CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bijlage 10 Hoofdstuk 8 Milieuaspecten

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en MER De Spurkt30.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN MILIEUASPECTEN Klaver 5 fase 2, Klaver 7 fase 1 Gemeente Horst aan de De Spurkt Maas 28 OKTOBER 2020

25 APRIL 2019

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Contactpersoon NICK BERGMAN Projectleider Vastgoed & Ruimtelijke Ontwikkelingen

Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

2 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

TOELICHTING OP BEOORDELING MILIEUASPECTEN

9

1.1

Inleiding

9

1.2

Plangebied en studiegebied

9

1.3

Methodiek

9

1.3.1

Beoordelingskader

9

1.3.2

Aanpak milieuonderzoek

11

1.3.3

Passende beoordeling

11

1.4

Uitgangspunten t.b.v. milieuonderzoek

12

BODEM

13

2.1

Beleids- en beoordelingskader

13

2.1.1

Beleidskader

13

2.1.2

Beoordelingskader

13

2.2

Methode

14

2.3

Referentiesituatie

14

2.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

15

2.4.1

Conclusie

15

2.5

Leemte in kennis

15

2.6

Mitigerende maatregelen

15

2.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

16

2.7.1

Regeling

16

2.7.2

Monitoring

16

WATER

17

3.1.1

Beoordelingskader

19

3.1.2

Watertoets

19

3.2

Methode

20

3.2.1

Oppervlaktewater

20

3.2.2

Grondwater

20

3.2.3

Riolering

20

3.3

Referentiesituatie

20

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

3 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

4

5

6

3.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

21

3.4.1

Oppervlaktewater

21

3.4.2

Grondwater

21

3.4.3

Riolering

21

3.4.4

Conclusie

21

3.5

Leemte in kennis

21

3.6

Mitigerende maatregelen

22

3.7

Conclusies fysieke leefomgeving

22

3.8

Doorvertaling in bestemmingsplan

22

3.8.1

Regeling

22

3.8.2

Monitoring

22

ECOLOGIE

23

4.1.1

Beleidskader

23

4.1.2

Beoordelingskader

24

4.2

Methode

26

4.3

Referentiesituatie

27

4.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

31

4.4.1

Wet natuurbescherming, aspect gebiedsbescherming

31

4.4.2

POL2014/Natuurbeheerplan

32

4.4.3

Wet natuurbescherming, aspect soortenbescherming

32

4.4.4

Conclusie

33

4.5

Leemte in kennis

33

4.6

Mitigerende maatregelen

33

4.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

33

ARCHEOLOGIE

34

5.1.1

Beleidskader

34

5.1.2

Beoordelingskader

34

5.2

Methode

35

5.3

Referentiesituatie

35

5.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

35

5.4.1

Verwachte archeologische waarden

35

5.4.2

Conclusie

36

5.5

Leemten in kennis

36

5.6

Mitigerende maatregelen

36

5.7

Doorvertaling in het bestemmingsplan

36

LANDSCHAP EN CULTUURHISTORIE

37

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

4 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

7

8

6.1

Beleids- en beoordelingskader

37

6.1.1

Beleidskader

37

6.1.2

Beoordelingskader

38

6.2

Methode

40

6.3

Referentiesituatie

40

6.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

42

6.4.1

Visueel-ruimtelijk karakter

42

6.4.2

Groene karakter

42

6.4.3

Cultuurhistorisch erfgoed

43

6.4.4

Aardkundige waarden en reliëf

43

6.4.5

Conclusie

43

6.5

Leemte in kennis

43

6.6

Mitigerende maatregelen

43

6.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

43

6.7.1

Regeling

43

EXTERNE VEILIGHEID

44

7.1

Beleids- en beoordelingskader

44

7.1.1

Beleidskader

44

7.1.2

Beoordelingskader

44

7.2

Methode

45

7.3

Referentiesituatie

45

7.3.1

Huidige situatie en autonome situatie

45

7.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

47

7.4.1

Plaatsgebonden risico

48

7.4.2

Groepsrisico

48

7.4.3

Conclusie

48

7.5

Leemte in kennis

48

7.6

Mitigerende maatregelen

48

7.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

49

7.7.1

Regeling

49

7.8

Advies veiligheidsregio

49

VERKEER

50

8.1

Beleids- en beoordelingskader

50

8.1.1

Beleidskader

50

8.1.2

Beoordelingskader

51

8.2

Methode

52

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

5 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

9

8.3

Referentiesituatie

55

8.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

57

8.4.1

Verkeersafwikkeling

57

8.4.2

Verkeersveiligheid

66

8.4.3

Conclusie

66

8.5

Leemte in kennis

66

8.6

Mitigerende maatregelen

66

8.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

67

8.7.1

Regeling

67

LUCHTKWALITEIT

68

9.1

Beleids- en beoordelingskader

68

9.1.1

Beleidskader

68

9.1.2

Beoordelingskader

69

9.2

Methode

70

9.3

Referentiesituatie

71

9.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

71

9.4.1

Stikstof (NO2)

72

9.4.2

Emissie Fijnstof (PM10 en PM2.5 – vanwege wegverkeer)

72

9.4.3

Conclusie

72

9.5

Leemte in kennis

73

9.6

Mitigerende maatregelen

73

9.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

73

9.7.1

Regeling

73

10 GELUID

74

10.1

Beleids- en beoordelingskader

74

10.1.1

Beleidskader

74

10.1.2

Beoordelingskader

74

10.2

Methode

75

10.3

Referentiesituatie

76

10.3.1

Industriegeluid

76

10.3.2

Verkeersgeluid

79

10.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

81

10.4.1

Industriegeluid

81

10.4.2

Verkeersgeluid

82

Cumulatie 10.4.3

84 Conclusie

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

84 6 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

10.5

Leemte in kennis

85

10.6

Mitigerende maatregelen

85

10.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

85

10.7.1

Regeling

85

10.7.2

Monitoring

85

11 GEUR

86

11.1

Beleids- en beoordelingskader

86

11.1.1

Beleidskader

86

11.1.2

Beoordelingskader

87

11.2

Methode

88

11.3

Referentiesituatie

88

11.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

90

11.4.1

Beperking bestaande agrarische bedrijven (voorgrondbelasting)

90

11.4.2

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)

91

11.4.3

Geurhinder bedrijfsactiviteiten (De Spurkt)

92

11.4.4

Conclusie

93

11.5

Leemte in kennis

94

11.6

Mitigerende maatregelen

94

11.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

94

11.7.1

Regeling

94

12 DUURZAAMHEID

95

12.1

Beleids- en beoordelingskader

95

12.1.1

Beleidskader

95

12.1.2

Beoordelingskader

96

12.2

Methode

96

12.3

Referentiesituatie

97

12.4

Effectbeschrijving en – beoordeling

97

12.4.1

Vermindering CO2 uitstoot en opwekken van duurzame energie

97

12.4.2

Beperken wateroverlast en hittestress

97

12.4.3

Bevordering biodiversiteit

98

12.4.4

Conclusie

98

12.5

Leemte in kennis

98

12.6

Mitigerende maatregelen

99

12.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

99

12.7.1

Regeling

99

13 CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

100

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

7 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

13.1

Beleidskader

100

13.2

Conclusies

100

13.3

Mitigerende maatregelen

101

13.4

Doorvertaling in bestemmingsplan

101

14 MILIEUZONERING

102

14.1

Beleidskader

102

14.2

Onderzoek

102

14.3

Doorvertaling in bestemmingsplan

103

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

8 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

1

TOELICHTING OP BEOORDELING MILIEUASPECTEN

1.1

Inleiding

Het bestemmen van het plangebied van De Spurkt als bedrijventerrein leidt ertoe dat de impact op het milieu vanuit het gebied wijzigt. In het kader van de m.e.r.-procedure zijn de mogelijke effecten van het nieuwe bestemmingsplan in beeld gebracht. In de hoofdstukken 2 tot en met 14 is de impact per relevant milieuaspect beschreven. In hoofdstuk 1 van de toelichting zijn de resultaten van de effectbeoordelingen samengevat en conclusies opgenomen. De hoofdstukken 2 tot en met 14 gaan achtereenvolgens in op de aspecten bodem, water, ecologie, archeologie, landschap en cultuurhistorie, externe veiligheid, verkeer, luchtkwaliteit, geluid, geur, duurzaamheid, conventionele explosieven en milieuzonering. In dit hoofdstuk wordt toegelicht welke systematiek ten grondslag ligt aan het beoordelen van de effecten op het milieu in het kader van de m.e.r.-procedure (hierna: de effectbeoordeling).

