TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Bedrijventerrein Smakterheide Noord vastgesteld 1 Bijlagen bij de Motivering Bijlage 17 Aanmeldingsnotitie
Tekst van het document
27
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
te behouden, kan de structuur door middel van laanbeplanting (of erfbeplanting indien de loop van een oude weg een perceelsgrens betreft) zichtbaar gehouden worden in het landschap.
Conclusie In het plangebied komen geen beschermde monumenten of ensembles voor. Wel zijn er historische wegen aanwezig. Een deel van deze structuren wordt in het ontwerp behouden. Een deel van deze structuren niet, daarvoor worden aanbevelingen gedaan. Er zijn daarmee geen negatieve effecten op cultuurhistorie te verwachten. In aanvulling op de algemene adviezen wordt aanbevolen om een verdiepende studie voor cultuurhistorie uit te voeren wanneer het ontwerp en de inrichting van de bedrijfskavels vast staan. Onderdeel van deze verdieping is het waarderen van de geïnventariseerde elementen, onder andere aan de hand van een veldbezoek, en het opstellen van een specifiek advies per element, op basis van de beoogde ingrepen en de verwachte mate van aantasting. Eventuele compenserende maatregelen worden ook in deze verdieping uitgewerkt
3.2.3
Archeologie
Geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw Het plangebied ligt grotendeels in de geologische zone Bx5: Laagpakket van Wierden; dekzand, met in het noordwesten de zone Bx3: Laagpakket van Singraven; veen. In het zuidoosten komt stuifzand voor en richting de Maas is sprake van rivierafzettingen bedekt door dekzand. Volgens de boringen uit Dinoloket en de boringen gezet tijdens voorgaand archeologisch onderzoek komt het Laagpakket van Singraven inderdaad in de noordelijke helft van het plangebied voor. In het zuiden is dekzand al vanaf maaiveld aangetroffen. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in het noordwesten in een beekdalbodem, met hieronder een glooiing van de beekdalzijde. In het zuiden liggen dekzandwelvingen. Dit wordt min of meer bevestigd door de bodemkaart, terwijl de geologische kaart een minder nauwkeuring beeld geeft. De dekzandwelvingen alsmede de overgang van het dekzand naar het beekdal kunnen in het verleden aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning, akkerbouw en andere activiteiten. De beekdalbodems waren waarschijnlijk te nat voor bewoning, maar hier kunnen beek-gerelateerde resten zoals rituele deposities voorkomen. Op de bodemkaart komen voor het grootste deel van het plangebied gooreerdgronden voor. Deze gronden zijn ook (intact) aangetroffen tijdens booronderzoek grenzend aan het zuiden van het plangebied.
In het noorden liggen lage enkeerdgronden, wat overeenkomt met de verwachting op een akkercomplex volgens de essenkaart, echter is het onwaarschijnlijk dat hier een akkercomplex ligt. Deze gronden zijn omringd door meerveengronden. In het zuiden komen veldpodzolgronden voor, ook aangetroffen tijdens booronderzoek in 1998 ten zuiden van het plangebied. Vooral de eerdgronden en veldpodzolgronden kunnen archeologisch gezien interessant zijn. De veengronden duiden op natte omstandigheden die minder aantrekkelijk waren voor bewoning of andere activiteiten, maar hier kunnen wel (goed geconserveerde) beek-gerelateerde resten voorkomen.
Archeologische vindplaatsen In het plangebied liggen geen vindplaatsen, in het noordoosten van het onderzoeksgebied is één vondstlocatie bekend. Het gaat om een lanspunt van brons uit de Bronstijd en betreft waarschijnlijk een rituele depositie. De vondst toont aan dat dit soort beek-gerelateerde resten inderdaad in het plangebied verwacht kunnen worden. In de bredere omgeving van het onderzoeksgebied zijn meerdere vondsten bekend uit de Bronstijd, evenals een schuttersnest uit de Tweede Wereldoorlog ten noorden van het onderzoeksgebied. De vondsten uit de Bronstijd worden veelal geïnterpreteerd als rituele deposities. Het schuttersnest was onderdeel van een verdedigingslinie rondom de Loobeek. Aangezien hier ook is gevochten, kunnen vergelijkbare vondsten in het plangebied verwacht worden.
Historische gegevens (complexen en landgebruik) Het plangebied is op basis van de historische kaarten in de Nieuwe Tijd ontgonnen en voornamelijk in gebruik genomen als grasland. Hiervoor betrof het een heidegebied. Het land direct langs de Loobeek was al eerder in gebruik, zichtbaar op de historische kaarten als smalle percelen. Ook liep er een watergang aan de rand van het plangebied en komen er enkele 19de-eeuwse wegen voor. Tijdens de 20ste eeuw is de verkaveling, het landgebruik en het wegenpatroon enigszins aangepast, deels als gevolg van de ruilverkavelingen. De Loobeek ten noorden van 28
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
het gebied is ook rechtgetrokken. Recent is Venray uitgebreid met het industrieterrein direct ten zuiden van het plangebied, maar het plangebied zelf is nog in agrarisch gebruik. Op basis van het geraadpleegde kaartmateriaal worden geen gebouwresten of woonerven uit de Nieuwe Tijd in het plangebied verwacht. Er wordt ook geen oudere bewoningskern uit de Middeleeuwen verwacht.
Gespecificeerd verwachtingsmodel De gespecificeerde archeologische verwachting is in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4 Gespecificeerde archeologische verwachting Periode
Verwachtin g
Complextype
Kenmerken
Diepteligging
Gaafheid en conserverin g Goed, indien afgedekt en in het geval van intact bodemprofiel . Wel wordt verwacht dat de ontginning van het heidegebied tot enige verstoring heeft geleid. Idem
Omvan g
PaleolithicumMesolithicum
Middelhoog
Beekdalgerelateerde resten
Vuursteenspreidingen;los se objecten, (rituele) deposities
Top van het dekzand of beekdalafzettinge n
NeolithicumRomeinse Tijd
Middelhoog
Vondst- en/of sporenniveau, structuren, losse objecten
Top van het dekzand of beekdalafzettinge n
Middeleeuwe n-Nieuwe Tijd
Middelhoog
Vondst- en/of sporenniveau, structuren, losse objecten
Tweede Wereldoorlog
Hoog
Rituele deposities, beekdalgerelateerde resten; eventueel resten gerelateerd aan bewoning of akkerbouw op de zandgronden Infrastructuur, beekdalgerelateerde resten (evt. waterhuishouding), agrarische sporen Stellingen, (resten van) explosieven/inslage n, loopgraven enz.
