CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Definitief getekend verordening Algemeen Plaatselijke Verordening gemeente Venray 2023

Gemeenteraad 9 mei 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Actualisatie APV 2023.24.664 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

2 Tot de voertulgen als bedoeld in dit art¡kel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht dae ¡n lotaal n¡et

3

4 5

meer dan een uur vergen. en dit gedurende de rijd d¡e nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden: of b. voertulgen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuagen te stallen. te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voenuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren

binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertulgen: b. de weg als werkplaats voor voertulgen te gebruiken. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Op de ontheffing is paragraaf 4. | .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (pos¡t¡eræ fictieve beschlkking bU niet tijdlg beslissen) n¡et van toepassing.

Artlkel 5:3 Te koop aanbleden van voertulgen

I 2 3

Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelljke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Op de onthefflng ls paragraaf 4.I .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (pos¡t¡eve fictieve beschikking bij niet tüdig besl¡ssen) niet van toepassing.

Artlkel 5:4 Defecte voertulgen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudlg ¡e verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg ¡e parkeren.

Artlkel 5 :5 Voertulgwrakken

I 2

Het is verboden een voertuig dat rljtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk vemaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. He¡ verbod ¡s naet van toepass¡ng op situaties waarln wordt voorzlen door de Wet milieubeheer.

Artlkel 5:6 Kampeermlddelen en andere voertulgen

L Het ls verboden een voerluig dat voor recreat¡e of anderszins voor andere dan verkeersdoelelnden wordt gebruikt: 5l

a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg. waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk ls voor het ul¡erlUk aanzlen van de gemeente: b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het u¡terl¡jk aanz¡en van de gemeente.

2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. bedoeld in het eers¡e lid, aanhef en onder a. 3. Het verbod in het eerste lld ls nlet van toepasslng op sltuaties waarln wordt voorzlen door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale omgevingsverordening 201 4.

4. Op de onthefllng is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (posltleve fìctleve beschikking bU niet tijdlg b€sl¡ssen) niet van toepassing.

Anlkel 5:7 Parkeren van reclamevoertulgen

I 2 3

Het ls verboden een voertuig dat ls voorzlen van een aandulding van handelsreclame. op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van het verbod ontheff¡ng verlenen. Op de ontheffìng is paragraaf 4.I .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tudlg beslissen) van toepassing.

Artlkel 5:8 Parkeren van grote voertulgen

I 2 3 4 5 6

Het ls verboden een voertulg dat. met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar d¡t naar ziJn oordeel schadelljk ls voor het uiterlljk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading. een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Het tweede lid is voorts niet van toepass¡ng op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto's, caravans en kampeenvagens. voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. Het college kan van de ln het eerste en tweede l¡d gestelde verboden ontheffing verlenen. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (pos¡t¡eve fictieve beschikking blj niet tljdlg besllssen) nlet van toepasslng.

Artlkel 5:9 Parkeren van uiüzlchtbelemmerende voertulgen

I

2

Het ls verboden een voertulg dat, met lnbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitz¡cht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlUke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod is nlet van toepasslng gedurende de tUd die nodlg ls voor en gebrulkt wordt voor het u¡tvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voenuig ter plaatse noodzakelljk ls.

Artlkel 5:10 Parkeren van voertulgen met stankverspreldende stoffen (gereserveerd)

5Z

Artlkel 5:l I Aanustlng groenvoorzlenlngen door voertulgen

I 2

Het ls verboden met een voertulg te rljden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplantlng of groenstrook, of het daarln te doen of te laten staan. Dit verbod is niet van toepasslng: a. op de weg; b. op voertulgen dle worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of ls lngenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3 H€t college kan van het verbod onthefflng verlenen. 4 Op de ontheffìng is paragraaf 4.1 .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (posltleve fictieve beschlkklng biJ niet tijdig beslissen) n¡et van toepasslng.

Artlkel 5:12 Overlast van flets of bromflets

I

Het is verboden fìetsen of bromfietsen onbeheerd bulten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan op een door het college ln het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente. ter voorkomlng of beêlndlging van overlast, of ter voorkomlng van schade aan de openbare gezondheid. aangewezen weg of weggedeelte.