1.2

Plangebied en studiegebied

Bij de beoordeling van milieueffecten spreken we van een plangebied en van een studiegebied. In de volgende paragrafen gaan we in op deze begrippen en hoe dat bij dit gecombineerde MER met toelichting van het bestemmingsplan is ingevuld. Plangebied Het plangebied is het gebied waar de voorgenomen ontwikkeling plaats gaat vinden. In dit geval is dat het bedrijventerrein De Spurkt, waarvoor een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld. De ligging en begrenzing van het plangebied is beschreven in paragraaf 2.2 van de toelichting. Studiegebied Het studiegebied in deze gecombineerde MER met toelichting van het bestemmingsplan is het gebied waar de effecten kunnen gaan optreden van de ontwikkeling. Dit kan per milieuaspect verschillen. In de hoofdstukken 2 tot en met 14 is per aspect aangegeven wat het studiegebied is voor het betreffende milieuaspect.

1.3

Methodiek

1.3.1

Beoordelingskader

In dit gecombineerde MER met toelichting van het bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling beoordeeld op de effecten voor het milieu. Per milieuaspect zijn één of meer beoordelingscriteria geformuleerd. Aan de hand van deze beoordelingscriteria zijn de effecten in beeld gebracht. De gehanteerde beoordelingscriteria zijn weergegeven in het beoordelingskader in Tabel 1-1. Alle effecten worden beoordeeld op basis van een vijfpuntschaal (zie Tabel 1-2).

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

9 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Tabel 1-1 Beoordelingskader milieueffecten

Aspect

Beoordelingscriterium

Bodem

Effect op bodemkwaliteit Effect op oppervlaktewater (kwaliteit en kwantiteit)

Water

Effect op grondwater (kwaliteit en kwantiteit) Effect op riolering Effecten op beschermde gebieden Natura 2000

Ecologie

Effecten op beschermde gebieden Natuurbeheerplan/POL2014 Gevolgen voor beschermde soorten en hun leefgebieden

Archeologie

Aantasting van gebieden met een archeologische verwachtingswaarde Effect op het visueel-ruimtelijk karakter Effect op het groene karakter

Landschap en cultuurhistorie Effect op het cultuurhistorisch erfgoed Effect op het aardkundige waarden en reliëf Plaatsgebonden risico Externe veiligheid Groepsrisico Verkeersgeneratie en -afwikkeling Verkeer

Verkeersveiligheid Parkeren Stikstofemissie

Luchtkwaliteit Fijnstofemissie Industriegeluid Geluid Verkeersgeluid Vermindering CO2 uitstoot en opwekken van duurzame energie Duurzaamheid

Beperken van wateroverlast en hittestress Bevordering van biodiversiteit

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

10 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Tabel 1-2 Vijfpuntsschaal

++

Sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

Geen positief en geen negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

--

Sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

1.3.2

Aanpak milieuonderzoek

Het bestemmingsplan voor De Spurkt biedt ruimte voor flexibiliteit in de toekomstige plannen. Dat betekent dat op voorhand niet bekend is wat de precieze inhoud van toekomstige ontwikkelingen is. Daarom is bij de onderzochte milieuaspecten in dit rapport uitgegaan van een worst case benadering door uitgangspunten te kiezen die uitgaan van een maximale invulling van het plangebied. De worst case situatie kan per milieuaspect verschillen. In de hoofdstukken 2 tot en met 14 is per aspect aangegeven wat de worst case situatie is voor het betreffende milieuaspect. Effecten als gevolg van de toekomstige vestiging van bedrijven vallen hierdoor binnen de bandbreedte aan effecten zoals bepaald in het MER-deel van deze toelichting. Door middel van monitoring van de werkelijke effecten na het ontwikkelen van het bedrijventerrein kunnen de daadwerkelijke effecten worden gevolgd en kan worden beoordeeld of de ontwikkelingen binnen de bandbreedten blijven die zijn vastgelegd in het bestemmingsplan.

1.3.3

Passende beoordeling

Het bestemmingsplan voor De Spurkt maakt de vestiging van bedrijven van de milieu categorieën 2, 3.1, 3.2 4.1 en 4.2 mogelijk. De bedrijven in De Spurkt worden niet aangesloten op het gasnet. Voor hun energievoorziening zijn de bedrijven in principe afhankelijk van elektrische stroom. Het bestemmingsplan merkt de uitstoot van stikstof door de bedrijven zelf als strijdig gebruik aan. De verkeersaantrekkende werking van de bedrijven kan wel emissies veroorzaken naar de atmosfeer van onder andere stikstof (in de vorm van NOx en NH3). Deze stikstof kan in de wijde omgeving op de bodem neerslaan, onder andere in Natura 2000-gebieden. De natuur in veel van deze gebieden is gevoelig voor depositie van (te) grote hoeveelheden stikstof. De bestaande belasting van deze gebieden met stikstof is in vrijwel heel ZuidNederland hoger dan de normen die voor deze gebieden gelden. Verdere toename van depositie kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Het is op voorhand niet zeker dat er geen significante negatieve effecten op deze gebieden zullen optreden. Voor de vaststelling van het Bestemmingsplan De Spurkt moet daarom een passende beoordeling worden gemaakt. Deze passende beoordeling is bijgevoegd als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

11 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

1.4

Uitgangspunten t.b.v. milieuonderzoek

Tabel 1-3 Programma De Spurkt

Referentiesituatie

Voorgenomen activiteit in nieuw bestemmingsplan

Type bedrijvigheid

Agrarisch gebruik

Zowel grootschalige als kleinschalige bedrijven in de sectoren maakindustrie, agrofood en in de logistieke sector (waaronder m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten).

Oppervlakte uitgeefbare kavels

-

Ca. 30 hectare

Toegestane maximale milieucategorieën

-

Cat 2: Cat 3.1 & 3.2: Cat. 4.1: Cat. 4.2:

Risicovolle bedrijven, waaronder Bevi-bedrijven

-

Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan.

Ontsluiting (vracht)auto’s

Ontsluiting via Spurkt en Metaalweg richting A73.