Top van het dekzand of beekdalafzettinge n
Idem
Variabel
Losse objecten, structuren
Vanaf maaiveld
Onbekend
n.v.t.
<50 m2>1000 m2
Variabel
Conclusie en advies Er worden geen bekende archeologische vindplaatsen bedreigd door de geplande ontwikkeling. Wel heeft het plangebied meerdere verwachtingen op archeologische resten. Gezien de ligging op de overgang van de hogere dekzanden naar het beekdal zal de locatie aantrekkelijk zijn geweest voor tijdelijke kampementen en krijgt het Paleolithicum-Mesolithicum een middelhoge verwachting. Ook kunnen onder het veen in het beekdal dekzandopduikingen voorkomen. Er wordt echter verwacht dat de ontginning van het heidegebied tot enige verstoring van de top van het dekzand heeft geleid. Gedurende het Neolithicum breidde het veen zich uit en door de natheid zal 29
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
het gebied minder aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning. Wel worden vanaf deze periode tot de Romeinse Tijd rituele deposities en water-gerelateerde resten verwacht, zoals voorden of objecten gerelateerd aan visvangst. In het onderzoeksgebied is ook eerder een rituele depositie uit de Bronstijd aangetroffen. Tijdens de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd zal het gebied voornamelijk in gebruik zijn geweest als grasland voor o.a. het weiden van vee, aangezien het gebied te nat was om aantrekkelijk te zijn voor bewoning. Er kunnen o.a. ontginningssporen, greppels/sloten, resten van infrastructuur zoals oude wegen en watergerelateerde resten, zoals bruggen, voorkomen in het gebied. Tot slot geldt er voor het plangebied een hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. De slag om OverloonVenray vond in de omgeving plaats en langs de Loobeek is intensief gevochten. Ook is er tijdens een begeleiding nabij het plangebied een schuttersnest uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen, terwijl het vooronderzoek (OO) een kans op loopgraven, stellingen en munitie aangeeft.
Aangezien het plangebied voor alle perioden een middelhoge of hoge verwachting heeft, bestaat er een grote kans op het verstoren van eventuele aanwezige archeologische resten uit verschillende perioden en van verschillende complextypen (bijvoorbeeld bewoning en rituele deposities), die in algemene zin samenhangen met het dekzandlandschap en (de overgang naar) het beekdal. Voor het plangebied wordt vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek geadviseerd, om de intactheid van de bodem vast te stellen en na te gaan of er sprake is van een archeologisch niveau. Ook kan door middel van landschappelijk booronderzoek de exacte begrenzing van het beekdal worden vastgesteld. Daar waar nu bebouwing staat is de bodem al tot bepaalde diepte verstoord. Er wordt geadviseerd deze locaties vrij te geven, aangezien archeologische resten in het algemeen al binnen de verstoringsdieptes verwacht zouden worden. Omdat de exacte ingrepen die bij de herinrichting van het gebied komen kijken nog niet bekend zijn, geldt het advies voor verkennend booronderzoek verder voor het hele plangebied. Indien er in sommige delen geen bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden, is hier geen vervolgonderzoek nodig. Vondsten gerelateerd aan het beekdal kunnen zeer klein van omvang zijn en daardoor moeilijk op te sporen door middel van een booronderzoek.
Indien er bodemingrepen plaatsvinden in het beekdal, wordt geadviseerd de civieltechnische werkzaamheden archeologisch te begeleiden. De begrenzing van het beekdal, en daarmee de noodzaak voor een eventuele begeleiding, kan nader worden bijgesteld op basis van de resultaten van het booronderzoek. Uit de geadviseerde vervolgonderzoeken dient te blijken of er sprake is van mogelijke negatieve effecten en of er mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden.
30
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Figuur 14 Advieskaart archeologie
3.3
Natuur
In juli 2024 is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd voor de beoogde uitbreiding, welke is geactualiseerd in december 20248. De quickscan heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.
3.3.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boschhuizerbergen, bevindt zich op circa 900 meter afstand ten oosten van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht 'Natura 2000-activiteit' ten aanzien van stikstof wordt
8
Econsultancy (december 2024). Rapport quickscan natuurwaarden (actualisatie), Spurkt e.o. (Smakterheide), Venray
31
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening met de AERIUScalculator (zie paragraaf 3.3.2).
Figuur 15 Ligging van de onderzoekslocatie (wit omlijnd) ten opzichte van Natura 2000 (geel gemarkeerd)
Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie ligt circa 50 meter ten zuiden van een gebied dat deel uitmaakt van Natuurnetwerk Limburg. Het betreft een elzenbroekbos. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg niet worden aangetast.
Houtopstanden In art. 11.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. De te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder Artikel 11.111 (Bal), waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap Artikel 11.126 (Bal). Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Afgaande op het inrichtingsvoorstel lijkt er voldoende ruimte om bomen te herplanten binnen de groenzone aan de noordzijde van het bedrijventerrein. Of en waar de bomen worden herplant dient nader te worden uitgewerkt in het stedenbouwkundig-landschappelijk inrichtingsplan.
Conclusie De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Mogelijk is er wel sprake van externe effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Daarom is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie paragraaf 3.3.2). Verder is het beoogde bedrijventerrein niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg, waarmee effecten op het Natuurnetwerk Limburg zijn uitgesloten. Wel is er sprake van houtkap als gevolg van het voornemen. Voor de te kappen bodem geldt een meldings- en herplantingsplicht. Zolang er aan deze plichten worden voldaan, zijn er geen negatieve effecten op houtopstanden te verwachten. 32
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
3.3.2
Stikstofdepositie
Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Smakterheide zijn stikstofdepositieberekeningen voor de realisatiefase9 en de gebruiksfase10 uitgevoerd.
