CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

gebiedsvisie geurhinder en veehouderij

Commissie Wonen 18 april 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Westsingel 1 Venray11.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ CONCEPT GEMEENTE VENRAY

12 november 2007 110502/ZF7/520/201550

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Inhoud 1 2

Inleiding ____________________________________________________________________ 4 Wet geurhinder en veehouderij _______________________________________________ 6 2.1 Inleiding_________________________________________________________________ 6 2.2 Geurbelasting en berekeningswijze __________________________________________ 6 2.3 Eigen normstelling ________________________________________________________ 7 2.4 Aanhoudingsbesluit _______________________________________________________ 8 2.5 Omgekeerde werking _____________________________________________________ 8

3

Kaders voor de gebiedsvisie _________________________________________________ 11 3.1 Geurbelasting ___________________________________________________________ 11 3.2 Beleidskaders ___________________________________________________________ 12 3.3 Uitgangspunten reconstructiebeleid ________________________________________ 12 3.4 Gemeentelijk ruimtelijk beleid______________________________________________ 14

4

Huidige geurbelasting_______________________________________________________ 16 4.1 Inleiding________________________________________________________________ 16 4.2 Omgekeerde werking ____________________________________________________ 16 4.3 Achtergrondbelasting ____________________________________________________ 17 4.4 Milieuruimte veehouderijen _______________________________________________ 18

5

Beleidsopties _______________________________________________________________ 20 5.1 Insteek gebiedsvisie ______________________________________________________ 20 5.2 Varianten voor een eigen gemeentelijke normstelling __________________________ 21 5.2.1 Basisvariant_______________________________________________________ 21 5.2.2 LOG-variant: een soepelere norm voor de LOG’s________________________ 22 5.2.3 Mogelijke andere beleidsopties ______________________________________ 23

6

Effecten beleidsopties _______________________________________________________ 25 6.1 Inleiding________________________________________________________________ 25 6.2 Haalbaarheid ruimtelijke ontwikkelingen ____________________________________ 26 6.3 Mogelijke ontwikkeling veehouderij ________________________________________ 27 6.4 Geurbelasting ___________________________________________________________ 30 6.5 Milieuruimte ____________________________________________________________ 32

7 8

Conclusies en aanbevelingen ________________________________________________ 34 Procedure en afstemming ___________________________________________________ 36 8.1 Procedure ______________________________________________________________ 36 8.2 Afstemming ____________________________________________________________ 36

Bijlage 1

Geurcontouren 3, 8 en 14 ou rondom bouwblokken van veehouderijen ________ 37

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

2

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Bijlage 2

Indicatieve achtergrondbelasting huidige situatie ___________________________ 38

Bijlage 3

Indicatieve milieuruimte bij toepassing norm 3 ou (binnen de bebouwde kom) en 14

ou (buiten de bebouwde kom)_____________________________________________________ 39 Bijlage 4

Indicatieve geurhindercontouren 8 ou_____________________________________ 40

Bijlage 5

Verschil in indicatieve achtergrondbelasting (uitgaande van de bijgestelde worst

case) tussen de basisvariant en de huidige achtergrondbelasting ________________________ 41 Bijlage 6

Verschil in indicatieve achtergrondbelasting (uitgaande van de bijgestelde worst

case) tussen de log-variant en de basisvariant ________________________________________ 42 Bijlage 7

Verschil in indicatieve achtergrondbelasting (uitgaande van nieuwvestiging) tussen

de log-variant B en log-variant A ___________________________________________________ 43 Bijlage 8

Indicatieve milieuruimte bij toepassing norm volgens de LOG-variant ___________ 44

Bijlage 9

Voorstel gemeentelijke normstelling ______________________________________ 45

Colofon _______________________________________________________________________ 46

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

3

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

HOOFDSTUK

1

Inleiding

In opdracht van de gemeente Venray en in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij is deze gebiedsvisie opgesteld. Deze wet is sinds 1 januari 2007 van kracht. Gemeenten kunnen op grond van deze wet binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten. Het gaat dan bijvoorbeeld om verspreide woningen in het buitengebied en om woningen in de bebouwde kom. Als een gemeente geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of besluit geen eigen, afwijkende waarde vast te stellen gelden de vaste wettelijke waarden. Een eventuele gemeentelijke normering dient vastgelegd te worden in een verordening. Een gebiedsvisie moet deze verordening onderbouwen. De gebiedsvisie moet aantonen dat een – van de wet afwijkende – gemeentelijke normstelling nodig is om de gewenste ruimtelijke visie te realiseren en dat de leefomgeving voor inwoners qua geurbelasting acceptabel is en blijft. Deze gebiedsvisie is dus een onderbouwend document voor een gemeentelijke normering waarin wordt aangegeven of en waar in Venray wordt afgeweken van de vaste wettelijke waarden. De gebiedsvisie brengt de consequenties van de nieuwe geurwet in kaart en onderzoekt of een andere normstelling oplossingen biedt voor geconstateerde knelpunten. De belangrijkste uitkomsten van de gebiedsvisie zijn in dit rapport samengevat.

Dit rapport geeft beknopt aan welke aandachtspunten bestaan of kunnen gaan ontstaan ten aanzien van geuremissies uit de veehouderij in relatie tot de aanwezigheid van bestaande geurgevoelige objecten (zoals woningen) en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, zoals nieuw te ontwikkelen woongebieden en de spreiding van de intensieve veehouderij. Het kan daarbij gaan om de volgende situaties: 1.

De gewenste milieu- en leefkwaliteit voor wonen, werken en recreatie wordt niet gehaald met toepassing van de wettelijke geurcontouren.

2.

Gewenste nieuwbouw van woningen en andere geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom, grenzend aan de bebouwde kom of in het buitengebied wordt doorkruist door de wettelijke geurcontouren van veehouderijbedrijven (‘omgekeerde werking’).

3.

De gewenste ontwikkeling van veehouderijen in ruimtelijk opzicht en in milieuopzicht wordt met de wettelijke geurcontouren niet gehaald.

De gemeente heeft een wettelijk bepaalde beleidsvrijheid om een eigen geurnormstelling toe te passen. Als de gemeente van haar bevoegdheid gebruik maakt en aan de wettelijke norm ‘sleutelt’ heeft dat uiteraard consequenties voor veehouderijen, voor ruimtelijke ontwikkelingen/projecten en voor de mate van geurhinder.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

4

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Het staat de gemeente vrij, binnen de wettelijke vastgelegde bandbreedte, om geurgevoelige objecten een bepaalde extra bescherming te geven om de kans op geurhinder te verkleinen of om deze bescherming te verlagen om voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen te kunnen bieden. Voor de onderbouwing van dit beleid moet voor de gemeente in kaart worden gebracht waar aandachtspunten zijn en welke ruimtelijke ontwikkelingen gewenst zijn. De opgave is om, mogelijk met behup van een eigen normstelling, een goede balans te vinden tussen agrarische ontwikkelingen, belangen van burgers in de kernen en het buitengebied en de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de realisatie van nieuwe woongebieden en bedrijventerreinen.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

5

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

HOOFDSTUK

2

Wet geurhinder en

veehouderij 2.1

INLEIDING Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij vormt hiervoor het nieuwe beoordelingskader. De nieuwe wet geeft aan hoe bij het beoordelen van een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. Ook heeft deze nieuwe wet consequenties voor de wijze waarop in ruimtelijke plannen het aspect geurbelasting door veehouderijen een rol speelt.

2.2

GEURBELASTING EN BEREKENINGSWIJZE De geurbelasting wordt uitgedrukt in aantallen Europese odour units in een volumeeenheid lucht (ou/m³: odour units per kubieke meter lucht). Eerst wordt de geuremissie berekend door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de betreffende geuremissiefactor. Vervolgens wordt de geuremissie vanuit de gezamenlijke dierenverblijven - samen met andere variabelen zoals de afstand tot het dichtstbijzijnde gelegen geurgevoelig object ingevoerd in een geautomatiseerd model waarmee de verspreiding van de geur in de omgeving wordt berekend. De uitkomst hiervan is de geurbelasting op basis van de vergunde dierplaatsen op een geurgevoelig object.

