CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bijlage 5 Aanvullend ecologisch anoniem

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en MER De Spurkt12.285 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

AANVULLEND ONDERZOEK KLAVER 15 SMAKTERHEIDE 3 E.O. TE VENRAY

Rapportage aanvullend onderzoek Klaver 15 Smakterheide 3 e.o. te Venray Opdrachtgever

Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo Sint Jansweg 20 5928 RC Venlo

Rapportnummer Versienummer

5584.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

6 februari 2019

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ir. B.H.H. Verdijck

Paraaf Kwaliteitscontrole

drs. J.G.T. Driessen

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ....................................................................................................................................

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 1 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 1 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie ................................................................ 2

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 4

4

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10

5

ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................. 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13 5.14

6

Huismus ............................................................................................................................ 6 Steenuil en kerkuil (avondrondes) .................................................................................... 6 Huis- en boerenzwaluw (samen met steenmarter, kerkuil en steenuil) ............................ 6 Boomvalk, havik, wespendief (samen met eekhoornnesten en das) ............................... 6 Grote gele kwikstaart ........................................................................................................ 7 Das (samen met eekhoornnesten, diverse roofvogels en grote gele kwikstaart) ............ 7 Vleermuizen ...................................................................................................................... 8 Waterspitsmuis met behulp van eDNA ............................................................................. 9 Waterspitsmuis met behulp van vallen ............................................................................. 9 Overzicht veldbezoeken ................................................................................................... 9

Huismus .......................................................................................................................... 11 Steenuil ........................................................................................................................... 12 Kerkuil ............................................................................................................................. 14 Boerenzwaluw en huiszwaluw ........................................................................................ 14 Boomvalk, havik, torenvalk en wespendief .................................................................... 16 Grote gele kwikstaart ...................................................................................................... 16 Overige beschermde vogels (Limburg categorie 4) ....................................................... 17 Das ................................................................................................................................. 18 Vleermuizen .................................................................................................................... 20 Eekhoorn ........................................................................................................................

22 Steenmarter .................................................................................................................... 22 Waterspitsmuis ............................................................................................................... 23 Overige soorten .............................................................................................................. 24 Overzicht van alle resultaten .......................................................................................... 24

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ........................................................................... 25 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

Huismus .......................................................................................................................... 25 Steenuil ........................................................................................................................... 25 Boerenzwaluw ................................................................................................................ 25 Buizerd en Wulp ............................................................................................................. 26 Das ................................................................................................................................. 26 Vleermuizen .................................................................................................................... 27 6.6.1 Verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis ............................................. 27 6.6.2 Foerageerfunctie en vliegroute ........................................................................ 27

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 28

8

LITERATUURLIJST .................................................................................................................. 29 5584.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan Klaver 15 (Smakterheide 3 e.o.) te Venray. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en ontwikkeling van het bedrijventerrein Klaver 15 naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 5584.001, versie D2, d.d. 23 januari 2018). Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er ten aanzien van een aantal soortgroepen meer informatie is benodigd. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

5584.002

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 44 ha) betreft Klaver 15 van het ter plaatse te ontwikkelen bedrijventerrein Klaver 15, circa 3 kilometer ten noorden van de kern van Venray (zie figuur 1). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 B (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 195.847, Y = 396.156.

Figuur 1. De onderzoekslocatie Klaver 15 en de directe omgeving.

De onderzoekslocatie bestaat thans uit agrarische percelen, weilanden, vijf woningen c.q. bedrijven met diverse stallen/schuren, bosschages en lijnvormige houtopstanden. De waterloop “Venrayse Spurkt” doorkruist de onderzoekslocatie en de waterloop “Smakterveld” ligt aan de oostgrens van de onderzoekslocatie. Bovendien lopen er nog enkele sloten zonder naam door de onderzoekslocatie. Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een natuurgebied bestaande uit hoog- en laagveenbos (N14.02) en rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01). Ten oosten van de onderzoekslocatie bevinden zich enkele agrarische percelen met daarachter de A73. Ten zuiden van de onderzoekslocatie bevinden zich enkele woningen, enkele weilanden en een bedrijventerrein. Ten westen van de onderzoekslocatie bevinden zich agrarische percelen.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 1 van 30

Figuur 2. Achterzijde woning Spurkt 8 binnen de onderzoekslocatie (datum foto: april 2018).

Figuur 5. Oprit woning Spurkt 5c binnen de onderzoekslocatie (datum foto: juli 2018).

Figuur 3. Voorzijde woning Spurkt 5b binnen de onderzoekslocatie (datum foto: mei 2018).

Figuur 4. Oostzijde woning Spurkt 5a binnen de onderzoekslocatie (datum foto: mei 2018).

Figuur 6. Waterloop Venrayse Spurkt binnen onderzoekslocatie (datum foto: juli 2018). Figuur 7. Waterloop Smakterveld, grenzend aan de onderzoekslocatie (datum foto: januari 2018).

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie

De initiatiefnemer is voornemens om op de onderzoekslocatie een bedrijventerrein te realiseren. Onderdeel van dit bedrijventerrein vormt tevens nieuw aan te leggen infrastructuur. In figuur 8 wordt een concept schetsontwerp weergegeven van de voorgenomen plannen (Greenport Venlo, d.d. 12 juli 2018). Ten behoeve van de voorgenomen plannen zullen de agrarische percelen en weilanden verdwijnen, de aanwezige gebouwen gesloopt worden, de waterlopen mogelijk verlegd en/of gedempt worden en zullen delen van bosschages mogelijk verdwijnen.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 2 van 30

Figuur 8. Een voorlopig schetsontwerp van de voorgenomen plannen (Greenport Venlo, d.d. 12 juli 2018).

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 3 van 30

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK

Onderstaande Tabel I is gekopieerd vanuit de conclusie quickscan flora en fauna (5584.001, versie D2, d.d. 23 januari 2018). Tabel I. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of vooraf broedvogelinspectie

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

nader onderzoek naar broedlocaties in broedperiode van betreffende soorten

verblijfplaatsen

mogelijk

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

nader onderzoek naar verblijfplaatsen gebouw- en boombewonende vleermuizen en rekening houden met verlichting

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

genoeg geschikt foerageergebied in directe omgeving

vliegroutes

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

nader onderzoek naar vliegroutes

Streng

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

-nader onderzoek naar steenmarter te voorkomen door te werken binnen vrijstellingsperiode anders inspectie uitvoeren -nader onderzoek naar eekhoorn te voorkomen door binnen vrijstelling te werken anders inspectie uitvoeren -nader onderzoek naar das benodigd -opstellen ecologische werkprotocol bever -eDNA onderzoek voor waterspitsmuis

Algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren

minimaal

mogelijk

nee¹

nee

¹opstellen ecologisch werkprotocol om overtreding te voorkomen

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibiesoorten als gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander

Reptielen

nee

nee

nee

nee

Vissen

ja

mogelijk

nee

nee

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

890 meter

mogelijk

nee

nee

voortoets is uitgewerkt in separaat rapport

Natuurnetwerk Nederland

50 meter

mogelijk

nee

nee

nee-tenzij toets noodzakelijk

ja

ja

-

ja

contact opnemen met provincie Limburg

Broedvogels

Vleermuizen

Grondgebonden zoogdieren

Amfibieën

streng

algemeen

Houtopstanden

Rapport 5584.002 versie D1

zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende vissoorten

Pagina 4 van 30

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan dient voor uitvoering van de plannen middels nader onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van vliegroutes en verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen, broedvogels en das. Voor steenmarter geldt in Limburg een vrijstelling in de periode tussen 15 augustus en februari. Indien binnen deze periode gewerkt wordt is overtreding ten aanzien van de Wet natuurbescherming te vermijden. Wel geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Indien niet binnen de genoemde periode gewerkt kan worden dient voorafgaand een steenmarterinspectie plaats te vinden. Voor de eekhoorn geldt in Limburg dezelfde regeling, echter de vrijstellingsperiode betreft hier maart-april en tussen julinovember. Ten aanzien van de das geldt dat nader onderzoek benodigd is naar de functie die de dassenburcht binnen de onderzoekslocatie vervult voor de das. Dit onderzoek kan jaarrond uitgevoerd worden middels het plaatsen van cameravallen. Daarnaast dienen andere vaste rust- en verblijfplaatsen, migratieroutes en essentieel foerageergebied in kaart te worden gebracht in de periode september-mei. Voor de bever geldt dat gedurende de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met het voorkomen van de soort binnen de onderzoekslocatie.

De maatregelen die hiervoor benodigd zijn dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Voor de Alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en boomkikker, geldt dat de onderzoekslocatie niet geschikt is al vaste rust- en verblijfplaats en hierdoor niet per definitie ontheffingsplichtig is. Wel dient voorafgaand aan de werkzaamheden een terreininspectie te worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van deze soorten aan te tonen en vervolgens het terrein ongeschikt en ontoegankelijk te maken om bezetting van dergelijke soorten te voorkomen. Geadviseerd wordt om deze maatregelen vast te leggen in een ecologisch werkprotocol. Ten aanzien van de waterspitsmuis geldt dat er middels een eDNA onderzoek vastgesteld moet worden of de soort wel of geen gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. De te kappen bomen zijn beschermd conform artikel 4 van de Wnb aangezien de te kappen bomen vallen binnen een totale houtopstand van meer dan 10 are.

Bij de voorgenomen kap is dan ook sprake van een meldingsplicht en herplantverplichting in het kader van artikel 4.2 en 4.3 van de Wnb. Geadviseerd wordt om contact op te nemen met het bevoegd gezag. Ten aanzien van beschermde natuurgebieden geldt dat er voor de in de buurt aanwezige Natura 2000-gebieden een voortoets is uitgewerkt in een separaat rapport. Voor het Natuurnetwerk Nederland is een “nee-tenzij” toets benodigd om te bepalen of de kernkwaliteiten van het betreffende elzenbroekbos gewaarborgd blijven bij de voorgenomen plannen. Geadviseerd wordt om hierover in overleg te treden met bevoegd gezag (Provincie Limburg).

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 5 van 30

4 4.1

ONDERZOEKSMETHODIEK Huismus

Voor het onderzoek naar huismussen zijn tussen 1 april en 15 mei twee gerichte veldbezoeken uitgevoerd, gedurende de ochtend met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Het onderzoek naar de huismus was geconcentreerd op de vijf woonpercelen op de onderzoekslocatie. Tijdens de veldbezoeken is gezocht naar roepende huismussen. Mannetjes huismussen roepen met name in het voorjaar (’s ochtends) vaak vanaf de dakranden/goten waar hun nesten zich bevinden. Bij het aantreffen van roepende mannetjes mag worden aangenomen dat zich onder het betreffende dak één of meerdere nesten bevinden. Tevens werd gedurende de rondes in de ochtend gelet op huismussen die (met nestmateriaal) onder dakpannen of andere nestlocaties verdwenen, wat tevens een nest kan indiceren. Behalve op de onderzoekslocatie, werd ook de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid of geschiktheid van de bebouwing voor huismus. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het kennisdocument voor de huismus (BIJ12, versie 2017). Het onderzoek werd uitgevoerd door één persoon. 4.2

Steenuil en kerkuil (avondrondes)

Voor het onderzoek naar steenuil zijn in de periode half februari tot half april een drietal avondbezoeken uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van geluidsnabootsing. De inventarisatiemethode is overeenkomstig met de methode die opgesteld is door Steenuilenoverleg Nederland STONE (Bloem et al. 2001). Tijdens dit onderzoek werd tevens de directie omgeving geïnspecteerd waarbij eventueel aanwezige steenuilterritoria in kaart zijn gebracht. Voor het onderzoek naar kerkuil zijn de potentiële nestlocaties middels drie veldbezoeken geïnventariseerd op activiteit tussen begin februari en half oktober. De inventarisaties hebben plaatsgevonden tijdens goede weersomstandigheden gedurende de avond- en nachturen. De kerkuil reageert in tegenstelling tot de steenuil niet op het afspelen van de baltsroep op een geluidsrecorder. De onderzoeken naar de steenuil en de kerkuil kunnen gecombineerd uitgevoerd worden, door één persoon. Bovendien zijn de benodigde interne inspecties voor steenuil en kerkuil gecombineerd uitgevoerd met de interne inspectie voor de steenmarter en huis- en boerenzwaluw. 4.3

Huis- en boerenzwaluw (samen met steenmarter, kerkuil en steenuil)

Huiszwaluwen bouwen komvormige nesten van klei en zand tegen rotswanden, huizen van baksteen en beton. SOVON schrijft voor deze soort een onderzoeksperiode voor van half juni tot half augustus met minimaal 2 inspecties. Boerenzwaluwen echter bouwen nesten bij voorkeur juist in boerenschuren, loodsen en dergelijke waar ze in en uit kunnen vliegen. De onderzoeksperiode voor boerenzwaluwen loopt van 20 mei t/m 30 juni met minimaal 2 inspecties. Daarom is voor deze soorten driemaal een inspectie van de bebouwing uitgevoerd, verspreid over mei, juni en juli door één persoon. De interne inspectie naar boeren- en huiszwaluw werd gecombineerd met de interne inspecties voor steenmarter, kerkuil en steenuil. Voor het onderzoek naar steenmarter is alle geschikte bebouwing grondig onderzocht op verblijfsindicaties van een steenmarter. 4.4

Boomvalk, havik, wespendief (samen met eekhoornnesten en das)

Haviken maken gebruik van zowel oude als nieuwe nesten, en beginnen vroeg (maart t/m mei) met broeden. Wespendieven daarentegen maken veelal nieuwe nesten, en beginnen daarmee juist laat in het seizoen (juni-juli). De boomvalk gebruikt oude ekster- en kraaiennesten en broedt tussen mei-juni.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 6 van 30

