CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bijlage 9 Vooronderzoek Conventionele explosieven

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en MER De Spurkt22.180 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Naoorlogse ontwikkelingen Naoorlogse ontwikkelingen in een gebied kunnen van invloed zijn op de aanwezigheid van CE in de bodem. De veranderingen in het onderzoeksgebied zijn onderzocht aan de hand van een vergelijking met luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog en recente luchtfoto’s. In het onderzoeksgebied zijn naoorlogs enkele boerderijen gebouwd. Daarnaast zijn er bomen geplant en is het wegenpatroon enigszins aangepast. Tijdens de luchtfoto-analyse kunnen niet altijd alle (naoorlogse) bodemroeringen in een gebied worden waargenomen. Zo vinden in een landelijk

106

Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 108 Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 109 Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 107

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

48

gebied vaak agrarische werkzaamheden plaats. Waarschijnlijk is dit ook in het huidige onderzoeksgebied het geval. Mogelijk werkzaamheden die hebben plaatsgevonden zijn: 4.4.1 Mengwoelen Mengwoelen gebeurt met een ondergronder waarbij maximaal 100 cm diep de bodem wordt geroerd. Meestal vindt mengwoelen tot gemiddeld 80 cm minus maaiveld plaats. In Heylen fase 1 heeft in het verleden mengwoelen plaatsgevonden.

Afbeelding 9: Mengwoelen. Bron: https://www.youtube.com/watch?v=ozFYiUJ4qAg

4.4.2 Diepspitten Door middel van diepspitten kunnen eventuele storende lagen in de bodem gebroken worden. Dit is onder andere relevant voor aspergeteelt. De maximale diepte waarbij de bodem wordt geroerd is 135 cm vanaf het maaiveld.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

49

Afbeelding 10: Diepspitten. Bron: https://www.youtube.com/watch?v=PJFJoinriLg

4.4.3 Diepploegen Om bodemlagen van percelen te keren wordt er gediepploegd, bijvoorbeeld veen naar onderen en de zandlaag naar boven. Bij het diepploegen wordt bodem maximaal 120 cm minus maaiveld geroerd.

Afbeelding 11: Diepploegen. Bron: https://www.youtube.com/watch?v=aFFh73t-viU

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

50

Afbeelding 12: Diepploegen. Bron: https://www.youtube.com/watch?v=aFFh73t-viU

4.4.4 Kettingzeefmachines Veel landbouwpercelen zijn in de afgelopen 70 jaar intensief bewerkt met landbouwmachines zoals de ploeg- en spitmachines. Hierbij wordt de bodem bewerkt tot circa 30 cm diepte. Op de meeste percelen hebben ook wortelen en/of bolgewassen gestaan. Die gewassen worden geoogst met kettingzeefmachines. Hierbij wordt de toplaag tot 30 cm diepte volledig opgepakt en over een trilzeef geleid om de bollen en wortels uit het zand te zeven.

Afbeelding 13: Bollenrooier. Bron: https://www.youtube.com/watch?v=bWcA_2Xq0Zc

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

51

Afbeelding 14: Bollenrooier. Bron: https://www.youtube.com/watch?v=bWcA_2Xq0Zc

In een eventuele Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) zal nader worden ingegaan op de naoorlogse ontwikkelingen van de verdachte gebieden in het onderzoeksgebied. 110

Afbeelding 15: Naoorlogse ontwikkelingen onderzoeksgebied (overzicht).

110

Zie paragraaf 4.2. voor meer informatie over de PRA.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

52

Afbeelding 16: Naoorlogse ontwikkelingen onderzoeksgebied. In het op geschutmunitie verdacht verklaarde gebied is naoorlogs een boerderij gebouwd. Daarnaast zijn er enkele bomen aan de weg geplant. Een van de wegen die door ten tijde van de Tweede Wereldoorlog door het onderzoeksgebied liep bestaat inmiddels niet meer.