Figuur 2.1

Emissie stankstoffen

Geuremissie en geurbelasting in de vergunningverlening

1000 vleesvarkens

Geurbelasting 9 Ou

23000 O

verspreidingsmodel vergunningverlening

stel norm = 14 Ou Ø vergunning verlenen

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

6

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Toelichting: geurgevoelig object Onder een ‘geurgevoelig object’ wordt verstaan een locatie, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en die daarvoor permanent of regelmatig wordt gebruikt. Dit betekent dat in tegenstelling tot de oude wetgeving terreinen voor dagrecreatie, zoals een golfbaan of een voetbalveld, niet als een geurgevoelig object worden gezien. Een andere verandering is dat een gebouw dat in strijd met het bestemmingsplan als woning of verblijf wordt gebruikt geen wettelijke bescherming tegen geurhinder heeft.

Toepassing van technieken om de geurbelasting te verminderen Ten opzichte van de oude regelgeving maakt de Wet geurhinder en veehouderij het mogelijk dat er bij de vergunningverlening veel meer rekening wordt gehouden met de technische uitvoering van stallen. Het betreft maatregelen om op bedrijfsniveau de geurverspreiding te beïnvloeden en daarmee de geurbelasting op een of meer geurgevoelige objecten te verminderen, zoals het toepassen van een schoorsteen. Daarnaast werd en wordt in de vergunningverlening rekening gehouden met de verschillen in geuremissies bij verschillende typen stalsystemen en de reductie van geuremissie die bereikt kan worden bij het toepassen van luchtwassers.

2.3

EIGEN NORMSTELLING Gemeenten kunnen op grond van de Wgv binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten. De geurnorm heeft betrekking op de maximale geurbelasting die een individuele bron (een veehouderij) mag veroorzaken op een geurgevoelig object, zoals een woning in het buitengebied of een woning in de bebouwde kom. Wettelijk geldt een norm van 14 ou/m3 98 percentiel buiten de bebouwde kom en een norm van 3 ou/m3 98 percentiel voor objecten binnen de bebouwde kom. Voor bepaalde veehouderijbedrijven (geen intensieve veehouderij) geldt een vaste afstand die in acht genomen dient te worden (zie tabel 2.1). Bij de beoordeling van vergunningaanvragen van individuele veehouderijen dient bepaald te worden of de normen voor geurbelasting niet overschreden worden.

Tabel 2.1 Bandbreedte eigen gemeentelijke normstelling

Categorie geurgevoelig object

Wettelijke geurnorm (ou/m 98 percentiel)

3

Range gemeentelijke 3

geurnorm (ou/m 98 percentiel)

Bebouwde kom

3

0,1 – 14

Buiten de bebouwde kom

14

3 – 35

Categorie geurgevoelig object

Wettelijke vaste afstand

Afwijking vaste afstand

Bebouwde kom

100 meter

50 meter

Buiten de bebouwde kom

50 meter

25 meter

Een eventuele gemeentelijke normering dient vastgelegd te worden in een verordening, een gebiedsvisie moet deze verordening goed onderbouwen. De gebiedsvisie moet onderbouwen dat een – van de wet afwijkende – gemeentelijke normstelling nodig is om de gewenste ruimtelijke visie te realiseren. Bij het vaststellen van de norm, die dus de maximale belasting van een individuele bron bepaalt (de zogenaamde voorgrondbelasting), dient er rekening te worden gehouden met de geurhinder die meerdere bronnen samen (de cumulatieve belasting of de achtergrondbelasting) veroorzaken.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

7

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

2.4

AANHOUDINGSBESLUIT Vanwege de tijd, benodigd voor het opstellen van een dergelijke gebiedsvisie en verordening, kunnen vergunningaanvragen tijdelijk worden aangehouden via een aanhoudingsbesluit. Omdat de consequenties van de Wgv nog onvoldoende konden worden overzien en om te voorkomen dat milieuvergunningaanvragen worden ingediend die wel voldoen aan de wet maar niet aan het nog op te stellen gebiedsgericht beleid, heeft de gemeenteraad van Venray op 19 december 2006 een aanhoudingsbesluit voor het volledige grondgebied van de gemeente genomen. Het aanhoudingsbesluit is per 1 januari 2007 ingegaan. Op 8 mei 2007 heeft de gemeenteraad van Venray besloten voor een deel van het buitengebied het aanhoudingsbesluit op te heffen. In onderstaande figuur is dit weergegeven.

Figuur 2.2 Kaart gedeeltelijke opheffing aanhoudingsbesluit

2.5

OMGEKEERDE WERKING De normen die voortvloeien uit wetgeving inzake geurhinder van veehouderijen dienen in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een milieuvergunning kon worden verleend, op basis van de Wet milieubeheer. Deze normen vormden aldus een nadere precisering van het algemene beoordelingscriterium uit de Wet milieubeheer. Uit de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder (aangevuld met de Brochure Veehouderij en Hinderwet en de Cumulatiebeoordeling) en de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (zoals die tot 2007 golden) vloeiden afstandseisen voort welke in acht moesten worden genomen bij de verlening van de milieuvergunning. Bevond zich binnen de zgn. stankcirkels een geurgevoelig object dan moest de milieuvergunningaanvraag worden geweigerd.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

8

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Deze afstandseisen golden onder het oude regime niet alleen voor de verlening van de milieuvergunning, maar speelden ook een rol bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgevoelige bestemming kon worden gelegd binnen de stankcirkels van een bestaande veehouderij. Deze zogenaamde ‘omgekeerde werking’ heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals bestemmingsplannen en vrijstellingen. Vaste rechtspraak bij dit soort besluiten is dat in de nieuwe bestemmingen sprake moet zijn van een “aanvaardbaar woon- en leefklimaat”, hetgeen in het algemeen met zich meebrengt dat de afstandsnormen moeten worden aangehouden.

Ook onder de nieuwe Wet geurhinder? In de ruimtelijke ordening is op dit punt niets veranderd. Nog steeds zullen bestemmingsplannen en vrijstellingen een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ moeten waarborgen. Er is dus ook geen reden waarom de omgekeerde werking nu niet meer van kracht zou zijn. De eerste jurisprudentie bevestigt dat ook. Veranderd is slechts de wijze waarop bepaald wordt wat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Daarvoor is de Wet geurhinder doorslaggevend. Werd onder de oude regelingen gewerkt met afstanden (gerelateerd aan stallen en aantallen dieren en afhankelijk van de omgevingscategorie), in de nieuwe Wet is de geurbelasting, uitgedrukt in odour units of in vaste afstanden, gemaximeerd. Natuurlijk speelt de afstand daarbij ook een rol. Uitgaande van een bepaalde veehouderij kan zo bepaald worden op welke afstand een geurgevoelig object een gegeven geurbelasting zal ondervinden, hetgeen in de vraagstelling de ‘geurbelastingscontour’ wordt genoemd. Rekening houdend met de gewenste ruimtelijke ontwikkeling kunnen gemeentelijke verordeningen, binnen wettelijke marges, nadere bepalingen over de maximale geurbelasting bevatten. In beginsel diende bij het vaststellen van een bestemmingsplan het agrarische bouwblok als uitgangspunt voor het meten van de stankcirkel te worden genomen.

Als het bedrijf toch, om andere redenen, al niet meer kan uitbreiden, dan mag de grens van de bebouwing worden genomen of een bestaand emissiepunt. Dat kan niet al te snel worden aangenomen, zo blijkt uit rechtspraak. Ook op dit punt is er geen enkele aanleiding om te denken dat het met de nieuwe geurwetgeving anders zou liggen dan onder de oude regelingen.