Methode De belasting van de Natura 2000-gebieden rondom de emissiebronnen is berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De verspreidingsberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de online-applicatie AeriusCalculator (versie 2025.0.1). In de gebruiksfase van dit project wordt mogelijk NOx en NH3 uitgestoten vanwege het verkeer dat over de omliggende wegen rijdt. Een verschilberekening is gemaakt tussen de beoogde plansituatie en de autonome situatie. De intensiteit neemt in de beoogde situatie toe door het extra verkeer van de nieuwe bedrijven op de ontwikkellocatie. Ook in de gebruiksfase dient rekening te worden gehouden met de koude start van motorvoertuigen. De werkzaamheden starten in 2026. In de realisatiefase wordt stikstofdepositie veroorzaakt vanwege het gebruik van dieselmaterieel tijdens de werkzaamheden en de uitstoot van het bouwverkeer. Bij het gebruik van dieselmaterieel komt NOx en NH3 vrij. De uitstoot is afhankelijk van het brandstofverbruik, het aantal draaiuren, het motorische vermogen en de stageklasse van het materieel. Hierin zijn het aantal draaiuren en het motorische vermogen van het materieel projectafhankelijk. Daarnaast worden gedurende de realisatie voertuigen ingezet voor het transport van materieel van en naar de bouwlocatie. Met ingang van Aerius 2024 moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen.
Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stilgestaan heeft en kan gelden voor: • •
Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn; Middelzware en zware vrachtwagens die bij laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laad- en lostijd meer dan 2 uur bedraagt. In de huidige situatie is het beoogde gebied in gebruik als landbouwgrond die voor de realisatie en ingebruikname van Smakterheide-Noord opgeheven wordt. Voor het TAM omgevingsplan wordt dit agrarisch gebruik in beeld gebracht als interne saldering. In de berekeningen is voor deze landbouwgronden uitgegaan van maximaal bemesten.
Resultaten Realisatiefase Voor de realisatiefase van bedrijventerrein Smakterheide inclusief interne saldering wordt een afname van 0,79 mol/ha/jaar in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen berekend. Daarnaast worden afnemende deposities berekend in de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Zeldersche Driessen, Deurnsche Peel & Mariapeel, Sint Jansberg, Oeffelter Meent en De Bruuk. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase van bedrijventerrein Smakterheide inclusief interne saldering wordt een afname van 1,05 mol/ha/jaar in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen berekend. Daarnaast worden afnemende deposities berekend in de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Zeldersche Driessen, Deurnsche Peel & Mariapeel, Sint Jansberg, Groote Peel, Oeffelter Meent en De Bruuk.
Conclusie In zowel de realisatie als de gebruiksfase is sprake van een berekende stikstofdepositie afname op het Natura 2000gebied Boschhuizerbergen. Tevens worden er in beide fasen ook afnemende deposities berekend in 7 andere Natura 2000-gebieden. Deze afname is het gevolg van interne saldering als gevolg van het opheffen van de huidige landbouwfunctie.
9 Arcadis (November 2025). Stikstofdepositie ontwikkeling bedrijventerrein Smakterheide, Gemeente Venray 10 Arcadis (november 2025). Stikstofdepositie gebruiksfase bedrijventerrein Smakterheide, Gemeente Venray
33
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
3.3.2.1
Passende beoordeling
Het is volgens de Omgevingswet verboden een plan vast te stellen dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. In een zogenaamde passende beoordeling moet daarvoor in eerste instantie worden beoordeeld of op voorhand uitgesloten kan worden dat de ontwikkeling en het gebruik van het bedrijventerrein leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden en of daarmee het plan kan worden vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet. Daarom heeft Kleijberg Ecologie een passende beoordeling opgesteld 11.
Effecten In de stikstofdepositieberekeningen (zie paragraaf 3.3.2) is rekening gehouden met interne saldering met het wegvallen van de emissies van het huidige agrarische gebruik van het plangebied. In de uitgevoerde additionaliteitstoets is aangetoond dat intern salderen terecht wordt ingezet. In zowel de aanlegfase als de exploitatiefase vinden als gevolg van het plan geen depositietoenames plaats in Natura 2000-gebieden in de omgeving van het bedrijventerrein Smakterheide. De emissies die verminderen door het beëindigen van bemesting op de gronden binnen het plangebied zijn groter dan de emissies die optreden bij de aanleg en de exploitatie van het bedrijventerrein.
Conclusie Omdat er geen depositietoenames optreden zijn effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Het plan voor Smakterheide Noord leidt daarom niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.
3.3.3
Soortenbescherming
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie.
Effecten en toetsing Broedvogels (nesten jaarrond beschermd, categorie 1-3) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Op basis van de ligging van de onderzoekslocatie in combinatie met verspreidingsgegevens van de NDFF kunnen de volgende soorten potentieel voorkomen op/in de buurt van de onderzoekslocatie: boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, ooievaar, raaf, ransuil, roek, slechtvalk, steenuil, torenvalk en wespendief. Raaf kan op voorhand worden uitgesloten aangezien die alleen voorkomen in uitgebreide bosgebieden afgewisseld met heide. Broedvogels (categorie 4) Dit zijn de nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn echter dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt, moet bepaald worden of er voldoende functionaliteit behouden blijft. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van de volgende categorie 4 vogels: blauwe reiger, buizerd, grauwe klauwier, ijsvogel, kramsvogel, oeverzwaluw, paapje, ringmus, roerdomp, sperwer, spotvogel, wulp, zomertortel en zwarte specht.
11 Kleijberg Ecologie (1 maart 2026). Ontwikkeling Smakterheide Venray. Passende beoordeling stikstofeffecten, rapportnummer KE195-01
34
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Overige broedvogels De bebouwing/beplanting op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals winterkoning, roodborst en ekster. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet zijn te voorkomen. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en het cursusdictaat ''Vleermuizen en Planologie'' (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, Brandt's vleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Op de onderzoekslocatie staan gebouwen die geschikt zijn voor gebouwbewonende soorten, hieronder vallen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleemuis en grijze grootoorvleermuis. De bebouwing beschikt over openingen die toegang verlenen tot spouwmuren zoals overhangende dakpannen en spouwgaten. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat vleermuizen de bebouwing als vaste rust- en verblijfplaats gebruiken, mogelijk gaan potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen verloren.
