het drinkwaterbedrijf en andere grote watergebruikers, kunnen betrokken worden in verband met regionale onttrekkingen.

12

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

Proces

3

13

Proces

Hieronder volgen aspecten die van belang zijn bij het proces dat leidt tot het opstellen van een waterplan, danwel aspecten die in een waterplan opgenomen kunnen worden: – –

– – – – – – – – – – – – –

Belangrijke punten zijn: een gezamenlijk initiatief, een gedeelde agenda, een trekker en commitment aan de totstandkoming en uitvoering; Voorop staat dat afspraken met elkaar worden gemaakt. Dit betreft zowel de aspecten die de inhoud raken, de manier waarop het waterplan als proces verloopt, als aspecten die buiten het plan worden gelaten; Essentieel is de aanwezigheid van voldoende bestuurlijk commitment. Partijen dienen bestuurlijk helderheid te geven over de wil om er met elkaar uit te komen; Procesafspraken (rollen, planning, projectorganisatie, trekkerschap, besluitvormingsproces, wijze waarop derden betrokken, etc); Plangebied afbakenen (plangebied beschrijven en begrenzen ook visueel); Trekker: logischerwijs ligt het trekkerschap bij de gemeente omdat het gaat om de wateropgaven in het stedelijk gebied; Op welke wijze worden andere partijen (met name de provincie en het drinkwaterbedrijf) betrokken; Op welke wijze wordt de burger betrokken; Op welke wijze wordt het waterplan verankerd binnen de organisatie en wat is de relatie met andere plannen; Aanspreekpunt (watercoördinator gemeente, accountmanager waterschap); Contactpersonen en informatiebronnen: naslagwerken, websites; Besluitvorming: het stedelijk waterplan wordt door beide partijen lokaal democratisch vastgesteld; Een aandachtspunt is de ‘follow-up’.

Dit vraagt een partij die duidelijk het voortouw neemt en de regie houdt op uitvoering van het waterplan; Kosten / kostenverdeling; Communicatie.

14

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

Modules

4

15

Modules

Module 1: Waterkwantiteit De (kwantitatieve) stedelijke wateropgave wordt beschouwd als: het maatregelenpakket waarmee wateroverlast in het stedelijk gebied zoveel mogelijk voorkomen wordt, inclusief de daarbij behorende kosten. Hoewel dat niet bij alle soorten maatregelen mogelijk zal zijn, is het ten behoeve van het te verkrijgen landelijke beeld (de rapportage van de VNG in 2006), wenselijk dat de stedelijke wateropgave zoveel mogelijk op landelijk niveau vergelijkbaar is in termen van m2 (ruimte) en 3 m (af te voeren water). Inzicht in de bandbreedte van de stedelijke wateropgave kan verkregen worden door het uitvoeren van een risicoanalyse waarmee de robuustheid van het stedelijk watersysteem wordt bepaald. Centraal onderdeel van deze risicoanalyse is het doorrekenen van het stedelijk watersysteem op een aantal scenario’s. De robuustheid van het stedelijk watersysteem wordt bepaald door het totaal van watergangen en voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en overtollig regen- en grondwater, inclusief de bijbehorende ruimtelijke maatregelen. Het beheer van deze voorzieningen ligt voor een deel bij de gemeente en voor een deel bij het waterschap. Afstemming tussen de trajecten van beide partijen om de robuustheid van het eigen systeem te bepalen, is dus noodzakelijk. De uiteindelijke grootte van de stedelijke wateropgave is het resultaat van een bestuurlijke afweging.

Hierbij wordt bepaald tot op welke niveau wateroverlast voorkomen kan worden en welke consequenties dit heeft. Hierbij wordt een integrale afweging gemaakt waarbij ook andere sectoren worden betrokken. Het hier2 3 bij behorende maatregelenpakket is de stedelijke wateropgave. Ruimte (m ) en m zijn dus voor alle duidelijkheid geen input maar output van het proces dat leidt tot de stedelijke wateropgave. Een waterplan bevat tenminste procesafspraken waarmee de grootte van de stedelijke wateropgave moet worden bepaald. Waar mogelijk blijkt de grootte al uit het waterplan. De integrale afweging waarmee de grootte van de stedelijke wateropgave bepaald wordt, zal veelal buiten het kader van het waterplan worden gemaakt. Proces om te komen tot de stedelijke wateropgave: 1 Beschrijving stedelijk watersysteem Beschrijf hoe op hoofdlijnen de afvoer van water uit de bebouwde kom plaatsvindt. Informatie-uitwisseling is hierbij erg belangrijk. Het betreft zowel de riolering als

16

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

de stedelijke watergangen, inclusief de ruimte voor waterberging die aanwezig is. Hierbij past ook een beschrijving van de wederzijdse verantwoordelijkheden. Beschrijf de aanwezige knelpunten. Waar treedt water op straat op, en hebben bewoners bij extreme buien wateroverlast ervaren. 2 Quick scan Hierbij wordt het stedelijk watersysteem geanalyseerd, waar mogelijk ondersteund met berekeningen en kaartmateriaal. Het betreft zowel de riolering, de stedelijke watergangen als de overigen voorzieningen voor afvoer van overtollig regen- en grondwater. Een stelsel van normering kan hierbij behulpzaam zijn. Hierbij wordt uiteraard ook de onderlinge samenhang bekeken. In de quick scan wordt de huidige situatie vergeleken met een aantal ambitieniveaus/scenario’s. 3 Knelpunten Uit de quick scan blijken knelpunten. Er zal afgestemd moeten worden welke gezamenlijk gevoelde knelpunten aanwezig zijn. Dit is het resultaat van gezamenlijke bestuurlijk keuzes. 4 Maatregelenprogramma’s en kosten Welke maatregelen (in technische en ruimtelijke zin) worden genomen om deze knelpunten op te lossen, wie neemt welke maatregelen en welke kosten zijn hieraan verbonden. Dit is het resultaat van een integrale bestuurlijke afweging. Dit is de feitelijke stedelijke wateropgave.

Verder kan in deze module opgenomen worden: – Wat is de functie van de verschillende stedelijke watergangen in kwantitatieve zin (o.a. afvoer, aanvoer, circuleren, spoelen, peilbeheersing); – Op welke wijze wordt de gemeente betrokken bij het opstellen van werknormen voor regionale wateren en het daaruit volgende iteratief proces; – De wijze waarop met de WB21-trits vasthouder-bergen-afvoeren wordt omgegaan; – Afspraken over (flexibel) peilbeheer oppervlaktewateren; – Verdroging en watertekort; – Grondwaterwinningen. Module 2: Waterkwaliteit De VNG en UvW dragen uit dat de watersysteemambities gezamenlijk vastgesteld moeten worden (zie ook Handreiking afvalwaterakkoord). Deze ambities kunnen doorvertaald worden naar de waterkwaliteitsambities die in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld moeten worden. Het waterplan vormt de stedelijke input voor stroomgebiedbeheersplannen vanuit de KRW.