Vergelijking contouren oude wetgeving en Wet geurhinder en veehouderij Uit een vergelijking met de oude wetgeving blijkt dat de geurcontouren van grotere bedrijven groter zijn dan in 2006. Bedrijven die dus in 2006 geen knelpunt vormden kunnen op basis van de nieuwe wetgeving wel een knelpunt vormen. Er is dus relatief vaker overlap tussen ruimtelijke ontwikkelingen en geurhindercontouren.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

9

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

In onderstaande figuur is dat geillustreerd. Figuur 2.3 Vergelijking stankcirkels (regelgeving voor 2007) en geurcontouren (Wet Geurhinder en Veehouderij)

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

10

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

HOOFDSTUK

3

Kaders voor de

gebiedsvisie 3.1

GEURBELASTING De huidige geurbelasting in Venray is hoger dan de landelijke streefwaarden. Gelet op de ligging van Venray in Noord- en Midden Limburg, een gebied met een sterke concentratie van (intensieve) veehouderij, is een hogere achtergrondbelasting (geur) dan de landelijke streefwaarde niet onaanvaardbaar. De geurbelasting is de afgelopen jaren gedaald en zal naar verwachting ook de komende periode dalen (bron: provinciale monitoring veehouderijen 1996-2006). Het streven is dan ook dat een afwijkende normstelling per saldo niet leidt tot een toename van de kans op geurhinder ten opzichte van de huidige situatie en dat een gemeentelijke normstelling bijdraagt aan de gewenste ruimtelijke spreiding van veehouderijen en de ontwikkelingskansen van nieuwe woon- en werkgebieden in en rondom de kernen, op de korte en op de langere termijn.

Streefwaarden Het RIVM hanteert voor haar milieukwaliteitrapportages en toekomstverkenningen voor het aspect geurhinder onderstaande ‘milieukwaliteitscriteria’. Voorgesteld wordt om deze criteria als basis voor de streefwaarden voor het acceptabele geurhinderniveau voor de gemeente Venray te gebruiken. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom wordt gestreefd naar een zeer goed tot redelijk goed leefklimaat. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom wordt gestreefd naar minimaal een redelijk goed leefklimaat. In de huidige situatie wordt niet overal aan deze streefwaarden voldaan. Voor circa 750 woningen in de gemeente Venray kan het leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting als matig worden aangeduid en voor circa 225 woningen als slecht (zie ook paragraaf 4.3). Ook binnen een termijn van 5 of 10 jaar zal naar verwachting niet overal aan de streefwaarden kunnen worden voldaan. Uitgangspunt is wel dat een eventuele eigen gemeentelijke geurnormering er toe moet leiden dat er voor een zo groot mogelijk aantal bewoners wordt voldaan aan deze streefwaarden. Lokaal kan de termijn, waarop deze streefwaarden worden behaald van elkaar verschillen, vanwege de huidige geurbelasting en de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

11

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Tabel 3.1 Classificatie achtergrondbelasting (RIVM)

3.2

Achtergrondbelasting

Mogelijke kans op geurhinder (%)

Beoordeling Leefklimaat

1-3

<5

Zeer goed

4-8

5-10

Goed

9-13

10-15

Redelijk goed

14-20

15-30

Matig

21-28

20-25

Tamelijk slecht

29-38

25-30

Slecht

39-50

30-35

Zeer slecht

51-65

35-40

Extreem slecht

Geur in ou/m³

BELEIDSKADERS De volgende beleidskaders zijn als bouwsteen voor bij opstellen van deze gebiedsvisie gebruikt: ƒ Het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg. Een belangrijk element uit dit provinciaal plan is de integrale zonering intensieve veehouderij. Dat betekent milieuruimte bieden op de duurzame locaties en minder mogelijkheden bieden op de niet-duurzame locaties. ƒ Het gemeentelijk ruimtelijk beleid, waaronder de ruimtelijke visies voor de verschillende kernen (kerkdorpen) in de gemeente Venray. Hierin zijn de zoekgebieden voor woningbouw aangegeven, op basis van de woonbehoefte en de gewenste stedenbouwkundige ontwikkeling van de kernen. Het veiligstellen van deze ruimtelijke projecten is een belangrijke aanleiding om gebiedsgericht normen aan te passen Deze beleidskaders worden in de twee hierna volgende paragrafen samenvattend beschreven.

3.3

UITGANGSPUNTEN RECONSTRUCTIEBELEID De gemeente Venray is gelegen in een reconstructiegebied Noord- en Midden-Limburg. Het doel van de reconstructie is het verbeteren van de omgevingskwaliteit in – en de sociaaleconomische vitaliteit van het buitengebied. Een belangrijk onderdeel van het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg is de integrale zonering intensieve veehouderij. Kern van de problematiek in een groot deel van het reconstructiegebied is dat intensieve veehouderij, wonen, werken, recreatie en natuur elkaar te vaak in de weg zitten. Het gevolg van deze problematiek is dat de intensieve veehouderij beperkt wordt in haar ontwikkelingsmogelijkheden, geuroverlast het woon- en leefklimaat in landelijke kernen vermindert of woningbouwmogelijkheden frustreert en dat de kwaliteit van natuur, landschap en water onder druk staat. Om deze gestapelde problematiek rond de intensieve veehouderij op een samenhangende manier aan te pakken, wordt gestreefd naar: ƒ ruimtelijke scheiding van intensieve veehouderij en conflicterende functies; ƒ ruimtelijke concentratie van de intensieve veehouderij op duurzame locaties met toekomstperspectief.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

12

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Het streven van het reconstructieplan is om de intensieve veehouderij zich tijdens de looptijd van het Reconstructieplan dusdanig te laten ontwikkelen, dat steeds meer bedrijven op goede locaties en steeds minder bedrijven dicht bij natuurgebieden en woonkernen komen te liggen. De intensieve veehouderij beweegt zich ‘afwaarts’ van kwetsbare functies als natuur en wonen. Deze afwaartse beweging is zowel in het voordeel van wonen, natuur en landschap, als van de intensieve veehouderij. Het voordeel voor natuur en landschap is vermindering van de ammoniakdepositie in de directe omgeving van het natuurgebied, versterking van het landschap door ‘ontstening’ (de afbraak van stallen), minder verstoring van de natuur door licht en geluid en minder verkeersbewegingen. Het voordeel voor wonen is vermindering van het aantal geurgehinderden en toename van geschikte woningbouwmogelijkheden. Het voordeel voor de intensieve veehouderij is dat zij op een plek is of wordt gevestigd waar ruime ontwikkelingsmogelijkheden zijn. Om deze afwaartse beweging vorm te geven zijn in het reconstructieplan drie typen zones opgenomen die onderdeel uitmaken van de integrale zonering Intensieve veehouderij. ƒ Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s). ƒ Verwevingsgebieden. ƒ Extensiveringsgebieden (rond bos- en natuurgebieden).

Extensiveringsgebieden Doel: afbouw op termijn In extensiveringsgebieden wordt gestimuleerd dat de intensieve veehouderij er op termijn wordt afgebouwd. Deze gebieden liggen rond de bos- en natuurgebieden die het meest kwetsbaar zijn voor depositie van ammoniak. In extensiveringsgebieden zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven beperkt. Nieuwvestiging is niet mogelijk. Vormverandering van bouwblokken van intensieve veehouderijen is alleen mogelijk indien dit nodig is om aan de eisen t.a.v. dierwelzijn te voldoen. Bedrijven met toekomstperspectief die gelegen zijn in extensiveringsgebieden en echt willen groeien, hebben de mogelijkheid om zich in landbouwontwikkelingsgebied te vestigen.

Verwevingsgebieden Doel: verweving Verwevingsgebieden kennen een sterke vermenging van functies (o.a. landbouw, toerisme en recreatie) met diverse waarden in het buitengebied (zoals water, landschap en natuur). Doel voor deze gebieden is dat deze functies en waarden zich naast elkaar ontwikkelen en elkaar onderling versterken.

Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG) Doel: concentratie van intensieve landbouwfuncties In een LOG kunnen bestaande intensieve veebedrijven groeien en is – in nader aan te wijzen gebieden binnen een LOG - ruimte voor nieuwe (of verplaatsende) bedrijven. Ruimtelijke concentratie van de intensieve veehouderij in gebieden die zowel bedrijfseconomisch als wat betreft omgevingskwaliteit duurzaam zijn, is hierbij het uitgangspunt. Landbouwontwikkelingsgebieden zijn in het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg zo begrensd dat er vanuit het provinciaal ruimtelijke en milieubeleid ook daadwerkelijk ruimte is voor bedrijfsontwikkeling en voor concentratie van bedrijven.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

13

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

In de praktijk zijn desondanks niet alle locaties in een landbouwontwikkelingsgebied ook geschikt om nieuwe bedrijven te vestigen. Vandaar dat er ook voor gekozen is om deze gebieden aan te wijzen als zoekgebieden en de uitwerking op lokaal niveau te laten plaatsvinden. In onderstaand figuur is de integrale zonering intensieve veehouderij weergegeven. Figuur 3.1 Integrale zonering intensieve veehouderij (RIVM)

3.4

GEMEENTELIJK RUIMTELIJK BELEID De gemeente Venray is een landelijke gemeente bestaande uit een stedelijke hoofdkern (Venray), een omvangrijk buitengebied en een groot aantal kleinere kernen (kerkdorpen). Het betreft de volgende kerkdorpen: Ysselsteyn, Oirlo, Vredepeel, Veulen, Heide, Merselo, Smakt, Leunen, Casteray en Oostrum. Rondom en in de kern Venray en de kerkdorpen is er behoefte aan nieuwbouw van woningen. In deze gebieden moet ook op basis van de nieuwe wet en de daarin opgenomen rekenmethoden ruimte blijven bestaan om te kunnen voorzien in de huisvestingsbehoefte.

Ruimtelijke visies kerkdorpen De gemeente heeft in 2007 negen ruimtelijke visies voor de kerkdorpen opgesteld. De ruimtelijke visies worden tegelijkertijd met deze gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij aan de gemeenteraad voorgelegd. Voor Oostrum is, als pilot voor gebiedsgericht werken, in 2006 al een integrale visie opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad. In de visies voor de kerkdorpen is aangegeven waar, wanneer en in welke vorm woningbouw gerealiseerd dient te worden. Dit betreft zowel inbreiding- als uitbreidingslocaties. De begrenzing van deze woningbouwlocaties (deels zoekgebieden) zijn als bouwsteen voor deze gebiedsvisie meegenomen.

Bestemmingsplan Kern Venray (2006) In het bestemmingsplan voor de kern Venray (2006) is aangegeven dat het behoud en zo mogelijk versterken van het stedenbouwkundige skelet dat bestaat uit concentrische ringen en radiale dragers uitgangspunt is voor de ruimtelijke ontwikkeling van de kern Venray.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

14

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Een groot deel van de vraag naar nieuwe woonmilieus wordt opgevangen in het noordwestelijke deel van de stad. Het gaat hier om de nieuwe woonwijk Brabander en op de langere termijn de locatie Vlakwater. De locatie Vlakwater ligt aan de westzijde van Venray.

Beleid Buitengebied (2005) De agrarische sector is een zeer belangrijke economische drager voor de gemeente Venray. Vanaf 1995 is een trend van schaalvergroting te constateren als gevolg van een dalend aantal bedrijven en een toename van het grondgebruik. Kenmerkend is voorts de bedrijfsomvang. Deze Venrayse bedrijven zijn gemiddeld groter dan het Limburgse of Nederlandse gemiddelde. Binnen de landbouw is voor elke sector wel de trend te herkennen dat de ontwikkelingsmogelijkheden niet overal meer aanwezig zijn, vandaar dat de landbouw behoefte heeft aan ‘vestigingsgebieden’ voor uitplaatsers uit/nabij gevoelige functies (bosen natuurgebieden, woonkernen). Het uitgangspunt voor het wensbeeld land- en tuinbouw is het versterken van de landbouw op die plaatsen waar zij al sterk is. De ontwikkeling van de land- en tuinbouw vindt voor het merendeel plaats via de bestaande bedrijven. Ontwikkeling van nieuwe bedrijfsactiviteiten zal primair plaatsvinden in de intensieve, al dan niet grondgebonden sector. In de delen van het buitengebied waar geen specifieke natuur- en landschapswaarden aanwezig zijn, kunnen alle mogelijkheden aan de landbouw worden geboden. Bestaande bedrijven kunnen zich hier - binnen de randvoorwaarden die het milieubeleid stelt - optimaal ontwikkelen.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

15

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

HOOFDSTUK

4.1

4

Huidige geurbelasting

INLEIDING Van de (digitaal opgeslagen) vergunningendossiers in de gemeente Venray en van provinciale gegevens van buurgemeenten (Limburg en Noord-Brabant) zijn de relevante gegevens voor de bepaling van geurcontouren ingevoerd in een GIS-module. Deze module is door ARCADIS ontwikkeld en maakt het mogelijk om de resultaten van het landelijke geurverspreidingsmodel V-stacks-gebied in beeld te brengen.

Invoergegevens Voor de modellering is uitgegaan van een ruwheid zoals opgenomen in landelijke beschikbaar gesteld verspreidingsmodel V-stacks en de zogenaamde default V-stacks parameters voor de staluitvoering. Op basis van gegevens van het bestemmingsplan buitengebied (mei 2005) en de locatie van woningen en adressen is voor de uitvoering van de quick scan de grens van de huidige bebouwde kom bepaald. Hiervoor is vooral de grens van het bestemmingsplan buitengebied aangehouden, in combinatie met de feitelijke bestaande bebouwing in de kernen. Op basis van gemeentelijke gegevens over gebouwen en adressen en gegevens uit de vergunningendossiers en het bestemmingsplan buitengebied, zijn de voor geurhinder gevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom bepaald. Daarnaast is bepaald waar de grens van de bebouwde kom kan veranderen bij het realiseren van nieuwe woongebieden.

4.2

OMGEKEERDE WERKING Op bijgaande kaart in de bijlage (bijlage 1) zijn: 1.

de indicatieve 3 en 14-ou-contouren (vaste wettelijke waarden) van alle veehouderijen in de gemeente Venray en van veehouderijen grenzend aan de gemeente Venray in beeld gebracht.

2.

Ook is, vanwege een beleidsvariant voor een eigen gemeentelijke normstelling, de 8 ou-contour op deze kaart weergegeven.

3.

Daarnaast is op deze kaart de begrenzing van de zogenaamde harde en zachte ruimtelijke projecten (in en rond de bebouwde kom) weergegeven, zoals opgenomen in de ruimtelijke visies voor de kernen van Venray.

4.

Ook zijn de landbouwontwikkelingsgebieden (de zoekgebieden uit het Reconstructieplan; de gebieden zijn op gemeentelijk niveau niet nadere begrensd) op deze kaart opgenomen.

Deze kaart is bedoeld om in beeld te brengen of een bijstelling van de wettelijke norm nodig is om ruimtelijke projecten veilig te kunnen stellen. De vaste wettelijke waarde gaat voor nieuwe woongebieden, die als onderdeel van de bestaande of “nieuwe” bebouwde kom zijn aan te merken, uit van een maximale geurbelasting van 3 ou.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

16

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Bij de omgekeerde werking (dat wil zeggen bij het beoordelen of een ruimtelijk plan zich binnen een geurcontour bevindt) dient er vanaf de rand van het agrarische bouwblok te worden gerekend. De contouren zijn daarom rondom de bouwblokken berekend. De feitelijke contour is afhankelijk van de staluitvoering (zoals de hoogte van de stal of een schoorsteen). Bij de berekening is uitgegaan van de zogenaamde defaultwaarde. Dat betekent dat de aangegeven ou-contouren indicatief zijn en dat voor een exacte ligging van de geurcontour op perceelsniveau, een nadere berekening noodzakelijk is, op basis van de staluitvoering van het betreffende bedrijf. Uit deze indicatieve kaart (bijlage 1) blijkt in eerste instantie het volgende: ƒ Over delen van een groot aantal kerkdorpen liggen 3 ou-contouren. De realisatie van nieuwe woningen (inbreidinglocaties) loopt gevaar vanwege de omgekeerde werking. Ook de realisatie van woningbouwprojecten buiten de bestaande kern loopt gevaar, vanwege de overlap van deze (uitbreidings)locaties met de indicatieve 3-ou contouren. Deze knelpunten komen vooral voor in de kernen Ysselsteyn, Heide, Leunen, Oirlo, Castenray, Merselo, Smakt, Oostrum en Vredepeel. ƒ Van belang voor deze ruimtelijke projecten is of deze de realisatie van nieuwe voor geurhinder gevoelige objecten inhouden en of deze als toekomstige bebouwde kom kunnen worden beschouwd.