Tijdens het veldbezoek zijn de bomen op de onderzoekslocatie geïnspecteerd op boomholtes, deze zijn niet aangetroffen. De onderzoekslocatie is niet geschikt voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en het omliggende bos in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Er dient bij de toekomstige plannen van Smakterheide wel rekening gehouden te worden met verlichting: deze mag niet uitstralen naar de omgeving. De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Wel dient er rekening gehouden te worden met de uitstraling van verlichting richting omliggende foerageergebieden. Negatieve effecten ten aanzien van foerageergebieden kunnen niet worden uitgesloten.
Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen, zoals bomenlanen en watergangen, zijn aanwezig op de onderzoekslocatie. Door de voorgenomen plannen worden dergelijke mogelijke vliegroutes verstoord. Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen jaren in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: ringslang en levendbarende hagedis. Amfibieën Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF kunnen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde amfibieënsoorten voorkomen: alpenwatersalamander, kamsalamander, boomkikker, heikikker en poelkikker.
35
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Vissen De onderzoekslocatie bevat twee gescheiden watergangen die in contact staan met het Afleidingskanaal ten noorden de onderzoekslocatie. In het Afleidingskanaal zijn waarnemingen bekend van vissoorten als kleine modderkruiper, bermpje, snoek, riviergrondel, driedoornige- en tiendoornige stekelbaars. Deze soorten kunnen tevens voorkomen in de watergangen binnen de onderzoekslocatie en bij het dempen van genoemde watergangen zal dan ook met deze soorten rekening gehouden moeten worden. Ongewervelden Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van de streng beschermde beekrombout (libel). Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF-waarnemingen bekend van bruine eikenpage, grote vos, kleine ijsvogelvlinder. Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten.
Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Planten De onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit agrarisch grondgebied met minimale ruigtestroken. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Tevens zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF geen streng beschermde planten waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie.
Vervolgstappen In onderstaande tabel is de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor soortgroepen weergegeven en de te nemen vervolgstappen.
36
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Tabel 5 geschiktheid van de onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. Volgens NDFF zijn de afgelopen vijf jaar op de onderzoekslocatie de volgende rode lijst soorten waargenomen: goudplevier, graspieper, grote lijster, keep, kneu, koekoek, matkop, oeverloper, patrijs, tapuit, veldleeuwerik, watersnip, wielewaal, wilde zwaan, wintertaling, wulp, zwarte mees, bunzing, haas, konijn, wezel, kleine parelmoervlinder, oranjezandoogje, bleke franjehoed, moerashertshooi, rapunzelklokje en slanke mantelanjer. Aangezien de onderzoekslocatie na de voorgenomen plannen van agrarisch gebruik naar natuur gebruik gaat, wordt er op de lange termijn geen negatieve invloed verwacht op de bovenstaande rode lijst soorten. Door te voldoen aan de algemene zorgplicht kan worden vastgesteld dat nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dier- en plantensoorten die zijn opgenomen in de Rode Lijst.
37
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Op basis van de uitgevoerde quickscan dient voor uitvoering van de plannen middels nader onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde broedvogels, das, steenmarter, eekhoorn en waterspitsmuis.
3.3.3.1
Aanvullend soortgericht onderzoek
Op basis van de resultaten uit de quickscan natuurwaarden is in juni 2025 een aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd door Sweco. In dit onderzoek is gekeken naar mogelijke effecten op de huismus, roofvogels, uilen, huis-en boerenzwaluw, vleermuis, waterspitsmuis, das en steenmarter. Er is geen vervolgonderzoek naar de Eekhoorn uitgevoerd, omdat het gebied zich niet leent als leefgebied voor eekhoorns. Het is een agrarisch landschap met een enkele solitaire bomenrij die uiteindelijk met wat lege tussenliggende ruimtes uitkomt op een elzenbroekbos. Dat elzenbroekbos leent zich niet als leefgebied voor eekhoorns.
Voorkomen soorten en effecten Huismus Tijdens de veldbezoeken zijn er in totaal 12 huismusnestlcoaties waargenomen. Het is verboden de voortplantings- en rustplaatsen te beschadigen of te vernielen en de nesten mogen niet worden weggenomen. Als gevolg van de sloop van de bebouwing is overtreding van artikel 11.37, lid 1 (Bal) van de Omgevingswet ten aanzien van de huismus niet te voorkomen. Er zijn maatregelen benodigd om de functionaliteit voor de huismus te allen tijde te behouden. Er dienen maatregelen genomen te worden zoals het aanbrengen van tijdelijke voorzieningen, het ongeschikt maken van de bebouwing in de minst kwetsbare periode en het treffen van permanente voorzieningen in de bebouwing/de nieuwbouw. De maatregelen dienen uitgewerkt te worden in een ecologisch activiteitenplan en ter goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag via het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Roofvogels Tijdens de veldbezoeken zijn er geen waarnemingen gedaan van roofvogels van de bovenstaande soorten. Tevens zijn er geen sporen zoals ruiveren waargenomen die duiden op het gebruik van de locatie door deze soorten. Op basis van de waarnemingen dient het afleidingkanaal op de aangrenzend aan de onderzoekslocatie als foerageergebied voor de grote gele kwikstaart.
Op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn verder geen broedlocaties van de grote gele kwikstaart waargenomen. Indien er geen werkzaamheden aan het afleidingskanaal plaatsvinden vinden er geen overtredingen plaats van de Omgevingswet. Uilen Tijdens de interne inspectie zijn er twee kerkuilkasten waargenomen in de loods ter plekke van de Spurkt 5C. Op basis van de veldbezoeken kan worden vastgesteld dat op de onderzoekslocatie een steenuil territorium aanwezig is en hoogstwaarschijnlijk tevens een steenuilnestlocatie. Er zijn op basis van de waarnemingen drie territoria van steenuilen aanwezig rond de onderzoekslocatie. Als gevolg van de voorgenomen plannen zullen één nestlocatie van de kerkuil en één territorium van de steenuil verdwijnen. Aangezien steenuilen maximaal 300 meter vanaf hun verblijfplaats foerageren is het verwijderen van foerageergebied van invloed op de gunstige staat van instandhouding van de steenuil. Voor kerkuil geldt dat hun foerageergebied tussen de 60 en 1200 hectare kan zijn. Aangezien er zo’n 44 ha wordt herontwikkeld is er mogelijk ook negatieve invloed om de staat van instandhouding van de kerkuil. Voor de voorgenomen ingreep zullen mitigerende en compenserende maatregelen voor de steenuil en kerkuil genomen moeten worden.
