Toelichting Bijlage 10 Hoofdstuk 8 Milieuaspecten
Tekst van het document
Beoordelingskader
Het beoordelingskader voor het aspect geur is weergegeven in Tabel 11-2. Tabel 11-2 Beoordelingskader geur
Score
Beperking bestaande agrarische bedrijven (voorgrondbelasting)
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
Geurhinder bedrijfsactiviteiten
++
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Niet van toepassing
+
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Niet van toepassing
0
Het bedrijventerrein ligt niet binnen de 3 OU contour van bestaande agrarische bedrijven.
Er is sprake van een zeer goed tot redelijk goed leefklimaat in het plangebied.
Binnen de richtafstanden voor gemengd gebied liggen geen verblijfsobjecten
-
Een deel van het bedrijventerrein ligt binnen de 3 OU contour van bestaande agrarische bedrijven.
Er is sprake van een matig tot slecht leefklimaat in het plangebied.
Binnen de richtafstanden voor gemengd gebied liggen geen (bedrijfs)woningen
--
Een groot deel van het bedrijventerrein ligt Er is sprake van een zeer slecht tot binnen de 3 OU contour van bestaande extreem slecht leefklimaat in het agrarische bedrijven. plangebied.
Binnen de richtafstanden voor gemengd gebied liggen (bedrijfs)woningen
18 Opgenomen in de NeR 19 ALARA staat voor ‘As Low As Reasonably Achievable’ (op redelijkerwijs haalbaar niveau)
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
87 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
11.2
Methode
Beperking bestaande agrarische bedrijven (voorgrondbelasting) Voor dit criterium is de geurbelasting berekent die wordt veroorzaakt door de veehouderij die voor dat geurgevoelige object dominant is. Het betreft de geurbelasting van de veehouderij die de meeste geur bij het geurgevoelige object veroorzaakt. Uit onderzoek dat ten grondslag ligt aan de Wet geurhinder en veehouderij, Wgv (PRA 2001) is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de geurbelasting van één veehouderij anders is dan als gevolg van de totale geurbelasting van meerdere veehouderijen, de achtergrondbelasting. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de cumulatieve geurbelasting, dus de achtergrondbelasting (bron: handreiking Wgv, bijlage 6 en 7, 2007). Aanvaardbaar woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting) Voor dit criterium is gekeken naar de cumulatieve geurbelasting uit de stallen van alle veehouderijen in de omgeving te samen. Hierbij is ook de achtergrondbelasting van de veehouderijen op een grotere afstand van het plangebied betrokken, op basis van gegevens uit de provinciale registratie van veehouderijen van de provincie Limburg.
Pouderoyen Compagnons heeft in 2019 dit bestand namens de provincie en gemeenten (waaronder Venray) geactualiseerd en op basis van die gegevens de geurbelasting uit stallen van veehouderijen in Noord- en Midden in kaart gebracht. In de berekening van de achtergrondbelasting is rekening gehouden met de aanpassing van de geuremissiefactoren van luchtwassers in 2018, waardoor de berekende geurbelasting hoger is dan de geurbelasting zoals die werd berekend voor die aanpassing. Geurhinder bedrijfsactiviteiten (De Spurkt) In het bestemmingsplan worden agrofood bedrijven toegestaan, deze kunnen mogelijk geurhinder veroorzaken. Voor dit criterium is de mogelijke geurhinder, door de vestiging van bedrijven die geur emitteren, voor verblijfsplaatsen – waaronder woningen - in de omgeving onderzocht. Vanwege het ontbreken van landelijke, provinciale en gemeentelijke geurnormen is in dit onderzoek aangesloten bij de richtafstanden van milieucategorieën uit de uitgave 'bedrijven en milieuzonering' van de VNG, de gemeentelijke geurnormen voor veehouderijen en de beleidsregel industriële geur, zoals die is opgesteld door de provincie Noord-Brabant (26 april 2018). De gehanteerde geurcontour in de effectbeoordeling staat hierbij gelijk aan de richtafstanden van milieucategorieën.