Langzaam verkeer

Bestaande aansluiting via vrijliggend Behoud bestaande verbindingen. fietspad parallel aan Spurkt en Metaalweg

Onderdeel

• •

• Groen en landschappelijke Agrarisch gebruik, openheid en zicht op inpassing beekdal

• •

•

Natuur

• •

Diverse woningen en percelen bieden • nestlocaties of verblijven voor huismussen, steenuil, boerenzwaluw en • • vleermuizen. Hoofdburchten en foerageergebied das • Foerageergebied en vliegroute vleermuizen in bosschages en waterlopen rond plangebied •

Water

Agrarisch gebruik; weinig verhard oppervlak

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

•

0.1 hectare 1.97 hectare 5 hectare 23,2 hectare

Hoofdontsluiting via Spurkt en Metaalweg richting A73 Ontsluiting bedrijven rondom kavels

Bestaande groenstructuren behouden d.m.v. compartimentering bedrijventerrein Inpassing met houtwallen en hagen rond bedrijfspercelen Behoud zichtlijnen

Stallen en woningen worden gesloopt Hoofdburchten behouden Groenstructuren in en rond plangebied blijven behouden Bedrijventerrein zorgt voor uitstoot stikstof door verkeerstoename en aanlegfase

100 mm waterberging op bedrijventerrein (voldoende voor 30 ha bedrijven). Waterberging door bedrijven in bestemmingsplan vastgelegd.

12 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

2

BODEM

2.1

Beleids- en beoordelingskader

2.1.1

Beleidskader

In Tabel 2-1 is het beleidskader voor het aspect bodem weergegeven. De beoordelingscriteria zijn weergegeven in paragraaf 2.1.2. Tabel 2-1 Beleidskader bodem

Beleid

Relevantie voor project

Europees beleid N.v.t. Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg Niet relevant voor het thema bodemkwaliteit binnen de gemeente Venray (POL) (2014, erratum mei 2015) Regeling Bodemkwaliteit (2007)

In de Regeling Bodemkwaliteit zijn herkomstgebieden en toepassingsgebieden voor mijnsteen aangewezen. Het plangebied maakt echter geen deel uit van de geïnventariseerde mijnsteengebieden.

Nationaal beleid Wet bodembescherming (Wbb) (2006)

De Wbb is bepalend voor benodigde vervolgacties voor eventuele aanwezige bodemverontreinigingen (bepalen noodzaak vervolgacties, en zo ja: invulling daarvan).

Convenant Bodemontwikkelingsbeleid (2009/2015)

Het convenant zorgt voor een programmatische aanpak van locaties met actuele risico’s (spoedlocaties). Het saneren van spoedlocaties is daardoor een autonome ontwikkeling.

Convenant Bodemontwikkelingsbeleid (20162010)

Dit convenant zorgt voor een verdere ontwikkeling naar een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van de bodem en ondergrond. Aan het eind van de convenantsperiode dienen alle spoedlocaties te zijn gesaneerd of dienen de risico’s in ieder geval beheerst te zijn.

Waterwet (2009)

Sinds 22 december 2009 maken waterbodems deel uit van de Waterwet. Sindsdien is het saneren van waterbodems gerelateerd aan het functioneren of verbeteren van het watersysteem en de gebiedskwaliteit. Binnen het plangebied is het thema waterbodems echter niet aan de orde, aangezien er geen ingrepen zijn voorzien die de gemiddelde waterbodemkwaliteit (ten opzichte van het watersysteem en de gebiedskwaliteit) wezenlijk veranderen.

Besluit bodemkwaliteit (Bbk) (2007)

Het Besluit bodemkwaliteit is gericht op het toepassen en hergebruik van grond, baggerspecie en bouwstoffen, zodat minder primaire grondstoffen nodig zijn. Het is niet zonder meer toegestaan om grond en baggerspecie ergens te ontgraven en op een andere plaats neer te leggen of toe te passen. Dit om te voorkomen dat het toepassen van grond en baggerspecie de ontvangende bodem (onacceptabel) verontreinigt en risico's vormt voor het (toekomstige) bodemgebruik.

2.1.2

Beoordelingskader

Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren moet de bodemkwaliteit worden betrokken. Voor een goede ruimtelijke ordening is inzicht in de bodemkwaliteit relevant om te bepalen of de bodemkwaliteit voor de beoogde (nieuwe) bestemming geschikt is. Ook geeft Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

13 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

het inzicht in de mogelijke (technische) maatregelen die noodzakelijk zijn om de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan te kunnen realiseren. Het beoordelingskader voor het aspect bodem is weergegeven in Tabel 2-2. Tabel 2-2 Beoordelingskader bodem

Score

Effect op bodemverontreiniging in het gebied

++

Meerdere ernstige gevallen van bodemverontreiniging (die worden gesaneerd)

+

Eén ernstig geval van bodemverontreiniging (dat wordt gesaneerd)

0

Geen ernstig geval van bodemverontreiniging

-

Niet van toepassing (Bij het aantreffen van bodemverontreiniging wordt er gesaneerd, waardoor er alleen sprake kan zijn van een positief effect.)

--

Niet van toepassing (Bij het aantreffen van bodemverontreiniging wordt er gesaneerd, waardoor er alleen sprake kan zijn van een positief effect.)

Voor gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging – ontstaan voor 1 januari 1987 – voldoet een verontreiniging niet aan het omvangscriterium en valt dus niet onder de Wbb. Ook zijn er geen onaanvaardbare risico’s. Er is dus geen wettelijke grondslag om maatregelen te treffen. Het is echter de gemeentelijke vrijheid om in deze situatie toch nog voorwaarden te verbinden aan de vergunning, zoals gebruiksbeperkingen voor een meer gevoelige functie of beheersmaatregelen. Dit moet dan wel gebaseerd zijn op gemeentelijk beleid. Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging - van voor 1 januari 1987 en niet spoedeisend - geldt geen saneringsplicht en geen directe saneringsnoodzaak. Werkzaamheden op of in de bodem (bijvoorbeeld bouwen, graven of het onttrekken van grondwater) zijn echter pas toegestaan nadat het bevoegd gezag heeft ingestemd met een saneringsplan. Verondersteld wordt dat bij ontwikkelingen die over/door (deel)locaties lopen met ernstige bodemverontreiniging directe sanering zal plaatsvinden van de verontreiniging. Het saneren van ernstige gevallen van bodemverontreinigingen heeft daarom een positief effect op de bodemkwaliteit. Overigens betekent saneren niet per definitie het verwijderen van sterk verontreinigde grond. Bij immobiele grondverontreinigingen is het voorkomen van blootstelling vaak reeds voldoende als saneringsmaatregel.

In die gevallen is er ‘geen effect’ op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.

2.2

Methode

De beoordeling is gebaseerd op het raadplegen van de beschikbare bodeminformatie voor het plangebied uit het ondergrondportaal van de provincie Limburg 1 en recente bestemmingsplannen. De beoordeling is kwalitatief.

2.3

Referentiesituatie

Binnen het plangebied ligt een locatie waar sprake kan zijn van een bodemverontreiniging. Het gaat om een bodemlocatie met kenmerk LI098400567 (Figuur 2-1). Deze verontreiniging ligt aan de Spurkt 6. Het gaat om een land- en tuinbouwbedrijf met de aanwezigheid van brandstoftanks. Voor het overige deel van het plangebied zijn er geen (potentiële) verontreinigingen bekend.

1

https://www.limburg.nl/onderwerpen/milieu/bodem/

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

14 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Figuur 2-1 Bodemlocaties in en rond het plangebied (bron: ondergrondportaal van de provincie Limburg)

Ten behoeve van het bestemmingsplan De Spurkt wordt de nu aanwezige bebouwing in het plangebied gesloopt om plaats te maken voor het bedrijventerrein. Bij een dergelijke activiteit dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van bodemverontreinigingen. Dit gebeurt in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning(en). Indien een verontreiniging wordt aangetroffen, dient deze te worden gesaneerd volgens de Wet bodembescherming.

