bijlage bij vragen P Custers (VL) - Rapport-lokale-niet-stemmer-2022
Tekst van het document
Het is zelfs mogelijk dat de redenen voor thuisblijven ook tussen provincies of gemeenten verschillen wat het positief effect van maatwerk mogelijk nog meer vergroot.
7.3. Een betere vertegenwoordiging In het begin van dit hoofdstuk stelden we de vraag waar het bestuurders en de overheid nu vooral om te doen was: meer kiezers of het aanpakken van de structurele factoren die deels leiden tot een lagere opkomst. Zoals we in hoofdstuk 5 al zagen, is het aantal thuisblijvers bij de gemeenteraadsverkiezingen onder meer te verklaren door “een gebrek aan interesse, kennis, gepercipieerd belang en vertrouwen in combinatie met het feit dat veel mensen het ontzettend moeilijk vinden om een keuze te maken tussen partijen”. Dat een lage opkomst een gevolg is van de verhouding tussen kiesgerechtigden en politici zien we ook in de emoties van mensen die in het kwalitatief onderzoek naar voren kwamen. Kiezers zijn naast boos op de (lokale) politiek onder meer onverschillig, tevreden, teleurgesteld, cynisch en argwanend (hoofdstuk 6). Het aanpakken van dit soort factoren en gevoelens van kiesgerechtigden is over het algemeen ingewikkelder dan het aanpakken van praktische belemmeringen voor het stemmen. Tegelijkertijd is het aanpakken van juist deze belemmerende factoren belangrijk. Meer vertrouwen en een grotere interesse in de politiek hebben immers op zichzelf betekenis, maar zullen ook bijdragen aan een hogere opkomst.
Bovendien is de verwachting dat het investeren daarin ertoe zal leiden dat kiesgerechtigden niet willekeurig een vakje aankruisen, maar goed nadenken over hoe hun belangen het best worden vertegenwoordigd. Meer kiezers leidt dat tot minder ongelijkheid. Zoals we in dit onderzoek hebben kunnen zien, zijn het immers vooral specifieke doelgroepen met specifieke belangen die in de opkomstcijfers sterk ondervertegenwoordigd zijn. Het verhogen van de opkomst onder die groepen zal een betere vertegenwoordiging van de belangen van alle kiesgerechtigden opleveren. 211 In veel gevallen kunnen maatregelen voor deze twee in dit hoofdstuk onderscheiden doelen (meer kiezers en een betere vertegenwoordiging) samengaan of elkaar niet belemmeren. Een mogelijk hogere opkomst door stemmen via internet mogelijk te maken, betekent niet automatisch dat hun politieke kennis en betrokkenheid afneemt als kiesgerechtigden daar vervolgens gebruik van maken. Toch is het mogelijk dat enkele maatregelen wel tegenstrijdig zijn. Met andere woorden, enkele voorstellen die in dit hoofdstuk genoemd zijn om zoveel mogelijk kiezers te trekken zouden contraproductief kunnen zijn voor het verhogen van kennis en betrokkenheid. Denk aan het koppelen van de gemeenteraadsverkiezingen aan de Tweede Kamerverkiezingen.
Dat verhoogt mogelijk de opkomst van de gemeenteraadsverkiezingen, maar vermindert mogelijk de bereidheid om zich in die lokale verkiezingen te verdiepen (er is immers al ‘werk’ te doen voor het bepalen van de landelijke stem). Of denk aan het mogelijk maken van briefstemmen. Dat verhoogt wellicht de opkomst, maar briefstemmen draagt
210 Zie eerdere hoofdstukken; J. van Ostaaijen, L. de Brouwer, D. Jacobs en S. van Zuydam (2018), Ik weet niet wat ze doen,
joh: Een verkenning van de (Brabantse) niet-stemmer (Tilburg: Tilburg University). 211 Zie ook Hennau en Ackaert (te verschijnen)
De lokale niet-stemmer | 86
volgens het meest recente Nationaal Kiezersonderzoek tevens bij aan een laag vertrouwen in het kiesproces. 212 Het zijn daarom wellicht niet de beste maatregelen om door te voeren. Het vergroten van kennis en betrokkenheid van kiezers bij de (lokale) democratie vereist dus deels andere activiteiten dan het accommoderen of vergemakkelijken van het individuele stemproces. Enerzijds verwijzen inwoners daarvoor naar het handelen van politici zelf, zoals ook blijkt uit het kwalitatief onderzoek uit hoofdstuk 5 en 6. Kiesgerechtigden geven aan vooral een andere opstelling van de politiek te wensen. De hoge eisen die veel kiesgerechtigden aan politici stellen, kwamen al eerder uit onderzoek naar voren. 213 Kiesgerechtigden verwachten van politici meer competentie, daadkracht, moraliteit, maar ook beter luisteren en een kleinere afstand naar inwoners (hoofdstuk 6). Dat werkt door naar de lokale politiek: ‘Laat als lokale politicus je gezicht vaker zien en luister écht naar bewoners’ en ‘maak als lokale politicus je beloftes concreet en kom ze na’ zijn in hoofdstuk vier enkele van de samenvattende conclusies op dit terrein. Een van de belangrijke sleutels voor een hogere opkomst ligt dus bij de politiek en de politici zelf. Daarnaast geven kiesgerechtigden aan dat ze van gemeenten en politici meer en betere informatie willen.