11.3
Referentiesituatie
Op onderstaand kaartje zijn de vigerende geurnormen in het plangebied en omgeving weergegeven. Deze zijn vastgesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011. Op dit moment is de geurnorm in het plangebied 14 Ou, de norm voor buitengebied. In dit onderzoek is er uitgegaan dat, indien de geurverordening geactualiseerd zou worden, er getoetst moet worden aan norm voor bedrijventerreinen in de gemeente Venray, van 8 Ou.
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
88 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Figuur 11-1: Vigerende geurnormen omgeving plangebied
In onderstaand kaart zijn de veehouderijbedrijven en de agrarische bouwvlakken van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied weergegeven. Met name ten oosten van het plangebied zijn enkele grote varkenshouderijen aanwezig, welke geurhinder kunnen veroorzaken. In het plangebied ligt nu nog één veehouderij (paardenfokkerij). Deze wordt t.b.v. de ontwikkeling van het plangebied bedrijventerrein aangekocht en beëindigd, evenals de nu nog in het plangebied aanwezige woningen en overige bebouwing.
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
89 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Figuur 11-2: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied (bron: gemeente Venray, BVB registratie provincie Limburg
11.4
Effectbeschrijving en -beoordeling
11.4.1
Beperking bestaande agrarische bedrijven (voorgrondbelasting)
De grootste bijdrage aan de geurbelasting op het plangebied geleverd door de varkenshouderij op Spurkt 12, het eerste bedrijf ten oosten van het plangebied. Op onderstaand figuur is de maximale voorgrondbelasting weergegeven, wederom beoordeeld op basis van de Handreiking Wgv. Ook voor wat betreft de voorgrondbelasting wordt het leefklimaat in het gehele plangebied als zeer goed tot goed beoordeeld. De maximale voorgrondbelasting bedraagt 3,5 Ou en ligt ruim onder de voorgrondnorm voor bedrijventerreinen in Venray (maximaal 8 Ou). Hierdoor scoort dit criterium neutraal (0).
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
90 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Figuur 11-3 Beoordeling leefklimaat op basis van de maximale voorgrondbelasting t.a.v. geurhinder
11.4.2
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
De achtergrondbelasting in het plangebied bedraagt maximaal 5,8 Ou, op het dichtst bij de veehouderij gelegen aan Spurkt 12 gelegen punt (het varkensbedrijf gelegen ten oosten van het plangebied). Dit is ruim beneden de norm voor de achtergrondbelasting van 20 Ou voor een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat, welke door de gemeente Venray gehanteerd wordt voor bedrijventerreinen. Hierdoor scoort dit criterium neutraal (0). Ook als de achtergrondbelasting wordt beoordeeld op basis van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij 2007, die in opdracht van het rijk is opgesteld t.b.v. de inwerkingtreding van de Wet geurhinder en veehouderij, is er binnen het plangebied sprake van een zeer goed tot goed leefklimaat (zie Figuur 11-4) en vormt de achtergrondbelasting geen belemmering voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
91 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Figuur 11-4: Beoordeling leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting t.a.v. geurhinder
In het kader van de zogenaamde “omgekeerde werking” heeft een veehouderij, voor zover niet beperkt door bestaande objecten of andere factoren, recht om emissiepunten te verplaatsen binnen het bouwblok. Dat betekent dat de maximale contour waarmee rekening gehouden dient te worden groter is. Wanneer rekening wordt gehouden met deze maximale geurhindercontouren, in het kader van de omgekeerde werking, wordt de beoogde ontwikkeling niet belemmerd 20. De ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt v.w.b. geurhinder uit stallen van de nabijgelegen veehouderij dus niet tot een beperking van de rechten van de omliggende veehouderijen.