Om aanwezigheid van deze soorten aan te tonen dan wel uit te sluiten en mogelijk de functie van de onderzoekslocatie te duiden, werd in de periode maart t/m juli éénmaal per maand een veldbezoek uitgevoerd. Hierbij werd de onderzoekslocatie onderzocht op indicaties van roofvogels als prooiresten, braakballen en ruiveren en werd gelet worden op zicht- en geluidwaarnemingen van roofvogels en eventueel nestindicerend gedrag. 4.5

Grote gele kwikstaart

De grote gele kwikstaart houdt van snelstromend water met loofbos in de omgeving, en broedt tussen eind maart en juli. Het gebied is tijdens de veldbezoeken naar de diverse roofvogels daarom tevens onderzocht op zicht- en geluidwaarnemingen van grote gele kwikstaart. Het onderzoek naar de aanwezigheid van eekhoornnesten en sporen van de das is hierin meegenomen. Het onderzoek is met twee personen uitgevoerd. 4.6

Das (samen met eekhoornnesten, diverse roofvogels en grote gele kwikstaart)

Aanwezigheid van de das is tijdens de quickscan flora en fauna al vastgesteld op de onderzoekslocatie. Onbekend was echter welke functie de onderzoekslocatie had voor de das, en waar het leefgebied van de das lag. Tijdens de veldbezoeken zijn daarom de onderzoekslocatie met een bufferzone van +/- 150 meter gecontroleerd op de aanwezigheid van eventueel andere dassenpijpen en sporen als wissels, prenten, latrines, mest- en snuitputjes. De veldbezoeken voor de das werden zo mogelijk gecombineerd uitgevoerd met de veldbezoeken voor roofvogels, en werden door twee personen uitgevoerd. Bovendien zijn cameravallen geplaatst bij pijpen om aanwezigheid aan te tonen in de meest actieve periode van de das. In combinatie met het veldbezoek van de quickscan flora en fauna (2 januari 2018) waarbij uitvoerig naar dassensporen op de onderzoekslocatie is gezocht, is hiermee voldaan aan de eis voor jaarrond onderzoek. Voor het kwantificeren van het relatieve belang van gebieden voor de das is onderscheid gemaakt in leefgebied door middel van concentrische cirkels: het eigenlijke burchtgebied (0-50 meter), het preferente leefgebied (50-500 meter van de burcht), secundair foerageergebied (500-1500 meter van de burcht) en overig foerageergebied, ofwel uitloopgebied, (>1500 meter van de burcht; Heijnen, 1990). Deze afstanden zijn gesteld als uitgangspunt, en afhankelijk van o.a.

voedselaanbod en omstandigheden ter plaatse. Tevens kan er onderscheid gemaakt worden in jaarrond en periodiek gebruikt leefgebied. Een dassenpijp kan verschillende functies hebben. Het Kennisdocument das (BIJ12, 2017) hanteert de volgende functies met daarbij de volgende eigenschappen: • Hoofdburchten: Hoofdburchten zijn in de regel relatief groot en zijn het grootste deel van het jaar in gebruik. De hoofdburcht is meestal de plek waar de jongen worden geboren. Er zijn ook permanent bewoonde burchten bekend met maar een holingang. • Bijburchten: Bijburchten zijn vaak alleen op bepaalde momenten in gebruik, bijvoorbeeld als vluchtplek bij verstoring van de hoofdburcht. Ook kan de bijburcht door jong volwassen dassen worden gebruikt in de periode dat ze worden verstoten uit het territorium, of door het mannetje die in het voorjaar vanuit deze burcht zijn territorium beter kan verdedigen. Als er jongen geboren zijn, verjaagt het vrouwtje het mannetje vaak tijdelijk naar een ander gedeelte van de hoofdburcht, of uit de burcht. Hij verhuist dan tijdelijk naar een bijburcht. Ook het vrouwtje kan haar jongen grootbrengen in een bijburcht, wat het verschil tussen hoofd- en bijburcht weer vervaagt. Het voedselaanbod in de directe omgeving speelt een grote rol. Dassen wonen het liefst zo dicht mogelijk bij hun voedsel.

Ze kunnen, ook tijdelijk, verhuizen naar een bijburcht in de directe omgeving van bijvoorbeeld een maisakker als de jonge, nog zachte maiskolven aan het ontspruiten zijn.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 7 van 30

•

Vluchtpijpen: Vluchtpijpen liggen verspreid over het territorium. Zoals de naam doet vermoeden, worden ze bij dreigend gevaar gebruikt om in te schuilen. Aan de rand van een territorium hebben de vluchtpijpen ook een geurfunctie en bakenen zij het territorium af. Er zijn gevallen bekend dat een vrouwtje een vluchtpijp in gebruik heeft genomen om haar jongen te werpen.

Met betrekking tot niet meer in gebruik zijnde burchten, worden in Limburg de volgende regels gehanteerd: ‘Vaste rust- en verblijfplaatsen worden nog drie jaar na de laatst bekende bewoning als gebruikt beschouwd. In afwijking hiervan kan een vaste rust- en verblijfplaats als verlaten worden beschouwd als uit protocollair veldonderzoek is gebleken dat de verblijfplaats ten minste 12 maanden niet meer in gebruik is geweest’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). 4.7

Vleermuizen

Soorten op de onderzoekslocatie die mogelijk in gebouwen kunnen worden aangetroffen zijn: gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone en grijze grootoorvleermuis en baardvleermuis. De deellocaties waarop deze soorten gevonden kunnen worden (en waarop het onderzoek zich gericht heeft) zijn Spurkt 5, 5ab, 5c en 8. Soorten op de onderzoekslocatie die mogelijk in bomen aangetroffen kunnen worden zijn: ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, franjestaart, baardvleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. De deellocaties waarop deze soorten gevonden kunnen worden (en waarop het onderzoek zich gericht heeft) zijn het bos in het uiterste oosten van de onderzoekslocatie en aangrenzende lijnvormige elementen, en het bos achter Spurkt 8 inclusief aangrenzende lijnvormige elementen. Voor het onderzoek naar gebouwbewonende en boombewonende vleermuissoorten zijn in de periode half april tot en met september vijf veldbezoeken per deellocatie uitgevoerd. Het onderzoek naar vleermuizen was gericht op de hierboven beschreven deellocaties op de onderzoekslocatie. De veldbezoeken werden in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd. De inventarisatiemethode (zie tevens Tabel II) is uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2017).

De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijf en paarverblijf/baltsplaats. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocatie voor vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functie noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. Verwacht wordt dat met het omschreven aantal veldbezoeken per deellocatie omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie. Tabel II. Onderzoeksinspanning voor alle boombewonende (uitgesplitst per soort) en gebouwbewonende soorten. apr

mei

jun

juli

aug

sep

okt

ruige dwergvleermuis rosse vleermuis franjestaart

*

*

baardvleermuis watervleermuis gewone grootoorvleermuis gebouwbewonende soorten onderzoeksperiode kraamverblijfplaatsen onderzoeksperiode zomerverblijfplaatsen onderzoeksperiode paarverblijfplaatsen

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 8 van 30

*franjestaart baltst bij winterverblijven, d.w.z. bij kelders, bunkers etc. Er zijn geen geschikte winterverblijven aanwezig op de onderzoekslocatie, en daardoor wordt deze functie niet onderzocht.

Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson D240x, Pettersson M500-384 en Elekon Batlogger M). Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij werd gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound of Batexplorer. 4.8

Waterspitsmuis met behulp van eDNA

Waterspitsmuizen leven van insecten die ze van (vegetatierijke) bodems van waterlopen halen. Door middel van eDNA onderzoek is op een efficiënte manier (hoge trefzekerheid, minder arbeidsintensief en niet-invasief in vergelijking tot het zetten van vallen) vast te stellen of de waterspitsmuis gebruik maakt van het gebied. Voor eDNA werden daarom de watergangen Venrayse Spurkt en Smakterveld op de onderzoekslocatie bemonsterd door een mix-sample te nemen van 25 locaties verspreid liggende locaties aan de watergang. De overige sloten op de onderzoekslocatie zijn niet jaarrond waterhoudend en daardoor niet geschikt voor waterspitsmuizen. 4.9

Waterspitsmuis met behulp van vallen

eDNA is een efficiënt middel om het voorkomen vast te stellen of uit te sluiten, maar geeft geen indicatie van aantallen in een gebied. Omdat de resultaten van het eDNA onderzoek aangeven dat de waterspitsmuis voorkomt in de waterloop Venrayse Spurkt, is daarom nader aanvullend onderzoek uitgevoerd om de aantallen van voorkomen te bepalen (zie tevens memo 5584.005, versie D1 d.d. 22 oktober 2018). Voor het onderzoek naar waterspitsmuis heeft er conform de ‘IBN-methode’ (Bergers, 1997) in de laatste week van september vallenonderzoek plaatsgevonden. Voor het onderzoek zijn twee zogenaamde raaien geplaatst. De vallen zijn onder de vegetatie op plekken met voldoende dekking geplaatst. Een vangplek bestond uit twintig vallen, die paarsgewijs, op onderlinge afstand van ongeveer 10 meter uit elkaar geplaatst werden. Voorafgaand aan de bemonstering hebben de vallen drie nachten ongebruikt in het veld gestaan, zodat aanwezige dieren aan de vallen konden wennen. Dit was de pre-bait periode. Aansluitend aan deze periode zijn de vallen gedurende twee nachten, zowel vroeg in de ochtend als laat in de avond, bemonsterd. 4.10 Overzicht veldbezoeken Het onderzoek bestond uit diverse veldbezoeken. Tabel III bevat een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 9 van 30

Tabel III. Overzicht van de verrichtte onderzoeksinspanning per soort(groep). Alle onderzoeken zijn uitgevoerd in 2018. jan feb mrt apr mei jun jul Huismus Tijdstip 2x overdag voor 12:00 uur1 13 april, 4 mei Functie territorium Gebouwbewonende Tijdstip 1x Zomerochtend, 2x avond, voor data van veldbezoeken zie Tabel2 vleermuissoorten voor data zie Tabel2 Functie Zomerverblijf Kraamverblijf en vliegroute Boombewonende Tijdstip 2x avond, 1x ochtend4 vleermuissoorten 16 mei, 6 juni, 27 juni Functie Zomer- en kraamverblijf en vliegroute Grote gele kwikstaart, havik, boomvalk, wespendief, eekhoorn Huis- en boerenzwaluw, steenmarter, kerkuil, steenuil (inspectie inpandig) Steenuil en kerkuil avondbezoeken

Das (tevens eekhoornnesten)

Tijdstip

Functie Tijdstip

Functie Tijdstip

Tijdstip

Functie

Waterspitsmuis

vnl. nabij bosgebied en beek2, 29 maart Broedgeval

Tijdstip Functie

vnl. nabij bosgebied en beek2, 23 april Broedgeval

3x avondbezoek1

2x veldbezoek2 2 jan, 29 jan Vaststellen activiteit pijpen en functie

19 feb, 25 mrt, 27 mrt Broedgeval 2x veldbezoek (mits niet te koud) 2 26 mrt, 23 apr Vaststellen activiteit pijpen en gebruiksfunctie

vnl. nabij bosgebied en beek2, 25 mei Broedgeval nabij en in gebouwen1

vnl. nabij bosgebied en beek2, 27 juni Broedgeval nabij en in gebouwen1

25 mei Broedgeval Inpandige inspectie1 25 mei Sporen 2x veldbezoek2

15 juni Broedgeval Inpandige inspectie1 15 juni Sporen

sep

okt

nov

dec

2x, Data: Tabel2 Paarverblijf 2x avond4 22 aug, 13 sep Paarverblijf en vliegroute

vnl. nabij bosgebied en beek2, 19 juli Broedgeval nabij en in gebouwen1 19 juli Broedgeval Inpandige inspectie1 19 juli Sporen Cameravallen:

27 juni - 19 juli vaststellen of aangetroffen burchten een voortplantingsplaats betreffen eDNA monsters nemen: 25 mei, vallen plaatsen: 21 sep (pre bait), vallen legen: 24 t/m 26 sep eDNA: aanwezigheid aantonen, vallen onderzoek: aantallen aantonen

Rapport 5584.002 versie D1

25 mei, 27 juni Vaststellen activiteit pijpen en gebruiksfunctie

aug

2x veldbezoek (mits niet te koud)2 26 sept, 22 nov + 20 dec vaststellen activiteit burchten, gebruiksfunctie en intensiteit

Pagina 10 van 30

5 5.1

ONDERZOEKSRESULTATEN Huismus

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van huismussen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 5 ºC. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Resultaten binnen de onderzoekslocatie Huismussen nestelen meestal in ruimtes onder dakpannen, die zij via de dakgoot kunnen bereiken. Alle aanwezige gebouwen op de onderzoekslocatie zijn afzonderlijk onderzocht op mogelijke territoria van huismussen. De resultaten staan weergegeven in tabel IV. Tabel IV. Resultaten van het onderzoek naar huismussen. Locatie Resultaten 13 april 2018 Spurkt 5 1 huismus mannetje zingend op het dak, vloog daarna weg onder dakpannen. Op groot gedeelte van het dak van woning en loods exclusion flaps aanwezig en dus ongeschikt voor huismussen Spurkt 1 huismus mannetje zingend vanaf nok van 5a de woning. Huis verder zeer goed afgewerkt, schuur net nieuw. Weinig nestmogelijkheden Spurkt 5 huismus mannetjes zingend gezien op het 5b dak. Ook 1 vacant nest aanwezig. Op de loods geen huismussen aanwezig Spurkt 9 huismus mannetjes zingend gezien op het 5c dak van het woonhuis en garage. Tevens diverse huismusmannetjes (circa 15) aanwezig in de stallen, echter zonder nestindicerend gedrag Spurkt 8 Geen huismussen waargenomen

Resultaten 4 mei 2018 Hetzelfde mannetje wederom gezien. Tevens ander mannetje zingend gezien op westzijde gebouw

Conclusie 2 territoria van huismussen

Wederom 1 huismus mannetje op dezelfde plek op het dak gezien

1 territorium van huismus

6 huismus mannetjes op dak van de woning gezien

6 territoria van huismussen

8 huismusmannetjes zingend gezien

9 territoria van huismussen, stallen fungeren als functioneel leefgebied Geen territorium van huismussen aanwezig

Geen huismussen waargenomen

Resultaten buiten de onderzoekslocatie Buiten de onderzoekslocatie liggen aan de Overloonseweg diverse gebouwen die geschikt zijn voor huismussen. Deze zijn echter niet nader onderzocht in verband met de afstand tot de onderzoekslocatie en het behoud van deze locaties inclusief het functionele leefgebied. Bij Spurkt 12 zijn tevens huismussen waargenomen. Deze resultaten zullen daarom niet verder worden meegenomen in de rapportage.