Kiezers willen onder andere meer informatie, ook tussen verkiezingen door, beter te begrijpen informatie en gerichte campagne over wat er speelt in de gemeente (hoofdstuk 6). De vraag is hierbij wel of dat ook direct gaat leiden tot een hogere opkomst. Net als bij de intenties die mensen uitspreken bij praktische belemmeringen (‘als ik tijd zou hebben gehad, zou ik gaan stemmen…’) is het maar de vraag of dit ook direct hun gedrag verandert. Dat neemt niet weg dat de beperkte kennis wel een voorwaarde lijkt voor een grotere betrokkenheid. Dat verklaart waarschijnlijk tevens het gegeven dat meer media-aandacht leidt tot een hogere opkomst (hoofdstuk 3). Het vergroten van de kennis van kiesgerechtigden over de lokale politiek is daarom een belangrijk onderdeel voor een betere vertegenwoordiging en een hogere opkomst. Daarbij is het belangrijk ook voldoende aandacht te hebben voor de groepen waar de opkomst (flink) achterblijft en te focussen op de redenen waarom daar de opkomst achterblijft. Denk aan kiesgerechtigden met een specifieke etnische achtergrond, praktisch opgeleiden en jongeren of combinaties. Zo was de opkomst voor de laatste gemeenteraadsverkiezingen onder jongeren met alleen een VMBO-diploma slechts 24 procent (zie over jongeren: hoofdstuk 4). Ook daar is dus nog veel werk te doen.
En aangezien ook gewoonte een rol speelt bij (niet-)stemmen, zal het omkeren van dergelijke ontwikkelingen niet eenvoudig zijn. Niet-stemmen dat zich soms ook heel fysiek in bepaalde wijken manifesteert (zie hoofdstuk 6), wordt soms van generatie tot generatie overgedragen. Het doorbreken daarvan vereist daarom doorgaans meer dan een vierjaarlijkse campagne waarom stemmen belangrijk is, maar juist het structureel investeren in onder meer kennis van en vertrouwen in de (lokale) politiek en in specifieke maar wellicht wisselende factoren die binnen subgroepen bijdragen aan hun niet-stemgedrag.
7.4. Afsluitend Achter een dalende opkomst gaan verschillende problemen schuil, zoals een beperkte politieke betrokkenheid en een grotere ongelijkheid. Bestuurders die naar een hogere opkomst streven, doen er goed aan na te denken of de oplossing die ze daarvoor voorstellen ook bijdraagt aan het oplossen van dergelijke problemen. In de praktijk betekent dat grotendeels zal moeten worden ingezet op een verbetering van de relatie tussen kiesgerechtigden en ‘de politiek’. Zaken als politiek wantrouwen en, zeker op lokaal niveau, desinteresse, zijn dan enkele van de meest prominente problemen die moeten worden aangepakt. Dat doe je niet met een betere vierjaarlijkse verkiezingscampagne, maar daarvoor zijn grotere inspanningen nodig. Niet alleen van lokale politici, maar zeker ook van de landelijke.
212 T. Sipma, M. Lubbers, T. van der Meer, N. Spierings, en K. Jacobs (2021). Versplinterde vertegenwoordiging: Nationaal
Kiezersonderzoek 2021, 13. 213 Zie onder meer C. Brons (2014), Political discontent in the Netherlands in the first decade of the 21th century. A call for political virtue and moral leadership (Amsterdam: Amsterdam University Press.) De lokale niet-stemmer| 87
8. Lage(re) opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen: een hardnekkige kwestie Hans Vollaard, Josje den Ridder, Lisanne de Blok en Giedo Jansen
Wat we in dit hoofdstuk zien:
Dat slechts de helft van de inwoners stemt bij gemeenteraadsverkiezingen komt door een combinatie van factoren: naast praktische overwegingen om thuis te blijven, zijn er twijfels over het belang van de bestuurslaag en de verkiezingen, de lokale politieke betrokkenheid is laag, net als het vertrouwen in de (lokale) politiek en mensen vinden het moeilijk om een keuze te maken. Jongeren, mensen met een praktische opleiding en mensen met een migratieachtergrond blijven vaker dan gemiddeld thuis. Deze verklaring voor een lage opkomst is niet nieuw en zagen we bij eerdere (lokale) verkiezingen ook. De lagere opkomst in 2022 is in commentaren vaak in verband gebracht met de coronacrisis, de oorlog in Oekraïne en het lage vertrouwen. Laag vertrouwen speelt een rol, maar die lijkt in 2022 niet groter dan eerder. Niet-stemmers noemen de oorlog zelf niet als reden om thuis te blijven. Wel kan coronacrisis tot minder informatie onder inwoners over de verkiezingen hebben geleid. Daarnaast geven sommigen aan dat een coronabesmetting hen thuis hield.