11.4.3
Geurhinder bedrijfsactiviteiten (De Spurkt)
Geurhinder kan mogelijk ontstaan wanneer bedrijven (vanuit de agrofood sector) zich gaan vestigen op bedrijventerrein de Spurkt. In het rapport ‘Vervolg geuronderzoek De Spurkt’ van 30 september 2020 is uitgebreid stilgestaan bij de mogelijke geurcontouren afkomstig van bedrijventerrein de Spurkt 21. Op basis van de richtafstanden voor gemengd gebied zijn in de onderstaande figuur zijn de verblijfsobjecten weergeven nabij het bedrijventerrein de Spurkt liggen.
20 In de memo Geuronderzoek bedrijventerrein Klaver 15, De Spurkt in Venray (14 januari 2020) wordt nader ingegaan op de resultaten
van de ‘omgekeerde werking’ 21 In het vervolg geuronderzoek De Spurkt, kenmerk P199107.001 zijn verschillende scenario’s inclusief mogelijke mitigerende maatregelen uitgewerkt om de geurbelasting naar de omgeving inzichtelijk te maken. Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
92 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Figuur 11-5: Richtafstanden geur geprojecteerd rondom bestemming bedrijf op basis van gebiedtypering gemengd gebied.
Zoals te zien in Figuur 11-5 is er overlap met de geurcontouren op basis de milieucategorieën en VNGafstanden voor verblijfsobjecten ten zuiden van de Spurkt. De verblijfsobjecten binnen deze contour vallen binnen de bestemmingen “bedrijf 2”, “bedrijf 3”, “bedrijf 4” en “bedrijf 5”, zoals deze zijn opgenomen in het bestemmingsplan Smakterheide (vastgesteld 18 juni 2013). Dit zijn met name bedrijven, kantooractiviteiten ten dienste van de bedrijvigheid en detailhandel. De nabij gelegen (bedrijfs)woningen liggen niet binnen deze geurcontouren. Geurhinder op verblijfsobjecten is hierdoor niet direct uit te sluiten. Opgemerkt dient te worden dat activiteiten die geur veroorzaken normaliter niet op de rand van de bedrijfskavels gesitueerd worden. Daarnaast zal vestiging van bedrijven met activiteiten die geur veroorzaken beperkt worden door de restricties die om andere redenen zijn opgenomen in het bestemmingsplan, te weten het uitsluiten van stikstof emitterende bedrijvigheid en het niet toestaan van nieuwe m.e.r-(beoordelings)plichtige activiteiten. Desondanks is het criterium als negatief beoordeeld (-), doordat er verblijfsobjecten binnen de geurcontour liggen en geurhinder op voorhand, zonder geurnormen, niet uit te sluiten is.
11.4.4
Conclusie
Vanuit het oogpunt van geurhinder uit stallen van veehouderijen zijn er op dit moment geen belemmeringen voor de ontwikkeling van bedrijventerrein De Spurkt en worden deze ook in de toekomst niet verwacht. Geurhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten wordt niet verwacht, echter zonder geurnormen is dit niet uit te sluiten. Tabel 11-3 Conclusie geur
Criterium
Score
Beperking bestaande agrarische bedrijven (voorgrondbelasting)
0
Aanvaardboor woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting) 0 Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
93 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Geurhinder bedrijfsactiviteiten (De Spurkt)
11.5
-
Leemte in kennis
Een toename van de geurbelasting vanwege uitbreiding van de veehouderij gelegen ten oosten van het plangebied is v.w.b. de Wgv en de gemeentelijke geurnormen is niet uitgesloten. Bestaande woningen in het buitengebied (geurnorm 14) en bestaande geurgevoelige objecten op het bestaande bedrijventerrein zijn v.w.b. dit aspect maatgevend. Dat een eventuele uitbreiding leidt tot een toename van de voorgrondbelasting boven de 8 Ou en/of de achtergrondbelasting boven de 20 Ou is zeer onwaarschijnlijk. De gemeente kan een eventuele ongewenste uitbreiding van de geurbelasting tegengaan via een het nemen van een voorbereidingsbesluit (op basis van de Wgv). Daarnaast is het onduidelijk of en hoeveel geur emitterende bedrijven zich gaan vestigen op bedrijventerrein de Spurkt. Door het treffen van geurnormen kan geurhinder vanuit het bedrijventerrein worden voorkomen.