Afbeelding 17: Naoorlogse ontwikkelingen onderzoeksgebied. In het op geschutmunitie verdacht verklaarde gebied is naoorlogs een boerderij gebouwd. Daarnaast zijn in de omgeving van de boerderij enkele bomen geplant.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

53

Afbeelding 18: Naoorlogse ontwikkelingen onderzoeksgebied. In het op geschutmunitie verdacht verklaarde gebied is naoorlogs een boerderij gebouwd. Daarnaast zijn enkele bomen aan de wegen geplant en zijn enkele wegen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het gebied liepen verdwenen.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

54

5 CONCLUSIE EN ADVIES 5.1

Conclusie Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties is vastgesteld dat het onderzoeksgebied getroffen is door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor CE in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Het gaat om: • • •

Duitse en geallieerde artilleriebeschietingen in oktober 1944; Duitse militaire aanwezigheid in de vorm van mangaten en loopgraven; Britse raketaanvallen op 13 en 14 oktober 1944.

Aan de hand van deze indicaties zijn de hoofd- en sub-soorten CE, de hoeveelheden CE, de verschijningsvormen CE en de horizontale en verticale afbakening van de verdachte gebieden vastgesteld. Deze zijn in de onderstaande paragrafen beschreven. 5.1.1 Aan te treffen CE Op basis van de geraadpleegde bronnen is het onderzoeksgebied per indicatie verdacht op het aantreffen van de volgende CE. Artilleriebeschietingen Aan te treffen CE

Subsoort

Geschutmunitie

Brisant, antitankbrisant, pantser, rook, springrook, brisantpantser, brand

Kaliber (nationaliteit) Tot en met 15 cm (Duits)/ 3,7’’ (Brits)

Hoeveelheden

Verschijningsvorm

Tientallen

Verschoten

Kaliber (nationaliteit) Tot 2 cm (Duits/Brits) n.v.t. (Duits/Brits)

Hoeveelheden Honderdtallen Tientallen

Verschijningsvorm Gedumpt Gedumpt

n.v.t. (Duits/Brits)

Tientallen

Gedumpt

n.v.t. (Duits/Brits)

Enkele

Gedumpt

Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits/Brits)

Tientallen

Gedumpt

Kaliber (nationaliteit) Tot 2 cm (Duits/Brits) n.v.t. (Duits/Brits)

Hoeveelheden Honderdtallen Tientallen

Verschijningsvorm Gedumpt Gedumpt

n.v.t. (Duits/Brits)

Tientallen

Gedumpt

Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Aan te treffen CE Kleinkalibermunitie Handgranaten

Geweergranaten

Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren

Subsoort Diversen Aanvals, verdedigings , rook, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisa nt, rook, sein, rook WP Brisant, antitankbrisa nt n.v.t.

Militaire aanwezigheid (mitrailleurstellingen) Aan te treffen CE Kleinkalibermunitie Handgranaten

Geweergranaten

Subsoort Diversen Aanvals, verdedigings , rook, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisa nt, rook, sein, rook WP

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

55

Aan te treffen CE Munitie voor granaatwerpers

Subsoort Brisant, antitankbrisa nt n.v.t.

Kaliber (nationaliteit) n.v.t. (Duits/Brits)

Hoeveelheden Enkele

Verschijningsvorm Gedumpt

Beschermkappen, verpakkingen, etc. (Duits/Brits)

Tientallen

Gedumpt

Subsoort

Kaliber (nationaliteit)

Hoeveelheden

Verschijningsvorm

Antitankbrisant (SAP)

3’’ 60 lbs (Brits)

Enkele

Verschoten

Munitietoebehoren

Raketbeschietingen Aan te treffen CE Raketten

5.1.2 Horizontale afbakening verdachte gebieden De horizontale afbakening van het verdachte gebied is voor de indicaties vastgesteld aan de hand van het WSCS-OCE. Artilleriebeschietingen Het gehele onderzoeksgebied is verdacht verklaard op verschoten geschutmunitie. Het onderzoeksgebied is getroffen door geallieerde en Duitse artilleriebeschietingen in de periode van de bevrijding van Venray. Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn in en nabij het onderzoeksgebied inslagen afkomstig van geschutmunitie waargenomen. Tevens zijn er door de EODD met regelmaat voornamelijk rook- en brisantgranaten van 25 pond geruimd. Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn in het onderzoeksgebied vele loopgraven en mangaten waargenomen. In verband met de aanwezigheid van de geallieerde en Duitse troepen in en nabij het onderzoeksgebied en de oorlogshandelingen die in het gebied de periode van de bevrijding hebben plaatsgevonden, zijn de contouren van de op de luchtfoto’s waargenomen loopgraven en mangaten plus 5 meter georeferentie-afwijking verdacht verklaard op de aanwezigheid van gedumpte KKM, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en munitietoebehoren. Militaire aanwezigheid (mitrailleurstellingen) Op de geraadpleegde luchtfoto’s zijn in het onderzoeksgebied een aantal mitrailleurstellingen waargenomen.