2.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

Binnen het plangebied is een potentiële bodemverontreiniging aanwezig. Indien dit een ernstig geval van verontreiniging is, impliceert dit volgens de beoordelingsschaal in Tabel 2-2 een positieve (+) score.

2.4.1

Conclusie

De conclusie voor het aspect water is samengevat in Tabel 2-3. Tabel 2-3 Conclusie bodem

Criterium

Score

Effect op bodemverontreiniging in gebied

+

2.5

Leemte in kennis

Er zijn geen leemten in kennis.

2.6

Mitigerende maatregelen

De beoordeling van bodemkwaliteit is positief (+). Mitigerende maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

15 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

2.7

Doorvertaling in bestemmingsplan

In het kader van een goede fysieke leefomgeving dient bij een planologische functiewijziging onderzocht te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

2.7.1

Regeling

Voor het aspect bodem geldt de landelijke wet- en regelgeving. Specifieke regels zijn derhalve niet opgenomen in het bestemmingsplan.

2.7.2

Monitoring

Op grond van voorliggend bestemmingsplan geldt een meldingsplicht bij nieuwvestiging van (en/of uitbreiding van bestaande) bedrijvigheid. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om grond-, baggerspecie of bouwstoffen toe te passen voor de realisatie van deze bedrijvigheid. Zoals vastgesteld in het Besluit Bodemkwaliteit dient in dat geval een melding gemaakt te worden via het Meldpunt bodemkwaliteit. Daarbij dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de in de regels gestelde randvoorwaarden voor de milieuomgevingskwaliteit. Het Meldpunt bodemkwaliteit stuurt meldingen door naar het bevoegd gezag. In het kader van deze melding kan het bevoegd gezag (gemeente) beoordelen of bodemonderzoek op basis van wet- en regelgeving is vereist.

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

16 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

3

WATER

In Tabel 3-1 is het beleidskader voor het aspect water weergegeven. De concrete beoordelingscriteria zijn weergegeven in paragraaf 3.1.1. Tabel 3-1 Beleidskader water

Beleid

Relevantie voor project

Europees beleid Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (2000)

De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft tot doel om de kwaliteit van de Europese wateren in een goede toestand te brengen en te houden. Waterbeheer op het niveau van stroomgebieden is daarbij het uitgangspunt, waarbij het stroomgebiedbeheerplan een belangrijk instrument is. In 2015 heeft Nederland de tweede generatie stroomgebiedbeheerplannen naar de Europese Commissie gestuurd: voor de Rijn, de Schelde, de Maas en het Eems-Dollardestuarium. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg, dat onderdeel uitmaakt van het stroomgebied van de Maas. Van belang is dat bij initiatieven tenminste voldaan wordt aan het stand-still principe. Dit houdt in dat een ingreep (uitvoering van het ruimtelijk plan) de toestand van het watersysteem niet mag verslechteren, tenzij beargumenteerd kan worden dat dit wegens ‘een hoger doel’ niet anders kan (notitie Gevolgen van de KRW voor fysieke projecten in en om het water, ministerie van Verkeer en Waterstaat, maart 2006).

Nederlands beleid Nationaal Bestuursakkoord Water

Op basis van het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het Rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekent. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. • Toepassen van de trits schoon houden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken. •

Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW normen regionale wateroverlast. Voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (neerslaggebeurtenis die statistisch berekend eens in de 100 jaar voorkomt). Waterwet (2009)

De Waterwet is een gebundelde wet met alle relevante wateraspecten. Zo zijn de Europese richtlijnen opgenomen, zijn de zorgdragende overheden benoemd en is de uitvoering in het Deltaprogramma geconcretiseerd. Wanneer overheden aan water werken, dienen zij conform de Waterwetprocedure te werken. Een Waterwetvergunning is nodig voor: • Werken in, aan en in de nabijheid van oppervlaktewater (bijvoorbeeld leggen van kabels, verlagen maaiveld). • Het onttrekken/(weer) lozen van grondwater tijdens bouwwerkzaamheden. • Het lozen van regenwater van verhard dak- en terreinoppervlak direct of via een retentie/infiltratievoorziening in oppervlaktewater. • Werkzaamheden in of nabij waterkeringen.

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

17 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Beleid

Relevantie voor project Binnen het plangebied worden grote hoeveelheden verhard oppervlak gerealiseerd. Het water van deze oppervlakken mag niet rechtstreeks geloosd worden. Daarom moeten in het gebied voorzieningen aangelegd worden.

Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) (2013)

Het doel van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, kortweg DAW, is een bijdrage te leveren aan de wateropgaven in agrarische gebieden en het realiseren van een economisch sterke en duurzame landbouw. Intensieve samenwerking tussen agrarische bedrijfsleven en waterschappen is nodig om knelpunten op het gebied van water op te lossen: waterkwaliteit, verzilting, te veel en te weinig water. Concrete projecten lopen er momenteel niet in de directe omgeving van het plangebied.

Provinciaal beleid POL 2014

Gedeputeerde staten dragen zorg voor een register van inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water met vermelding van de vergunningen en van de gegevens die op grond van of krachtens artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen of aan de beheerder worden verstrekt. De beheerder regelt in de keur dat het verboden is grondwater te onttrekken of water te infiltreren beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei in het gebied Roerdalslenk en beneden 5 meter +NAP in het gebied Venloschol. Het plangebied ligt in geen van deze gebieden.

Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 (PWP)

De provincie heeft de watergebonden functies vastgelegd in het Provinciaal Waterplan. Algemeen uitgangspunt van de provincie is ‘water als ordenend principe’. Stedelijk water: gemeenten dienen bij nieuwbouw en renovatie 100% van het verharde oppervlak af te koppelen. Daarbij wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: zoveel mogelijk vasthouden / infiltreren, als dat niet kan bergen en pas als laatste optie het afvoeren van het gescheiden regenwater. Gezien de ligging van de primaire watergangen en toename van het verhard oppervlak is het vasthouden, infiltreren en afvoeren van water van belang in het gebied. Grondwater: van een grondwaterbeschermingsgebied of strategische grondwatervoorraad is geen sprake rondom het plangebied. Ambitie: er dient niet méér water onttrokken te worden dan dat er aangevuld wordt en er mogen geen negatieve effecten optreden voor de grondwaterafhankelijke natuur en overige gebruiksfuncties die van het grondwater afhankelijk zijn.

Waterschapsbeleid Waterschap Limburg - Watertoets instrument

De watertoets omvat het geheel van het ruimtelijk planproces waarin waterbelangen meegewogen worden. Het zorgt ervoor dat de waterbelangen al vanaf het begin van het planproces meegenomen worden en het biedt de mogelijkheid om gezamenlijk kansen te benutten om de wateropgaven en doelen op gebied van ruimtelijke ordening optimaal op elkaar af te stemmen. Samen met de provincie en Rijkswaterstaat adviseert het waterschap via het watertoetsloket initiatiefnemers van een ruimtelijk plan over de gevolgen van dat plan voor de waterhuishouding en wordt geadviseerd over alternatieven en oplossingen voor mogelijke knelpunten.

Keur Waterschap

In 2019 is het beleid van Waterschap Limburg opnieuw vastgesteld in de Keur. Deze regels hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit beken en andere wateren. Hierbij wordt ook een toename van verhard oppervlak gezien als toename in de

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

18 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Beleid

Relevantie voor project afvoer/ lozing. Ook kent de Keur gebods- en verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of om watergangen, dijken en lijnvormige elementen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om water of dijken, heeft met de Keur te maken.