Figuur 9. Afwerking dak woning Spurkt 5a (datum foto: april 2018).

Rapport 5584.002 versie D1

Figuur 10. Exclusion flap bij woning Spurkt 5 (datum foto: april 2018).

Figuur 11. Detailopname dak, waar veel nesten onder de nokpannen zijn waargenomen (datum foto: april 2018).

Pagina 11 van 30

5.2

Steenuil

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van steenuilen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 5 ºC. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Resultaten binnen de onderzoekslocatie Binnen de onderzoekslocatie, en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn op verschillende locaties, waar mogelijk nestlocaties van steenuilen aanwezig zijn, geluidsnabootsingen afgespeeld. Steenuilen kennen volgens Bloem et al. (2001) drie verschillende roepen: territoriumroep (wordt alleen geproduceerd door mannetjes, is maatgevend voor een territorium) en alarm- en overige roepen (wordt geproduceerd door zowel man als vrouw, geeft indicatie van aanwezigheid van steenuilen maar niet van een broedterritorium). De maximum territoriumgrootte van steenuilen is onder andere afhankelijk van voedselaanbod, maar varieert meestal rond een straal van 200 meter (is een gebied van 12,5 ha) rondom de nestlocatie. In gebieden met minder voedselaanbod kan de territoriumgrootte oplopen tot 300 meter (is een gebied van 28 ha) rondom de nestlocatie (zie tabel V). Omdat steenuilen binnen 300 meter van de onderzoekslocatie een effect van de toekomstige plannen kunnen ondervinden, is dit gebied het meest intensief geïnventariseerd.

Op basis van ervaring en de sterkte van de speaker, valt te verwachten dat eventueel aanwezige steenuilen binnen een straal van minimaal 200 meter van elk telpunt, de geluidsnabootsing hadden kunnen horen. De onderzoeksinspanning en alle resultaten zijn weergegeven in figuur 12 (zie tevens figuur 21 voor een overzicht van alle resultaten). Tabel V. Literatuurwaarden homeranges (HR) steenuilen: uit wetenschappelijk onderzoek naar het terreingebruik van steenuilen komt een variatie van territoriumgroottes naar voren, waarbij de het grootste territorium ongeveer 28 ha betrof. Aantal steenuilen

Gem. HR variatie

Gem. HR

Locatie

Bron

1,6 - 28,1 ha

Nederrijngebied, Duitsland

Fink, 1989

11

9,0 - 27,5 ha

Oost-Polen

Grzywaczewski, 2009

8*

3,8 – 11,5 ha

Noord-Spanje

Zuberogoitia et al., 2007

7

3,7 – 14,6 ha

Achterhoek, Nederland

Bremer, van den et al. 2009

19

15.1 ± 2,46 ha

* hierbij is één vrouwelijk exemplaar met een uitzonderlijk groot territorium buiten beschouwing gelaten

Tijdens de diverse veldbezoeken werd er binnen de onderzoekslocatie op één locatie een territoriumroep van een steenuil waargenomen, namelijk in een nestkast in het bos achter Spurkt 8. Tijdens diverse vleermuisrondes, werden hier later in het jaar tevens jonge steenuilen gezien en gehoord. Op basis van deze gegevens kan worden vastgesteld dat de nestkast in het bos achter Spurkt 8 een steenuilterritorium bevatte. Ook het functionele leefgebied van deze steenuilen ligt binnen de onderzoekslocatie. In de open kapschuur bij Spurkt 5c is tijdens twee van de inpandige inspecties een steenuil gezien. Deze steenuil is waargenomen op een balk langs de inpandige kerkuilenkast, en eenmaal verstrikt op een net in een kar (na bevrijding, vloog dit individu zelfstandig weg en leek in orde). Bovendien zijn in deze schuur braakballen en veren van steenuilen aangetroffen. Vanuit deze open kapschuur kwamen tijdens het veldwerk naar steenuilen diverse malen een contactroep als reactie op de geluidsafspeling. Echter, alleen op basis van een contactroep kan géén broedgeval worden vastgesteld. Vermoedelijk betreft dit een individu of paartje dat dit jaar niet tot broeden is gekomen, maar hier wél een territorium heeft. Ook het functionele leefgebied van deze steenuilen ligt binnen de onderzoekslocatie.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 12 van 30

Tijdens het afspelen van territoriumroepen vanuit de Overloonseweg, kwam er reactie (contactroep) vanuit Spurkt 5. Hier werden verder echter geen contact- of territoriumroepen meer gehoord. Vermoedelijk betreft dit een individu van Spurkt 5c dat vanuit zijn territorium reageerde. In de wei achter Spurkt 5b staan diverse bomen en hangt tevens een steenuilenkast. Bij deze kast werden tijdens het veldbezoek oude braakballen gevonden. Eenmaal is vanuit deze locatie een contactroep van de steenuil waargenomen. Echter, alleen op basis van een contactroep kan géén broedgeval worden vastgesteld. In verband met het maar eenmalig waarnemen van een contactroep en het aantreffen van oude braakballen, wordt verwacht dat dit enkel een roestplek van de steenuil betreft. Mogelijk heeft hier voorgaande jaren wél een steenuil gebroed.

Figuur 12. Onderzoeksresultaten van het onderzoek naar steenuilterritoria binnen en buiten de onderzoekslocatie.

Resultaten buiten de onderzoekslocatie Circa 200 meter ten westen van de onderzoekslocatie ligt een schaapskooi aan de Overloonseweg, met in de boom een steenuilenkast. Tijdens twee van de drie veldbezoeken werd vanuit deze locatie een territoriumroep van de steenuil waargenomen. Hiermee kan worden vastgesteld dat er in de steenuilenkast een broedgeval aanwezig is. Deze steenuilen hebben hun territorium in optimaal geschikt habitat: begraasde weides, kleine landschapselementen en bosschages zijn allen aanwezig binnen een straal van 200 meter. De onderzoekslocatie zal daarom niet of nauwelijks onderdeel uitmaken van het desbetreffende steenuil territorium. Circa 400 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie is eenmalig een territoriumroep van de steenuil waargenomen nabij de Overloonseweg 24. Deze locatie ligt circa 280 meter van de steenuilenkast nabij de schaapskooi. Een steenuil territorium kan circa 300 meter groot zijn (maar is vaak kleiner, zie tabel V). Echter, in verband met de aanwezigheid van geschikt habitat in de directe omge-