Modules

17

De kwalitatieve stedelijke wateropgave volgt met name uit de discussie over de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn water. Het is zaak dat gemeenten goed betrokken worden bij de discussie over het te bereiken ambitieniveau in en voor het stedelijk gebied. Aandachtspunten: – Welk ambitieniveau en welke functie wordt voor de verschillende stedelijke watergangen in kwalitatieve zin nagestreefd; – Duurzaam bouwen en aanpak van diffuse bronnen; – Op welke wijze wordt de gemeente betrokken bij de verplichtingen vanuit de Kaderrichtlijn water (o.a. stroomgebiedbeheersplan); – Analyse van waterkwaliteitsknelpunten; – Analyse van vervuilingsbronnen; – Monitoring stadswateren. Module 3: Water in de bebouwde leefomgeving Het waterplan is geschikt om het onderwerp water beter te verankeren in de verschillende opgaven waarvoor gemeenten in het stedelijk gebied staan. Daarbij kan met name gedacht worden aan de ruimtelijke ordening en inrichting van het bebouwd gebied. Het is van belang dat het waterschap vroegtijdig bij deze ontwikkelingen betrokken wordt. Een stedelijk waterplan geeft aan wat de ruimtelijke consequenties van waterbeleid kunnen zijn en waar water en stedelijk ontwerp en inrichting elkaar kunnen versterken (waterkansen). In een waterplan kunnen de te verwachten ruimtelijke ontwikkelingen en de inschatting van de consequenties voor het waterbeheer beschreven worden.

Het ruimtelijk vastleggen van functies vindt plaats in het bestemmingsplan. Een waterplan is daarmee een sectorale bouwsteen voor het ruimtelijk beleid van de gemeente. Een stedelijk waterplan is geschikt om een aantal waterhuishoudkundige relevante zaken, die niet goed tot hun recht komen in een ruimtelijk plan (waterkwaliteit, ontwatering/afwatering, maai- en oeveronderhoud, inrichtingsaspecten) adequaat en op een zeker schaalniveau te regelen. Voor nieuwe bestemmingsplannen is een waterparagraaf vereist. Hierin worden de consequenties van het plan voor de waterhuishouding aangegeven. De gemeente maakt hierbij gebruik van een deskundig en op het plangebied gericht wateradvies van het waterschap. De kennis van het stedelijk water ligt deels bij de gemeente en voor een deel bij het waterschap. Het waterschap verzamelt de kennis en stelt op basis hiervan een integraal wateradvies op. De gezamenlijke kennis van het stedelijk watersysteem - vast te leggen in het stedelijk waterplan - kan gebruikt worden als input bij het watertoetsproces. Het wateradvies wordt hierdoor

18

Handreiking stedelijk waterplanVNG en UvW

in de praktijk een meer gezamenlijk advies van waterspecialisten uit de gemeente en het waterschap aan ruimtelijke ordenaars en bouwers. Via het waterplan vindt in relatie tot de watertoets op deze wijze meer sturing vooraf dan toetsing achteraf plaats. Een waterplan kan tenslotte een relatie hebben met de meerjarige ontwikkelingsprogramma’s (MOP’s) die vereist zijn in het kader van het investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV). In deze module kan tevens aandacht besteed worden aan de esthetische waarde van water, en de kansen van water. Module 4: Stedelijk grondwater In het NBW is afgesproken dat de VNG en UvW uiterlijk in 2005 bestuurlijke spelregels vaststellen met betrekking tot de aanpak van de stedelijke grondwaterproblematiek. De UvW en VNG hebben eind 2003 hierin een belangrijke slag geslagen met een gezamenlijke visie op de aanpak stedelijke grondwaterproblematiek (bijlage 2). Momenteel werkt de rijksoverheid aan een wettelijke taakverdeling op basis van het CIW-advies Samen leven met grondwater. Essentie van dit advies is dat de burger zelf verantwoordelijk is voor adequate maatregelen in eigen huis en op eigen terrein. In een door de gemeente op te stellen beleidskader worden nut en noodzaak van de afvoer van overtollig grondwater onderbouwd. Het waterschap heeft hierbij als watersysteembeheerder een belangrijke inbreng.

Feitelijk is er sprake van een co-productie waarbij de eindverantwoordelijkheid bij de gemeente ligt. De verantwoordelijkheid van de overheid omvat in onze ogen een proces dat bestaat uit drie stappen: – wat is de oorzaak van de klachten; – welke maatregelen kunnen genomen worden om het probleem op te lossen; – welke partij (particulier of overheid) staat aan de lat om deze maatregelen te treffen waarbij de doelmatigheidsvraag die gebaseerd is op laagst maatschappelijke kosten een beslissende rol speelt. De gemeente is als eigenaar van het openbaar terrein verantwoordelijk voor ontwatering van het openbaar terrein, wederom binnen het op te stellen beleidskader. De gemeente draagt zorg voor een loket waar klachten en vragen (indien van toepassing) van burgers over grondwater en funderingen worden afgehandeld. Achter dit loket organiseert de gemeente de betrokkenheid van andere partijen (waterschap, provincie, waterleidingbedrijf). Indien blijkt dat er grondwaterproblemen zijn neemt de gemeente het initiatief om tot een oplossing te komen en betrekt de desbetreffende waterbeheerder(s). In overleg met het waterschap en de provincie wordt een onderzoek uitgevoerd waarbij ieder zijn eigen kennis en expertise inbrengt. De resultaten van dit door de gemeente te coördineren onderzoek

Modules

19

vormen een belangrijke basis voor een op te stellen plan van aanpak dat bestuurlijk wordt vastgesteld. Stopzetting van grootschalige onttrekkingen kan gevolgen hebben voor de grondwaterstand in stedelijk gebied. In deze module kan aangegeven worden op welke wijze het regionale grondwaterbeleid interfereert met het lokale grondwaterbeleid. Hierbij worden dus ook de provincie en het drinkwaterbedrijf betrokken. Waar mogelijk wordt overtollig grondwater duurzaam toegepast (lokaal gebruik of reallocatie). Wanneer de contouren van de wettelijke taakverdeling meer duidelijk worden, kan deze module nader wordt ingevuld. Module 5: Afvalwater en afkoppelen regenwater Aspecten die te maken hebben met de afvalwaterketen (o.a. optimalisatie en basisinspanning) worden in beginsel in een afvalwaterakkoord geregeld. De VNG en UvW hebben in november 2003 een handreiking opgesteld om het opstellen van afvalwaterakkoorden te stimuleren. Uitgangspunt is een optimale waterketen tegen de laagst maatschappelijke kosten. Een belangrijke opgave is het afkoppelen van regenwater. Zowel de gemeente als het waterschap hebben hierbij een belang. Afkoppelen van regenwater kan gestimuleerd worden door gezamenlijke financiering van afkoppelprojecten al naar gelang ieders belang. Het profijtbeginsel is daarbij het uitgangspunt.