De lage opkomst is reden tot zorg, onder meer omdat het een signaal is dat sommige groepen zich niet gehoord voelen, het kan leiden tot ongelijkheid in ervaren en feitelijke vertegenwoordiging, en inwoners bij gebrek aan informatie over gemeentepolitiek moeilijk een keuze kunnen maken om te gaan stemmen; Een lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen is een hardnekkige kwestie: de opkomst is al decennialang laag en eenvoudige oplossingen zijn er niet. Bovendien betekent een hogere opkomst niet zonder meer hogere democratische legitimiteit, ongelijke representatie, en beter geïnformeerde burgers. Naar aanleiding van de lage opkomst zouden daarom achterliggende zorgen zoals gebrek aan vertrouwen, ongelijke representatie en geïnformeerd lokaal burgerschap moeten worden aangepakt.
8.1 Inleiding De opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 was de laagste sinds de afschaffing van de opkomstplicht in 1970; en aanleiding voor dit onderzoek naar lokale niet-stemmers. De opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen is echter al langer laag, terwijl de opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen zo tussen de 75 en 80 procent bleef. In deze bundel hebben we ons daarom niet specifiek gericht op een verklaring van de daling van enkele procentpunten in de opkomst tussen de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 en die in 2022, maar op de vraag waarom de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen laag is. Daarnaast reflecteerden we op de vraag waarom het een probleem zou kunnen zijn als veel mensen thuisblijven en wat er gedaan zou kunnen worden naar aanleiding van de lage opkomst. We voerden ons onderzoek uit op basis van de bestaande literatuur naar opkomst en niet-stemmen, met reeds verzamelde gegevens uit het Lokaal Kiezersonderzoek (LKO) 2022 en met een beperkte nieuwe dataverzameling: een aanvullende enquête onder ongeveer 1000 niet-stemmers en diepte-interviews in vijf gemeenten met een lage opkomst. Daarbij lag de focus op niet-stemmers: we keken wie er thuisbleven, waarom ze dat doen en in hoeverre dat verschilt met de verkiezingen in 2018. In dit afrondende hoofdstuk brengen we de belangrijkste bevindingen en inzichten uit deze bundel samen.
8.2 Waarom is de opkomst laag en lager? Om de vragen te beantwoorden waarom de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen laag is en in 2022 nog iets lager dan in 2018, hebben we in deze bundel inspiratie gezocht in de literatuur over niet-stemmers en opkomst (hoofdstuk 2) en vervolgens lokale stemmers en niet-stemmers vergeleken (hoofdstuk 3), niet-stemmers zelf
De lokale niet-stemmer | 88
gevraagd waarom ze thuisbleven (hoofdstuk 5 en 6), naar specifieke groepen niet-stemmers gekeken (hoofdstuk 4) en zijn we nagegaan of er in 2022 specifieke omstandigheden waren die de opkomst verder kan hebben gedrukt (hoofdstuk 5).
8.2.1 Weinig lokale betrokkenheid, weinig vertrouwen en moeite om een keuze te maken De belangrijkste verklaring waarom de opkomst niet rond de 90 procent ligt is de afwezigheid van opkomstplicht (zie hoofdstuk 2). Sinds 1970 bepalen Nederlanders zelf of ze wel of niet gaan stemmen bij verkiezingen voor vertegenwoordigende organen. Bij Tweede Kamerverkiezingen gaat nog steeds tussen de 75 en 80 procent van de kiesgerechtigden naar de stembus, bij gemeenteraadsverkiezingen ligt dan aandeel steevast veel lager. In 2022 koos 51 procent ervoor om naar de stembus te gaan. Het aandeel dat thuisblijft is niet willekeurig verdeeld over de kiesgerechtigde bevolking. Lokale niet-stemmers zijn vaker dan gemiddeld jong, hebben vaker een praktische opleiding en een migratieachtergrond (zie hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4). Uit enquête-onderzoek, open antwoorden en gesprekken met (niet)-stemmers blijkt dat diverse (soms samenhangende) factoren een rol spelen bij de keuze om thuis te blijven. Naast praktische overwegingen (geen tijd, op vakantie, ziek), vinden niet-stemmers het gemeentebestuur minder van belang, hebben ze minder lokale betrokkenheid (minder lokale binding, lokale politieke interesse, kennis genomen van de campagne) en minder politiek vertrouwen.