De contouren van de stellingen plus 5 meter georeferentie-afwijking zijn verdacht verklaard op de aanwezigheid van KKM, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en munitietoebehoren. Raketaanvallen Op 13 en 14 oktober 1944 hebben in de omgeving van het onderzoeksgebied twee raketaanvallen plaatsgevonden. De doelwitten van deze aanvallen waren de Duitse stellingen op de posities qE.781292 en qE.782292. Omdat de exacte locaties van aanvallen nog wel eens afweken van het getroffen doel en er tijdens luchtfoto-analyse geen onderscheid gemaakt kon worden tussen kraters veroorzaakt door raketten en kraters veroorzaakt door geschutmunitie, zijn de stellingen in de directe omgeving van de aangevallen posities verdacht verklaard op raketten. De locaties van deze stellingen zijn conform de regelgeving van het WSCS-OCE afgebakend als Pin Point Target. Vanuit het hart van het doel is een cirkel met een straal van 108 (plus 5 meter georeferentieafwijking) getrokken. 5.1.3 Verticale afbakening verdachte gebieden De verticale afbakening van het verdachte gebied is vastgesteld aan de hand van ervaringen in het veld en vastgesteld ten opzichte van maaiveld Tweede Wereldoorlo Artilleriebeschieting Soort CE

111

Sub-soort

Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld111

Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

56

Geschutmunitie

diverse

De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaring vastgesteld op 2,5 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog.

Militaire aanwezigheid (loopgraven en mangaten) Soort CE Kleinkalibermunitie

Sub-soort Diversen

Handgranaten

Aanvals, verdedigings, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant

Geweergranaten Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren

rook, rook,

Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld112 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is 2 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog. Dit was de maximale diepte van de stellingen.

n.v.t.

Militaire aanwezigheid (mitrailleurstellingen) Soort CE Kleinkalibermunitie

Sub-soort Diversen

Handgranaten

Aanvals, verdedigings, licht, rook WP, brand Brisant, antitankbrisant, sein, rook WP Brisant, antitankbrisant

Geweergranaten Munitie voor granaatwerpers Munitietoebehoren

rook, rook,

Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld113 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is 2 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog. Dit was de maximale diepte van stellingen.

n.v.t.

Raketaanvallen Soort CE Raketten

Sub-soort Antitankbrisant (SAP)

Min. & max. diepteligging t.o.v. maaiveld114 De minimale diepteligging is net onder het maaiveld. De maximale diepteligging is op basis van ervaring vastgesteld op 2,5 meter minus maaiveld Tweede Wereldoorlog.

5.1.4 Naoorlogse ontwikkelingen In het onderzoeksgebied zijn naoorlogs verschillende boerderijen gebouwd en bomen geplant. Enkele wegen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het gebied liepen zijn inmiddels verdwenen. 5.1.5 Leemten in kennis Tijdens het onderzoek bleken er een aantal leemten in kennis te zijn. • • • •

Het is onbekend of er in de periode 1940-1945 CE zijn geruimd binnen de grenzen van het onderzoeksgebied en/of in de directe omgeving hiervan; Het is onbekend of er in de periode 1945-1970 CE zijn geruimd binnen de grenzen van het onderzoeksgebied en/of in de directe omgeving hiervan; Van niet alle gebeurtenissen kon op basis van de geraadpleegde bronnen een exacte locatie bepaald worden; Op verschillende plaatsen in en bij het onderzoeksgebied zijn verstoringen waargenomen waarvan de oorzaak op basis van de luchtfoto’s niet kon worden vastgesteld. Er is gekeken in literatuur en archieven naar een oorzaak, maar deze kon niet worden vastgesteld. De waargenomen verstoringen zijn aangemerkt als ‘niet definieerbaar’: het is duidelijk dat er een verstoring is, maar de oorzaak is niet bekend. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat deze verstoringen veroorzaakt zijn door CE;