2 Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in venvaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

3 Het is verboden om op een door het college aangewezen weg ofweggedeelte in het belang van de beschikbare ru¡mte voor het stallen van fletsen of bromfietsen, langer dan een perlode van vier weken zonder wezenlljke tiJdsonderbreking van de voor het stallen van fìetsen of bromfìetsen bestemde ruimten of plaatsen gebrulk te maken.

Afdellng 2. Collecteren Artlkel 5:13 lnzamellng nan geld of goederen

I 2

3 4 5

Het is vefboden zonder vergunning van het college een openbare lnzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlljst aan te bieden. Onder een lnzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bU het aanbleden van goederen,

waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbleden van dlensten aanvaarden van geld of goederen, lndien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadlg of ideêel doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een lnzamellng die in besloten kring gehouden wordt. Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrljstelllng verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen dle gehouden worden door daarbij aangewezen lnstellingen. Op de vergunnlng is paragraaf 4.¡.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij n¡et tijdig beslissen) van toepassing.

Afdellng 3. Venten Artlkel 5:14 Deflnltle

s3

I

ln deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de ultoefening van de ambulante handel te koop aanbleden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats ofaan huis.

2 Onder venten wordt nlet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen ln het kader van de exploltatle van een winkel als bedoeld in artikel I van de W¡nkeltajdenwet;

b. het te koop aanbleden. verkopen of alleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en mark¡en als bedoeld ln artlkel 160. eerste lld. aanhef en onder g. van de Gemeentewet of artlkel S:22: c. het te koop aanbieden. verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbleden van dlensten op een standplaats als bedoeld ln artikel 5:17.

Artlkel 5:15 Venwerbod

I 2 3 4 5

Het ls verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het mllleu ln gevaar komt. Onvermlnderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 21.00 en 09.00 uur. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffìng verlenen. Op de onthefflng bedoeld ln het derde lid is paragraaf 4.1 .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (posltleve flctieve beschikking b¡j nie¡ tijdig beslissen) niet van toepasslng. Het verbod ln het eerste lld ls nlet van toepasslng op situatles waarln wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswe¡.

6 He¡ verbod bedoeld in het eerste lld. ls nlet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Artlkel 5:16 Vr[held van menlngsultlng (gereserveerd)

Afdeling 4. Standplaatsen Artlkel 5:17 Deffnltles

I 2

ln deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en ln de openlucht gelegen plaats te koop aanbiedén. verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten. gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een Jaarmark¡ of markt als bedoeld ln artlkel 160. eerste lld. aanhef en onder g, van de Gemeentewet: b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld ln anlkel 2:24 waarvoor toestemmlng ls verleend in een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:25; c. het aanbleden van goederen en dlensten als bedoeld in artikel 5:13, tweede lid.

Artlkel 5:l I Standptaatsvergunnlng en welgerlngsgronden

I Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats ¡n te nemen of te hebben. 2 Het college we¡gert de vergunning wegens strud met het bestemmlngsplan of voorbereidlngsbesluit. 3 Onverminderd het bepaalde ln artikel l:8 kan de vergunning worden geweigerd: s4

a. indien de standplaats hetzu op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de elsen van ru¡mtelljke kwaliteit;

b. lndien als gevolg van bljzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkenvijs te verurachten ls dat door het verlenen van de vergunnlng voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de (onsumen¡ ter plaatse in gevaar komt;

c. in het belang van de verkeersvrljheid of -veiligheid. 4 Het college kan nadere regels stellen aan de standplaatsen. 5 Op de vergunning ls paragraaf 4.1 .3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (posit¡eve fictieve beschikklng bij n¡et tijdig beslissen) niet van toepass¡ng.

Artlkel 5:l 9 Toestemmlng rechthebbende Het ls de rechthebbende op een perceel verboden to€ te staan dat daarop zonder vergunnlng van het college een standplaats wordt of ¡s ingenomen.

Anlkel 5 :20 Afbakenl ngsbepallngen

¡ 2

Art¡kel 5: I 8, eerste lid is niet van toepassing op sltuatles waarln wordt voorzlen door de wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond van artikel 5: I 8, derde lid. onder a, is nlet van toepassing op bouwwerken.