Als dat inderdaad het geval is (een meestal is dat zo), dan is realisatie alleen mogelijk bij het intrekken/veranderen van de vergunningen van de veehouderijen of bij een andere geurnorm (lager beschermingsniveau). ƒ Daar waar een 3 ou-contour overlapt met een kern of een 14 ou-contour met een burgerwoning in het buitengebied, zitten veehouderijen mogelijk voor wat betreft het aspect geurhinder “op slot”. Indien er daadwerkelijk sprake is van een overlap van de geurcontouren rondom de emissiepunten (dus niet het bouwblok) met geurgevoelige objecten, kan een nieuwe vergunning alleen onder voorwaarden worden afgegeven. Een eventuele uitbreiding van het aantal dieren moet dan gepaard gaan met een reductie van de geuremissie. Deze situatie doet zich vooral voor rondom de genoemde kernen (overlap 3 ou-contour) en bij lintbebouwing in het buitengebied (overlap 14 ou-contour). ƒ Naast de ruimtelijke projecten die op de kaart zijn weergegeven, kunnen er ook een aantal andere ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden waarvan de realisatie mede afhankelijk is van het vastgestelde beschermingsniveau. Voorbeelden daarvan zijn nieuwe recreatieve ontwikkelingen, nieuwe woningen of andere geurgevoelige functies in het buitengebied (als gevolg van VAB-beleid) en ontwikkelingen in de landbouwontwikkelingsgebieden.

4.3

ACHTERGRONDBELASTING Op basis van de hiervoor beschreven gegevens is berekend welke achtergrondbelasting er is binnen de gemeente Venray, op basis van de huidige vergunde situatie. Deze kaart is in de bijlage (bijlage 2) opgenomen. De kaart geeft een modelmatige inschatting van de kans op geurhinder. Op basis van gegevens van VROM en het RIVM is de berekende achtergrondbelasting vertaald in een kans op geurhinder en is hieraan een indicatieve waardering (goed, redelijk goed, matig, tamelijk slecht, slecht, zeer slecht) gekoppeld. De indicatieve kaart geeft aan dat het grootste deel van de gemeente een achtergrondbelasting van minder dat 11 ou ervaart. Verder valt een relatief hoge achtergrondbelasting bij Ysselsteyn op. In enkele LOG’s (de zoekgebieden) ligt de achtergrondbelasting op verspreide burgerwoningen relatief hoog.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

17

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Hier dient echter beseft te worden dat per object deze achtergrondbelasting voor een groot deel bepaald wordt door één of slechts enkele nabijgelegen veehouderijen. In de onderstaande tabellen is weergegeven hoeveel geurgevoelige objecten in de gemeente Venray binnen de verschillende klassen m.b.t. het leefmilieu qua geurhinder zijn gelegen. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen objecten die gelegen zijn in de bebouwde kom en objecten die gelegen zijn buiten de bebouwde kom. Tabel 4.1 Objecten in de bebouwde kom

Kans op geurhinder

Beoordeling leefklimaat (Vrom/Rivm)

Aantal

<5%

zeer goed

4517

5-10%

goed

3532

woongebieden), classificatie

10-15%

redelijk goed

1772

achtergrondbelasting (RIVM)

15-20%

matig

535

20-25%

tamelijk slecht

36

> 25%

slecht

11

(inclusief nieuwe

Tabel 4.2 Objecten buiten de bebouwde kom, classificatie achtergrondbelasting (RIVM)

Kans op geurhinder

Beoordeling leefklimaat (Vrom/Rivm)

Aantal

<5%

zeer goed

127

5-10%

goed

199

10-15%

redelijk goed

363

15-20%

matig

207

20-25%

tamelijk slecht

112

25-30%

slecht

47

30-35%

zeer slecht

11

35-40%

extreem slecht

6

Bij deze tabellen moet opgemerkt worden dat veel woningen met een slecht of matig leefklimaat individueel “overbelaste” situaties zijn. In deze gevallen kan het zijn dat een object in een stankcirkel van een veehouderij ligt en op basis van voorgrondbelasting reeds overbelast is. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van één veehouderij welke de meeste geur bij het gevoelige object veroorzaakt. Dit kan ontstaan doordat de veehouderij dicht bij een geurgevoelig object is gelegen of het betreft een grote veehouderij. De voorgrondbelasting is altijd het gevolg van één veehouderij.

4.4

MILIEURUIMTE VEEHOUDERIJEN Op basis van de hiervoor beschreven gegevens is berekend welke milieuruimte op het gebied van vergunbare milieuruimte qua geur er is binnen de gemeente Venray, op basis van de vaste waarden zoals die in de wet zijn opgenomen en de geïnventariseerde voor geurhinder gevoelige objecten. Deze kaart is in de bijlage (bijlage 3) opgenomen. In het landbouwontwikkelingsgebied (zoekgebied LOG) ten zuiden van Venray (tussen Leunen, Heide en Veulen) blijken er beperkt uitbreidingsmogelijkheden te bestaan voor de intensieve veehouderij, vooral tengevolge van de verspreide ligging van geurgevoelige woningen in het buitengebied. In de andere zoekgebieden lijkt meer ruimte te zijn voor (inplaatsing van) intensieve veehouderij, zeker als verregaande geuremissiebeperkende technieken worden toegepast.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

18

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

In de onderstaande tabel is indicatief en samenvattend weergegeven, welke uitbreidingsmogelijkheden bestaande veehouderijen hebben (vergunbare extra emissie t.o.v. de huidige vergunning) bij toepassing van de vaste wettelijke waarden. Tabel 4.3 Uitbreidingsruimte veehouderijen bij toepassing vaste wettelijke waarden

Uitbreidingsruimte (indicatief) in ou (standaard staluitvoering)

Varkens

Pluimvee

Rundvee

Overig

0 (geen)

93

19

17

8

1 – 10 000

36

9

6

6

10 000 – 25 000

36

17

38

12

25 000 – 50 000

25

15

26

5

50 000 – 100 000

20

5

18

14

>= 100 000

20

3

9

3

Effect nieuwe wetgeving Hierbij moet worden opgemerkt dat uit een vergelijking met de oude wetgeving blijkt dat de geurcontouren van met name grotere bedrijven aanzienlijk groter zijn dan in 2006. Dat betekent dus dat ten opzichte van 2006 er nu meer veehouderijen zijn (het betreft vooral de intensieve veehouderijen) waarbij de geurcontour (op basis van de vaste wettelijke waarden) overlapt met een geurgevoelig object. Een dergelijke overlap is vanaf 1 januari 2007 vergunningstechnisch gezien makkelijker terug te dringen, omdat vanaf 2007 er bij de vergunningverlening veel meer rekening wordt gehouden met de technische uitvoering van de stallen. De Wgv meer mogelijkheden om op bedrijfsniveau met maatregelen de geurverspreiding te wijzigen en daarmee ook de geurbelasting op nabij gelegen geurgevoelige objecten te verlagen. Dergelijke aanpassingen kunnen bij bestaande veehouderijen kostbaar zijn. Voor bedrijven die niet in staat zijn een dergelijke technische aanpassing uit te voeren, zal er dus vaker dan in 2006 sprake zijn van een geuremissieplafond. Dit zal vooral aan de orde zijn in de gebieden rondom de kleinere kernen in de gemeente Venray. Naast de verschillen in de grootte in contouren speelt voor deze kleine kernen ook het verschil in beschermingsniveau (categorie 2 in 2006, nu de basiswaarde voor de bebouwde kom) mee.