11.6
Mitigerende maatregelen
Om mogelijke geurhinder vanuit het bedrijventerrein richting de omgeving te mitigeren zijn de volgende maatregelen denkbaar: • •
•
Het toepassen van geurbelastingsnormen voor geurgevoelige functies in de omgeving van het bedrijventerrein, zoals woningen en bedrijfswoningen. Dit om het voorkomen van geuroverlast voor geurgevoelige functies in de omgeving van het bedrijventerrein, naast een sturing via de milieuzonering; Het toepassen van maximale geurbelasting op randen van bedrijventerrein de Spurkt. Die geurnorm geldt dan niet voor de gevel van een ander gevoelige gebouw, maar voor een referentiepunt, zoals de grens van de eigen inrichting / eigen bedrijfskavel of een vaste afstand ten opzichte van de eigen inrichting. Dit om geurhinder op het bedrijventerrein en omliggende verblijfsobjecten te beperken. Door in de vergunningverlening voor de bedrijven voorschriften op te nemen m.b.t. het beperken van geuremissies en de geurbelasting.
11.7
Doorvertaling in bestemmingsplan
11.7.1
Regeling
Zonder het opnemen van geurnormen is er niet met zekerheid te stellen dat in de omgeving van de Spurkt geurhinder wordt ervaren. In de regels van het bestemmingsplan worden daarom geurnormen opgenomen om te borgen dat verblijfsobjecten, waaronder (bedrijfs)woningen geen overmatige geurhinder ervaren.
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
94 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
12
DUURZAAMHEID
12.1
Beleids- en beoordelingskader
12.1.1
Beleidskader
In Tabel 12-1 is het beleidskader voor het aspect duurzaamheid weergegeven. De concrete beoordelingscriteria zijn weergegeven in paragraaf 0. Tabel 12-1 Beleidskader duurzaamheid
Beleid
Relevantie voor project
Europees beleid Europees beleidskader voor Klimaat Al in 2009 hebben de lidstaten van de Europese Unie afgesproken de en energie (2020-2030) concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te beperken. Beschikking 406/2009/EG verplicht lidstaten broeikasgassen met 30% te reduceren tegen 2020 ten opzichte van het niveau van 1990. Aangezien een toename van de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen een bijzonder belangrijk middel is om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, streven de lidstaten hiernaar in het kader van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen. Deze richtlijn stelt dat het aandeel hernieuwbare energie in de EU tenminste 27% moet zijn in 2020. In het in september 2013 ondertekende Energieakkoord heeft Nederland zich gecommitteerd aan een toename van het aandeel hernieuwbare energieopwekking naar 14% in 2020 en 16% in 2023. Nederlands beleid Klimaatakkoord 2019
Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Het Rijk heeft samen met het bedrijfsleven een pakket aan maatregelen afgesproken om een broeikasgasreductie van 55% in 2030 te realiseren. De maatregelen behelzen onder meer het verduurzamen van de gebouwde omgeving door gasloos bouwen, verduurzaming in de logistiek door duurzame bedrijfsvoering, het reduceren van CO2 uitstoot in de industrie, emissiereducties in de veehouderij en hernieuwbare elektriciteitsopwekking in de gebouwde omgeving.
Nationale klimaatadaptatie strategie 2016
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) heeft als doel de effecten van klimaatverandering voor Nederland te verkleinen of beheersbaar te houden. Het gaat om schades, overlast, ziekten, vroegtijdige sterfte en nadelige veranderingen in milieukwaliteit en ecosystemen. Belangrijke uitdagingen zijn hittestress, uitval van vitale en kwetsbare functies door extreem weer, en verschuiving in klimaatzones met gevolgen voor de veerkracht van de natuur. De NAS zet in op het verhogen van het bewustzijn van de noodzaak van klimaatadaptatie, het adresseren van urgente klimaatrisico’s, het verankeren van klimaatadaptatie in beleid en wet- en regelgeving en het monitoren van de voortgang en effectiviteit van het adaptatiebeleid.