Dat lage vertrouwen in de politiek, gaat niet alleen over de lokale politiek, maar ook over ‘de politiek’ in het algemeen (zie hoofdstuk 5 en 6). Mensen zijn teleurgesteld in de politiek en politici: ze vinden dat politici geen oog hebben voor mensen zoals zijn, ze zijn kritisch over het probleemoplossend vermogen van de politiek en over de motieven van politici – die zouden zich te weinig richten op het algemeen belang. In gesprekken in vijf wijken met een lage opkomst geven mensen aan zich niet gezien te voelen door de (lokale) politiek. Het lage vertrouwen maakt dat veel niet-stemmers vinden dat stemmen geen zin heeft: er verandert toch niets. In de enquête komt zowel in open als in gesloten vragen – naast een gebrek aan vertrouwen – naar voren dat niet-stemmers grote moeite hadden een keuze te maken (hoofdstuk 5). Ze wisten niet op welke partij of kandidaat ze moesten stemmen. In combinatie met gebrek aan kennis, interesse en gepercipieerd belang, zorgt het ervoor dat mensen thuisblijven. De kosten van het stemmen (tijd maken om naar de stembus te gaan, je verdiepen in de lokale politiek) blijkt voor veel mensen te hoog.
8.2.2 Vooral bekende verklaringen en niet zozeer de specifieke omstandigheden van 2022 De achtergronden van niet-stemmers en hun motieven om thuis te blijven in 2022 verschillen niet wezenlijk met achtergronden en motieven in 2018 (hoofdstuk 3) en wat we weten uit de literatuur over niet-stemmers (hoofdstuk 2 en 4). Ook in de gesprekken met (niet)-stemmers in wijken met een lage opkomst (hoofdstuk 6) komen beweegredenen naar voren die structureel zijn en niet specifiek betrekking hebben op de situatie in 2022. Uit een vergelijking tussen 2022 en 2018 blijkt dat de beschikbaarheid van informatie en de ervaren invloed van het gemeentebestuur in 2022 wel een iets grotere rol speelde dan in 2018 – maar die verschillen zijn klein (hoofdstuk 3). Na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 werd in de media de vraag opgeworpen of bijzondere omstandigheden in 2022 de toch al lage opkomst nog verder kon hebben gedrukt: men dacht aan het lage vertrouwen in de politiek van dat moment, de coronacrisis en de oorlog in Oekraïne. We zagen hierboven al dat niet-stemmers inderdaad minder politiek vertrouwen hebben dan stemmers, en hun gebrek aan vertrouwen zelf noemen als reden om thuis te blijven.
We weten uit de literatuur echter ook dat laag vertrouwen en politieke onvrede mensen ook juist kan motiveren om wel naar de stembus te gaan en te stemmen op een partij die deze onvrede kanaliseert.214 We hebben in dit onderzoek geen bewijs gevonden voor de stelling dat het lage politiek vertrouwen in 2022 een grotere rol speelde dan voorheen: het vertrouwen was in 2022 weliswaar iets lager dan 214
Zie bijvoorbeeld R. Kemmers (2022), “Us know who is to blame”: Understanding popular political discontents in the Netherlands “Ons weet wie schuldig is: Politiek onbehagen in Nederland begrijpen (diss.) (Rotterdam: Erasmus Universiteit). De lokale niet-stemmer| 89
in 2018, maar de samenhang tussen een gebrek aan vertrouwen en niet-stemmen is niet groter dan voorheen, en bovendien van bescheiden omvang (hoofdstuk 3 en 5). De coronacrisis kan op verschillende manieren een dempende invloed hebben op de opkomst. Door de lockdowns kunnen mensen minder contact hebben gehad met hun gemeente, wat kan leiden tot minder binding en meer thuisblijvers. Dat blijkt niet het geval: in de periode voor de verkiezingen van 2022 hadden burgers niet minder contact met hun gemeente dan voor de verkiezingen van 2018 (hoofdstuk 5). Het kan ook zijn dat meer mensen thuisblijven omdat zij daartoe gedwongen zijn vanwege een coronabesmetting of quarantaine: daarvoor zien we in open antwoorden wel enige aanwijzing. Of mensen die aangeven vanwege corona thuis te zijn gebleven, anders wel zouden zijn gaan stemmen is natuurlijk de vraag, maar het is goed denkbaar dat het aandeel stemmers door corona nog iets verder is gedrukt (hoofdstuk 5). Op basis van open antwoorden en een beperkte set gesloten vragen, hebben we geen direct effect kunnen aantonen van de oorlog in Oekraïne. Niet-stemmers noemen de oorlog zelf niet als reden om thuis te blijven. Wel suggereert een telling van het aantal krantenartikelen voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen dat er voorafgaand aan de verkiezingen minder nieuws over de verkiezingen in de landelijke media stond dan in 2018.
Dat zou wel kunnen duiden op een indirect effect van de oorlog: door de oorlog was er in landelijke media minder aandacht voor de gemeenteraadsverkiezingen, waardoor bij gebrek aan informatie het belang van die verkiezingen voor kiezers nog minder evident was dan toch al het geval was (hoofdstuk 5).