Hierbij moet worden opgemerkt dat er bij veehouderijen rondom kernen, op basis van de regelgeving zoals die gold voor de vaststelling van het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg, er sprake was van een geuremissieplafond. Dit vanwege de toets op cumulatieve geurhinder op basis van de Brochure Veehouderij en Hinderwet uit 1985 en de Richtlijn Veehouderij en stankhinder uit 1996.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

19

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

HOOFDSTUK

5.1

5

Beleidsopties

INSTEEK GEBIEDSVISIE Bij het opstellen van deze gebiedsvisie wordt nadrukkelijk aangesloten bij 1.

de integrale zonering intensieve veehouderij;

2.

de wens om voldoende nieuwe woon- en werkgebieden te ontwikkelen.

In onderstaande tabel is geïllustreerd op welke wijze deze twee uitgangspunten gecombineerd kunnen worden tot mogelijke beleidsvarianten. Tabel 5.1 Voorbeeld varianten voor een gemeentelijke normstelling

Type gebied

Vaste wettelijke

Voorbeeld

waarde

afwijkende 3

(in ou/m 98 percentiel)

norm 3

(in ou/m 98

Motivatie afwijking van vaste wettelijke waarden

percentiel) Bebouwde kom

3

1 tot 2

Kans op te hoge cumulatieve hinder, versterken afwaartse beweging. Omgekeerde werking bij deze norm mag niet leiden tot ruimtelijke knelpunten.

4 tot 14

Ontwikkeling nieuwe woonfuncties in de kern mogelijk maken (inbreiding). Voorwaarde: leefmilieu is en blijft acceptabel.

8 tot 14

Specifieke functies binnen de bebouwde kom, zoals een bedrijventerrein, kunnen gezien de functie en ligging volstaan met een lagere beschermingswaarde.

Extensiveringsgebied

14

8

Versterken afwaartse beweging.

Verwevingsgebied,

14 (voor

8

Een soepelere norm om

samenvallend met

planologische

woningbouwproject mogelijk te

woningbouwprojecten

realisatie

maken. Voorwaarde: leefmilieu is

bouwproject);

en blijft acceptabel.

(rond natuurgebieden)

3 (na planologische realisatie

Strenger t.o.v. vaste norm voor

bouwproject)

het buitengebied om uitbreiding geuremissies in toekomstige woongebieden te beperken.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

20

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Type gebied

Vaste wettelijke

Voorbeeld

waarde

afwijkende 3

(in ou/m 98 percentiel)

norm 3

(in ou/m 98

Motivatie afwijking van vaste wettelijke waarden

percentiel) Overig

14

8

verwevingsgebied

Kans op te hoge cumulatieve hinder, versterken afwaartse beweging in de niet-duurzame delen van het verwevingsgebied.

20

Extra ruimte bieden in de duurzame delen van het verwevingsgebied. Voorwaarde: leefmilieu is en blijft acceptabel.

Landbouw-

14

8 tot 12

ontwikkelingsgebied

Kans op te hoge cumulatieve hinder.

20 tot 35

Extra ruimte bieden in de meest duurzame deelgebieden. Voorwaarde: leefmilieu is en blijft acceptabel.

5.2

VARIANTEN VOOR EEN EIGEN GEMEENTELIJKE NORMSTELLING

5.2.1

BASISVARIANT De wens op ruimtelijke projecten veilig te stellen door enerzijds op korte termijn de overlap tussen contouren van veehouderijen met de te ontwikkelen locaties te beperken en anderzijds door een toename van geurhinder in de zoekgebieden voor woningbouw ook op de langere termijn te beperken, is vertaald in een basisvariant voor een eigen gemeentelijke normstelling. De basisvariant is in onderstaande tabel uitgewerkt. 3

Door de norm van 8 ou/m 98 percentiel te hanteren in de zoekgebieden voor de nieuwe woningbouwlocaties (zowel binnen als buiten de bestaande kernen), worden er meer mogelijkheden gecreëerd om nieuwbouw van woningen te realiseren. Op deze manier hebben de nieuwbouwplannen minder invloed op de veehouderijen en zullen minder snel bedrijven in de weg zitten c.q. uitgekocht moeten worden. Omdat de norm van 3 ou wordt gehandhaafd voor de bestaande kernen (woongebieden), ook voor de landelijke kernen in de gemeente Venray, wordt er, ten opzichte van de regelgeving zoals die gold voor 1 januari 2007, extra bescherming geboden tegen geuroverlast voor inwoners in die kernen. Tegelijkertijd zorgt deze norm ervoor dat een ongewenste groei van de geurbelasting op die nieuwe woongebieden aan de rand van de bestaande kernen wordt voorkomen. Dit moet er toe leiden dat ondanks de “versoepeling” voor de nieuwe woongebieden (uitleggebieden en inbreidingslocaties) het leefmilieu op die locaties acceptabel is en blijft. De norm van 3 ou, gecombineerd met de norm van 8 ou voor de zoekgebieden woningbouw, zorgt voor een blijvende afwaartse beweging rond de kernen en de nieuwe uitleggebieden. Hierdoor wordt de kans op geurhinder beperkt en wordt de kans op ongewenste ontwikkeling van veehouderij in de mogelijke uitbreidingsgebieden op de langere termijn kleiner.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

21

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Daarnaast is in de basisvariant een onderscheid gemaakt tussen de woongebieden en de bedrijventerreinen. Voor bedrijventerreinen wordt een soepelere norm logisch en aanvaardbaar geacht. Op bedrijventerreinen zijn vaak bedrijven gevestigd die zelf al een bepaalde geur verspreiden, al is hier geen sprake van een ‘agrarische geur’. Het hanteren van de strenge geurnorm voor de bebouwde kom voor geurgevoelige objecten gelegen op industrieterreinen wordt daarom niet realistisch geacht. Er kan een bepaalde cumulatie plaatsvinden van geuren, die worden voor geurgevoelige objecten (kantoren, woningen enz.) gelegen op bedrijventerreinen acceptabel geacht. Er is voor de bedrijventerreinen daarom aansluiting gezocht bij de norm van 8 odour units. In het verlengde hiervan zijn ook enkele bijzondere gebieden (vakantiepark de Witte Vennen, clustering TBS/Pascalis/Dichterbij) beoordeeld. Hier zijn in veel gevallen meerdere mensen over een langere periode aanwezig. Er is vastgesteld dat voor deze gebieden een bescherming wenselijk is die verder reikt dan een burgerwoning in het buitengebied (norm 14 odour units) maar dat het niet vergelijkbaar is met de bebouwde kom (norm 3 odour units). Ook voor deze gebieden is aangesloten bij de norm van 8 odour units. Gebied

3

Norm in ou/m 98 percentiel

Tabel 5.2

Bestaande woongebieden, bebouwde kommen

Normstelling basisvariant

Zoekgebieden wonen, bedrijventerreinen, bijzondere gebieden

8

Landbouwontwikkelingsgebieden (zoekgebieden)

14

Overig buitengebied

14

5.2.2

3

LOG-VARIANT: EEN SOEPELERE NORM VOOR DE LOG’S Bij deze variant is onderzocht welke invloed een soepelere norm voor de landbouwontwikkelingsgebieden (zoekgebieden) kan hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen en de achtergrondbelasting. De vraag die daarbij aan de orde is of het mogelijk is de ontwikkelingsruimte in het LOG te vergroten door de geurnorm te versoepelen, zonder dat hierbij het leefmilieu te sterk achteruit gaat.