Provinciaal en regionaal beleid
POL 2014
In het POL worden ambities, opgaven en aanpak voor de energietransitie gesteld. De doelstellingen van Limburg sluiten aan bij de nationale doelstellingen voor de energietransitie in 2020 (20% reductie CO2-uitstoot, 1,5% energiebesparing per jaar, 14% opwekking hernieuwbare energie). Dat betekent voor Limburg een forse energiebesparing en een sterke toename van het aandeel duurzaam opgewekte energie (o.a. zo’n 8000 ha zonnepanelen).
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
95 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Beleid
Relevantie voor project
Regionale Energievisie NoordLimburg 2018-2030
Voor Noord-Limburg is een regionale energievisie opgesteld. De ambitie is om een fossiel energieonafhankelijke regio te creëren. Op de korte termijn (tot 2022) is de doelstelling om 16% duurzame energie op te wekken. Op de langere termijn (tot 2030) is de ambitie om 35% energiebesparing te hebben gerealiseerd, en 30% duurzame energieopwekking. De visie zet in op twee sporen: energiebesparing bij bedrijven en duurzame energie opwek.
Gemeentelijk beleid
Energiestrategie 2030 (2013)
12.1.2
De gemeenten Beesel, Venlo en Venray hebben in 2013 een gezamenlijke energiestrategie opgericht. Het doel is om gezamenlijk de transitie naar een energie-efficiënte en duurzame energievoorziening op lokaal niveau te realiseren. Hierin is gekozen voor de ambitie ‘Energieneutraal met compensatiemaatregelen’: een samenspel van energiebesparing en lokale opwekking van duurzame energie. Voor het bedrijfsleven betekent dit energiebesparing, hergebruik van afval en afvalwater en een sterk ontwikkelde biobased en circulaire economie. In 2030 heeft 50% van het bedrijfsleven een verbetertraject lopen om energieverbruik te halveren. Voor duurzame energieopwekking stelt men onder andere als doel 60MW aan windenergie op te wekken en op alle voor zonne-energie geschikte daken zonnepanelen te leggen. Nieuwbouw dient aardgasvrij te zijn.
Beoordelingskader
Het beoordelingskader voor het aspect duurzaamheid is weergegeven in Tabel 12-2. Tabel 12-2 Beoordelingskader duurzaamheid
Vermindering CO2 uitstoot en Beperken wateroverlast en Score opwekken van duurzame hittestress energie
Bevordering biodiversiteit
++
Zeer grote reductie van CO2 uitstoot en grote toename duurzame energieopwekking
Zeer grote afname wateroverlast en Sterke verbetering van hittestress omstandigheden voor biodiversiteit
+
Beperkte reductie van CO2 uitstoot en beperkte toename duurzame energieopwekking
Beperkte afname wateroverlast en hittestress
Kleine verbetering van omstandigheden voor biodiversiteit
0
Geen of geringe reductie van CO2 uitstoot en geen of geringe toename duurzame energieopwekking
Geen of geringe toename wateroverlast en hittestress
Geen of geringe verbetering van omstandigheden voor biodiversiteit
-
Beperkte toename van CO2 uitstoot
Beperkte toename wateroverlast en Kleine aantasting van hittestress omstandigheden voor biodiversiteit
--
Zeer grote toename van CO2 uitstoot
Zeer grote toename wateroverlast en hittestress
12.2
Methode
Sterke aantasting van omstandigheden voor biodiversiteit
De beoordeling van het aspect duurzaamheid is kwalitatief.