Afdeling 5. Snuffelmarkten (vervallen)

Afdeling 6. Openbaar water Artlkel 5:24 Voonrerpen op, ln of boven openbaar water

I

2 3 4

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp. n¡et zijnde een vaartuig, op. in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zljn omvang of vormgeving, construct¡e of plaats van bevestiglng gevaar oplevert voor de brulkbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vorm¡ voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Oegene die voornemens ¡s een ste¡ger. een meerpaal of een ander vooryverp met een permanent karakter op, ln of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterliJk twee weken tevoren een melding aan het college. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder. en een beschr[ving van de aard en omvang van het voofwerp. Het eerste lid ls niet van toepasslng op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. de Scheepvaar¡verkeerswet, het Einnenvaartpolitlereglement. de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening of het bepaalde b[ of krachlens de Telecommunicatiewet.

Artlkel 5:25 Llgplaats woonschepen en overlge vaartulgen

I

He¡ is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een llgplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

5S

2 Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartu¡g op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente:

b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaanuigen.

3 Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op s¡tuat¡es waarin wordt voorzien door de Wet mllieubeheer, het Einnenvaanpolltiereglement, de Wa¡erwet, de Provlnciale vaarwegenverordenlng of de Provinciale omgevingsverorden¡ng 201 4.

Anlkel 5:26 Aanwlfzlngen llgplaats

¡ 2

Het college kan aan de rechthebbende op een vaartu¡g aanwuzingen geven met betrekking tot het ¡nnemen. veranderen of gebrulk van een llgplaats in het belang van de openbare orde. volksgezondheld. velligheid, de mllleuhyglëne en het aanzlen van de gemeente. Oe rechthebbende op een \raartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen

met betrekking tot het innemen, ræranderen of gebrulk van een llgplaats op te volgen.

3 Het verbod is niet van toepass¡ng op s¡tuaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaalswerken. het Blnnenvaartpolitlereglement. de Waterwet of de Provinclale vaan vegenverordeni ng.

Artlkel 5:27 Verbod lnnemen llgplaats He¡ is verboden een ligplaats ¡n te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in str¡jd met het krachtens

artlkel 5:26. tweede lld bepaalde.

Artl kel 5 : 2 8 Beschad gen van waterstaatswerken I

I

2

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren. havens, dijken, wallen, kaden. trekpaden. beschoelingen, oeverbegroeling, bruggen, zetten, duikers. pompen, waterleidingen. gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen dle bij de gemeente in beheer zljn. Het verbod is niet van toepasslng op situat¡es waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Blnnenvaartpol¡tiereglement. de Waterwet of de Provlnciale vaanregenverordening.

Artlkel 5:29 Reddlngsmlddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artlkel 5:30 Velllgheld op het water

l. Het is aan een ieder dle zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt. verboden zlch zodanig te gedragen dat het scheepvaanverkeer daarvan hlnder of gevaar kan ondervinden.

2. Het verbod ls niet van toepass¡ng op situaties waar¡n wordt voorzlen door het Einnenvaartpolitiereglement, de Watenvet of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artlkel 5:31 Overlast aan vaartulgen

l. Het ls verboden zlch zonder redelljk doel vast te houden aan een vaartulg ln openbaar water. daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2. Het ls aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig. liggend in of aan een openbaar water. los te maken. 56

Afdeling 7. Crossterrelnen en gemotorlseerd en ruiterverkeer ln natuurgebleden nrtlkel 5:3 I A Deflnltles ln deze afdellng wordt verstaan onder:

a. motorvoenulg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel l. onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens I 990:

b. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in anikel l, eerste lid onder e. van de Wegenverkeerswet

I 994.

Artlkel 5 :32 Crossterrelnen

l. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertulg of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorberelding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motoruoertulg of een bromfìets met het kennelijke doel daartoe aanwezlg te hebben. 2. Het verbod van het eerste l¡d is naet van to€passing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarblj nadere regels stellen voor het gebruik van deze terre¡nen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming vån het ulterl[k aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

c. de veiligheld van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstriJden en ritten of van he¡ publiek. 3. Het verbod ln het eerste lld ls nlet van toepasslng op situaties waarin wordt voorzien door de We¡ mllleubeheer of het Eesluit geluidproductie sportmotoren.