Tabel 5.3

Gebied

Normstelling LOG-variant

Bestaande woongebieden, bebouwde kommen

3

Norm in ou/m 98 percentiel 3

Zoekgebieden wonen, bedrijventerreinen, bijzondere gebieden

8

Landbouwontwikkelingsgebieden (zoekgebieden)

25

Overig buitengebied

14

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

22

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

5.2.3

MOGELIJKE ANDERE BELEIDSOPTIES

Een strengere norm voor de bestaande kernen? Gelet op de problematiek van een hogere geurbelasting en de gewenste afwaartse beweging rondom de kernen is onderzocht of het mogelijk is in plaats van een norm van 3 ou/m398 percentiel voor de bestaande bebouwde kom een strengere norm (bijvoorbeeld 2 of 1 ou/m

3

98 percentiel) voor de bestaande bebouwde kom te hanteren. Dit om de gewenste afwaartse beweging extra te bevorderen. Een scherpere normering dan de wettelijke normering van de Wgv heeft echter direct twee consequenties: 1.

Veehouderijen ‘lopen eerder tegen een grens aan’: Bij uitbreidingsaanvragen zal sneller sprake zijn van een beperking vanuit de geurcontour. Dit is oplosbaar door technische maatregelen, zoals het verleggen (horizontaal, maar ook verticaal) van emissiepunten en door toepassing van emissiebeperkende stalsystemen, bijvoorbeeld luchtwassers. Dit leidt echter wel tot kosten voor de veehouders.

2.

Verstedelijkingsprojecten ‘lopen eerder tegen een grens aan’: Een strengere normering heeft als consequentie dat meer bijbehorende geurcontouren van veehouderijen tot in de bebouwde kom reiken. Via de ‘omgekeerde werking’ zou een strengere geurnormering dan kunnen betekenen dat (incidentele) nieuwbouw niet kan worden gerealiseerd op locaties waar vanwege de norm een geurcontour van een veehouderijbedrijf overheen ligt. Dit is op te lossen door per nieuwbouwlocatie een soepelere norm vast te stellen. Dit leidt echter tot een te groot verschil tussen de toetswaarde voor de veehouders en de toetswaarde voor de ruimtelijke ontwikkelingen.

Beide consequenties zijn bij wijze van vingeroefening in beeld gebracht door – aanvullend op de wettelijke 3 en 14 ou-contouren – tevens de 1 ou-contouren van veehouderijen in beeld te brengen. Onderstaande tabel geeft hiervan het overzicht. TABEL 5.4 Aantal veehouderijen waarvan de contouren over huidige en toekomstige

Aantal

Waarvan in een

Waarvan buiten

veehouderijen

LOG

Venray

Bestaand

134

19

2

inclusief

144

20

2

Bestaand

57

2

1

inclusief

73

2

1

Bestaand

26

0

0

inclusief

41

0

0

Type contour

Bebouwde kom

1 ou-contour

bebouwde kom ligt.

nieuwbouw 3 ou-contour

nieuwbouw 14 ou-contour

nieuwbouw

Aangezien er 460 veehouderijen liggen in de gemeente Venray, betekent dit dat circa een derde van de veehouderijen beïnvloed wordt in geval van een normstelling van 1 ou-contour op de kerkdorpen. Daarom wordt een dergelijke beleidsvariant niet reëel geacht.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

23

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Een nog soepelere norm in het LOG? Binnen de landbouwontwikkelingsgebieden (zoekgebieden) zou het voor de hand kunnen liggen om de geurnorm voor bescherming van objecten nog verder te versoepelen. Dit om maximaal ruimte te bieden aan de ontwikkelingsmogelijkheden van (nieuwe) intensieve veehouderijen. Een verdere versoepeling in het LOG is mogelijk door de norm maximaal te 3

verhogen naar 35 ou/m 98 percentiel. In de onderstaande figuur is het effect aangegeven bij een 50.000 ou bedrijf en een 100.000 ou bedrijf bij toepassing van de verschillende normen. De geurnormstelling is op basis van een logaritmische schaal. Het verschil in grootte van een geurhindercontour van 25 ou of 35 ou is dan beperkter dan het verschil in grootte van een geurhindercontour van 14 ou of 25 ou.

Figuur 5.1 Geurhindercontouren bij verschillende bedrijfsgrootte

De sturende werking van een dergelijke extra soepelere norm (35 ou in plaats van 25 ou) voor de bestaande bouwblokken is relatief beperkt. Wel ontstaat er extra milieuruimte in het nu onbebouwde gebied binnen de zoekgebieden LOG. Gelet op het feit dat de zoekgebieden (nog) niet nader begrensd zijn, er relatief veel zoekgebieden binnen de gemeente gelegen zijn en de relatief hoge achtergrondbelasting in die gebieden, wordt op dit moment een verdere versoepeling naar 35 ou niet nodig of wenselijk geacht.

Een strengere norm voor de extensiveringsgebieden rond de bos- en natuurgebieden? De werking van een strengere norm voor geurgevoelige objecten die gelegen zijn in de extensiveringsgebieden rond de bos- en natuurgebieden is relatief beperkt. Dit komt omdat in die gebieden relatief weinig voor geurhinder gevoelige objecten zijn gelegen. Ook omdat een dergelijke strengere norm geen relatie heeft met een knelpunt met betrekking tot de geurbelasting, wordt voorgesteld in de extensiveringsgebieden rond bos- en natuurgebieden uit te gaan van de vaste wettelijke waarden (14 ou).

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

24

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

HOOFDSTUK

6.1

6

Effecten beleidsopties

INLEIDING In dit hoofdstuk worden de effecten van de benoemde beleidsopties (de basisvariant en LOG-variant) voor een eigen gemeentelijke normstelling beschreven. Daarbij wordt ingegaan op de effecten op de haalbaarheid van de ruimtelijke ontwikkelingen, de effecten op de mogelijke ontwikkeling van de achtergrondbelasting en het effect op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. De effecten van de beleidsopties worden onderling vergeleken en vergeleken met de optie “vaste wettelijke waarden” (dus geen eigen gemeentelijke normstelling). Dit wordt in deze gebiedsvisie de nulvariant genoemd. Door de effecten van de beide beleidsopties te vergelijken met de nulvariant ontstaat er een goed (maar indicatief) beeld van de gevolgen van de beleidsopties voor de haalbaarheid van de ruimtelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingsruimte (voor wat betreft geur) van veehouderijen. Om het effect op de ontwikkeling van de geurbelasting in beeld te kunnen brengen, is in beeld gebracht hoe de veehouderij zich zou kunnen ontwikkelen. Hierbij is uitgegaan van een groeiscenario: wat zou er kunnen gebeuren als ….? Aanvullend aan deze analyse is een situatie doorgerekend waarbij er naast de uitbreiding van veehouderijen) ook is uitgegaan van de nieuwvestiging van intensieve veehouderijen in de LOG’s (zoekgebieden).

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

25

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

In onderstaand figuur is schematisch weergegeven hoe de effecten van de beleidsopties zijn onderzocht en onderling vergeleken.

Figuur 6.1 Effecten en vergelijking

Aanpassing normen

effecten beleidsopties

Nulvariant 3 - 14 Basisvariant 3- 8 -14

LOG variant 3-8-14-25

6.2

Ontwikkeling woningbouw en veehouderij Omgekeerde werking, geurbelasting en milieruimte

Scenario geurbelasting

Omgekeerde werking en Milieruimte basisvariant

Scenario geurbelasting

Extra milieuruimte bij wijzigen norm in de LOG’s

nulvariant

basisvariant

Scenario geurbelasting LOG-Variant

A:Zonder nieuwvestiging B: Met nieuwvestiging

HAALBAARHEID RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGEN Op de kaart in de bijlagen (bijlage 1) zijn de indicatieve 3, 8 en 14-ou-contouren van alle veehouderijen in de gemeente Venray en van veehouderijen grenzend aan de gemeente Venray in beeld gebracht. Deze kaart is bedoeld om te beoordelen of en welke ruimtelijke projecten hinder ondervinden van geurhinder van veehouderijen. De berekeningen zijn indicatief. Voor een exacte ligging van de geurcontour op perceelsniveau is een nadere berekening noodzakelijk. Uit deze indicatieve kaart (bijlage 1) blijkt dat een aantal ruimtelijke projecten zijn geprojecteerd binnen de 3-ou-contouren, maar voor een groot deel buiten de 8-ou-contouren. Door voor deze gebieden, ook als het een toekomstig woongebied betreft, een norm van 8 ou te hanteren, wordt er gebruik gemaakt van de mogelijkheden om ruimtelijke projecten veilig te stellen. Dit laat onverlet dat een aantal projecten ook bij een dergelijke soepelere norm alleen mogelijk zijn bij het stoppen of gedeeltelijk intrekken van veehouderijen die in en direct grenzend aan de toekomstige woongebieden zijn gelegen. Dit was al zo op basis van de regelgeving die gold voor 1 januari 2007 en blijft ook zo onder het regime van de Wet geurhinder en veehouderij. Wel kan voor een aantal kernen een soepelere norm (dus soepeler dan 8 ou) de overlap beperken.