112

Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 114 Maaiveld ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. 113

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

57

•

•

5.2

In de geraadpleegde bronnen zijn in beperkte mate gegevens beschikbaar over de ingezette sub-soorten, kalibers en ontstekingsinrichtingen van de gebruikte geschutmunitie. De sub-soorten en kalibers van de maximaal aan te treffen CE zijn om deze reden vastgesteld op basis van de MORA’s uit het archief van de EODD. In het gebied zijn voornamelijk geallieerde rook- en brisantgranaten van 25 pond en 3.7 inch met schokbuis No 117, 119 en 221 geruimd. Ook werden enkele geallieerde mortiergranaten van 3 inch gevonden. In gebied werden naast de geallieerde granaten ook enkele Duitse brisantgranaten van 7,5 cm, 10,5 cm en 15 cm met onder andere Anschlag Zünder 23 geruimd. Tevens werden op twee plaatsen (restanten) van raketmotoren aangetroffen en nog enkele andere soorten munitie zoals KKM en een oefenantipersoneelsmijn. Tijdens de luchtfoto-analyse kunnen niet altijd alle (naoorlogse) bodemroeringen in een gebied worden waargenomen. Zo vinden in een landelijk gebied vaak werkzaamheden in de bodem plaats. Waarschijnlijk is dit ook in het huidige onderzoeksgebied het geval.

Advies Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies is het gehele onderzoeksgebied verdacht verklaard op het aantreffen van geschutmunitie. Daarnaast zijn de locaties van mangaten, loopgraven en mitrailleurstellingen verdacht verklaard op de aanwezigheid van KKM, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en munitietoebehoren. Tevens zijn enkele locaties van stellingen verdacht verklaard op raketten. Het advies met betrekking tot de aanwezigheid van CE en de uit te voeren werkzaamheden is als volgt: Voor de verdachte gebieden zijn verschillende mogelijkheden: 1. Het opstellen van een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) waarbij dit vooronderzoek als basis zal dienen. De PRA heeft tot doel om te bepalen of het verdacht gebied door naoorlogse werkzaamheden of voor de uitvoer van de geplande werkzaamheden (nog) verdacht is. Beschikbare bodemkundige onderzoeken zullen worden gebruikt om de exacte maximale en minimale diepteligging van CE vast te stellen. Tevens wordt op basis van een analyse van de risico’s van CE voor de daadwerkelijke uitvoering van het project bepaald wat de meest geschikte detectietechniek is. Er zal met name worden vastgesteld waar en welke grondwerkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen het onderzoeksgebied alsmede tot welke diepte de bodem geroerd is geweest; 2. Het laten uitvoeren van detectiewerkzaamheden.

De detectietechniek is afhankelijk van het soort munitie en de diepteligging ervan. Bij CE die maximaal op een diepte van 4,5 meter liggen kan oppervlaktedetectie worden toegepast, wanneer de CE dieper liggen dan 4,5 meter kan dieptedetectie worden toegepast. Voor de locaties waar veel naoorlogse ontwikkelingen hebben plaatsgevonden is het advies een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) uit te laten voeren. Het gaat dan om de locaties waar naoorlogs boerderijen zijn gebouwd. Voor de rest van het gebied is het advies detectie uit te laten voeren.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

58

6 BIJLAGEN

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

59

Bijlage 1

Overzicht beoordelen/evalueren inventarisatie (WSCS-OCE)

In het WSCS-OCE staat vermeld dat de indicaties en contra-indicaties uit de inventarisatie-resultaten dienen te worden beoordeeld en dat op basis hiervan de volgende punten gemotiveerd vastgesteld moeten worden: • Of er sprake is van een CE verdacht gebied, en zo ja: • De (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoedelijke CE; • De horizontale en verticale afbakening van het verdachte gebied. Bij de beoordeling en evaluatie van de resultaten van de inventarisatie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Indien sprake is van de vermoedelijke aanwezigheid van CE, wordt de conclusie VERDACHT gerapporteerd. Indien er geen sprake is van de vermoedelijke aanwezigheid van CE, wordt de conclusie ONVERDACHT gerapporteerd; 2. De conclusie wordt vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke verifieerbare bronnen. Indien een indicatie in slechts één bron is aangetroffen, wordt dit duidelijk aangegeven in de rapportage. Hierin wordt gerapporteerd hoe de betrouwbaarheid van de bronnen is ingeschat; 3. Indicaties en/of contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE op de projectlocatie en/of in het onderzoeksgebied. Voor de locatieverwijzing gelden de volgende uitgangspunten: a.