De benodigde maatregelen worden omschreven in het activiteitenplan en worden middels een vergunningsaanvraag voor een floraen fauna-activiteit voorgelegd bij de provincie Limburg. Huis- en boerenzwaluw 38
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Tijdens de interne inspectie zijn geen nesten van huis- en/of boerenzwaluw aangetroffen op de onderzoekslocatie. Wel zijn er foeragerend verschillende individuen van de boerenzwaluw waargenomen. Overige beschermde vogels (Limburg categorie 4) De onderzoekslocatie maakt deel uit van het foerageergebied van een buizerd. Aangezien de nestlocatie van de waargenomen buizerd zich minstens enkele honderden meters buiten de onderzoekslocatie bevindt, valt deze buiten de verstoringsafstand. Wel maakt de onderzoekslocatie deel uit van het foerageergebied van de buizerd, echter bestaat het jachtterritorium van de buizerd uit enkele kilometers rondom zijn nestlocatie waardoor er geen sprake is van een wezenlijke afname van het foerageergebied van de buizerd. Ten aanzien van de buizerd worden geen overtredingen van de Omgevingswet voorzien. Vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn er in totaal vijf verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke potentiële vliegroutes zijn op de onderzoekslocatie aanwezig.
Op basis van de onderzoeksresultaten gaan er bij de voorgenomen plannen twee zomerverblijfplaatsen, één paarverblijfplaats, één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis verloren. Bij de sloop van de bebouwing is het niet te voorkomen dat wegnemen, vernielen of beschadigen optreedt, waardoor artikel 11.46, lid 1 (Bal) wordt overtreden. Door het treffen van maatregelen kan de functionaliteit voor de soort behouden blijven. Hiermee wordt overtreding van de Omgevingswet echter niet voorkomen en is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Gedurende de veldbezoeken is vastgesteld dat elementen (bomenrijen en watergangen) op de onderzoekslocatie dienst doen als vliegroute voor de in de omgeving verblijvende vleermuizen en met name de gewone dwergvleermuis en laatvlieger, het gaat hierbij om essentieële vliegroutes. Een vliegroute is essentieel indien er bijvoorbeeld geen alternatieve vliegroute aanwezig is om vanuit de verblijfplaats geschikt foerageergebied te bereiken of indien er geen andere elementen voldoende beschutting geven bij slechte weersomstandigheden. In de huidige situatie is de onderzoekslocatie tijdens de veldbezoeken door minstens de gewone dwergvleermuis en laatvlieger gebruikt als vliegroute. Bij het verstoren of vernietigen van deze vliegroute treedt er overtreding op van de omgevinsgwet.
De initiatiefnemer is voornemens de lijnvormige elementen op de onderzoekslocatie zoveel mogelijk te behouden. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal mogelijk wel een toename zijn in verlichting op deze elementen, waardoor er mogelijk verstorting optreedt. Om te voorkomen dat de lijnvormige elementen de functie van vliegroute en foerageerfunctie verliezen wordt geadviseerd om de bomenrijen te versterken en uitstralende verlichting te beperken. De mitigerende maatregelen dienen te worden vastgelegd in het activiteitenplan. Waterspitsmuis Op basis van de resultaten van het eDNA onderzoek naar waterspitsmuis is de doelsoort niet gedetecteerd. Das In totaal zijn er minstens drie actieve dassenburchten in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Hiervan dienen burchten 1 en 3 tevens als burchten met een kraamfunctie. Op de onderzoekslocatie zelf zijn geen burchten aangetroffen. Wel is er één actieve vluchtpijp waargenomen. Tevens zijn er veel sporen gevonden die duiden dat de onderzoekslocatie gebruikt wordt als foerageergebied van de das. Er zijn dan ook tijdens het steenuilenonderzoek met de nachtcamera verschillende dassen foeragerend waargenomen op de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie is één actieve vluchtpijp van de das aanwezig.
Bij de voorgenomen plannen zal deze vluchtpijp verloren gaan, wat een overtreding betreft van artikel 11.54 lid a uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor de voorgenomen ingreep zal een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met daarbij behorende maatregelen voor de das aangevraagd moeten worden bij provincie Limburg. Buiten de onderzoekslocatie zijn vier actieve dassenburchten aanwezig waarvan twee een kraamfunctie hebben. Een van de burchten ligt binnen de verstoringsafstand van de voorgenomen werkzaamheden. Er dienen maatregelen 39
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol om verstoring te voorkomen. De dassenfamilies in deze burchten maken tevens gebruik van de onderzoekslocatie als foerageergebied. Om te bepalen of als gevolg van de voorgenomen plannen de functionaliteit van de aanwezige voortplantingslocatie achteruitgaat, dient ten behoeve van een activiteitenplan eerst een gebiedsanalyse uitgevoerd te worden. Hieruit kan bepaald worden in hoeverre preferent en secundair leefgebied van de das verloren gaat als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van deze gebiedsanalyse kunnen de benodigde mitigerende en/of compenserende maatregelen bepaald worden. De functionaliteit van de voortplantingsplaats van de das moet voor, tijdens en na uitvoer van de geplande activiteiten gegarandeerd kunnen worden door het treffen van mitigerende dan wel compenserende maatregelen. Steenmarter Tijdens de interne inspectie van de gebouwen op de onderzoekslocatie zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op gebruik van de onderzoekslocatie door de steenmarter.