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
96 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
12.3
Referentiesituatie
In de huidige situatie bestaat het plangebied uit landbouwpercelen en veehouderijen. Er bevindt zich onder andere een paardenfokkerij. Er wordt in de huidige situatie CO2 uitgestoten door verwarming van de aanwezige woningen en veehouderijen. Deze zijn aangesloten op het gasnet. Er wordt geen duurzame energie opgewekt. Het plangebied is grotendeels onverhard. Daarnaast bevinden zich diverse plant- en diersoorten in en rond het plangebied (zie ook Hoofdstuk 4).
12.4
Effectbeschrijving en – beoordeling
12.4.1
Vermindering CO2 uitstoot en opwekken van duurzame energie
Met het ontwikkelen van het bedrijventerrein zal de energievraag in het gebied stijgen. Daarentegen wordt de bestaande bebouwing gesloopt en om plaats te maken voor nieuwe bedrijfsgebouwen. Deze worden niet op het gasnet aangesloten. De bedrijven dienen dus op een andere manier de bedrijfspanden te verwarmen of koelen. Bovendien mag er bij de interne verkeersstromen geen stikstof worden uitgestoten. Dit betekent dat de bedrijven er zorg voor moeten dragen dat dit op alternatieve wijze, bijvoorbeeld door gebruik te maken van elektrische voortuigen, wordt georganiseerd. Hierbij geldt de verplichting voor de te vestigen bedrijven dat de daken geschikt zijn voor de installatie van zonnepanelen. De inzet van duurzame energieopwekking voor grote gebruikers biedt meer mogelijkheden dan voor kleine individuele projecten. De ontwikkeling van het bedrijventerrein biedt op deze manier veel ruimte voor het reduceren van het gebruik van fossiele energie en het opwekken van duurzame energie.
12.4.2
Beperken wateroverlast en hittestress
De verharding in het gebied neemt toe door verkeersverbindingen, parkeerlocaties en bedrijfspanden. Er wordt uitgegaan van een totaal verhard oppervlak van 95% van het uitgeefbare terrein, bestaande uit 70% dakoppervlak en 25% particuliere terreinverharding. Daarnaast wordt buiten de uitgeefbare vlakken infrastructuur aangelegd. Dit betekent een bergingsopgave in openbaar gebied van 5.798m3. Op eigen terrein wordt 7.180m3 waterberging gerealiseerd. Verder wordt, om wateroverlast te beperken, een bergingscapaciteit van 12.050m3 aangelegd, bestaande uit vijvers, wadi’s, duikers en overloopvoorzieningen. Dit biedt voldoende afvoercapaciteit om het water tijdens een extreme neerslaggebeurtenis te verdelen en af te voeren naar het lozingspunt. Het stedelijk hitte eiland effect is in de huidige situatie zeer beperkt. Figuur 12-1 geeft het huidige stedelijk hitte-eiland effect (UHI) weer in °C. Dit is het gemiddelde luchttemperatuur verschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden. De kaart geeft een voorspelling van het stedelijk hitte eiland effect weer op basis van verschillende onderliggende kaartgegevens: de bevolkingsdichtheid, windsnelheid, hoeveelheid groen, blauw en verharding. In de huidige situatie is het temperatuurverschil beperkt met 0,2 tot 0,8 °C.
op het naastgelegen bedrijventerrein Smakterheide is het temperatuurverschil iets groter met 0,6 tot 1,4 °C. Met de toename van verharding in het plangebied wordt het hitte eiland effect naar verwachting groter. Daarentegen wordt het plangebied groen ingericht met bomenrijen, gebiedseigen beplanting en groene inpassing van de bedrijfspercelen aan alle zijden. Met deze maatregelen, en het inrichten van zichtlijnen richting het Loobeekdal, wordt ook voor verkoeling in het plangebied gezorgd.