Indicaties en/of contra-indicaties moeten worden vertaald naar een locatie in de huidige topografie; b. Waar sprake is van onduidelijkheid/onbetrouwbaarheid in de locatieverwijzing, wordt dit gedocumenteerd; c. Bij gebruikmaking van indicaties en/of contra-indicaties uit geschreven bronnen, dient de locatieverwijzing uit het bronbestand in de rapportage ongewijzigd te worden overgenomen. 4. Bij het vaststellen van de conclusie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. Bij de beoordeling of bepaalde oorlogshandelingen een indicatie vormen voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied, wordt bijlage 3 van het WSCS-OCE als leidraad gehanteerd. Hiervan mag alleen gemotiveerd worden afgeweken; b. Als er geen indicaties zijn die wijzen op de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied, is de conclusie ONVERDACHT; c. Als er indicaties zijn dat bij oorlogshandelingen binnen de grenzen van de projectlocatie en/of onderzoeksgebied bepaalde hoofdsoorten CE zijn gebruikt/betrokken geweest, dan is (een deel van) de projectlocatie en/of onderzoeksgebied VERDACHT op de aanwezigheid van deze hoofdsoorten CE, tenzij op basis van contra-indicaties het tegendeel kan worden bewezen. 5. Het verdachte gebied wordt horizontaal en verticaal afgebakend, gespecificeerd per (sub)soort CE, hoeveelheid en verschijningsvorm van vermoedelijke CE.

Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. Bij de horizontale afbakening van het verdachte gebied wordt bijlage 3 van het WSCSOCE gehanteerd; b. Uitgangspunten voor de verticale afbakening: i. Bij het bepalen van de verticale afbakening dient specifiek rekening te worden gehouden met: bodemweerstand, verwachte indringingsnelheid en –hoek, gewicht, vorm en diameter CE; ii. Voor het berekenen van de penetratiediepte wordt gebruik gemaakt van een rekenmethode waarin ten minste rekening gehouden wordt met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem; iii. Indien sprake is van grondverzet/grondroering in de periode 1945 tot heden, wordt op basis daarvan bepaald of, en zo ja, tot welke diepte minus maaiveld (gerelateerd aan NAP), de aanwezigheid van CE kan worden uitgesloten; iv. De verticale afbakening wordt zodanig uitgedrukt dat deze is te herleiden tot de diepte ten opzichte van NAP; c. Uitgangspunten horizontale afbakening:

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

60

i. Bij de horizontale afbakening van het verdachte gebied wordt de tolerantie gemotiveerd, gebaseerd op het beschikbare bronnenmateriaal; ii. Het verdachte gebied wordt weergegeven in RD-coördinaten; d. Onder de verschijningsvorm wordt verstaan de wijze waarop CE in het verleden in de (water)bodem zijn terechtgekomen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt in: afgeworpen, verschoten, gegooid, gelegd, weggeslingerd, opgeslagen, gedumpt, begraven (inclusief redepositie), als restant uit springputten of explosie en als onderdeel van (vliegtuig)wrakken en/of gezonken vaartuigen.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

61

Bijlage 2

Vaststellen verdacht gebied en afbakening in vooronderzoek

In onderstaand overzicht is de horizontale afbakening van het verdachte gebied weergegeven zoals deze is opgenomen in het WSCS-OCE. Indicatie

Algemene omschrijving

Verdedigingswerk

✗

Geschutopstelling (statisch en mobiel)

Groepering van wapenopstellingen en/of geschutsopstellingen, rondom afgezet met een versperring (bijvoorbeeld weerstandskern of steunpunt) Opstelling van handvuurwapen, machinegeweer of andere (semi)automatisch wapen, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk Locatie van geschut, niet zijnde onderdeel van een verdedigingswerk.