Conclusie en vervolgstappen Op basis van het aanvullend onderzoek zijn op de onderzoekslocatie functies aanwezig van huismus, steenuil, kerkuil, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en das aanwezig. Voor deze soorten zullen de benodigde maatregelen omschreven dienen te worden in een activiteitenplan ten behoeve van een vergunningsaanvraag op Omgevingswet. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door het verwijderen van nesten buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien het verwijderen van nesten niet buiten het broedseizoen kan worden gedaan, is een broedvogelinspectie voorafgaand aan de start van de werkzaamheden benodigd. Geadviseerd wordt om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor de bever geldt dat gedurende de werkzaamheden rekening moet worden gehouden met het voorkomen van de soort binnen de onderzoekslocatie. De maatregelen die hiervoor benodigd zijn dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Tevens dient er na de werkzaamheden rekening gehouden te worden met verlichting richting de watergangen, dit wordt opgenomen in een lichtplan. Het kan niet uitgesloten worden dat incidenteel een levendbarende hagedis zich op de onderzoekslocatie ophoudt.
In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor incidenteel aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Tevens geldt er in Limburg een vrijstellingsperiode deze loopt van 15 augustus tot 15 oktober. Maatregelen zullen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol om negatieve effecten op voorhand te voorkomen Voor de alpenwatersalamander, kamsalamander, poelkikker en boomkikker is de watergang “Venrayse Spurkt” geschikt voorplantingswater op de onderzoekslocatie. Wanneer er geen verstoring/vernietiging is van de betreffende watergang is er met aanvullende maatregelen geen vergunningsplicht noodzakelijk. Indien er toch verstoring/vernietiging optreedt van de “Venrayse Spurkt” dient er aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de bovenstaande soorten. Tevens dient de kwaliteit van het nabij gelegen Natuurnetwerk gebied “Elzenbroekbos” gehandhaafd te worden. Geadviseerd wordt om deze maatregelen vast te leggen in een ecologisch werkprotocol. Voor beekrombout is de watergang “Venrayse Spurkt” geschikt voorplantingswater op de onderzoekslocatie. Wanneer er geen verstoring/vernietiging is van de betreffende watergang is er met aanvullende maatregelen geen vergunningsplicht noodzakelijk.
Indien er toch verstoring/vernietiging optreedt van de “Venrayse Spurkt” dient er aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de beekrombout. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
40
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
3.4
Bodem
In mei 2025 is een milieuhygiënisch vooronderzoek voor Smakterheide Noord uitgevoerd; dit onderzoek is aangepast in maart 2026. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen binnen het plangebied. Om dit doel te bereiken is relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de vooronderzoekslocatie.
Resultaten Algemene gegevens bodemkwaliteit In het grondwater zijn regionaal verhoogde concentraties aan zware metalen in het grondwater aanwezig. De provincie Limburg heeft specifieke beleidslijnen geformuleerd met betrekking tot deze regionaal verhoogde gehalten metalen in het grondwater. Deze beleidslijnen zijn beschreven in het document ‘Beleidskader bodem, actualisatie 2016, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg op 26 juli 2016’. Uit de overzichtskaart ‘Arseengebieden - Bodemkwaliteitskaart Limburg Noord’ blijkt dat het plangebied grenst aan het gebied ‘IJzerrijke zandgronden meest lemige gleijgronden’. Ter plaatse van en rondom deze gebieden komen van nature verhoogde arseenconcentraties voor. Uitgevoerde bodemonderzoeken Binnen het plangebied zijn vier woningen met bedrijfsgebouwen alsmede een reguliere woning aanwezig. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is ter plaatse van drie locaties (gedeeltelijk) onderzocht. Op basis van de beschikbare historische gegevens zijn binnen het plangebied geen locaties bekend met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Plaatselijk zijn binnen het plangebied zwakke tot sterke bijmengingen met baksteen, kolengruis, puin, beton en plastic in de grond aanwezig. Diffuus verspreid zijn in het verleden in de grond verhoogde gehalten zware metalen, minerale olie en PAK aangetoond.
Aan de achterzijde van de woning ter plaatse van de locatie Spurkt 5, heeft in het verleden een calamiteit (lekkage) met diesel plaatsgevonden. Uit onderzoek bleek dat er sprake was van een verontreiniging met minerale olie in de bovengrond (omvang <25 m3). Ter plaatse heeft in 2020 een bodemsanering plaatsgevonden waarbij de verontreinigde grond is ontgraven en afgevoerd. Geconcludeerd is dat de sanering van de als gevolg van de calamiteit met diesel verontreinigde grond in voldoende mate is uitgevoerd. In het grondwater binnen het plangebied zijn in het verleden verhoogde concentraties zware metalen gemeten. Plaatselijk overschreden de concentraties koper en nikkel de interventiewaarden. Geconcludeerd is dat deze licht tot sterk verhoogde gehalten met metalen zijn te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondwaarden. PFAS In het kader van de uitgevoerde sanering (ten behoeve van de afvoer van de verontreinigde grond) is ter plaatse van de verontreinigingsbron een monster genomen en geanalyseerd op de aanwezigheid van poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS). In het monster zijn geen PFAS-gehalten aangetroffen boven de achtergrondwaarde. Voor het overige deel van het plangebied heeft in het verleden geen onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS plaatsgevonden. Uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van PFAS-puntbronnen binnen het plangebied.
Asbest Ter plaatse van de percelen Spurkt 5 en Spurkt 5C is in 2019 een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. De maximale gehalten aan asbest in de bodem overschreden de interventiewaarde (100 mg/kg ds gewogen) niet. Op het overige deel van het plangebied is, voor zover bekend, niet eerder onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek bestaan geen concrete aanwijzingen voor potentieel bodembelastende 41
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
activiteiten en/of waaruit blijkt dat op het maaiveld of in de bodem substantiële hoeveelheden asbestverdacht puin en/of asbesthoudend materiaal aanwezig is. Watergangen In 2024 zijn enkele watergangen ter plaatse van een tracé van een hoogspanningsverbinding onderzocht. Ter plaatse van deze waterbodems zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen of andere zintuiglijke verontreinigingskenmerken. De onderzochte waterbodems hebben maximaal de klasse ‘Wonen’. Gehalten aan PFAS in de waterbodem zijn in het gehele tracé niet groter dan de achtergrondwaarden. Van de overige watergangen in het plangebied zijn geen milieuhygiënische kwaliteitsgegevens bekend. Voor zover bekend heeft in het verleden ter plaatse van de overige watergangen geen waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 (Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek) plaatsgevonden.