Gemeentelijk beleid

Gemeentelijk rioleringsplan (GRP)

3.1.1

De gemeente Venray volgt in haar beleid de bergingsopgave zoals vastgesteld door Waterschap Limburg. Dat betekent dat een initiatiefnemer in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor de verwerking van hemelwater op het eigen perceel. Bij nieuwbouw dient een initiatiefnemer in eerste instantie zelf hemelwater te infiltreren in de bodem en in als tweede optie vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater.

Beoordelingskader

Het beoordelingskader voor het aspect water is weergegeven in Tabel 3-2. Tabel 3-2 Beoordelingskader water

Score

++

Oppervlaktewater

Grondwater

Kwantiteit

Kwaliteit

Kwantiteit

Aanzienlijke afname waterpeil

Forse verbetering kwaliteit

Forse toename Aanzienlijke infiltratie naar het verbetering grondwater kwaliteit

Belasting neemt aanzienlijk af

Afname waterpeil

Verbetering kwaliteit

Toename Verbetering infiltratie naar het kwaliteit grondwater

Belasting neemt af

Geen veranderingen

Geen veranderingen

Geen veranderingen

Geen verandering in kwaliteit

Geen verandering

Toename waterpeil

Achteruitgang kwaliteit

Afname infiltratie naar het grondwater

Achteruitgang kwaliteit

Belasting neemt toe

Aanzienlijke toename waterpeil

Forse Achteruitgang kwaliteit

Forse afname Aanzienlijke infiltratie naar het achteruitgang grondwater kwaliteit

Belasting neemt aanzienlijk toe

+

0

-

--

3.1.2

Riolering Kwaliteit

Watertoets

Voor dit bestemmingsplan is de watertoets van toepassing, een procedure waarbij de initiatiefnemer, in dit geval Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Ten behoeve van het bestemmingsplan is in dat kader onderzoek vereist naar de gevolgen van de beoogde functiewijziging voor het watersysteem. Uitgangspunt is daarbij dat negatieve effecten voor het watersysteem zoveel mogelijk moeten worden vermeden. De resultaten van de watertoets en mitigerende maatregelen zijn beschreven in de watertoets. Deze is separaat in Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd, omdat het hierdoor beter te onderscheiden is als apart toetsingsinstrument. In dit hoofdstuk zijn de belangrijkste gegevens uit de watertoets voor de toelichting bij het bestemmingsplan en het MER opgenomen.

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

19 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

3.2

Methode

3.2.1

Oppervlaktewater

Voor oppervlaktewater is het van belang dat de piekafvoer van hemelwater naar watergangen van het waterschap niet toeneemt. De wijze waarop dit dient te gebeuren is vastgelegd in de Keur van Waterschap Limburg. Hierin staat dat afstromend regenwater zoveel mogelijk binnen het plangebied vastgehouden moet worden in dynamische buffers tot T=100 (100 mm) met 25 cm drooglegging. ‘T=100’ refereert naar een neerslaggebeurtenis die eens per 100 jaar optreedt. Om het water vertraagd af te voeren is de leegloop van de voorzieningen gemaximaliseerd op 2 l/s/ha. Afstromend water van de verharding mag niet direct op het oppervlaktewater geloosd worden in verband met de verontreinigende stoffen die zich op de verharding bevinden. Ten behoeve van de waterkwaliteit zal gestreefd moeten worden naar berging en infiltratie van het afstormende hemelwater bij kleine neerslaghoeveelheden. Bij intensieve neerslag neemt het volume afstromende hemelwater toe en de concentratie vervuiling af, in die situaties mag overgestort worden op het oppervlaktewater van het waterschap.

3.2.2

Grondwater

Ten aanzien van grondwater wordt gekeken naar de mogelijke effecten van de bouwplannen op de grondwaterkwaliteit, grondwaterstroming en grondwaterstanden zoals omschreven in het Provinciaal Waterplan (PWP). Een toename van verhard oppervlak zorgt ervoor dat de infiltratie van hemelwater wordt beperkt. Dit kan ervoor zorgen dat de grondwateraanvulling afneemt ten opzichte van de huidige situatie. De activiteiten op de verharding kunnen tevens vervuilend zijn, waardoor het hemelwater dat via de verharding naar de bodem infiltreert verontreinigd is. Wanneer verontreinigd hemelwater infiltreert, vormt dit een risico voor de grondwaterkwaliteit. Om deze reden wordt gestreefd naar infiltratie in bekkens waar verontreinigende stoffen in de toplaag vastgehouden worden. Tot slot wordt gekeken naar de diepte van de fundering of ondergrondse ruimtes. Wanneer de fundering of kelder een blokkade vormt voor het grondwater, kan dit invloed hebben op de grondwaterstroming.

3.2.3

Riolering

Het is van belang dat de aanwezige riolering alleen met afvalwater wordt belast (Gemeentelijk Rioleringsplan). Dit betekent dat het water gescheiden wordt aangeboden aan de perceelsgrenzen.

3.3

Referentiesituatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied overwegend uit agrarisch gebied en is het plangebied grotendeels onverhard. Infiltratie is gezien de bodemopbouw mogelijk. De grondwaterstanden in het gebied liggen in de huidige situatie dicht aan maaiveld. Met name de gronden richting het beekdal zijn van nature nat. Bij het verder uitwerken van de plannen moet hier rekening mee gehouden worden. Oppervlaktewater Aan de noordzijde van het plangebied komen de Loobeek en het Afleidingskanaal bij elkaar. Verder lopen door het gebied de watergangen Venrayse Spurkt en Smakterveld. Deze laatste watergangen hebben naast de lokale ontwatering ook als functie om het effluent van de zuivering en leegloop bovenstrooms gelegen bergingsvoorzieningen af te voeren. Grondwater en bodem De bovenlaag van de bodem bestaat uit voornamelijk uit gooreerdgronden daarnaast komen ook enkeerdgronden en veldpodzolgronden voor. Deze bodemtypen zijn voornamelijk gebaseerd op zand. De gemiddelde grondwaterstand varieert van NAP + 25,3 m tot NAP 25,1 m. Het freatisch grondwater stroomt richting het oosten, noordoosten. Riolering Op het moment is er in het gebied uitsluitend drukriolering aanwezig. Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

20 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

3.4

Effectbeschrijving en -beoordeling

3.4.1

Oppervlaktewater

Kwantiteit In de plansituatie neemt de verharding substantieel toe. Hierdoor stroomt het water versneld af. Dit leidt tot piekafvoeren en daarmee mogelijk extra opstuwing in het benedenstrooms gelegen oppervlaktewater. Dit geeft een zeer negatieve score (- -). Kwaliteit Door de geplande bedrijfsactiviteiten vindt er op de verharding een accumulatie van vervuilende stoffen (olie, rubber, etc.) op het verhard oppervlak plaats. Deze vervuiling komt bij neerslag tot afstroming naar het oppervlaktewater waardoor de waterkwaliteit afneemt. Dit geeft een negatieve score (-).

3.4.2

Grondwater

Kwantiteit Door de toename van het verhard oppervlak wordt de infiltratie van hemelwater naar het grondwater verstoord. Het gevolg is dat de aanvulling van de grondwatervoorraad afneemt ten opzichte van de huidige situatie. De afname van infiltratie geeft een zeer negatieve score (- -). Kwaliteit Door de afstroming van verhard oppervlak waar een aanzienlijke hoeveelheid verkeersbewegingen worden verwacht, bestaat het risico dat het grondwater (bij een calamiteit) wordt vervuild. De activiteiten hebben een licht negatieve invloed op de kwaliteit. Dit resulteert in een negatieve score (-).