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 13 van 30

ving van de nestlocatie, wordt verwacht dat de territoria hier kleiner zijn. Daarom is ook hier een apart steenuilterritorium vastgesteld. Echter, dit territorium valt buiten de invloedssfeer van de voorgenomen plannen en zal daarom niet verder worden opgenomen in deze rapportage. 5.3

Kerkuil

Omstandigheden Het onderzoek naar de kerkuil heeft gecombineerd plaatsgevonden met het onderzoek naar steenuilen. Resultaten binnen de onderzoekslocatie Binnen de onderzoekslocatie zijn in één open kapschuur (bij Spurkt 5c) twee kerkuilenkasten geplaatst. Aan de wanden van deze schuur waren duidelijk krijtstrepen te zien, die kunnen duiden op een roestplek (mogelijk nestlocatie) van een kerkuil. Echter, bij deze kasten zijn alleen braakballen en veren van steenuilen aangetroffen, en bovendien is hier een territorium van een steenuil geconstateerd. Op basis van deze gegevens wordt verwacht dat de betreffende krijtstrepen afkomstig zijn van de steenuil, en niet van de kerkuil. Een kerkuil op deze locatie kan redelijkerwijs uitgesloten worden. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen andere sporen (braakballen, krijtstrepen, veertjes) aangetroffen die kunnen duiden op het gebruik van kerkuilen. Resultaten buiten de onderzoekslocatie Tijdens het onderzoek op 23 maart 2018 is eenmalig een kerkuil overvliegend waargenomen nabij de Overloonseweg, circa 500 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Mogelijk heeft deze kerkuil een broedlocatie buiten de onderzoekslocatie, en fungeert de onderzoekslocatie mogelijk als onderdeel van het functioneel leefgebied van de kerkuil.

De oppervlakte van het functionele leefgebied van een kerkuil is afhankelijk van het voedselaanbod en varieert van 60-1200 ha (BIJ12, 2017). Bij geschikt voedselaanbod hebben kerkuilen voldoende aan een gebied van 500 tot 1500 meter rondom de broedplaats (BIJ12, 2017). Het habitat ten noordwesten en zuidwesten van de onderzoekslocatie is optimaal voor kerkuilen met diverse bosschages, kleine landschapselementen en weilanden. Verwacht wordt daarom dat de kerkuil, ook bij uitvoering van de toekomstige plannen, voldoende functioneel leefgebied zal overhouden. Kerkuilen worden daarom niet verder meegenomen in onderhavige rapportage. 5.4

Boerenzwaluw en huiszwaluw

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van boeren- en huiszwaluw gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 14 ºC. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Resultaten binnen de onderzoekslocatie Tijdens de veldbezoeken en interne inspecties naar boerenzwaluw en huiszwaluw zijn diverse oude nesten van boerenzwaluw, en enkele in gebruik zijnde nesten van boerenzwaluw aangetroffen. In een stal op Spurkt 5c zijn in totaal vier in gebruik zijnde en zes niet in gebruik zijnde boerenzwaluwnesten gevonden. In een andere stal op Spurkt 5c is nog een in gebruik zijnd nest gevonden (zie figuur 13). Omdat het plafond van deze stal lager is, was dit nest makkelijk te inspecteren: er zaten zes jongen in. Verder zijn in deze stal nog vier niet in gebruik zijnde boerenzwaluwnesten gevonden. Het functionele leefgebied van deze boerenzwaluwen omvat waarschijnlijk de stallen, het erf, de waterlopen – kortom overal waar insecten uit de lucht kunnen worden gehaald. Het functioneel leefgebied zal daarom zowel de onderzoekslocatie, als het geschikte habitat buiten de onderzoekslocatie bevatten.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 14 van 30

De andere stallen, bruggen en geschikte nestlocaties op de onderzoekslocatie zijn tevens onderzocht op nesten van boerenzwaluwen, maar hier zijn geen nesten gevonden (zie figuur 14). Er zijn ook géén nesten van huiszwaluwen gevonden. Wel is tweemaal een huiszwaluw overvliegend waargenomen, maar omdat deze vogels geen binding hadden met de onderzoekslocatie worden ze niet verder meegenomen in deze rapportage. Resultaten buiten de onderzoekslocatie Circa 50 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie ligt een schuur in een wei. In deze Figuur 13. Nest van boerenzwaluw in paardenstal op Spurkt schuur zijn twee nesten van de boerenzwaluw 5c (in totaal zaten er 6 jongen in dit nest). aangetroffen. Omdat deze schuur behouden blijft en er voldoende leefgebied voor de boerenzwaluw behouden blijft ten oosten van de onderzoekslocatie, worden deze nesten niet verder meegenomen in de rapportage.

Figuur 14. Overzicht van boerenzwaluwnesten binnen en nabij de onderzoekslocatie.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 15 van 30

5.5

Boomvalk, havik, torenvalk en wespendief

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van diverse vogelsoorten (en eekhoornnesten en das) gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 7 ºC. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Resultaten Ter hoogte van de paardenstallen op het perceel van de Spurkt 5c is een torenvalkkast aanwezig. In het voorjaar is herhaaldelijk een volwassen torenvalk waargenomen in de directe omgeving van de kast. In juli 2018 is de kast geïnspecteerd, hierbij zijn destijds twee jongen geteld. Als gevolg van de plannen gaat dan ook een voortplantingslocatie van de torenvalk verloren. Op de onderzoekslocatie zijn gedurende de gehele onderzoeksperiode geen nestlocaties van de boomvalk, havik of wespendief aangetroffen. Het is dan ook uitgesloten dat dergelijke soorten een nestlocatie op en of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie een nestlocatie hebben. 5.6

Grote gele kwikstaart

Het onderzoek naar de grote gele kwikstaart is gecombineerd uitgevoerd met het onderzoek naar diverse roofvogels. De weersomstandigheden voor het waarnemen van grote gele kwikstaarten waren gunstig. Binnen de grenzen van de onderzoekslocatie zijn geen waarnemingen gedaan van de grote gele kwikstaart. Tijdens het veldwerk op 27 juni 2018, is bij de waterloop Smakterveld, direct grenzend aan de onderzoekslocatie, een vrouwtje grote gele kwikstaart waargenomen met één juveniel (figuur 16). Op 26 september 2018 is wederom een grote gele kwikstaart waargenomen op dezelfde locatie. Dit duidt op de functie van foerageergebied van de waterloop voor de grote gele kwikstaart. Een directe nestlocatie van de grote gele kwikstaart is echter niet vastgesteld.

Figuur 15. Nestkast nabij waterzuivering, buiten de onderzoekslocatie (datum foto: mei 2018).