8.2.3 Beperkingen van deze studie en vragen voor het vervolg We hebben in deze bundel met bestaand en beperkt nieuw onderzoek gekeken naar lokale niet-stemmers. Het doel hiervan was om wetenschappelijke inzichten over lokale niet-stemmers bij elkaar te brengen en daarmee bij te dragen aan een geïnformeerd debat over de lage opkomst en een mogelijke aanpak. We hebben het onderzoek in (voor ons) beperkte tijd en middelen uitgevoerd en dat betekent dat het voorliggende onderzoek ook beperkingen heeft en dat er vragen zijn blijven liggen. Zo hebben we ons in dit rapport nauwelijks gericht op gemeente-specifieke factoren en hadden we beperkte mogelijkheden om nieuw onderzoek op te zetten om de achtergrond van het niet-stemmen op lokaal niveau beter te begrijpen. Een grootschalig onderzoek waarin stemmers en niet-stemmers worden vergeleken – en waarin gekeken kan worden naar de interactie tussen gemeente- of buurtverklaringen en individuele verklaringen - kan tot verdere inzichten leiden, zeker wanneer het wordt aangevuld met diepte-interviews met niet-stemmers. Niet-stemmers zijn namelijk een groep die in enquêtes niet altijd makkelijk te bereiken zijn. Het kwalitatief onderzoek in dit rapport en dat eerder door anderen is uitgevoerd, laat zien dat we hiermee andere groepen kunnen treffen en een rijker beeld krijgen van de motieven en politieke houdingen van mensen.
Zo’n onderzoek moet ruim voor de verkiezingen worden opgezet, en niet – zoals nu het geval was – in de maanden erna. Het zou zich – naast de gebruikelijke verklaringen voor niet-stemmen – ook kunnen richten op verklaringen waarvoor tot nu toe weinig aandacht was, zoals de rol van de sociale omgeving waarin iemand verkeert. Wat is het effect van het wonen of verkeren in een omgeving waar bijna niemand gaat stemmen? En, als er een effect is, hoe zouden we de politieke betrokkenheid van mensen in zo’n omgeving kunnen vergroten? Willen mensen politiek betrokken zijn, en zo ja, hoe dan?
8.3 Is de lage opkomst erg en wat is er aan te doen? De derde leidende vraag in dit onderzoek was in hoeverre de lage opkomst een probleem is, en wat er aan gedaan zou kunnen worden. Er zijn goede redenen tot zorgen over de lage opkomst, al hangen de specifieke zorgen die iemand zal hebben wel af van zijn opvattingen over democratische legitimiteit, representativiteit, en lokaal burgerschap (zie intermezzo).
8.3.1 Niet-stemmen is een signaal, maar geen eenduidig signaal We zagen in de inleiding al dat niet-stemmen vaak wordt gezien als signaal over de legitimiteit van de (lokale) democratie. Stemmen wordt dan gezien als teken van betrokkenheid en steun voor de democratie, niet-
De lokale niet-stemmer | 90
stemmen als teken dat die legitimiteit ontbreekt. Het is maar de vraag of dat helemaal klopt – want ook stemmers kunnen met hun stem een signaal van onvrede geven, maar als het al een signaal is dan is dat signaal in ieder geval niet helemaal eenduidig. De groep niet-stemmers mag dan wat betreft hun achtergronden en houdingen afwijken van de groep stemmers, binnen die groep van 50 procent is er de nodige diversiteit (zie hoofdstuk 3 en 4). Het is van belang om oog te hebben voor die diversiteit, zowel om te bepalen waar het probleem van een lage opkomst precies ligt, als voor de oplossingen van die problemen.
8.3.2 redenen tot zorg: een gebrek aan vertrouwen, lokale betrokkenheid en ongelijkheid Als we kijken naar de bevindingen in deze bundel, dan zien we ten minste drie redenen waarom de lage opkomst tot bezorgdheid kan stemmen. Een eerste reden voor zorg is dat een deel van de niet-stemmers weinig vertrouwen heeft in de lokale en/of landelijke politiek en het gevoel heeft dat stemmen geen zin heeft (zie hoofdstuk 3 en 6). Zij voelen zich politiek machteloos of “verweesd”, omdat zij zich in de steek gelaten voelen door politici (hoofdstuk 6). Hun niet-stemmen vormt dus een boodschap aan raadsleden en andere politieke ambtsdragers – ook op landelijk niveau - om naar hen om te zien. Een tweede reden om bezorgd te zijn over de lage opkomst is dat veel niet-stemmers aangaven het moeilijk te vinden een keuze te kunnen maken uit het aanbod van partijen en kandidaten. En het zal voor heel wat stemmers ook ingewikkeld zijn geweest om een keuze te maken, zonder al teveel weet van de bevoegdheden, belangrijkste spelers, de besluitvormingsprocessen en inhoudelijke kwesties in hun gemeente te hebben. Het gepercipieerd belang van de gemeente is laag, net als de lokale politieke interesse, lokale mediaconsumptie en betrokkenheid (zie hoofdstuk 3). Lokaal burgerschap is zo maar beperkt ontwikkeld.