Artlkel 5:33 Beperklng verkeer ln natuurgebleden

l. Het ls verboden blnnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden. parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terrelnen te r¡jden of zlch te bevinden met een motorvoertuig. een bromfiets. een fìets of een paard. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod ln het eerste lid nlet van toepassing is. Het kan daarbü regels stellen voor het gebruik van deze ¡erre¡nen in het belang van:

a. het voorkomen van overlast: b. de bescherm¡ng van natuur- of milleuwaarden; c. de velligheld van het publiek. 3. Het verbod an het eerste l¡d ls nlet van toepass¡ng op motorvoertu¡gen, bromfietsen. fietsen en paarden:

a. ¡en dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens anikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde min¡ster aangewezen hulpverlenlngsdiensten; b. die worden gebrulkt ln verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terrelnen als ln her eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken dle krachtens wettel[k voorschrift moeten worden

ultgevoerd:

57

d. van de zakel[k gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen ziJn binnen de ¡errelnen als in het eerste lld bedoeld:

e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

f. die worden gebruikt voor de recreatiesport op de daartoe aangeduide mounta¡nb¡ke- en ruiterpaden.

4. Het in het eerste lid gestelde verbod ¡s voorts niet van toepass¡ng: a. op wegen dle gelegen z[n blnnen de in het eerste lid bedoelde gebleden of terrelnen: b. binnen de bij of krachtens de Provinciale omgevingsverordening 2014 aangewezen stlltegebleden ten aanzlen van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als'toestel'. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 6. Op de onthefflng is paragraaf 4.ì.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fìctieve

beschikking bij niet tijdig besllssen)'niet van toepass¡ng,

Afdeling 8. Vuurverbod Artlkel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden bulten lnrlchtlngen of anderszlns vuur te stoken

l. Het is verboden in de openlucht afualstoffen te verbranden buiten inrich¡angen in de zin van de We¡ mllleubeheer of anderszins vuur aan te leggen. te stoken of te hebben.

2, Het verbod geldt niet voor zover het betreft onderstaande afvalstoffen in een periode dle daartoe door de gemeente ls aângewezen. tenz[ sprake is van gevaar. overlast of hinder voor de omgeving: a. het verbranden van ke¡stbomen en het stoken van Sint Maartensvuren: b. het verbranden van snoei- en sprokkelhout waarvoor de Plantenziektekundige dienst een aanzegg¡ng heeft afgegeven in het kader van de Plantenzlektewet of daarvan afgeleide AMvS's: c. het verbranden van snoei- en sprokkelhout dat vrijkomt bij het gezond houden van de aanplant bU fruineeltbedrijven en boom- en rozenkwekerljen; d. het verbranden van snoei- en sprokkelhout dat afkomstig is van onderhoud aan de erfbeplantlng van agrarlsche bedriJven en woonerven en van landschapselementen ln het buitengebied van de gemeente; e. het verbranden van genetlsch gemodlflceerd plantmater¡aal lndien dit op bas¡s van een

wettelijke regeling dan wel een verleende vergunn¡ng is vereis¡.

3. Aan het begln van elk kalenderjaar wordt door het college een periode/perioden aangewezen waarop het is toegestaan de onder het tweede lid genoemde afvals¡offen ¡e verbranden.

4, Voorafgaand aan de ln het derde lld genoemde perlode. worden de voorschrlften waaraan het stoken van de genoemde afvalstoffen moe¡ voldoen, alsmede de betreffende perlode. op de gebruikelijke wiJze gepubliceerd.

5. Mlts er geen sprake ls van gevaar, overlast of hlnder voor de omgevlng ls het verbod niet van toepassing op:

a. verllchtlng door mlddel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afualstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 6. Het college kan van het verbod genoemd in het eerste lid ontheffing verlenen. s8

7, Onvermlnderd het bepaalde ln anlkel I :8 kan de ontheffing worden gervelgerd ter bescherming van de flora en fauna.

8. Het verbod is n¡et van toepâsslng op sltuatles waarln wordt voorzien door artlkel 429, aanhef en onder I of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg 2014.

9. Op de onthefflng bedoeld in het derde lld ls paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (pos¡tleve flctieve beschlkklng bU nlet tljdlg beslissen) nlet van toepasslng.

Afdeling 9. Verstroollng van as Artlkel 5:35 Deflnltle ln deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiang: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorglng op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek bulten een permanent

daartoe bestemd terreln.