In de waterloop Smakterveld, grenzend aan de oostzijde van de onderzoekslocatie, zijn drie nestkasten onder bruggen aangetroffen, die potentieel in gebruik kunnen zijn door een grote gele kwikstaart (zie figuur 18). De nestkast ten noorden van de onderzoeklocatie nabij het Afleidingskanaal was in het voorjaar van 2018 helemaal leeg. Het valt hiermee uit te sluiten dat deze kast in gebruik was door een grote gele kwikstaart. De nestkast onder de brug met de weg Spurkt zat in het voorjaar 2018 vol met oude algen en andere opgedroogde waterplanten, zodanig dat er geen ruimte meer over was voor een nest. De nestkast nabij de waterzuivering, circa 400 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie, was minder makkelijk te inspecteren (zie figuur 15). Tijdens de uitgevoerde veldbezoeken zijn ter plaatse geen individuen van de grote gele kwikstaart waargenomen. Wel zaten er poepsporen van een vogel (mogelijk grote gele kwikstaart) op het dak van deze nestkast. Uit gegevens van de NDFF blijkt echter dat er in 2018 broed indicerend gedrag van de grote gele kwikstaart is waargenomen bij de meest zuidelijke nestkast. Naar verwachting broedt deze grote gele kwikstaart in de nestkast nabij de waterzuiveringscentrale (circa 400 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie). Hieruit kan gecon-

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 16 van 30

cludeerd worden dat de waterloop Smakterveld onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de grote gele kwikstaart. Als gevolg van de voorgenomen plannen zullen geen wijzigingen worden gedaan het leefgebied van de grote gele kwikstaart. De waterloop en de oostelijke groenzones blijven in de toekomstige situatie behouden. Ten aanzien van de grote gele kwikstaart worden dan ook geen negatieve effecten verwacht.

Figuur 16. Locaties van de nestkasten voor de grote gele kwikstaart in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

5.7

Overige beschermde vogels (Limburg categorie 4)

Tijdens de diverse veldbezoeken, is diverse malen een baltsende wulp waargenomen. Deze wulp werd meermaals waargenomen boven het perceel ten westen van Spurkt 5c, en boven het perceel tussen Spurkt 5 en 5a. Het is dan ook aannemelijk dat er ter plaatse van de desbetreffende agrarische percelen een broedpaar van de wulp aanwezig was gedurende het broedseizoen van 2018. Ook werd de buizerd meerdere malen foeragerend waargenomen op de onderzoekslocatie. Een buizerdnest is aangetroffen op circa 350 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie maakt deel uit van het foerageergebied van de desbetreffende buizerd.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 17 van 30

5.8

Das

Resultaten binnen de onderzoekslocatie Tijdens het veldwerk bij de quickscan flora en fauna op 2 januari 2018 werd in het uiterst oostelijk gelegen bosje binnen de onderzoekslocatie (vanaf hier ‘dassenbosje’) al een dassenburcht gevonden (zie figuur 19, nummer 1). Op 29 januari 2018 werden hier twee actieve pijpen aangetroffen en tevens circa 20 inactieve pijpen. Op 26 maart 2018 was dit opgelopen tot 9 actief belopen pijpen. In april werden in dit dassenbosje 38 inactieve pijpen gevonden (er waren dus pijpen bij gegraven) en acht actieve pijpen. In mei liep dit op tot 43 inactieve pijpen en negen actief belopen pijpen. Tijdens vleermuiswerk in juni is een juveniele das waargenomen tussen het dassenbosje en de waterloop Smakterveld. Tussen 27 juni en 19 juli 2018 hebben in totaal vier camera’s gehangen in het dassenbosje, om een kraamfunctie van de burcht te bevestigen. Op deze beelden zijn geen duidelijke juveniele dassen te zien (zie figuur 17 en 18). Echter zijn er wel beelden van twee dassen tegelijk op de camera, en is er duidelijk te zien dat er soms een mannetje (herkenbaar aan testes, zichtbaar bij ingaan pijp) en soms een grotere juveniel of vrouwtje (geen duidelijke testes) op de camera stond. Op twee van de vier camera’s was (bijna) elke avond activiteit van de das te zien, op de andere twee camera’s was meermaals activiteit te zien.

Vaak werd een mannetjesdas gezien die een dassenpijp verder uit groef. Het waarnemen van juveniele dassen, het grote aantal pijpen, de constante activiteit en het feit dat er zowel mannetjes als vrouwtjes op de cameravallen stond, duidt op een kraamfunctie van deze dassenburcht. Tijdens het veldwerk in september werden er 13 actieve pijpen waargenomen; tijdens het veldwerk in december is het aantal actieve pijpen opgelopen tot 15.

Figuur 17. Das bij ingang van een pijp in het dassenbosje op de onderzoekslocatie.

Figuur 18. Das bij ingang van een pijp in het dassenbosje op de onderzoekslocatie.

In een bosschage bij een naamloze sloot achter Spurkt 8, werden in april 2018 drie pijpen aangetroffen (zie figuur 19, nummer 2). In april waren deze pijpen actief belopen door de das. In alle andere veldbezoeken zijn geen sporen meer aangetroffen welke wijze op het gebruik van de das. In november en december waren de holen in gebruik genomen door konijnen. Naar verwachting dienen de pijpen door de grote mate van afwezigheid van de das en in gebruik name door konijnen in combinatie met dat de pijpen in de relatieve nabijheid van de kraamburcht (circa 350 meter) zijn gelegen, als vluchtpijp voor de das. In een bosschage achter de dierenwei van Spurkt 5a, werden tevens in april twee pijpen aangetroffen op circa 700 meter van de kraamburcht (zie figuur 19, nummer 3). Deze waren in april actief belopen, daarna niet meer. Aangezien deze pijpen enkel tijdens één veldbezoek sporen vertoonde van recent gebruik betreffen het naar verwachting vluchtpijpen van de das. Functionele leefomgeving op de onderzoekslocatie Ondanks dat de hoofdburchten behouden blijven kan de planvorming indirect leiden tot een afname van de functionaliteit van de hoofdburcht. De onderzoekslocatie bestaat momenteel uit 6 ha aan be-

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 18 van 30

graasde weilanden waar de das stapelvoedsel kan vinden in de vorm van regenwormen. Daarnaast bestaat het overgrote deel van de onderzoekslocatie, namelijk circa 29 ha, uit wisselend agrarisch gebruik. Op de agrarische percelen vindt jaarlijks wisseling van gewas plaats waarbij in recente jaren voornamelijk mais, aardappels, bieten en waspeen worden verbouwd. Een deel wordt ook gebruikt ten behoeve van sierteelt. Het wisselende karakter van de agrarische percelen zal elk jaar afhankelijk van het type gewas meer of minder voedsel bieden voor de das. Op basis hiervan worden de agrarische percelen ingedeeld als suboptimaal foerageerhabitat voor de das. De begraasde weilanden worden als optimaal foerageerhabitat aangemerkt. Resultaten buiten de onderzoekslocatie Circa 250 meter ten (noord)oosten van de onderzoekslocatie, werd een grote dassenburcht aangetroffen. Deze burcht had in april 13 inactieve en zeven actieve pijpen. Tijdens het veldwerk in september is deze burcht opnieuw bezocht, en bevatte 12 actieve pijpen. Vanwege de afstand, maakt deze burcht waarschijnlijk deel uit van de kraamburcht, een zogenaamde ‘gesplitste hoofdburcht’. Deze burcht blijft echter behouden. In hetzelfde bosje werden tevens twee niet actieve pijpen gevonden, die de functie van vluchtpijp hebben.