En zeker, bekendheid met de verkiezingscampagne had een stimulerend effect op de opkomst, informatie moet wel landen. En dat zal met de gebrekkige kennis over lokale politiek nog lastig zijn. Die gebrekkige kennis is problematisch in het licht van de opvatting dat inwoners in ieder geval in staat moeten zijn om hun gemeentebestuur te corrigeren, als dat niet behoorlijk presteert (zie intermezzo). En dat is problematisch omdat die informatie bij bepaalde groepen inwoners nog minder kennis en politiek zelfvertrouwen hebben, waardoor zij minder goed voor zichzelf kunnen opkomen, waardoor ongelijkheid in stand blijft. Een derde zorg is het selectieve karakter van een lage opkomst. Er zijn bepaalde groepen inwoners die minder vaak naar de stembus gaan dan andere, en dat is structureel het geval: niet alleen bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 maar ook daarvoor en (weliswaar in iets minder mate) bij Tweede Kamerverkiezingen (zie hoofdstuk3 en 4). Jongeren, mensen met een praktische opleiding en mensen met een migratieachtergrond gaan veel minder vaak naar de stembus. Dat bepaalde groepen oververtegenwoordigd zijn onder niet-stemmers, wil nog niet zeggen dat het groepskenmerk verklaard waarom ze niet-stemmen zo zagen we in hoofdstuk 3.
De ongelijkheid in politieke participatie is om een andere reden relevant, namelijk omdat ze gevolgen kan hebben voor de feitelijke en ervaren vertegenwoordiging van (groepen) burgers. Te meer omdat niet-stemmers en stemmers er ook inhoudelijk andere meningen op na blijven te houden (zie hoofdstuk 3). Ongelijkheid in opkomst kan leiden tot gemeenteraden waarin bepaalde groepen of bepaalde standpunten (structureel) zijn ondervertegenwoordigd en waarin sommige mensen zich niet zullen herkennen. Hoewel onderzoek laat zien dat ook niet-stemmers zich – als zij zouden gaan stemmen en daarbij een partij zouden kiezen – zich over verschillende partijen verdelen, 215 kan een lage opkomst wel degelijk van invloed zijn op de partijpolitieke samenstelling van de 333 gemeenteraden die zijn verkozen in maart 2022.
215
Zie bijvoorbeeld J. den Ridder en P. Dekker (2018). Niet-stemmers en stemmers. De betekenis en het gebruik van het algemeen kiesrecht. In: R. Andeweg en M. Leyenaar (red.), Alle stemmen tellen! Een eeuw algemeen kiesrecht. Amsterdam: Amsterdam University Press. De lokale niet-stemmer| 91
8.3.3 Niet-stemmen is niet hetzelfde als afhaken Een van de redenen waarom een lage opkomst tot zorgen leidt, is de zorg dat niet-stemmers afhaken of afgehaakt zijn bij de politiek. Dat ze niet meer meedoen en daartoe ook niet meer te verleiden zouden zijn. De term ‘afgehaakt’ is in het politiek en media de laatste tijd vooral populair naar aanleiding van de Atlas van Afgehaakt Nederland, van Josse de Voogd en René Cuperus.216 De Voogd en Cuperus ontlenen die titel aan de staatscommissie Parlementair Stelsel uit 2018 die waarschuwt dat burgers dreigen af te haken van de politiek of al afgehaakt zijn. De Voogd en Cuperus onderzoeken de geografische verdeling van dat politiek afhaken, wat ze operationaliseren als niet-stemmen, een gebrek aan politiek vertrouwen en het stemmen op wat zij ‘buitenstaanderspartijen’ noemen. De studie heeft een gevoelige snaar geraakt, en heeft veel aandacht in de media en in het politieke debat gekregen. Daarbij heeft de term ‘afhakers’ al snel breed in zwang gekomen. De bevindingen in dit rapport laten echter zien dat we op een genuanceerde manier naar dat afhaken moeten blijven kijken en goed moeten nagaan waarvan mensen precies afhaken en hoe dat komt.