Munitieopslag in open veld Loopgraaf

Locatie van munitievoorraad in het open veld, niet zijnde binnen een verdedigingswerk Militaire loopgraaf

✗ ✗

Tankgracht of –geul

Een diepe (al dan niet droge) gracht of geul met steile wanden, aangebracht om pantservoertuigen tegen te houden Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD géén landmijnen aangetroffen Middels een aanwijzing, niet zijnde een mijnenlegrapport, op landmijnen verdacht verklaard gebied. In het verdachte gebied zijn bij de controle door de MMOD, of bij naoorlogse activiteiten landmijnen aangetroffen. Geregistreerd mijnenveld, waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geregistreerd mijnenveld waarvan mijnenlegrapport aanwezig is. Niet alle volgens het mijnenlegrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Geen feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. Mijnenlegrapport aanwezig. Niet alle volgens het legrapport gelegde landmijnen zijn geruimd. Feitelijke onderbouwing bekend waarom er landmijnen worden vermist. Versperringen, zoals strandversperringen en drakentanden Militaire werken zoals woononderkomen of werken met een burgerdoel zoals schuilbunker

Wapenopstelling

Landmijnen verdacht gebied

Landmijnen verdacht gebied

Mijnenveld

Mijnenveld

Mijnenveld

Versperringen Infrastructuur zonder geschutsopstelling of munitievoorraad Schuilloopgraaf Kampementen

Mangat Vernielingslading Artillerie-, mortierof raketbeschieting Raketbeschieting inslagenpatroon bekend

Uitgangspunt conclusie Verdacht Onverdacht

✗ ✗

Gat in grond met schuilfunctie, niet in gebruik genomen als schuttersput Locatie van aangebrachte vernielingslading Gebied dat is beschoten door mobiel of vast geschut, mortieren of grondgebonden (meervoudige) raketwerpersysteem Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers

25 meter rondom het hart van de geschutopstelling, maar niet verder dan een eventuele aangrenzende watergang. Locatie van de veldopslaglocatie

✗ ✗ ✗

Het gebied binnen de contouren van de loopgraaf is verdacht, bij voorkeur bepaald aan de hand van gegeorefereerde luchtfoto’s. Niet verdacht, tenzij er aanwijzingen zijn dat er mogelijk munitie in gedumpt is. n.v.t.

De grenzen zoals aangegeven in het ruimrapport

✗ ✗

Loopgraaf voor burgerbevolking om in te schuilen Grondgebied met onderkomens zoals tenten

Uitgangspunten voor afbakening verdacht gebied Het grondgebied binnen de grenzen van het verdedigingswerk is verdacht. De grenzen worden bij voorkeur bepaald aan de hand van gegeorefereerde luchtfoto’s. Locatie van de wapenopstelling

n.v.t.

De grenzen zoals aangegeven in het mijnenlegrapport en/of ruimrapport.

✗

n.v.t.

✗ ✗

Tenzij er indicaties zijn dat CE onderdeel uitmaken van de versperring. Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van nabij verdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen

✗ ✗

n.v.t.

✗

Tenzij er indicaties zijn op CE vanwege de aanwezigheid van munitieopslag of nabij verdediging in de vorm van bijvoorbeeld wapenopstellingen. n.v.t.

✗ ✗

Locatie van vernielingslading

✗

Op basis van een analyse van het inslagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon Te bepalen volgens rekenmethode waarin ten minste rekening wordt gehouden met de volgende parameters: de afwerphoogte, de afwerpsnelheid, het gewicht van de bom, de diameter van de bom en de weerstand van de bodem. Op basis van in ieder geval deze vijf parameters wordt berekend tot welke diepte CE theoretisch kunnen indringen en hoever de maximale horizontale verplaatsing is. Situationeel te bepalen

Inslagpunt blindganger, zijnde een vliegtuigbom

Vliegtuig die niet in werking is getreden

✗

Crashlocatie vliegtuig Krater van gedetoneerde incidentele luchtafweergranaat

Aanwezigheid van CE vanwege de crash

✗

Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een incidentele luchtafweergranaat bevindt.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

Situationeel te bepalen

✗

Tenzij er indicaties zijn dat het geen incidentele luchtafweergranaat betreft.