In deze module: – wordt het gezamenlijke riooloverstortbeleid opgenomen; – staat het afkoppelbeleid van gemeente en waterschap; – kunnen concrete afkoppelprojecten benoemd worden; – wordt het profijtbeginsel nader ingevuld in de lokale situatie (de bekostiging van afkoppelen). Module 6: Beheer en onderhoud stedelijk water De UvW en VNG hebben een gezamenlijke notitie opgesteld genaamd ‘Uitgangspuntennotitie waterbodem in bebouwd gebied’. Deze notitie (bijlage 3) is volledig gebaseerd op de notities ‘Water is overal’ en ‘Gemeenten geven water een plaats’. Hierin is opgenomen dat in principe al het oppervlaktewater in beheer én onderhoud is bij het waterschap. Daar waar dit nog niet het geval is zal overdracht naar het waterschap dienen plaats te vinden. Indien er hierbij sprake is van achterstallig onderhoud wordt voorgesteld om de kosten (minus de eventuele rijksbijdrage uit de SUBBIED-regeling) 50/50 te verdelen tussen gemeenten en waterschap. De gemeente is verantwoordelijk voor het aanwijzen van een depotlocatie. Dit kan ook intergemeentelijk worden opgelost. Ook worden er afspraken gemaakt

20

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

om herverontreiniging van de waterbodem te voorkomen. Verontreinigingen die het waterbodemprofiel, zoals beschreven staat in de keur, te buiten gaan zijn een verantwoordelijkheid van de waterkwaliteitbeheerder. Aandachtspunten: – Begrippenkader – Taakverdeling waterbodems binnen de bebouwde kom Taakverdeling Waterbodems Overgangssituatie - achterstallig onderhoud Taakverdeling maai- en oeveronderhoud – Wegnemen van vervuilingsbronnen – Baggerspecie stort- of verwerkingsplaatsen – Sanering van stedelijke waterbodems

• • •

BIJLAGEN

Bijlage 1:

21

Relevante passages uit het NBW en de rijksvisie waterketen over het stedelijk waterplan

1 Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Medio 2003 hebben de betrokken overheden het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Het NBW bevat onder andere afspraken over de wijze waarop de wateropgaven bereikt worden. Relevante artikelen uit het NBW voor deze handreiking zijn: –

–

–

Artikel 1.4.b: Gemeenten, maken conform artikel 4, tussen 2003 en de eerste helft van 2006, onder meer rekening houdend met deze ruimteclaim en de betreffende deelstroomgebiedsvisie, stedelijke waterplannen. Artikel 4.13 (Stedelijke wateropgave): Wateroverlast kan ontstaan vanuit oppervlaktewater dat buiten de oevers treedt, alsook door een te beperkte afvoer van regenwater van verharde oppervlakten en vanuit het grondwater. Partijen onderkennen de noodzaak om dit in beeld te brengen: “Gemeenten en waterschappen stellen vóór de eerste helft van 2006 gemeentelijke waterplannen op (incl. de basisinspanning riolering, mogelijke optimalisaties en de grondwaterproblematiek), voorzover dit uit oogpunt van tenminste de wateroverlastproblematiek door partijen noodzakelijk wordt gevonden. Bij het opstellen van de plannen zal overleg met de provincie worden gevoerd. Partijen houden daarbij rekening met de ruimteclaim voortvloeiend uit de toepassing van de (werk)normen en geven de samenhang met de deelstroomgebiedsvisie aan. UvW en VNG stellen hiervoor een format op. Artikel 20.8: De VNG draagt zorg voor een rapportage met betrekking tot de stedelijke wateropgave.

2 Rijksvisie waterketen In de rijksvisie waterketen is aangegeven: “Het waterplan is een beleidsmatige visie met een integraal karakter die zich richt op de relatie waterketen, watersysteem en fysieke leefomgeving. Het initiatief voor het opstellen ligt bij gemeenten omdat het waterplan vooral gericht is op het stedelijk gebied. Het waterplan vormt een bouwsteen voor de planvorming en uitvoering van de ruimtelijke ordening. Met het waterplan vindt sturing vooraf plaats in plaats van toetsing achteraf. Het waterplan bevat tevens de stedelijke bijdrage voor de deelstroomgebiedsvisies uit Waterbeheer 21e Eeuw en de stroomgebiedbeheersplannen uit de Kaderrichtlijn Water”.

22

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

Bijlagen

Bijlage 2:

23

Gezamenlijke visie op aanpak stedelijke grondwaterproblematiek

Problematiek De Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) heeft eind 2003 een advies uitgebracht voor de verdeling van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot grondwater in de stad. Het Rijk zal dit advies betrekken bij de opstelling van wet- en regelgeving betreffende de wettelijke verankering van de ont- en afwateringstaak. In het NBW is opgenomen dat de VNG en UvW uiterlijk in 2005 bestuurlijke spelregels vaststellen met betrekking tot de aanpak van de stedelijke grondwaterproblematiek. In NBW is tevens afgesproken dat vóór de eerste helft van 2006 de gemeenten en waterschappen gemeentelijke waterplannen (incl. de grondwaterproblematiek) opstellen. Bij de verdeling van verantwoordelijkheden dient rekening gehouden te worden met een drietal spanningsvelden: 1 De verantwoordelijkheidsverdeling tussen enerzijds de private partij (burger en bedrijven) en anderzijds de publieke partij (overheid). 2 De verantwoordelijke overheid. Er van uitgaande dat een deel van de oplossing van het grondwatervraagstuk een overheidsverantwoordelijkheid is, welke overheid daarvoor dan aan de lat staat. 3 De spanning tussen twee dominante beleidsconcepten waarvan grondwater deel vanuit maakt, namelijk (zie Figuur 1: Systeem redenatie): a) De watersysteembenadering, waarbij het grondwater in relatie wordt gebracht met de rest van het watersysteem.

b) Het systeem van de stedelijke leefomgeving, waarbij het grondwater deel uitmaakt van de stedelijke leefomgeving en het beheer van de openbare ruimte.