3.4.3

Riolering

Conform het bouwbesluit wordt het water binnen het plangebied gescheiden aangeboden en afgevoerd naar het bestaande vrij verval systeem van de gemeente. Dit geeft een neutrale score (0).

3.4.4

Conclusie

Zonder aanvullende maatregelen hebben de ontwikkelingen een negatieve invloed op het oppervlaktewater en grondwater. De invloed op riolering is minimaal. De conclusie voor het aspect water is samengevat in Tabel 3-3. Tabel 3-3 Conclusie water

Criterium

Score

Oppervlaktewaterkwantiteit

--

Oppervlaktewaterkwaliteit

-

Grondwaterkwantiteit

--

Grondwaterkwaliteit

-

Riolering

0

3.5

Leemte in kennis

Voor het beoordelen van de effecten is op dit moment enig inzicht in het functioneren van het regionaal watersysteem en de gemiddeld hoogste grondwaterstanden in het gebied. Waterschap Limburg werkt aan de herinrichting van de Loobeek. In het kader van dat project vinden onderzoeken plaats en worden metingen verricht. Hierdoor is enige informatie over het functioneren van de beek beschikbaar. Door de afwezigheid van meetpunten aan de zuidzijde is het onderzoek deels gebaseerd op aannames. De conclusies geven echter een goede indicatie van de te verwachten gevolgen. Daarom zijn de resultaten van Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

21 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

de onderzoeken in het kader van de herinrichting van de Loobeekdal meegenomen bij de inrichting van De Spurkt. Het is belangrijk om het grond- en oppervlaktewater te blijven monitoren. Jaarlijks kan worden geëvalueerd of en hoe nieuwe informatie invloed heeft op de ontwikkeling.

3.6

Mitigerende maatregelen

Uit Tabel 3-3 blijkt dat de ontwikkelingen een negatieve impact hebben op het oppervlaktewater en grondwater. Om deze effecten tegen te gaan zijn een aantal mitigerende maatregelen in de plannen opgenomen. Om piekafvoeren in het regionale watersysteem te voorkomen wordt dit water ingezameld en geloosd op infiltratie/ bergingsvoorzieningen ten noorden van het plangebied. In deze voorzieningen wordt het afstromende hemelwater vastgehouden, geïnfiltreerd en mits nodig vertraagd afgevoerd. Deze voorzieningen lopen geleidelijk leeg waarmee de natuurlijke situatie wordt gesimuleerd en piekafvoeren worden voorkomen. De bergings- en infiltratie voorzieningen op openbaar en privaat terrein zorgen ervoor dat kleine hoeveelheden neerslag in een aantal stappen (eerst op privaat en daarna nogmaals op openbaar terrein) in vijvers worden vastgehouden en geïnfiltreerd. Een groot deel van de vervuiling kan in de bergingsvoorzieningen bezinken of in de bodem worden vastgelegd, waardoor de vervuiling zich één locatie verzamelt en mits nodig wordt dit opgeruimd. Dit borgt de waterkwaliteit van het oppervlaktewater. Ook zorgt de infiltratie voor het aanvullen van het grondwater op een natuurlijke manier. Door het nemen van deze maatregelen worden geen directe negatieve effecten meer verwacht.

3.7

Conclusies fysieke leefomgeving

In het kader van een goede fysieke leefomgeving behoeven – gelet op de effectbeoordeling - geen problemen te worden verwacht voor de waterhuishouding als gevolg van voorliggende planontwikkeling. Waterschap Limburg is betrokken bij de inrichting van de waterstructuur en wordt om advies gevraagd.

3.8

Doorvertaling in bestemmingsplan

In het kader van een goede fysieke leefomgeving behoeven – gelet op de effectbeoordeling – geen problemen te worden verwacht voor de waterhuishouding als gevolg van voorliggende planontwikkeling. Aan het Waterschap Limburg is om advies gevraagd. Waterschap Limburg heeft op 20 januari 2020 een besluit genomen omtrent een leggerwijziging. Het betreft geen fysieke aanpassingen, maar een administratieve vastlegging van de Burggraaf als oppervlaktewater in de legger. De in het besluit [zaaknummer 2019-Z6668] vastgestelde secundaire waterwegen is niet opgenomen in de verbeelding. Het betreffende gedeelte van de Burggraaf ligt niet binnen het plangebied maar is aangrenzend.

3.8.1

Regeling

In de regeling is waterberging mogelijk gemaakt en is een verplichting voor bedrijven opgenomen om een waterbuffering van 100 mm, oftewel 1000 m³ per hectare, op het eigen terrein te realiseren. In alle bestemmingen is het mogelijk om waterberingsvoorzieningen te realiseren. In de watertoets is dit nader onderbouwd. Deze is bijgevoegd in Bijlage 3 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan.

3.8.2

Monitoring

In het bestemmingsplan is opgenomen dat voldaan moet worden aan de volgende waterbergingseis: ten minste 1000 m3 waterberging per ha verhard oppervlak.

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

22 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

4

ECOLOGIE

4.1.1

Beleidskader

In Tabel 4-1 is het beleidskader voor het aspect natuur weergegeven. De concrete beoordelingscriteria zijn weergegeven in paragraaf 4.1.2. Tabel 4-1 Beleidskader natuur

Beleid

Relevantie voor project

Europees beleid Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn: hier is invulling aan gegeven in de nationale Wet natuurbescherming2.

Relevant, maar niet separaat uitgewerkt. Zie Wet natuurbescherming, de aspecten gebiedsbescherming en soortbescherming.

Nederlands beleid Wet natuurbescherming, aspect gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming omvatten de artikelen 2.1 tot en met 2.11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt voor een deel binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied, welke bescherming geniet onder deze wet.

Wet natuurbescherming, aspect soortbescherming

In de Wet natuurbescherming omvatten de artikelen 3.1 tot en met 3.41 de bescherming van soorten. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet (opzettelijk) gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Soorten zijn ingedeeld in verschillende categorieën: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten. Voor Andere soorten is de provincie bevoegd om vrijstelling te verlenen voor bepaalde activiteiten3. Niet alleen de individuen zelf zijn beschermd, maar bij sommige soorten ook het functionele leefgebied en verblijfplaatsen, zoals bij vleermuizen. Beoordeeld wordt of er sprake is van een permanent effect op leefgebieden van beschermde soorten. Hierbij wordt rekening gehouden met de categorie van de aanwezige beschermde soorten. Per categorie verschillen ook de verbodsbepalingen. Effecten op streng beschermde soorten (Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten) worden zwaarder beoordeeld dan effecten op licht beschermde soorten (Andere soorten). Verder is het belangrijk dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). Relevant, in en om het plangebied komen verschillende beschermde soorten voor.

Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) (2006)

Relevant, maar niet separaat beoordeeld. Zie Natuurbeheerplan.

Provinciaal beleid Natuurbeheerplan/POL2014

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen

2

Deze wet vervangt sinds 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Provincie Limburg heeft dit gedaan in “Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014” 3

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

23 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Beleid

Relevantie voor project natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn vanaf 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het NNN is beschermd via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het beschermingsregime vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De beleidsmatige verankering wordt gevormd door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Op provinciaal niveau is de planologische bescherming van het NNN geregeld via de provinciale ruimtelijke verordening. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) in Limburg is uitgewerkt in de Goudgroene zone natuur (POL2014). In de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur centraal. Dit wordt enerzijds bevorderd via subsidies voor agrarisch natuurbeheer en anderzijds via het co-financieren van natuurprojecten, die een bijdrage leveren aan een robuust natuurnetwerk en aan instandhouding van prioritaire bedreigde soorten. De POG is deels vervangen door de Bronsgroene landschapszone. De Bronsgroene landschapszone dient als een buffer voor de huidige Goudgroene zone waarin de nadruk ligt op natuurbehoud en -ontwikkeling.