Aanbevelingen De exacte aard van de toekomstige ontwikkelingen zijn momenteel nog niet bekend. Het terrein wordt ten eerste bouwrijp gemaakt, waarna bedrijven zich hier zullen vestigen en verder zelf richting zullen geven aan de ontwikkeling van hun kavels. Doordat de exacte terreininrichting met bijbehorende werkzaamheden nog niet vaststaan, is ook nog niet bekend waar grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden en wat de maximale diepte van de bodemingrepen is. Bij een aantal activiteiten (zoals het graven in bodem of het bouwen op een bodemgevoelige locatie) is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem nodig. Afhankelijk van de terreininrichting en locatie van de grondroerende werkzaamheden, dient een actualiserend of verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) te worden uitgevoerd. De bestaande waterlopen worden zoveel mogelijk gehandhaafd. De primaire watergang ‘Venrayse Spurkt’, aan de oostkant van het plangebied, wordt deels verlegd. Bij eventuele toekomstige ingreep in de waterbodem is het uitvoeren van een vooronderzoek conform de NEN 5717 (Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) en een eventueel waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek) noodzakelijk.
Indien bij het veldonderzoek puin in de bodem wordt aangetroffen (met uitzondering van de percelen Spurkt 5 en Spurkt 5C waar in het verleden al een verkennend asbestonderzoek heeft plaatsgevonden) kan een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 of NEN 5897 alsnog noodzakelijk zijn. De aanwezigheid van puin kan een aanwijzing zijn dat de bodem asbesthoudend materiaal bevat. In dit stadium (voorbereidingsfase) is vooralsnog geen fysieke terreinverkenning uitgevoerd. Wel is door middel van digitaal beeldmateriaal een driedimensionaal beeld van de locatie verkregen. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan het veldonderzoek een fysieke terreinverkenning uit te voeren, zoals voorgeschreven in de NEN 5725. Indien bij de terreinverkenning een andere situatie wordt aangetroffen dan op basis van het vooronderzoek werd verwacht, dan kan dit aanleiding zijn om de strategie of de hypothese bij te stellen.
Conclusie De uitgevoerde bodemonderzoeken geven geen directe aanleiding tot een verdachte kwalificatie van de bodemkwaliteit. Echter, omdat de exacte aard van de toekomstige ontwikkelingen momenteel nog niet bekend zijn, is ook nog niet bekend waar grondroerende werkzaamheden zullen plaatsvinden en wat de maximale diepte van de bodemingrepen is. Bij een aantal activiteiten (zoals het graven in bodem of het bouwen op een bodemgevoelige locatie) is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem en/of waterbodem nodig. Indien bij deze onderzoeken puin in de bodem wordt aangetroffen, is ook verkennend asbestonderzoek nodig. Tevens wordt geadviseerd een fysieke terreinverkenning uit te voeren. Deze onderzoeken hebben tot doel verdachte (bodem)kwaliteit uit te sluiten of mitigerende maatregelen aan te dragen.
42
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
3.5
Water
In juni 2025 is de weging van het waterbelang opgesteld12. In deze rapportage zijn het waterbeleid en de gevolgen van het voornemen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse beschreven.
Waterhuishoudkundige situatie Inzicht in de huidige geohydrologische situatie is van belang om de effecten van de ontwikkeling in beeld te krijgen en voor de uitwerking van de waterhuishouding van de toekomstige situatie. Navolgend zijn de huidige bodemopbouw, grondwaterhuishouding en oppervlaktewatersituatie beschreven. Hoogteligging en bodemopbouw Het zuiden van het plangebied is hoger gelegen dan het noorden van het plangebied. De ondergrond bestaat in het algemeen grotendeels uit fijn tot midden categorie zand met wat leem en veenlagen op bepaalde locaties. Grondwater De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) in het noordelijke deel ligt hoger dan in het zuidelijke deel van het plangebied. De GHG varieert naar schatting tussen 17 en 19,5 m-NAP. Oppervlaktewater Volgens de leggerkaart van Waterschap Limburg (zie Figuur 16) is er oppervlaktewater in- of aangrenzend aan het plangebied aanwezig. Primaire watergang Venrayse Spurkt loopt door het plangebied heen. Andere aangrenzende en nabije watergangen zijn de Zijtak Loonsche Plas, Loobeek en Smakterveld.
12
Arcadis (juni 2025). Weging van het Waterbelang bedrijventerrein Smakterheide Noord, gemeente Venray
43
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Figuur 16 kaart met plangebied en legger
Verharding en bergingsopgave Verhard oppervlak en demping Bestaande waterlopen in het gebied worden zoveel als mogelijk gehandhaafd. In het ontwerp wordt in deze fase van het ontwerp niks gedempt aan watergangen. Deze hoeven dan ook niet gecompenseerd te worden. Mocht demping op een later moment wel benodigd zijn in het ontwerp, zal dit wel gecompenseerd moeten worden. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is welke bedrijven zich willen vestigen op het bedrijventerrein is er geen informatie bekend over de hoeveelheden afvalwater in het gebied. De primaire watergang Venrayse Spurkt aan de oostzijde, wordt voor een klein deel verlegd. Deze wordt rechtgetrokken voor efficiëntie in het ontwerp voor de aangrenzende kavels. Dit moet samen met Waterschap Limburg uitgewerkt worden omdat het een primaire kering is, en aan bepaalde eisen zal moeten voldoen. Aanvullend hierop is Venrays Spurkt recentelijk door het waterschap voorzien van een aantal meanders, onder andere vanwege de KRW. Het rechttrekken van de Venrayse Spurkt is alleen voor het onderste stuk van het plangebied, waar die meandering niet plaatsvindt. Vanwege het rechttrekken van het eind van de Venrayse Spurkt zal ook de watergang tussen het oranje vlak op Figuur 17 naar de Venrayse Spurkt aangepast moeten worden.
Hier zijn nog geen plannen over gemaakt en die worden ook pas gemaakt nadat de plannen concreet zijn voor de Venrayse Spurkt. Mogelijkheden voor duikers en open water zullen dan besproken worden met het waterschap en de gemeente.