Figuur 1: Systeem redenatie

24

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

Beide redenatiemethodieken zijn uit oogpunt van de desbetreffende partijen valide. De Unie en VNG zijn van mening dat het systeemdenken (stedelijke leefomgeving en watersysteem) intact moet worden gelaten anders resulteert dit in een principiële patstelling over verantwoordelijkheidstoedelingen tussen waterschappen enerzijds en gemeenten anderzijds. De Unie en VNG zijn het er gezamenlijk over eens dat het toedelen van verantwoordelijkheden voor het grondwater aan één van beide partijen altijd afbreuk doet aan het feit dat het grondwater deel uitmaakt van twee systemen en derhalve in de praktijk altijd zal leiden tot grote uitvoeringsproblemen. Daarom zijn VNG en Unie van mening via een andere benadering tot een oplossing van dit vraagstuk moet worden gekomen. Bestuurlijke oplossingsvisie VNG en Unie Tussen de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is consensus bereikt over het kader waarbinnen kwantitatieve grondwaterproblemen (voorkomen van het probleem en overlast) in stedelijk gebied moeten worden opgepakt. Deze consensus wordt als volgt samengevat: 1 De beschreven grondwaterproblematiek in dit stuk focust zich met name op kwantitatieve problemen in het stedelijk gebied waarbij voornamelijk wordt ingegaan op situaties van overlast waar burgers en bedrijven regelmatig mee worden geconfronteerd.

Aan de orde is de vraag wie de verantwoordelijkheid draagt om deze problemen op te lossen, en waar burgers en bedrijven met klachten terecht kunnen. 2

De verantwoordelijkheid die de overheid hier heeft wordt op twee manieren begrensd: – De burger is zelf verantwoordelijk voor adequate maatregelen in eigen huis en op eigen terrein. – Het op voorhand door de overheid vaststellen en garanderen van grondwaterpeilen in stedelijk gebied (vergelijkbaar met een peilbesluit voor oppervlaktewater) is technisch moeilijk realiseerbaar, door de veelheid van onbeïnvloedbare factoren die dit grondwaterpeil beïnvloeden. Een dergelijke vérgaande peilbeheersing zou een verantwoordelijkheid zijn die de overheid niet kan waarmaken.

3

De overheid is wél verantwoordelijk voor een programma van maatregelen gericht op het zo veel mogelijk terugdringen van (grond)wateroverlast en onderlast in de stad. Hier ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor waterschap en gemeente. Deze gezamenlijke verantwoordelijkheid, met een bijbe-

Bijlagen

25

horend programma van maatregelen vormt onderdeel van de stedelijke wateropgave (of het stedelijk waterplan) die conform het NBW uiterlijk in 2006 moet zijn opgesteld. Een stedelijke waterplan behoeft de instemming van gemeente- en waterschapsbestuur. De VNG en Unie hebben een Handreiking stedelijk waterplan ontwikkeld, waarvan grondwater onderdeel zal zijn. 4

Daarbij draagt de gemeente de verantwoordelijkheid voor een adequaat bouwen woningbeleid, voor een goed werkende riolering, voor het aanleggen van ontwateringsvoorzieningen, voor het afkoppelen van regenwater, en (bij nieuwe uitbreidingen) voor een adequate inrichting van het openbare gebied, waarbij de bijbehorende investeringslasten via de grondprijs worden verhaald. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid voor beheersing van het peil van het oppervlaktewater, staat aan de lat voor de implementatie van het WB21beleid (trits), en zorgt voor voldoende afvoerend en bergend vermogen in transportleidingen en rwzi’s. Tevens draagt het waterschap verantwoordelijkheid voor een adequate regulering van grondwateronttrekkingen waar die bevoegdheid in handen van het waterschap is gelegd.

5

De financiële verantwoordelijkheden behorend bij de onder punt 4 genoemde maatregelen worden in beginsel voor 100% door gemeente respectievelijk waterschap gedragen al naar gelang ieders taak. Onderlinge verevening wordt zo min mogelijk toegepast, tenzij daar bijzondere redenen voor zijn. In het NBW is afgesproken dat de financiering van de gemeentelijke taak waarschijnlijk kan worden ondergebracht in een verbrede rioleringsheffing. Er zal steun vanuit de waterschappen worden gegeven om meer dan het rioolstelsel (ook afkoppelen, drainage) te kunnen financieren. In het NBW is tevens afgesproken dat het waterschap ook hiervoor dient te beschikken over een watersysteemheffing en een zuiveringsheffing, zoals reeds eerder door de Unie aan het kabinet is voorgesteld.

6

De burger met problemen die hij niet zelf kan oplossen kan bij de overheid terecht waarbij het voor de hand liggend is dat de gemeente hierbij als loket fungeert. De zorgplicht van de overheid (gemeente en waterschap gezamenlijk) bij deze problematiek omvat een proces wat bestaat uit drie stappen: – wat de oorzaak van de klachten is (wellicht meerdere oorzaken); – welke maatregelen daartegen het beste genomen kunnen worden om het probleem op te lossen; – welke partij (particulier of overheid) aan de lat staat om de naar voren komende maatregelen te treffen, hier speelt naast de verantwoordelijkheidsvraag ook de doelmatigheidsvraag, die o.a. gebaseerd is op de laagst maatschappelijke kosten, een beslissende rol.

26

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

7

Unie en VNG pleiten voor een Wettelijke verankering van de onder punt 6 beschreven zorgplicht. Als stok achter de deur zou de rijksoverheid kunnen aangeven dat de problematiek binnen een bepaald termijn wordt geëvalueerd. De voorgestelde zorgplicht moet recht doen aan het WB21-gedachtengoed waarbij niet in de valkuil moet worden getrapt van een rigide wettelijk onderscheid tussen de afwateringstaak van het waterschap en de ontwateringstaak van de gemeente die in samenhang met elkaar beschouwd moeten worden. De bevoegd- en verantwoordelijkheden zullen niet ondubbelzinnig worden vastgelegd zodat er een zorgplicht ontstaat die niet is waar te maken naar de burgers toe. Voorgesteld wordt om de bevoegd- en verantwoordelijkheden vorm te geven via een plan verplichting, naar analogie van het GRP (gemeentelijk rioleringsplan). De gemeente moet gezamenlijk met het waterschap beleid maken en een programma samenstellen waarin de burger inspraak heeft. Het programma biedt houvast voor oplossingen van problemen. Voorgesteld wordt om op termijn tot een (wettelijk) Gemeentelijk breed rioleringsplan te komen voor riolering afvoer hemelwater en grondwater. De nieuwe voorgestelde brede rioolbelasting zou je dan ook kunnen koppelen aan dit plan en programma.