Verder omvat de bronsgroene landschapszone de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen en dergelijke. Niet relevant voor het aspect ecologie. De onderzoekslocatie valt deels binnen de Bronsgroene landschapszone, maar dit aspect wordt behandeld in hoofdstuk 6 (Landschap en cultuurhistorie).

Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014

4.1.2

In deze provinciale verordening is beschreven voor welke soorten van de categorie Andere soorten een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling. Dit aspect is relevant voor de soortbescherming van de Wet natuurbescherming.

Beoordelingskader

Het beoordelingskader voor het aspect natuur is weergegeven in Tabel 4-2 Tabel 4-2 Beoordelingskader natuur

Wet natuurbescherming, Score aspect gebiedsbescherming / Natura 2000-gebieden

++

+

Een sterke verbetering van Natura 2000-gebieden. Levert een grote bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen.

Natuurbeheerplan / POL2014

Wet natuurbescherming, aspect soortbescherming / Beschermde soorten

Een sterke verbetering van de wezenlijke kenmerken of waarden en/of aanzienlijke uitbreiding van provinciaal beschermde gebieden.

Een aanzienlijke verbetering of uitbreiding van leefgebieden van streng beschermde (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) soorten.

Een beperkte verbetering van Natura Een verbetering van de 2000-gebieden. Levert een beperkte wezenlijke kenmerken of waarden en/of geringe

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

- Een aanzienlijke verbetering of uitbreiding van leefgebieden van matig

24 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Wet natuurbescherming, Score aspect gebiedsbescherming / Natura 2000-gebieden

Natuurbeheerplan / POL2014

Wet natuurbescherming, aspect soortbescherming / Beschermde soorten

bijdrage aan de instandhoudingsdoelstellingen.

uitbreiding van provinciaal beschermde gebieden.

beschermde (Andere soorten, niet vrijgesteld) soorten. - Een geringe verbetering of uitbreiding van leefgebieden van streng beschermde (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) soorten.

Geen effecten op de kwalificerende natuurwaarden van Natura 2000gebieden.

Wezenlijke kenmerken of waarden van provinciaal beschermde gebieden worden (nagenoeg) niet aangetast.

(Nagenoeg) geen aantasting of verbetering van leefgebieden van beschermde soorten of alleen overtreding van verbodsbepalingen voor soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt (Andere soorten, vrijgesteld).

Significant negatieve effecten op instandhoudings-doelstellingen in Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten.

Wezenlijke kenmerken of waarden van provinciaal beschermde gebieden worden aangetast en/of een gering deel gaat verloren

- Een ernstige aantasting of verlies van leefgebieden van matig beschermde (Andere soorten, niet vrijgesteld). Verbodsbepalingen voor voorgenoemde soorten worden overtreden en de staat van instandhouding komt mogelijk in gevaar. - Een geringe aantasting of verlies van leefgebied van zwaar beschermde (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) soorten.

Significant negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen in Natura 2000-gebieden zijn niet uit te sluiten.

Wezenlijke kenmerken of waarden van provinciaal beschermde gebieden worden ernstig aangetast en/of een aanzienlijk deel gaat verloren.

Een (zeer) ernstige aantasting of verlies van leefgebieden van zwaar beschermde (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) soorten.

0

-

--

Voor de verschillende aspecten wordt gekeken naar de criteria in Tabel 4-3. Tabel 4-3 Relevante effecten per onderdeel uit het beoordelingskader

Toetsingskader

Relevante effecten

Wet natuurbescherming aspect gebiedsbescherming / Natura 2000-gebieden

Stikstofdepositie (kwantitatief)

Natuurbeheerplan / POL2014/ NNN

Ruimtebeslag (kwantitatief/kwalitatief) Verstoring (kwalitatief en deels kwantitatief) Geluid Licht Visuele verstoring Verdroging (kwalitatief) Versnippering (kwalitatief)

Wet natuurbescherming, aspect soortbescherming / Beschermde soorten

Ruimtebeslag op leefgebieden (kwantitatief/kwalitatief) Verstoring (kwalitatief en deels kwantitatief) Geluid Licht Visuele verstoring Verdroging (kwalitatief) Versnippering van leefgebieden (kwalitatief)

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

25 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

4.2

Methode

Voor deze beoordeling is gebruik gemaakt van verschillende bronnen, waaronder verspreidingsbronnen van soorten in en om het gebied. De volgende bronnen zijn voor deze beoordeling geraadpleegd; • • • • •

Quickscan Flora en Fauna De Spurkt te Venray (Smakterheide e.o.), Econsultancy, 23 januari 2018 (bijlage 4 bij toelichting van het bestemmingsplan); Aanvullend ecologisch onderzoek Flora en Fauna De Spurkt Smakterheide 3 e.o. te Venray, Econsultancy, 6 februari 2019 (bijlage 5 bij toelichting van het bestemmingsplan); Passende Beoordeling De Spurkt te, Ecosultancy, 28 oktober 2020 (bijlage 6 bij de toelichting van het bestemmingsplan); Provinciaal Natuurbeheerplan Limburg 2016 (Provincie Limburg, 2015); Provincie Limburg. Natuurbeheerplan Viewer (Provincie Limburg, 2016).

Vervolgens is op basis van de beschikbare gegevens en expert judgement een inschatting gemaakt van de effecten. Waar mogelijk is de kwantitatief gedaan, maar de beoordeling is grotendeels kwalitatief. Stikstofdepositie Bij de besluitvorming rond plannen die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden is het beschermingskader van toepassing dat de Wnb geeft aan deze gebieden. Artikelen 2.7 en 2.8 bevatten de procedures die moeten worden gevoerd bij besluitvorming over deze plannen. Volgens deze artikelen stelt een bestuursorgaan (in dit geval de raad van de gemeente Venray) een plan, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Omdat de ontwikkeling van De Spurkt leidt tot uitstoot van stikstof, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat het bestemmingsplan voor De Spurkt, afzonderlijk of in cumulatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Voor de vaststelling van het bestemmingsplan voor De Spurkt moet daarom een passende beoordeling worden uitgevoerd.