44
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Figuur 17 Ruimtegebruikkaart Smakterheide Noord
De totale toename aan verharding is gelijk aan 22 ha. Hierbij is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • • •
Het verhardingspercentage van de uitgeefbaar terrein is 100%, dit is een worst case benadering. Hoe veel verharding er daadwerkelijk komt wordt op een later punt verder uitgewerkt. Het overige terrein is volledig onverhard. In het onderdeel “natuur” worden wel paden gelegd maar deze zijn onverhard. De insteek wegen zijn opgenomen in uitgeefbaar terrein en de interne openbare wegen zijn niet in de totale verharding meegenomen. Hier was geen oppervlakte van bekend.
Waterberging en infiltratie Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Hierom dient de toename in verharding gecompenseerd te worden. De bergingsnorm van Waterschap Limburg is 100mm, en die van de gemeente is 60mm. Waterberging vindt niet plaats op eigen terrein van de bedrijven. De berging wordt in de groene achterzones ingepland van het plangebied aan de noordelijke zijde van het bedrijventerrein. Er is namelijk een hoogteverschil in het terrein, waardoor het water af kan stromen via de buffers in dit deel van het plangebied naar het Loobeekdal. Het is nog niet uitgewerkt waar precies de bufferzones komen voor waterberging, dat komt in een later moment van het ontwerp. De bergingsopgave voor deze ontwikkeling is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 6 Bergingsopgave als gevolg van toename verharding en bijbehorende bergingseis.
45
Toename verharding [m²]
Bergingseis [m]
Bergingsopgave [m³]
220.000
0,1
22.000
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
Een toename in verharding van ca. 220.000 m² en de bergingseis van 100 mm resulteren in een bergingsopgave van ca. 22.000 m³. Dit dient nader uitgewerkt te worden in overleg met de gemeente en het waterschap. Gezien de diepe grondwaterstand en de lichte wijziging zijn er kansen voor infiltratie. Het is echter belangrijk om rekening te houden met lokaal verstorende veen- en leemlagen die zijn aangetoond in de bodemprofielen in het plangebied. Aanvullend heeft het Waterschap ook de eis dat circa 10% van het plangebied gereserveerd moet worden voor water. Aangezien 10% een grote opgave is, en de bergingsopgave als compensatie ook groot is, is in het ontwerp aandacht nodig hiervoor. Het waterschap hanteert een voorkeursvolgorde voor waterkwantiteit. Eerst willen ze de het water hergebruiken, vasthouden in de bodem, tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater en afvoeren naar gemengd of DWA-riool. In het huidige ontwerp is vanuit gegaan van tijdelijk bergen in het noordelijke deel van het plangebied en dan naar oppervlaktewater af te voeren. Ook dient de berging binnen 24 uur weer beschikbaar zijn voor een volgende regenbui. In het ontwerp voor de waterberging moet ook het beheer en onderhoud in kaart gebracht worden. Het is belangrijk dat de berging goed bereikbaar is voor controle en beheer, en ook dient er vastgelegd te worden wie daarvoor verantwoordelijk is.
Waterkwaliteit Waterschap Limburg wil graag hanteren dat de voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit schoonhouden, scheiden, zuiveren is. Daarom wordt geadviseerd gebruik te maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.
Conclusie Aangezien de bodemprofielen in de omgeving overwegend bestaan uit zand wordt aangenomen dat het mogelijk is om hemelwater in het plangebied te infiltreren. Er wordt hierbij wel aanbevolen om aanvullende boringen uit te voeren binnen de grenzen van het plangebied om te achterhalen of er dusdanige leemlagen aanwezig zijn die de mogelijkheid tot infiltratie beperken. Er moet 22.000 kubieke meter water geborgen worden in het noordelijke gebied. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regeling van het Omgevingsplan. Aanvullend heeft het Waterschap ook de eis dat circa 10% van het plangebied gereserveerd moet worden voor water. Dit dient nader uitgewerkt te worden in overleg met de gemeente en het waterschap. Er is voldoende ruimte beschikbaar om aan de bergingsopgave te voldoen. Ten aanzien van de waterkwaliteit zal gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op water(bodem)kwaliteit en ecologie. Zolang aan de bergingsopgave en de aanvullende eis voor het reserveren van 10% van het oppervlak aan water wordt voldaan, heeft het planvoornemen geen negatieve effecten op waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
3.6
Ontplofbare oorlogsresten
In opdracht van Arcadis Nederland B.V. te 's-Hertogenbosch heeft Bombs Away B.V. te Utrecht een Vooronderzoek Conflictperiode (VO) Ontplofbare Oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd 13. Op basis van de resultaten van het Vooronderzoek Conflictperiode OO is vastgesteld dat er indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is verdacht op OO (zie Figuur 18). Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande bodemingrepen een kans is op het aantreffen van OO en een mogelijke ongecontroleerde werking hiervan. Het soort OO dat binnen de grenzen van het onderzoeksgebied aangetroffen kan worden betreft verschoten geschutmunitie (geallieerd en Duits) en verschoten raketten (Duits), gedumpte geschutmunitie, ontstekingsinrichtingen en munitietoebehoren (geallieerd en Duits) en gedumpte kleinkalibermunitie, 13
Bombs Away (november 2024). Aanvullend Vooronderzoek Conflictperiode Ontplofbare Oorlogsresten Greenport Venlo Smakterheide
46
Onze referentie: PYUQU2MPA2D3-785090303-191:0.3 - Datum: 7 april 2026 - Public
AANMELDINGSNOTITIE BEDRIJVENTERREIN SMAKTERHEIDE NOORD
handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en toebehoren van munitie (geallieerd en Duits). Er is tevens een horizontale en verticale afbakening vastgesteld die het risicogebied en de diepteligging van de mogelijke OO weergeeft: het gehele onderzoeksgebied is verdacht op verschoten geschutmunitie en raketten tot ongeveer 1,5 meter onder maaiveld Tweede Wereldoorlog, tot 3 meter onder maaiveld in de geschutopstellingen, wapenopstellingen, loopgraven en mangaten binnen het onderzoeksgebied en tot op de vaste waterbodem ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de watergangen. De gedumpte munitie kan aangetroffen worden tot een maximale diepte van ongeveer 1,5 meter onder maaiveld Tweede Wereldoorlog in de geschutopstellingen, wapenopstellingen, loopgraven en mangaten binnen het onderzoeksgebied en tot op de vaste waterbodem ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de watergangen.