Naast de inpassing van de zorgplicht in het vernieuwd Gemeentelijk breed rioleringsplan wordt de lokale invulling van de bij punt 6 genoemde zorgplicht en het overall maatwerkbeleid ook vastgesteld in het door gemeente en waterschap gezamenlijke opgezette ‘Stedelijk waterplan’.

8

De overheid voert dit proces binnen een redelijke termijn uit. Indien tijdens dit overleg geen consensus wordt bereikt door beide partijen over een taakverdeling kan mediation overwogen worden. De VNG en UvW zullen hierover op termijn met voorstellen komen.

9

Bij voorkomen van nieuwe grondwateroverlast of -onderlast gevallen in (nieuw) stedelijk gebied, dient de watertoets te worden benut. Burgers binnen bestaand stedelijk gebied, die over een aantal jaren toch met grondwater problemen worden geconfronteerd vallen ook onder het beschreven proces (zie punt 6).

10 Ten behoeve van de aanpak van (oude) grondwateroverlast gevallen die zijn veroorzaakt door de stopzetting van grondwateronttrekkingen, zal de Grondwaterwet zodanig gewijzigd moeten worden dat sprake is van tenminste een onderzoeks- en nazorgplicht voor de partij die daarvoor verantwoordelijk is.In de huidige praktijk wordt deze onderzoeks- en nazorgplicht namelijk niet in de desbetreffende vergunning opgenomen.

Bijlagen

27

11 Het onder punt 6 beschreven zorgplicht zou juridische inbedding kunnen vinden in de Wet milieubeheer, Grondwater wet, Wet op de waterhuishouding of Wet ruimtelijke ordening. 12 In de toekomst zullen vragen beantwoord worden over zaken als bouwrijp maken, calamiteiten als extreme regenval, stedelijk ontwateringdiepte, aansprakelijkheid en kostenveroorzakingsbeginsel. Een aantal van deze vragen kunnen worden beantwoord met behulp van het CIW-advies ‘Samen leven met grondwater’.

28

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

Bijlagen

Bijlage 3:

29

Gezamenlijke uitgangspuntennotitie Waterbodem in het bebouwd gebied

Inhoud Samenvatting Algemeen

31 34

Taakverdeling in de bebouwde kom

35

– – – – – – –

Historische achtergrond Verdeling van taken bij waterbodems Overgangssituatie - achterstallig onderhoud Aanbeveling voor verdeling van werkzaamheden Taakverdeling Waterbodems Taakverdeling Oevers Slotopmerking taakverdeling

Omstandigheden ten aanzien van wegnemen vervuilingsbronnen en berging van specie – –

41

Wegnemen van vervuilingsbronnen Baggerspecie stort- of verwerkingsplaatsen

Sanering van stedelijke waterbodems Begrippenkader

44 45

30

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

Bijlagen

31

Samenvatting In bebouwde gebieden is door wisselingen van het formele (waterbodem)beheer, in onderhoudsplichten door derden en overnames door gemeenten en waterschappen vaak niet in alle gevallenhelder welke taken met betrekking tot waterbodem door welke partij moeten worden uitgevoerd en of dat nog efficiënt gebeurt. De voorliggende notitie geeft aanbevelingen ten aanzien van beheer van stedelijke waterbodems en efficiënte uitvoering van. Deze notitie bevat geen nieuw beleid maar is opgesteld op basis vande bestaande beleidsdocumenten van de VNG (Gemeenten geven water een plaats, 2002) en van de Unie van Waterschappen (Water is overal, 2001). Verantwoordelijkheidsverdeling onderhoud waterbodems In deze notitie is de volgende rode draad te constateren: ‘Het waterschap neemt in de bebouwde kom, uitzonderingen daargelaten, de onderhoudsplicht voor de wateren op zich en zal geen aangelanden of gemeenten als onderhoudsplichtige aanwijzen.’ Uit de eerder genoemde documenten blijkt dat waterschappen en gemeenten het in algemene zin eens zijn over deze verantwoordelijkheidsverdeling. Deze voorgestelde verantwoordelijkheid voor het waterschap kan niet nu en overal zomaar worden ingevoerd.

Daarvoor is de problematiek rondom de bestaande (achterstallige) bagger te groot en dienen een aantal omstandigheden met name ter voorkoming van herverontreiniging en berging van baggerspecie te worden gecreëerd. De problematiek van het achterstallige onderhoud is een overgangsproblematiek. Om discussies over de veroorzakings- en verdelingsvraagstuk tegen te gaan adviseren de Unie en de VNG dat gemeente en waterschap de kosten voor gelijke delen dragen, na aftrek van subsidie en rijksbijdragen, waarna het onderhoud van de waterbodems een verantwoordelijkheid van het waterschap wordt. Deze aanpak wordt vooral van belang geacht voor de belangrijkste wateren in de bebouwde kom. Daarbij wordt er van uitgegaan dat verwijdering van de achterstallige onderhoudsspecie gekoppeld is aan maatregelen die de herverontreiniging voorkomen. De voorgestelde verdeling doet over het geheel gezien zowel recht aan de medeverantwoordelijkheid van de gemeenten voor de bestaande situatie, als ook aan het beroep dat gemeenten en waterschappen daarbij doen op een bijdrage van het Rijk als tegemoetkoming in de kosten van de verontreiniging. Tevens wordt recht gedaan aan de verantwoordelijkheid die de waterschappen hebben voor het functioneren van het gehele watersysteem in de bebouwde kom.

Welke partij (waterschap, gemeente of bedrijf) het feitelijke onderhoud aan het stedelijk watersysteem uitvoert is een doelmatigheidsvraag die per geval moet worden beantwoord. Het streven naar maatschappelijk laagste kosten dient daarbij het

32

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

leidend principe te zijn. Met uitzondering van het achterstallig onderhoud dient de regel te zijn dat de verantwoordelijke voor het onderhoud dit onderhoud zelf uit eigen belastingopbrengsten bekostigt. Verantwoordelijkheidsverdeling onderhoud van oevers Oevers en waterkeringen (kades) behoren tot het watersysteem en daarmee ook tot de beheersverantwoordelijkheid van het waterschap. Tegelijkertijd kunnen oevers een essentieel onderdeel van de openbare ruimte zijn. Voor oevers dient daarom per water een pragmatische afspraak te worden gemaakt over deze verantwoordelijkheid. Deze afspraken worden vastgelegd en via kaartmateriaal gevisualiseerd Deze kaart zal worden opgenomen in de legger en in het gemeentelijke waterplan. Wegnemen vervuilingsbronnen en berging van specie Om te kunnen komen tot een vernieuwde verantwoordelijkheidsverdeling dienen afspraken te worden gemaakt over: – hoe waterschappen en gemeenten de goede omstandigheden creëren om herverontreiniging van eenmaal gebaggerde wateren te voorkomen dan wel voldoende te beperken; – waar baggerspecie kan worden geborgen of verwerkt. In de praktijk is het binnen het stedelijk gebied veelal niet wenselijk en mogelijk om bagger op de kant te bergen. Het verdient dan ook geen voorkeur dat de waterbeheerder hier het juridische middel van de ontvangstplicht inzet.