Ten noorden en oosten van de onderzoekslocatie zijn verder in totaal 5 pijpen aangetroffen, die door de wisselende activiteit gekenmerkt worden als vluchtpijp. Al deze pijpen blijven bij de toekomstige plannen behouden.

1

2

3

Figuur 19. Onderzoeksresultaten van de dassenburchten en vluchtpijpen binnen en nabij de onderzoekslocatie in combinatie met de foerageer kwaliteit van de percelen op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 19 van 30

5.9

Vleermuizen

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van diverse vleermuissoorten gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 7 ºC (ochtendronde) bij gebouwbewonende soorten, en 10 ºC voor boombewonende soorten. De windsnelheid lag beneden de 3 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie van gebouwbewonende vleermuissoorten Alle aanwezige gebouwen op de onderzoekslocatie zijn afzonderlijk onderzocht op mogelijke territoria van huismussen. De resultaten staan weergegeven in Tabel VI en figuur 20. Tabel VI. Resultaten van het onderzoek naar gebouwbewonende vleermuissoorten binnen de onderzoekslocatie. Locatie Data onderzoek Waarnemingen Conclusie (in 2018) Spurkt 5 17 april Tijdens de ochtendronde zijn geen invliegende, aantikken- Een zomerverblijf kan niet 25 mei de of anderzijds binding met het gebouw vertonende met zekerheid worden vast27 juni vleermuizen waargenomen. Tijdens de rondes voor de gesteld. De woning heeft 21 augustus kraamperiode zijn wederom geen binding met het gebouw echter de functie van paar11 september vertonende vleermuizen waargenomen. Echter, tweemaal verblijf voor één gewone werd vlak na het uitvliegmoment een gewone dwergvleer- dwergvleermuis. muis in de voortuin van deze woning waargenomen, die daar foerageerde en vervolgens weg vloog.

Tijdens de baltsperiode is één baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen nabij het woonhuis. Spurkt 5a 20 mei, Tijdens de ochtendronde en de kraamrondes zijn geen De woning heeft een functie 30 mei, invliegende, aantikkende of anderzijds binding met het van paarverblijf voor één 3 juli, gebouw vertonende vleermuizen waargenomen. Tijdens de gewone dwergvleermuis. 22 augustus baltsperiode is aan de woning één baltsende gewone 12 september dwergvleermuis waargenomen. Spurkt 5b 20 mei, Tijdens de ochtendronde en de kraamrondes zijn geen De woning heeft een functie 30 mei, invliegende, aantikkende of anderzijds binding met het van paarverblijf voor één 3 juli, gebouw vertonende vleermuizen waargenomen. Tijdens de gewone dwergvleermuis. 22 augustus, baltsperiode is aan de woning één baltsende gewone 12 september, dwergvleermuis waargenomen. Spurkt 5c 18 april, Tijdens de ochtendronde is één invliegende gewone Deze woning bevat een 28 mei, dwergvleermuis waargenomen onder de rolluik aan de zomerverblijf voor twee 2 juli, westzijde van de woning. Tijdens de kraamperiode zijn gewone dwergvleermuizen. 21 augustus, tijdens de tweede ronde, twee gewone dwergvleermuizen Wegens het ontbreken van 11 september waargenomen die enkele malen in- en uit de ingebouwde hoge aantallen vleermuizen, rolluikkast vlogen.

Tijdens de baltsperiode is één baltsende kan een kraamfunctie worgewone dwergvleermuis waargenomen aan de westzijde den uitgesloten. Tevens van de woning. heeft de woning de functie van paarverblijf voor één gewone dwergvleermuis. Spurkt 8 16 april, Tijdens de ochtendronde zijn twee gewone dwergvleermui- Deze woning bevat een 18 mei, zen waargenomen die eerst voor de oostzijde van de wo- zomerverblijf voor twee 18 juni, ning zwermgedrag vertoonden, en daarna invlogen. Tijdens gewone dwergvleermuizen. 22 augustus, de rondes voor de kraamperiode zijn echter géén vleermui- Wegens het ontbreken van 12 september zen waargenomen die binding vertoonden met het gebouw. hoge aantallen vleermuizen, Tijdens de baltsperiode is één baltsende gewone dwerg- kan een kraamfunctie worvleermuis waargenomen aan de westzijde van de woning. den uitgesloten. Tevens heeft de woning de functie van paarverblijf voor één gewone dwergvleermuis.

Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten Op de onderzoekslocatie zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aangetroffen van boombewonende vleermuissoorten als ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis.

Rapport 5584.002 versie D1

Pagina 20 van 30

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie van gebouwbewonende vleermuissoorten Tijdens de ochtendronde op 16 april, zijn er minimaal 3 gewone dwergvleermuizen waargenomen die zwermgedrag vertoonden voor de oostzijde van het huis Spurkt 11, direct grenzend aan de onderzoekslocatie. Na het zwermen volgden diverse aantik-momenten, waarna de vleermuizen via de kopse kant van de woning naar binnen vlogen. Op basis van deze gegevens kan worden vastgesteld dat de woning bij Spurkt 11 als zomerverblijfplaats voor minimaal 3 gewone dwergvleermuizen fungeert. Wegens het ontbreken van hoge aantallen vleermuizen, kan een kraamfunctie worden uitgesloten. Foeragerende vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn er binnen de onderzoekslocatie diverse foerageergebieden te onderscheiden waar voornamelijk door de gewone dwergvleermuis wordt gefoerageerd. Voornamelijk op plaatsen waar de combinatie tussen waterlopen en begeleidende bosschages aanwezig zijn wordt veelvuldig gefoerageerd. Aan de oostzijde van het bosgebied aan de oostzijde van de onderzoekslocatie wordt veelvuldig langs de bosrand en boven de waterloop Smakterveld gefoerageerd door circa 4 tot 8 gewone dwergvleermuizen. De vleermuizen zijn hier gedurende elke ronde aanwezig geweest. Bij vleermuizenonderzoek vertrekken vleermuizen meestal later op de avond richting andere foerageergebieden.

Op deze locatie is echter te allen tijde foerageeractiviteit van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Naar verwachting komt dit door de grote hoeveelheid voedsel in de vorm van vliegende insecten en dat deze locatie in de luwte is gelegen van het bosperceel. Ter plaatse van de bosschage en waterloop achter de Spurkt 8 zijn ook meermaals foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Hieruit blijkt dat voornamelijk de combinatie van opgaand struweel en water leidt tot een significante foerageerfunctie voor in de omgeving voorkomende gewone dwergvleermuizen. De initiatiefnemer is voornemens om de bosschages en bospercelen op de onderzoekslocatie te behouden. Vooral aan de oostzijde van het de onderzoekslocatie zal de huidige situatie niet veranderen. Het aanwezige foerageerhabitat in het midden van de onderzoeklocatie verdwijnt deels. Hierdoor is er sprake van een vermindering van de foerageermogelijkheden binnen de onderzoekslocatie. De plannen zullen, gezien de kleine aantallen, geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Ook in de directe omgeving veel kwalitatief foerageerhabitat aanwezig in het natuurgebied direct ten noordoosten van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370735/1