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
97 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
Figuur 12-1 Stedelijk hitte eiland effect
12.4.3
Bevordering biodiversiteit
Ten behoeve van de voorgenomen plannen zullen de agrarische percelen en weilanden verdwijnen, de aanwezige gebouwen gesloopt worden, de waterlopen mogelijk verlegd en/of gedempt worden en zullen delen van bosschages mogelijk verdwijnen. Maatregelen worden daarom getroffen om de gunstige staat van instandhouding van diverse soortgroepen op lokaal niveau te borgen. De initiatiefnemer is dan ook voornemens om aan de oostzijde van het plangebied een natuurzone van 3,4 ha in te richten voor de doelsoorten boerenzwaluw, huismus, steenuil, vleermuizen en das. Door de inrichting van de natuurzone tot extensief begraasde weide met fruitbomen kan het in de toekomstige situatie een geschikt leefgebied vormen voor de desbetreffende soorten. Ten behoeve van het mitigeren van het verlies van nestlocaties en verblijfplaatsen zal een opstal gebouwd worden waar soorten als boerenzwaluw, huismus, steenuil en vleermuizen gebruik van kunnen maken. In het activiteitenplan 22 is nader ingegaan op de maatregelen die ten grondslag liggen aan het behoud van soorten en leefgebieden. Door het treffen van deze maatregelen is de intentie om de biodiversiteit in ieder geval in stand te houden en mogelijk zelfs te bevorderen.
12.4.4
Conclusie
De conclusie voor het aspect duurzaamheid is samengevat in Tabel 12-3. Tabel 12-3 Conclusie duurzaamheid
Criterium
Score
Vermindering CO2 uitstoot en opwekken van duurzame energie
+
Beperken wateroverlast en hittestress
0
Bevordering biodiversiteit
0
12.5
Leemte in kennis
Het aspect duurzaamheid is op kwalitatieve wijze beoordeeld. Er zijn geen berekeningen gedaan voor de effecten op CO2 uitstoot, hittestress en biodiversiteit.
22 De activiteitenplan is bijgevoegd bij het ontheffingsaanvraag in het kader van het onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming.
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
98 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
12.6
Mitigerende maatregelen
Er zijn geen mitigerende maatregelen noodzakelijk.
12.7
Doorvertaling in bestemmingsplan
12.7.1
Regeling
In het bestemmingsplan is uitstoot van stikstof door bedrijven aangemerkt als strijdig gebruik. Andere specifieke regels ten aanzien van duurzaamheid zijn niet opgenomen in het bestemmingsplan.
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
99 van 104
HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN
13
CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN
13.1
Beleidskader
In gebieden waar aanwijzingen zijn dat er zich niet-gesprongen conventionele explosieven kunnen bevinden dient hiermee bij het uitvoeren van bouw- en grondwerkzaamheden rekening te worden gehouden.
13.2
Conclusies
In de omgeving hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden, zowel op de grond als in de lucht. Hierbij is niet-ontplofte munitie ('blindgangers') in de bodem terechtgekomen. Het betreft met name geschutsmunitie (granaten), handgranaten en afwerpmunitie (vliegtuigbommen). Tevens zijn op diverse locaties mijnenvelden aangelegd. Hoewel de meeste mijnen uit deze velden geruimd zijn, kan niet worden uitgesloten dat mijnen in de bodem zijn achtergebleven. (Graaf)werkzaamheden kunnen alsnog leiden tot ontploffing van deze munitie, wat kan leiden tot letsel en/of schade aan gebouwen, infrastructuur, leidingen en dergelijke. Door Bombs Away is daarom in 2019 een Vooronderzoek Conventionele Explosieven (hierna: CE) uitgevoerd. Dit onderzoek staat in Bijlage 9 bij dit bestemmingsplan. De analyse is verricht op basis van onderzoek in archieven en analyse van historische luchtfoto's. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies is het gehele onderzoeksgebied verdacht verklaard op het aantreffen van geschutmunitie (zie Figuur 13-1). Daarnaast zijn de locaties van mangaten, loopgraven en mitrailleurstellingen verdacht verklaard op de aanwezigheid van KKM, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en munitietoebehoren. Tevens zijn enkele locaties van stellingen verdacht verklaard op raketten.
Figuur 13-1 Verdachte gebieden geschutmunitie
Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020
100 van 104