De consequentie is echter wel dat er daarom locaties nodig zijn om baggerspecie te bergen. Zowel VNG als Unie zijn opvatting dat de gemeente verantwoordelijk is voor het (binnen haar grondgebied of in op regionaal niveau) planologisch beschikbaar stellen van locaties voor de stort van bagger. Hoewel baggerspecie in het algemeen niet binnen de bebouwde kom zal worden verspreid neemt dat niet weg dat, in goed overleg tussen gemeente en waterschap, de (beperkte) mogelijkheden om baggerspecie ook binnen de bebouwde kom op de kant te zetten, wel moeten worden benut. Immers, met het op de kant bergen van bagger zijn (veruit) de laagst maatschappelijke kosten gemoeid. Saneringen van waterbodems Het waterschap voert het waterkwaliteitsbeheer van alle regionale wateren uit dus ook in het stedelijk gebied. Het waterschap is in gevolge de wetbodembescherming daarom ook in het stedelijk gebied de verantwoordelijke partij voor de uitvoering van waterbodemsaneringen.

Bijlagen

33

Slot Succesfactor in deze notitie is een gezamenlijke aanpak waarbij de water, -bodem en oever problemen door betrokken gemeenten en waterschappen in kaart worden gebracht. Dit verheldert de onderlinge relatie en verantwoordelijkheden tussen gemeenten en waterschappen en levert tevens lagere maatschappelijke kosten als positief resultaat op.

34

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

Algemeen Het beheer en onderhoud van het watersysteem en de aangrenzende infrastructuur in het stedelijk gebied dient zo efficiënt mogelijk te worden uitgevoerd. Taken en verantwoordelijkheden van waterschap en gemeente moeten daarom goed op elkaar worden afgestemd. Deze notitie richt zich op het beheer en onderhoud van de wateren, dat wil zeggen van waterbodems en oevers in de bebouwde kom. Uitgangspunt voor de notitie is dat de gemeente de openbare ruimte en het waterschap het regionale watersysteem in de bebouwde kom en in het landelijke gebied beheert. In veel bebouwde gebieden is door wisselingen van het formele beheer, in onderhoudsplichten door derden en overnames daarvan door gemeenten en waterschappen niet in alle situaties helder welke partij waarvoor verantwoordelijk is. Deze notitie heeft als doel verantwoordelijkheden te verhelderen en aanbevelingen te doen voor individuele gemeenten en waterschappen om tot heldere en efficiënte werkafspraken te komen. Daarbij staat de VNG en Unie voor ogen dat gemeenten en waterschappen afspraken maken over het uitvoeren en bekostigen van het onderhoud van de concrete wateren en hun oevers. Deze afspraken zouden moeten worden vastgelegd in zowel het gemeentelijke waterplan als in de legger van het waterschap.

Deze notitie bevat geen nieuw beleid met betrekking tot waterbodem in de stad, maar is opgesteld door de inhoud van eerdere beleidsdocumenten van de VNG (Gemeenten geven water een plaats, 2002) en van de Unie van Waterschappen (Water is overal, 2001) zoveel mogelijk samen te voegen en waarnodig aan of in te vullen. Deze onderwerpen geven de aanwezige gemeenschappelijke standpunten tussen Unie en VNG weer die als uitgangspunt dienen voor verder overleg tussen individuele gemeenten en waterschappen.

Bijlagen

35

Taakverdeling onderhoud waterbodems in de bebouwde kom Historische achtergrond De waterschappen beheren de wateren in het landelijk gebied sinds lange tijd. Voor het bebouwde gebied ligt dit vaak anders. Veel bebouwd en vooral stedelijk gebied was oorspronkelijk niet waterschappelijk ingedeeld. Daarin is bij de concentratie van de waterschappen in de afgelopen decennia verandering gekomen. Inmiddels zijn daarom de waterschappen vrijwel zonder uitzondering beheerder van de wateren in de bebouwde kom. Het onderhouden van die wateren in de bebouwde kom is echter in veel situaties nog niet aan deze veranderde beheerssituatie aangepast. De gemeenten hadden in het verleden vaak een vanzelfsprekende taak als (enige) plaatselijke overheid voor het uitvoeren van onderhoud aan die wateren. In andere gevallen werd de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van wateren bij de gemeenten ondergebracht door een onderhoudsovereenkomst tussen gemeente en waterschap. In weer andere gevallen was de gemeente onderhoudsplichtig geworden omdat zij aangeland is of omdat zij is opgetreden namens aangelanden (aanliggende perceeleigenaren) die onderhoudsplichtig zijn. Zo is in het verleden op verschillende manieren veel van de onderhoudstaak voor de wateren in de bebouwde kom versnipperd en gedeeltelijk bij gemeenten terechtgekomen.

De taak is echter in de laatste decennia in veel gevallen onvoldoende uitgevoerd. De toename van de waterbodemverontreiniging is vaak de oorzaak van dit onvoldoende onderhoud. Gelet op de ontstane problemen en de veelal gewijzigde (beheers)positie van het waterschap in de bebouwde kom, dient een gezamenlijke en bestendige oplossing te worden gecreëerd. Daar komt nog bij dat de wateroverlastproblematiek in ons land noodzaakt tot een voortvarende aanpak van het stedelijk watersysteem zodat meer water kan worden geborgen, vastgehouden of afgevoerd. Verdeling van taken bij waterbodems In de Unienotitie ‘Water is overal’ is ten aanzien van het onderhoud in de bebouwde kom geconstateerd dat het waterschap in beginsel dezelfde taakopvatting dient te hanteren als in het landelijk gebied. Een ruime taakopvatting, waarbij in principe alle oppervlaktewateren onder het beheer en onderhoud van het waterschap vallen, verdient de voorkeur. Dit ook vanwege de duidelijkheid naar de burger toe. In bijzondere gevallen moet evenwel van deze voorkeur kunnen worden afgeweken. Te denken is dan aan kleine wateren zonder duidelijke waterhuishoudkundige functie, zoals scheisloten tussen percelen of geïsoleerde siervijvers.

Het bovenstaande komt er op neer dat het waterschap in de bebouwde kom, uitzonderingen daargelaten, de onderhoudsplicht voor de wateren bij zichzelf legt en geen aangelanden of gemeenten als onderhoudsplichtige aanwijst.