De passende beoordeling is bijgevoegd in het bestemmingsplan in Bijlage 6. De stikstofdepositie als gevolg van het gebruik van De Spurkt in Natura 2000-gebieden is berekend met het wettelijk voorgeschreven programma AERIUS Calculator (AERIUS Calculator 2020, die in januari 2020 is uitgegeven door het RIVM). In de berekening met AERIUS is onderzocht wat de verandering in stikstofdepositie is in Natura 2000gebieden, als gevolg van de aanleg en het gebruik van De Spurkt, als gevolg van de verkeer genererende werking van het bestemmingsplan4. De uitgangspunten en methode staan hieronder kort samengevat. Zie voor een volledig overzicht van de uitgangspunten en methode de passende beoordeling Bijlage 6 van het bestemmingsplan. •

•

Aanlegfase: Gedurende de realisatiefase worden werktuigen ingezet ten behoeve van de bouw. De geschatte inzet van deze werktuigen is aangeleverd door Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo. De emissie van de werktuigen die worden ingezet tijdens de bouw van De Spurkt. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwikkeling. De werkzaamheden zullen in totaal circa 2 jaar en 9 maanden duren. Gebruiksfase: De Spurkt wordt gerealiseerd zonder aansluiting op het aardgasnetwerk. Hiermee wordt verwarming door middel van verbranding uitgesloten en is er geen sprake van emissie door stookketels. In de gebruiksfase is daarom alleen sprake van NOx-emissie vanwege verkeer. Voor een gemengd bedrijventerrein wordt er uitgegaan van een verkeersgeneratie van 135 lichte verkeersbewegingen, 9,1 middelzware en 25,9 zware vrachtbewegingen per weekdag per hectare. De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van het netto oppervlak van het bedrijventerrein. Vanwege de ontwikkeling van De Spurkt zal de paardenhouderij aan de Spurkt 5C uit bedrijf worden genomen. Door het uit bedrijf nemen

4 De verkeersbewegingen van (externe) voertuigen op het bedrijventerrein, zoals het manoeuvreren van vrachtwagens

en personenwagens, is meegenomen in de stikstofberekeningen. Voor interne vervoersbewegingen is stikstofuitstoot uitgesloten. Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

26 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

van de paardenweides en de paardenstal, zal de emissie van NH3 uit meststoffen afnemen. Daarnaast vallen er ook NOx emissies weg door het uit bedrijf nemen van de paardenhouderij. Hierbij valt te denken aan de inzet van mobiele werktuigen t.b.v. de bedrijfsvoering en de emissies als gevolg van het verwarmen van de paardenhouderij. De gehanteerde aantallen zijn te vinden in Bijlage 6 van de toelichting. Door de paardenhouderij buiten gebruik te nemen, neemt de NH3 emissie met af 565,40 kg/jaar. Voor de NOx emissie bedraagt de afname 175,25 kg//jaar. Voor de aanlegfase zijn in AERIUS Calculator, die in januari 2020 is uitgegeven door het RIVM, twee situaties doorgerekend en vergeleken: • De huidige situatie met emissies vanuit agrarisch gebruik (zie hierboven) en 30% afroming. De toekomstige situatie, waarbij de emissies als gevolg van in te zetten werktuigen zijn ingevoerd, evenals de aantallen motorvoertuigen die ingezet worden bij de aanleg van het plan. Voor de gebruiksfase zijn in AERIUS Calculator, die in januari 2020 is uitgegeven door het RIVM, twee situaties doorgerekend en vergeleken: • De huidige situatie met emissies vanuit het gebruik van de paardenhouderij (zie hierboven); • De toekomstige situatie waarbij emissies als gevolg van toenemende aantallen voertuigen in het plangebied en de toegangswegen.

• Hierbij is aangesloten bij de recente beleidsregels intern en extern salderen in Limburg december 2019, van de provincie. De resultaten van de AERIUS Calculator staan opgenomen in Tabel 4-4. Tabel 4-4 Overzicht afnames stikstofdepositie in aanleg- en gebruiksfase voor De Spurkt (in mol/ha/jaar)

Gebied

Aanlegfase

Gebruiksfase

Strabrechtse Heide & Beuven

0.00

-0.01

Rijntakken

0.00

-0.01

Weerter- en Budelerbergen & Ringselven

0.00

-0.01

Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux

0.00

-0.01

Grote Peel

0.00

-0.01

Deurnsche Peel & Mariapeel

0.00

-0.01

De Bruuk

-0.01

-0.01

Maasduinen

-0.01

-0.01

Sint Jansberg

-0.01

-0.01

Oeffelter Meent

-0.01

-0.01

Zeldersche Driessen

-0.02

-0.02

Boschhuizerbergen

-0.28

-0.03

4.3

Referentiesituatie

Wet natuurbescherming, aspect gebiedsbescherming In Nederland hebben veel natuurgebieden een beschermde status onder de Wet Natuurbescherming gekregen. De meeste van deze gebieden zijn als speciale beschermingszone aangewezen onder de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn, en worden Natura 2000-gebieden genoemd. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen, die zijn vastgelegd in een aanwijzingsbesluit. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden

Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

27 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

gebracht. De instandhoudingsdoelen voor alle Nederlandse natuurgebieden kunnen geraadpleegd worden op de website www.synbiosis.alterra.nl5. Ook in België en Duitsland liggen natuurgebieden die beschermd worden in het verlengde van de Vogel- en Habitatrichtlijn (in Duitsland worden deze FFH-Gebiete genoemd). De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Boschhuizerbergen”, bevindt zich op circa 1 kilometer afstand ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Daarnaast ligt op circa 6,5 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie het Natura 2000-gebied “De Maasduinen”. In Figuur 4-1 zijn beide gebieden weergegeven.

Figuur 4-1 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie ligt mogelijk binnen de invloedsfeer van een of beide Natura-2000 gebieden. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. POL2014 In Figuur 4-2 is de ligging van de provinciaal beschermde gebieden weergegeven. In het natuurbeheerplan zijn beheertypekaarten en ambitiekaarten opgenomen. Het plangebied is in het POL2014 deels aangewezen als beschermd gebied in het kader van de NNN, namelijk de Bronsgroene landschapszone. Deze bescherming is niet relevant voor het aspect ecologie, en wordt in hoofdstuk 6 Landschap en cultuurhistorie verder uitgewerkt. In het plangebied ligt geen Goudgroene natuurzone of Zilvergroene natuurzone.

5

Uit de berekeningen van de stikstofdepositie als gevolg van De Spurkt blijkt dat het aantal Natura 2000-gebieden dat beïnvloed wordt erg groot is (Bijlage 1). Daarom is afgezien van het overnemen van de instandhoudingsdoelen van al deze gebieden in dit rapport. Onze referentie: 083911125 1.1 - Datum: 28 oktober 2020

28 van 104

HOOFDSTUK 8 ONDERZOEK MILIEUASPECTEN

Figuur 4-2 NatuurNetwerk Nederland in en rond het plangebied (uitsnede POL2014)

Wet natuurbescherming, aspect soortbescherming Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen het plangebied kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Indien van toepassing wordt in dit hoofdstuk tevens beoordeeld of de voorgenomen plannen een verstorend effect kunnen hebben op de betreffende (mogelijk) aanwezige beschermde soort. Er is in twee fases onderzoek gedaan. Eerst is er een quickscan Flora en Fauna opgesteld (Econsultancy, 23 januari 2018, zie bijlage 4 bij de toelichting van het bestemmingsplan). Het veldbezoek voor de quickscan Flora- en fauna is afgelegd op 2 januari 2018. Tijdens dit veldbezoek is het gehele plangebied, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.

Aanvullend op deze quickscan is aanvullend onderzoek gestart (Econsultancy, 6 februari 2018, zie bijlage 5 bij de toelichting van het bestemmingsplan). Hierbij zijn verschillende veldonderzoeken uitgevoerd. De relevante soorten die zijn aangetroffen in de quickscan én in het vervolgonderzoek zijn hieronder beschreven. Vogels Broedvogels De huismus is in het plangebied aangetroffen op de daken van bestaande bebouwing aan de Spurkt. Ook net buiten het plangebied aan de Overloonseweg staan diverse gebouwen die geschikt zijn voor huismussen. In een nestkast in het bos achter Spurkt 8 is de territoriumroep van de steenuil waargenomen. De steenuil is tevens meerdere malen gezien en gehoord tijdens diverse veldbezoeken in het plangebied, onder andere bij de open kapschuur op Spurkt 5c. Ook het functionele leefgebied van de steenuil ligt binnen de onderzoekslocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370741/1