Dit sluit overigens aan op wat De Voogd en Cuperus daar zelf in hun studie over zeggen, namelijk dat mensen niet doelbewust zijn afgehaakt, maar “afgehaakt zijn gemaakt” door de politiek en hun atlas ook ‘de atlas van verdeeld Nederland’ had kunnen heten.217 Als we kijken naar het voorliggende rapport, dan zien we ten eerste dat niet alle lokale niet-stemmers structurele afhakers zijn. Een deel van de lokale niet-stemmers gaat wel stemmen bij Tweede Kamerverkiezingen (hoofdstuk 3) of geeft aan dat ze incidentele praktische overwegingen hebben om thuis te blijven. Een volgende keer zijn ze zeker weer van de partij. Bijna de helft van de niet-stemmers gaf bovendien aan pas op de dag van de verkiezingen of vlak daarvoor te hebben besloten om niet te gaan stemmen (hoofdstuk 5). Hun besluit stond dus lange tijd nog niet vast. Dat geeft aan dat ze niet zonder meer al langdurig afgehaakt waren. In de tweede plaats zien we mensen misschien politiek afhaken, maar zich nog steeds inzetten voor de maatschappij. Veel nietstemmers zijn actieve en betrokken burgers die in hun buurt actief zijn en vrijwilligerswerk doen (hoofdstuk 6). In de derde plaats blijkt uit dit rapport dat een deel van de niet-stemmers een politieke boodschap willen afgeven (hoofdstuk 6). Dat laat zien dat ze politiek betrokken blijven, ook al hebben ze met bepaalde partijen en/of overheidsorganen weinig op.
Niet-stemmen is zo’n geval dus juist een vorm van aanhaken. Termen als boos en afgehaakt bleken in hoofdstuk 6 ook niet afdoende precies om niet-stemmers te omschrijven. Er speelde veel meer mee, zoals teleurstelling, argwaan, of onverschilligheid en berusting, maar ook tevredenheid. Daar komt nog wat bij. De term afhaker heeft een negatieve connotatie (hoofdstuk 6). Nietstemmers afdoen als afhakers kan dan worden opgevat als diskwalificatie – zeker uit monden van politici die in de ogen van burgers schuldig zijn aan het afhaken van mensen. Het is daarom van belang om na te gaan wat de daadwerkelijke motieven van mensen zijn om niet te stemmen. Het rapport heeft daartoe een belangrijke stap gezet, juist ook door niet-stemmers zelf de ruimte te geven te laten horen wat hun motieven zijn. Daarmee kunnen politici en bestuurders meer rekening houden met de diversiteit aan overwegingen die onder nietstemmers leven.
8.3.4 Lage opkomst en de achterliggende problemen zijn lastig aan te pakken Uit de literatuurstudie kwam naar voren dat vooral institutionele maatregelen de opkomst zouden kunnen bevorderen. De herinvoering van een opkomstplicht is daar een voorbeeld van. Als die inderdaad ertoe zou leiden dat nagenoeg alle inwoners gaan stemmen, dan zou het probleem van selectiviteit deels kunnen worden ondervangen. Uit onderzoek weten we echter ook dat niet-stemmers die niet kunnen kiezen tussen partijen tamelijk willekeurige keuzes maken als ze gedwongen worden te stemmen. Als dat het geval is zorgt een opkomstplicht wel voor een hoger opkomstcijfer, maar niet tot betere vertegenwoordiging. Een opkomstplicht lost ook het onderliggende probleem van politieke onvrede niet op. Sterker nog, dwang zou bij sommige inwoners juist een averechts effect kunnen hebben op de democratische legitimiteit. Ook hoeft een
216
J. de Voogd en R. Cuperus (2021),. De atlas van afgehaakt Nederland. Over buitenstaanders en gevestigden. (Den Haag: BZK). 217 De Voogd en Cuperus (2021), 12. De lokale niet-stemmer | 92
opkomstplicht niet te betekenen dat mensen zich opeens meer gaan verdiepen in lokale politiek. Een deel van de inwoners zal het nog steeds aan de interesse ontbreken om een geïnformeerde keuze maken. Ook het combineren van gemeenteraadsverkiezingen met belangrijker geachte verkiezingen, zoals de Tweede Kamerverkiezingen, zou de opkomst kunnen bevorderen. Zweden combineert al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw lokale, regionale en nationale verkiezingen en er zijn aanwijzingen dat een fors aandeel van de kiezers een eigenstandige keuze kan maken voor elk niveau. Ook deze vorm van opkomstbevordering draagt echter niet per definitie bij aan onderliggende problemen van politieke onvrede en ongelijkheid in vertegenwoordiging. De belangrijker geachte verkiezingen blijven bovendien een schaduw werpen op de thema’s die media, politici en partijen aansnijden. Als lokale verkiezingen eigenlijk over nationale thema’s of partijen gaan, dan versterkt dat de lokale vertegenwoordiging evenmin. Waar institutionele maatregelen de opkomst stevig kan opdrijven, geldt dat in veel mindere mate voor het vergemakkelijken van het verkiezingsproces. Daarnaast zijn dergelijke maatregelen kostbaar: elke extra stem vergt veel extra werk en geld (hoofdstuk 7).