36

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

In de nota ‘Gemeenten geven water een plaats’ stelt de VNG dat zij het beheermodel zoals dat door de waterschappen in het landelijk gebied wordt gehanteerd en waarbij de onderhoudsplicht bij derden ligt, minder geschikt vindt voor de bebouwde kom. Stedelijk gebied is wezenlijk anders van aard dan landelijk gebied, zo stelt ‘Gemeenten geven water een plaats’. Het grondbezit is veel meer versnipperd en de afstand tussen burger en bestuur is mede daardoor groter. De VNG stelt dan ook in ‘Gemeenten geven water een plaats’ dat zij van mening is dat ‘het waterschap in principe een actieve beheerder dient te zijn. De onderhoudsplicht (anders dan voor het waterschap zelf) is daarbij niet van toepassing in het stedelijk gebied. Indien het efficiënter is om gemeenten de uitvoering te laten doen, wordt dit financieel verrekend.’ Uit het voorgaande mag worden geconcludeerd dat waterschappen en gemeenten het in algemene zin eens zijn over de verdeling van taken ten aanzien van het onderhouden van de waterbodems; namelijk: het waterschap is in de bebouwde kom, uitzonderingen daargelaten, verantwoordelijk voor het waterbodemonderhoud van de wateren. Deze taakopvatting kan evenwel niet zonder meer, dat wil zeggen nu en overal, worden ingevoerd.

Daarvoor is de problematiek van de bestaande (achterstallige) bagger te groot en dient een aantal omstandigheden met name ter voorkoming van herverontreiniging en berging van baggerspecie te worden gecreëerd. De problematiek van het achterstallige onderhoud is in feite een overgangsproblematiek. Daarop zal hier eerst worden ingegaan om vervolgens tot een aantal concrete aanbevelingen voor de verdeling van taken en werkzaamheden te komen. Ten slotte zal op de genoemde noodzakelijke omstandigheden worden ingegaan. Overgangssituatie - achterstallig onderhoud Op de problematiek van het achterstallig onderhoud geven de nota’s van VNG en Unie nog geen volledig eensluidende aanpak. In ´Gemeenten geven water een plaats´ is vermeld dat de gemeenten niet voor de meerkosten vanwege verontreiniging van de bagger kunnen worden aangesproken. Bij niet verontreinigde bagger kan de gemeente wel op achterstallig onderhoud worden aangesproken. De gemeenten doen voor de extra kosten van de verontreiniging van bagger een beroep op het Rijk. In ´Water is overal´wordt gesteld dat kostenveroorzaking en bestaande afspraken tussen gemeenten en waterschappen het eerste uitgangspunt moeten vormen voor het financieren van het achterstallig onderhoud.

Om langdurige discussies over dit veroorzakings- en verdelingsvraagstuk tegen te gaan, wordt geadviseerd: een eenmalige gezamenlijke financiering in gelijke delen door gemeente en waterschap van het achterstellingonderhoud na aftrek van andere (rijks-)bijdragen; na de

Bijlagen

37

uitvoering waarvan het waterschap de taak van het onderhoud van de betreffende waterbodem volledig tot zijn taak rekent. Deze aanpak wordt vooral van belang geacht voor de belangrijkste wateren in de bebouwde kom. Voor deze aanpak wordt er van uitgegaan dat verwijdering van de achterstallige onderhoudsspecie gekoppeld wordt aan maatregelen die de herverontreiniging voorkomen (zie paragraaf: ’Omstandigheden ten aanzien van wegnemen vervuilingsbronnen en berging van specie’ verder in deze notitie). In het landelijke samenwerkingsprogramma van Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen voor waterbodems, het Tienjarenscenario waterbodems (TJS), is de problematiek van het achterstallige baggerwerk in de bebouwde kom eveneens een punt van aandacht. In 2001 is in dat kader de regeling voor bijdrage aan de planvorming tot stand gekomen. In 2003 is voor een periode van 4 jaar ook een bijdrageregeling van kracht geworden voor het uitvoeren van baggerwerken in de bebouwde kom (Staatsblad van 19 maart 2003). Op basis van deze laatste regeling kan 1/3 van de kosten van het baggerwerk door het Rijk worden gedragen. Gelet op het voorgaande wordt door Unie en VNG geadviseerd dat gemeente en waterschap de kosten voor gelijke delen dragen, na aftrek van subsidie en rijksbijdragen, waarna het onderhoud van de waterbodems een taak van het waterschap wordt.

De verdeelsleutel 50-50 verschuift als er duidelijk sprake is van een historische last van een van de partijen. Een dergelijke verdeling doet over het geheel gezien recht aan de medeverantwoordelijkheid van de gemeenten voor de bestaande situatie, maar ook het beroep dat zij daarbij doen op een bijdrage van het Rijk als tegemoetkoming in de kosten van de verontreiniging. Tevens wordt recht gedaan aan de verantwoordelijkheid die de waterschappen hebben voor het functioneren van het gehele watersysteem ook in de bebouwde kom. De rijksbijdrage maakt daarbij een probleemoplossende, brede taakopvatting mogelijk waarbij geen onderscheid naar type of het belang van het water wordt gemaakt. Voorts wijzen Unie en VNG op de middelen die de Wet bodembescherming ter beschikking stelt voor de sanering van waterbodems. Door samenloop met de verwijdering van onderhoudsspecie kunnen voordelen worden behaald die kunnen bevorderen dat achterstanden worden weggewerkt en een goed uitgangspunt voor zowel kwalitatief als kwantitatief beheer en onderhoud van het watersysteem wordt bereikt. Aanbevelingen voor verdeling van werkzaamheden Aanbevolen wordt dat gemeenten en waterschappen het beheer en de taakverdeling ten aanzien van het onderhoud voor zowel waterbodem als oever (zie hierna) per water via kaartmateriaal visualiseren (eventueel combineren met kaart

38

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

“beheersituatie” uit baggerplan). Deze kaart wordt bij voorkeur vastgelegd in het gemeentelijk waterplan en in de bij de keur behorende legger van het waterschap. Er wordt hier derhalve geen nieuwe planfiguur geïntroduceerd maar bestaande planfiguren en instrumenten worden beter benut. Er zijn twee waterfuncties te onderscheiden, namelijk: vaarwater en oppervlaktewater van het watersysteem. Voorkeursmatrix taakverdeling bebouwde kom Water

Beheer

Onderhoud w-bodem

Onderhoud oever

Vaarweg (incl. havens)

Vaarwegbeheerder1

Vaarwegbeheerder

Vaarwegbeheerder/ gemeente

Opp.water watersysteem

Waterschap passief en actief2

Waterschap

Waterschap/ gemeente

1

Vaarwegbeheer berust bij de provincie volgens Scheepvaartverkeerswet tenzij de provincie deze taak bij provinciaal besluit heeft gedelegeerd aan bijvoorbeeld gemeente of waterschap.