Artlkel 5:36 Verboden plaatsen

l. lncidentele verstrooling is verboden op: a. verharde delen van de weg: b. gemeentelljke begraafplaatsen en crematorlumterrelnen. 2. Het college kan voor een bepaalde termljn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid verstrooiing plaatsv¡ndt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, onder a. 4. Op de onthefflng is paragraaf 4.1 .3.3 van de Algemene wet bestuursrech¡ (posit¡eræ fictieve beschikking b¡j niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artlkel 5:37 Hlnder of overlast lncidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepallngen Artlkel 6:l Strafbepallng

l. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel l:4 gegeven voorschriften en beperklngen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drle maanden of geldboete van de tweede categor¡e: artikel 2: I, 2:l 5, 2:16, 2:25,2:26,2:28,2:29.2:30. 2:31 ,2:41, 2:42,2:43.2:44,2:52,2:59,2:60. 2:65a. 2:79. 3:4, 3:6. 3:8. 3:9, 3:10. 3:l1,4:7,4:8.4:13.4:15, 4:18,5:15.5:18,5:23.5:24.5:25.5:27.5:28.5:29,5:30,5:31.5:33,5:34,5:36,5:37;

2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarblj op grond van artikel l:4 gegeven voorschrlften en beperklngen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: 2:ì0,2:39a,2:39b,2:45,2:47,2:48.2:48a,2:49,2:5O,2:57,2:58,2:73,4:6,5:32.

3. Overtreding van het overigens bU of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

4. ln afirijking van het eerste, tweede en derde lid ls artikel I a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:ì0 derde lid juncto eerste lid, 2: I I tweede lid, en 4: I 2a en 4: I 2b, eerste lid.

59

Anlkel 6:2 Toezlchthouders Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast:

l. de ambtenaren, krachtens anikel 18.4 wet malieubeheer aangewezen en belas¡ met het toezicht op de naleverlng van de voorschrlften gegeven krachtens artlkel 10.10 van dle wet:

2. de door het college van burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester aangewezen bultengewoon opsporlngsambtenaren als genoemd ln artikel 142, eerste lid, van het lUetboek van Strafvordering: 3. de ambtenaren van de polltle. als bedoeld ln artlkel 2 van de Polltlewet 201 2: 4. m¡ll¡airen van de Koninklijke Marechaussee voor zover werkzaam binnen het grondgebied van de gemeente venray:

5. de bij besluit van burgemeester en wethouders dan wel door de burgemeester aangewezen personen. Artlkel 6:3 Blnnentreden wonlngen Zlj die belast zun met het toezicht op de naleving of de opsporing van een ovenreding van de bij of krachtens deze verordenlng gegeven voorschriften dle strekken tot handhavlng van de openbare orde of veiligheld of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. zijn bevoegd tot het binnentreden ln een wonlng zonder toestemming van de bewoner.

Artlkel 6.4 lntrekklng oude regellng De Verordenlng Algemene Plaatsellke Verordenlng Gemeente Venray 2022 wordt lngetrokken met ingang van de datum van lnwerkingtreding van deze verordening.

Artlkel 6:5 Overgangsbepallng Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in anikel 6:4. eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtredlng \ran deze verordening en waarvoor deze verordenlng overeenkomstlge beslulten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artlkel 6:6 lnwerklngtredlng Deze verordening treedt ln werklng op de eerste dag na die waarop zU is b€kendgemaakt.

Artlkel 6:7 Clteertltel Deze verordenlng wordt aangehaald als: Algemene Plaatsel¡jke Verordening gemeente Venray 2023.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 9 mei 2023.

voorzi¡ter

ì

L.A.M. Komp¡er

60

Tocllcht¡ng APV

Algemenc lnleldlng De Algemene Plaatselljke Verordenlng is aangepast aan relevante jurisprudentie. conform de VNG modelverordening. Ook de toelichting op de artikelen hanteren wlj conform de VNG toel¡chting.