In bijlage 4 is een kaart opgenomen waarin alleen de indicatieve 8 contouren van alle veehouderijen in de gemeente Venray en van veehouderijen grenzend aan de gemeente Venray zijn geprojecteerd ten opzichte van de nieuwe woningbouwgebieden (zoeklocaties). Hieruit valt af te lezen dat er ook bij een norm van 8 ou mogelijk knelpunten zijn met betrekking tot de realiseerbaarheid van ruimtelijke projecten vanwege de aanwezigheid van geurcontouren.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

26

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Een verdere versoepeling voor de nieuwe woongebieden? Een nog soepelere norm (bijvoorbeeld 14 ou) zal de nog resterende overlap kunnen beperken. Gelet op het feit dat in de kaart altijd is uitgegaan van de contouren rondom bouwblokken (wat tot een overschatting kan leiden van de contouren), uitgegaan is van de standaard uitvoering van stallen (vooral bij moderne stallen kan de contour kleiner zijn dan weergegeven) is het advies om niet bij voorbaat in te steken op een nog soepelere norm. Bij een meer exacte berekening kan blijken dat de norm van 8 ou voldoende ruimte biedt om het ruimtelijk plan te realiseren. Ook kan geacht worden aan het aanpassen van het stedenbouwkundig plan, het nemen van technische maatregelen bij een bedrijf of bedrijfsverplaatsing. Wel kan er gebiedsspecifiek, bijvoorbeeld in het kader van de ruimtelijke procedures, onderzocht en onderbouwd worden of een verdere versoepeling nodig is, waarom andere alternatieven (andere locaties, aanpassen stedenbouwkundig plan, het nemen van maatregelen, het saneren van bedrijven e.d.) bij een norm van 8 ou niet voldoende probleemoplossend of haalbaar zijn en dat de verdere versoepeling niet leidt tot knelpunten m.b.t. het leefmilieu.

Vaste afstanden Voor de bedrijven gelden vaste afstanden van 100 en 50 meter voor respectievelijk objecten binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv stelt dat afwijking van deze afstanden mogelijk is tot respectievelijk 50 en 25 meter. Het afwijken van de wettelijke vaste afstanden schept ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Uit de kaart in bijlage 1 en 4 zijn ook de bedrijven met een vaste afstand af te lezen. Dit zijn de bedrijven waar een contour van 50 en 100 meter rondom het bouwblok is getrokken. Er is sprake van een paarse (50 meter) contour en een groene (100 meter) contour. Deze kaart laat zien dat er in de zoekgebieden woongebieden weinig overlap is met bedrijven die een vaste afstand hebben. Dat betekent dat een “generieke” halvering van de vaste afstanden weinig nut heeft. Een eventuele aanpassing kan worden meegenomen in een maatwerk onderzoek zoals hiervoor is beschreven.

6.3

MOGELIJKE ONTWIKKELING VEEHOUDERIJ

Regionaal scenario ontwikkeling veehouderij Het is ingewikkeld om een nauwkeurige berekening van de toekomstige achtergrondbelasting te maken. Een van de meest bepalende factoren bij de inschatting van de kans op geurhinder is de inschatting van de ontwikkeling van de veehouderij. Welke bedrijven zullen groeien? Welke bedrijven krimpen of zullen mogelijk stoppen? Tot welke omvang groeien bedrijven? Wat is vanuit bedrijfseconomisch oogpunt een optimale grootte van een bedrijf in de toekomst? En in welke mate wordt dit beïnvloed door de normstelling in het kader van de Wgv? Op basis van de wettelijke of gemeentelijke normstelling kan indicatief berekend worden welke individuele ruimte bedrijven hebben om, qua geuremissie, te groeien. Op basis van de individuele ruimte per bedrijf kan een scenario worden geschetst wat de geurbelasting zou zijn als alle bedrijven deze individuele ruimte maximaal benutten.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

27

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

Voor de gemeente Venray is een dergelijk scenario doorgerekend. De resultaten laten zien dat bij een dergelijke “maximale opvulling” er knelpunten m.b.t. de achtergrondbelasting kunnen ontstaan, vooral in het oostelijk deel van de gemeente. Dergelijke scenario’s zijn ten aanzien van de kans op geurhinder als een worst case scenario te zien. Ze geven echter geen realistisch beeld van de te verwachten geurhinder. Immers: niet elk bedrijf groeit. Al sinds lange tijd daalt het aantal locaties. De gemiddelde grootte van de overblijvende locaties neemt toe, maar veelal zijn die bedrijven minder groot dan mogelijk zou zijn op basis van de geurregelgeving. Niet alleen de individuele geurnorm, maar ook heel veel andere factoren zijn bepalend voor de ontwikkeling van de veehouderijen zoals marktontwikkelingen, leeftijd van de ondernemer, opvolging, eerder gedane investeringen en de mogelijkheden die er zijn binnen wet- en regelgeving. Niet elk bedrijf zal of kan de individuele geurruimte volledig benutten en grotere intensieve veehouderijen zullen vanwege Europese regelgeving technieken moeten toepassen die leiden tot extra reductie van emissies (ammoniak, fijn stof en geur). Kortom: een worst case scenario biedt onvoldoende basis voor het nemen van gefundeerde beslissingen over een eventuele eigen gemeentelijke normstelling.

Maar: welke ontwikkeling is wel als realistisch te beschouwen? Vast staat dat elke uitspraak daarover onzeker is. Maar op basis van een inschatting die is gemaakt in samenspraak met o.a. gemeenten in Noord- en Midden Limburg, de provincie Limburg, de Limburgse Milieufederatie, ARVALIS, ARCADIS en het Landbouw Economisch Instituut, is in deze gebiedsvisie een scenario benoemd. Dit kan gezien worden als risico scenario (hoe ontwikkeld de achtergrondbelasting zich bij groei van veehouderijen?), te gebruiken bij het onderzoek naar de effecten van verschillende individuele normen op de ontwikkeling van de geurbelasting en de ontwikkeling van de veehouderijen. Hieronder is een overzicht opgenomen van een aantal “referentiebedrijven”: een inschatting van de ‘intensieve veehouderijbedrijven’ van de toekomst. Per type bedrijf is de geuremissie op basis van het ontwerp AMvB Huisvesting (“emissiearm”) opgenomen en is de geuremissie weergegeven bij toepassing van extra technieken (luchtwassers). Bij het toepassen van luchtwassers wordt die geuremissie sterk verminderd. Zogenaamde gecombineerde luchtwassers zorgen ook voor een daling van de emissie van ammoniak en fijn stof. Grotere bedrijven zijn op basis van een landelijke beleidslijn (juni 2007) verplicht om de ammoniakemissie te reduceren. Bij het toepassen van gecombineerde luchtwassers leidt dit ook tot een daling van de geuremissie.

Sommigen bedrijven in Venray hebben die technieken ook al toegepast.

110502/ZF7/520/201550

ARCADIS

28

GEBIEDSVISIE GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12569298/1