2

Conform het waterschapsreglement.

Taakverdeling Waterbodems Met uitzondering van de hiervoor beschreven overgangsproblematiek ten aanzien van het achterstallig onderhoud en de hierna te behandelen omstandigheden ten aanzien van herverontreiniging en berging, dient de regel bij deze voorkeursmatrix te zijn dat de verantwoordelijke voor het onderhoud dit onderhoud zelf uit eigen belastingmiddelen bekostigt. Een verstrengeling van verantwoordelijkheden en financiële verplichtingen dient bij het maken van nieuwe afspraken tussen gemeenten en waterschappen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bij voorkeur wordt gezocht naar een evenwichtig pakket van taken waarbij eventueel gewenste afwijkingen van de voorkeursmatrix van taken van gemeenten en waterschappen, zoveel mogelijk tot stand komen via een ruil met gesloten beurs. Van een (beperkt) aantal wateren zal ook in de toekomst het onderhoud niet door het waterschap kunnen worden uitgevoerd, omdat deze wateren niet tot de waterhuishoudkundige taak van het waterschap worden gerekend. Te denken valt aan waterpartijen die van het watersysteem zijn geïsoleerd, zoals sommige sier- of plantsoenvijvers (onderhoud daarvan ligt dan logischerwijs bij de gemeente), of aan scheisloten tussen percelen in landelijke gemeenten (onderhoud ligt dan logischerwijs bij de perceeleigenaren).

Bijlagen

39

Taakverdeling Oevers Oevers en waterkeringen (kades) behoren volgens de definitie tot het watersysteem en daarmee in principe tot de beheersverantwoordelijkheid van het waterschap. Tegelijkertijd kunnen oevers een essentieel onderdeel van de openbare ruimte zijn. Als oevers en kades vooral ook een ander doel dienen (bijvoorbeeld wegen, vaarwegen/loswallen of haveninrichting) ligt het zwaartepunt van het belang bij de oeverconstructie en derhalve bij de gemeente als beheerder van de openbare ruimte of de vaarwegbeheerder. Voor oevers dient daarom per water en de daarbij behorende oevers een pragmatische afspraak tussen de beheerders te worden gemaakt. De volgende voorbeelden dienen hiervoor als aanknopingspunt. Bij een natuurvriendelijke rietoever in een stedelijk waterpartij ligt het voor de hand dat het waterschap de verantwoordelijkheid voor het oeveronderhoud op zich neemt. Een dergelijke oever is immers een essentieel onderdeel van het watersysteem. Bij een grachtmuur in een stad is het meer voor de hand liggend dat de gemeente verantwoordelijk is. Een dergelijke muur vormt over het algemeen ten slotte een belangrijk element van de aangrenzende wegconstructie. Een beschoeiing bij een sloot in een nieuwbouwwijk zou door zowel gemeente als waterschap kunnen worden onderhouden.

Hier lijkt de meest logische combinatie met het uitvoeren van baggerwerken te kunnen worden gevonden. Dat betekent dat normaliter het waterschap verantwoordelijk is voor dit onderhoud. De verantwoordelijkheid voor het onderhoud aan een strandje bij een speelweide ligt weer meer bij een gemeente. Indien de gemeente een oeveraanpassing wenst bij een watergang die in onderhoud is bij het waterschap of omgekeerd dan kan dit aanleiding zijn om de afspraken omtrent het onderhoud her te bezien. De verantwoordelijkheidsvraag voor beheer en onderhoud van oevers is een doelmatigheidsvraag die per geval moet worden beantwoord. Daarbij dient het streven naar de maatschappelijk laagste kosten het leidend principe te zijn. Essentieel is evenwel dat per water met bijbehorende oevers heldere afspraken worden gemaakt ten aanzien van de partij die het onderhoud aan waterbodem en aan de oevers uitvoert en dat deze afspraken worden vastgelegd in de eerder genoemde kaart met een koppeling naar de legger en het gemeentelijke waterplan. Ook ten aanzien van de uitvoering van het onderhoud van oevers wordt aanbevolen dat de verantwoordelijke uitvoerende partij zelf voor de benodigde financiën zorg draagt. Slotopmerking taakverdeling Het beheer van de openbare ruimte en het waterbeheer zijn in de bebouwde kom nauw met elkaar verweven.

Het moet daarom vanzelfsprekend zijn, niet alleen om afspraken te maken over de verdeling van taken maar ook om elkaar voortdurend op de hoogte te houden van de geplande onderhoudsactiviteiten bijvoorbeeld door middel van een periodiek ambtelijk overleg. Hierbij geldt ook het streven naar

40

Handreiking stedelijk waterplan VNG en UvW

maatschappelijk laagste kosten. Indien werkzaamheden goed afgestemd uitgevoerd kunnen worden, zal dit kostenbesparend kunnen werken voor beide partijen.

Bijlagen

41

Omstandigheden ten aanzien van wegnemen vervuilingsbronnen en berging van specie Om tot de hiervoor beschreven taakverdeling te kunnen komen dienen ook afspraken te worden gemaakt over: – hoe waterschappen en gemeenten de goede omstandigheden creëren om herverontreiniging van eenmaal gebaggerde wateren te voorkomen dan wel beperken; – waar baggerspecie kan worden geborgen of verwerkt. Dergelijke afspraken zullen mede bepalen of waterschap en gemeente tot overeenstemming over de taakverdeling kunnen komen. Wegnemen van vervuilingsbronnen Voor het uitvoeren van een sanering, als bedoeld in de Wet bodembescherming (zie hierna), is het vereist dat de vervuilingsbron is weggenomen. Maar ook voor het uitvoeren van onderhoudswerken zal door de waterschappen de voorwaarde worden gesteld, voor overnemen van de verantwoordelijkheid voor waterbodems en oevers dat bronnen van herverontreiniging gesaneerd zijn. De gemeenten zullen hieraan een niet onbelangrijke bijdrage moeten leveren in het kader van de sanering van riooloverstorten en het uitvoeren van een beleid rondom verontreinigingen door gewasbeschermingsmiddelen, uitlogende bouwmetalen en beleid ten aanzien van het afkoppelen van (schoon) regenwater Daarnaast zal ook met andere overheden en partijen herverontreiniging van waterbodems moeten worden tegengegaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=1d076a08-236f-4052-bbaa-68c9f2361aa8