62

Inslagpunt van een V.1 wapen

Gebied dat is getroffen door de inslag van een V.1 wapen

✗

Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerde V.1 wapen Krater van een (gedeeltelijk) gedetoneerde V.2 wapen Dumplocatie van munitie en/of toebehoren Ongecontroleerde (massa)explosie

Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V.1 wapen bevindt.

✗

Gebied waarin zich de krater van de detonatie van een V.2 wapen bevindt.

✗

Situationeel te bepalen

Dumplocatie van CE en/of toebehoren in landbodem of op waterbodem

✗

(Sympathische) detonatie van explosieven voorraad zoals ontploffing munitieopslag of munitietrein Eén of meerdere springputten

✗

Locatie van de dump en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld dumping in stilstaand of stromend water Situationeel te bepalen

Locatie van in werking gestelde vernielingslading, waarbij de mogelijkheid bestaat op het aantreffen van niet (geheel) gedetoneerde springlading(en) Gebied dat is getroffen door een bombardement met middelzware en/of zware bommenwerpers, met als doel om schade aan te richten over een groot gebied.

✗

Gebied dat is getroffen door een bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen

✗

Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door bombardement met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn te treffen

✗

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 91 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn117.

Gebied dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om een vooraf bepaald specifiek object te treffen.

✗

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 108 meter gemeten vanuit het hart van het doel118

Lineair gebied, nabij een spoorlijn, dat is getroffen door een raketbeschieting met jachtbommenwerpers, met als doel om de spoorlijn of treinstel op deze spoorlijn te treffen

✗

Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 80 meter gemeten vanuit het hart van de spoorlijn119

Vernietigingslocatie voor CE

Vernielingslading (in werking gesteld)

Tapijtbombardement

Duikbombardement op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend Duikbombardement op zgn. ‘Line Target’, inslagenpatroon onbekend Raketbeschieting op zgn. ‘Pin Point Target’, inslagenpatroon onbekend Raketbeschieting op zgn. ‘Line Target’, inslagenpatroon onbekend

115

✗

✗

15 meter rondom een inslagpunt vanwege de mogelijke horizontale verplaatsing onder de grond. Situationeel te bepalen

De contour(en) van de springput(ten) en afbakening verder situationeel te bepalen, bijvoorbeeld gelet op de afstand van eventuele uitgeworpen CE buiten deze contour(en). Locatie waar de vernielingslading in werking is gesteld en afbakening verder situationeel te bepalen. Op basis van een analyse van het inslagenpatroon115 wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dat is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon. Het verdachte gebied wordt bepaald door een afstand van 181 meter gemeten vanuit het hart van het doel116.

Verzameling van de locaties van inslagen van één bepaald toestel of één bepaald bombardement.

116

Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50% van de vliegtuigbommen binnen 119 meter neer is gekomen en de maximaal gemeten afstand t.o.v. het doel 181 meter was. 117

Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel waarbij opgemerkt moet worden dat 50 % van de vliegtuigbommen binnen 46 meter neer is gekomen en de maximaal afstand t.o.v. het doel 91 meter was. 118

Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de gemiddelde afstand t.o.v. het doel (gebouwen) waarbij opgemerkt moet worden dat de gemiddelde spreiding van de raketten t.o.v. het middelpunt van een salvo 69 meter was, en dat de gemiddelde afstand van het middelpunt van een salvo t.o.v. het doel 39 meter was. 119

Afstanden zijn afkomstig van een Britse studie (empirisch onderzoek) naar de accuratesse bij aanvallen door eenmotorige duikbommenwerpers gedurende de periode oktober 1944 – april 1945 (AIR 55/322). Eventueel effect van vijandelijk luchtafweer tijdens deze duikbombardementen is niet in de studie meegenomen. De genoemde afstand is de maximale afstand gemeten n.a.v. luchtfoto-interpretatie.

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

63

Bijlage 3

Luchtfotodekking

19P008 conceptrapport VO CE Klaver 15 Venray d.d. 15 maart 2019.

64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370742/1