lndellng en systematlek Gekozen ¡s voor een lndellng waarln samenhangende ondenaerpen zo veel mogelük biJ elkaar ziJn gebracht. Hoewel bij iedere keuze kanttekeningen zijn te plaatsen komen de gemaakte keuzes de logica en bruikbaarheid van de verordenlng ten goede. De verordenlng begint met een hoofdstuk met algemene bepalingen gevolgd door inhoudelljke hoofdstukken die elk een lnhoudellJk hoofdthema behandelen, namelijk orde en veiligheid, explo¡tat¡e van bedrfven. gebrulk van de openbare ru¡mte en milieu. De verordening beslu¡t met een hoofdstuk over handhav¡ng en me¡ een hoofdstuk slotbepalingen. De verordenlng heeft een gelaagde opbouw. Het eerste hoofdstuk bevat bepalingen van algemene strekking die gelden voor de hele verordening: de daarln opgenomen begripsomschrijvingen zijn dus van toepassing op alle andere plaatsen waar ze voorkomen. D¡t as ook het geval met de andere bepallngen zoals bijvoorbeeld over het indienen van een vergunning, de algemene weigerings- en intrekkingsgronden en de toonplicht. Die gelaagdheid wordt gecontlnueerd ln de thematlsche hoofdstukken. BU het gebruik van de APV is het dus zaak om naast het toepassen van een bepaald anlkel ook de algemene bepalingen aan het begln van het hoofdstuk én van hoofds¡uk I er op na te slaan omdat algemene en bljzondere bepalingen elkaar aanvullen.

De artikelen worden numeriek aangeduld: artlkel 4.2, eerste lid bijvoorbeeld betekent hoofdstuk 4, artikel 2, eerste lld.

Relh¡ljdte en lnhoud De APV behoon tot de belangrijkste verordeningen ln venray. Da¡ wordt niet alleen bepaald door de relat¡ef grote omvang en het grote aan¡al verschillende onderwerpen die er ln worden geregeld maar ook door het belang van die ondenrerpen voor de orde en velligheld, het woon- en leefklimaat, het toez¡cht op de voor pubtlek toegankel[ke gebouwen, het gebruik van de openbare ruimte en voor de leefomgevlng ln het algemeen. De APV regelt de ondenrerpen dle tot het gemeentelijke publieke domein kunnen worden gerekend voor zover deze nlet nader zun u¡tgewerkt in bijzondere verordeningen zoals de Marktverordenlng, de Afualstoffenverordening De APV ¡s dâarmee bU u¡tstek een verordening die de gemeenteraad op basis van

artlkel 149 Gemeentewet ln het belang van de gemeenle kan maken. Het grootste deel van de bepalingen in de APV berust op de autonome bevoegdheid van artikel 149 Cemeentewet. Een beperkt aantal bepalingen vloeit voort uit medebewindstaken. verpllcht of facul¡atief. ln de APV wordt op een aantal plaatsen veryvezen naar hogere regelgevlng. Door het opnemen van albakenlngsbepallngen is aangegeven dat de betreffende APV-bepaling alleen beoogt dat te regelen wat nlet reeds in hogere regelgeving ls geregeld.

Afbakening naar andere gemeentelfike regelgeving is niet aangegeven omdat er van wordt u¡tgegaan dat biJzondere regelgevlng ln het algemeen prevaleert boven algemene regelgeving. Toedelen bevoegdheden

5l

De Gemeentewet bevat de basls voor het toedelen van bevoegdheden aan gemeentel[ke bestuursorganen.

Voor ulwo€rende taken zfln dat het college van burgeme€ster en wethouders en de burgemeester. De burgemeester heeft op grond van de wet bflzondere bcvoegdheden als het gaat om openbare orde en velllgheld en het toezlcht op voor publlek toegankel[ke gebouwen (anlkelen 172 en 174 Gemeentewct). De burgemeestersbcrroegdheden komen met narne ln het trveede én derde hoofdstuk aan de orde. Daarbf ls er consequent voor gezorgd om bevoegdheden bU de burgemeestef te legg€n zodra het gaat om de taken dle tot z[n verantwoordel[kheld kunnen worden gerekend.

Ecstuur¡rcchtcl[kc cn ¡tnfrcchtclUkc ¡anpak Eestuursorganen hebben op grond van de Gemeentervet en de Algemene tvet bestuursrecht b€voegdheden om met bestuurl[ke maatregeten handhavend op te treden tegen geconstateerde orenredlngen van de regels zoals het lntrekken van een vergunnlng, het opleggen van een dwangsom en het toepassen ì/an bestuursdwang. Sehalve de keuze ìroor een bestuursrechtclUke aanpak ls hct ook mogelflk om ln geval van orærtredlng van het bU of krachtens de AFf gestelde te opteren voor een strafrechtelUke aanpak. Het zesde hoofdstuk gceft aan wclke ovcnredlngen tot strafiechtel[ke rænrolglng kunnen lelden.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12727227/3