Bovendien betekent een iets hogere opkomst nog niet dat de wantrouwende inwoners minder wantrouwend zijn, dat niet-geïnteresseerde inwoners alsnog geïnteresseerd raken en de selectiviteit in de opkomst zonder meer wordt rechtgetrokken. Wie iets aan de selectiviteit van de opkomst zou willen doen, kan ook denken aan het stimuleren van de opkomst onder groepen die structureel minder vaak naar de stembus gaan. Doelgroepenbeleid kan de opkomst onder specifieke groepen bevorderen, doordat dan gericht op bijvoorbeeld vrouwen, jongeren, mensen met een migratieachtergrond, niet-Nederlanders of inwoners met een praktische opleiding de opkomst wordt gestimuleerd. Dat betekent dat elke gemeente wel eerst stilstaat bij de eigen bevolkingssamenstelling, want de groepen niet-stemmers variëren van gemeente tot gemeente. Vaals verschilt van Leusden, Nordeast-Fryslân van Rotterdam, en Hattem van Koggenland. Het is dus van belang om te weten om welke doelgroepen het gaat, waarom deze groepen thuisblijven, hoe ze te bereiken zijn en wat er gedaan kan worden om de opkomst te stimuleren. Dat kan voor elke groep anders zijn (zie hoofdstuk 4). Wie de opkomst onder nietNederlandssprekende inwoners wil bevorderen, kan informatie over verkiezingen en de gemeente aanbieden in andere talen en helpen hun politieke vaardigheden te ontwikkelen om zo politiek zelfvertrouwen te ontwikkelen (hoofdstuk 4).
Het is echter de vraag of een meerderheid in gemeenteraden zou besluiten tot doelgroepenbeleid. Al eerder bleek immers dat dergelijk doelgroepenbeleid op bezwaren stuit, omdat dat sommige partijen meer electorale winst zou kunnen opleveren dan andere (hoofdstuk 7). In de praktijk blijkt een (wijkgerichte) doelgroepenbenadering in gemeentes soms op politieke weerstand te stuiten, en kiest men dan liever voor generiek beleid dat zich op alle burgers richt. Niet-stemmers geven zelf aan dat betere informatievoorziening opkomstbevorderend zou werken: kiezers willen meer informatie over de verkiezingen, over wat de gemeente doet en waar partijen voor staan (hoofdstuk 5 en 6). Daar zit een punt in: mensen die meer informatie over de campagne tot zich nemen, blijken eerder te gaan stemmen (hoofdstuk 3). In de praktijk doet zich hier wel een aantal problemen voor dat maakt dat het maar de vraag is in hoeverre extra informatie effectief is. Het eerste probleem ligt al bij de kiezers zelf die meer informatie willen: zij geven namelijk tegelijkertijd aan dat ze heel weinig interesse hebben in lokaal politiek nieuws en gaan er niet zelf naar op zoek. Het is moeilijk om informatie bij mensen te krijgen die weinig interesse hebben en hun tijd aan andere dingen willen of moeten besteden.
Een tweede probleem ligt bij lokale media: die zouden een theorie een rol kunnen spelen bij het laten zien wat de gemeente doet en waar de verkiezingen over gaan. Het probleem is echter dat lokale politieke verslaglegging, ook in de campagnetijd, maar beperkt beschikbaar is. Bovendien worden lokale media door burgers niet altijd goed gelezen. Een derde probleem is er bij lokale partijen en kandidaten: niet-stemmers laten weten dat zij vinden dat partijen in gemeenten niet alleen bij verkiezingen de straat op moeten, maar eigenlijk voortdurend in contact moeten staan met burgers om te horen wat er leeft en speelt (hoofdstuk 5 en 6). Dat zou op zich een goed idee zijn – ook vanuit het oogpunt van het verbeteren van lokale vertegenwoordiging. In de praktijk is het echter lastig omdat raadsleden nu al kampen met tijdsdruk. Een vierde probleem doet zich voor bij nationale politici en landelijke nieuwsmedia. Het landelijke nieuws wordt het beste gevolgd en landelijke media spelen een belangrijke rol bij het vragen van aandacht voor het feit dat er verkiezingen zijn en wat er op het spel staat. Ook de bekendere nationale politici zouden in nationale media De lokale niet-stemmer| 93
kunnen helpen de aandacht te vestigen op lokale verkiezingen. De kans is echter dat dan al snel nationale thema’s lokale kwesties overschaduwen, waardoor er nog steeds geen geïnformeerde lokale keuze wordt gemaakt. Dat is een dilemma dat we hierboven ook al zagen bij de optie om nationale en lokale verkiezingen op hetzelfde moment te houden: nationale aandacht kan het opkomstcijfer verhogen, maar te veel focus op nationale thema’s komt het proces van lokale vertegenwoordiging ook niet ten goede. In reactie op lage opkomst is ook regelmatig gekozen om via andere wegen dan opkomstbevordering de achterliggende zorgen aan te pakken. In reactie op een lage opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen in het verleden gold directe participatie zoals inspraak, referenda, interactieve beleidsvorming en bewonersinitiatieven, vaak als remedie. Daar valt wel wat voor te zeggen. Het is altijd al lastig om uit een verkiezingsuitslag een duidelijk inhoudelijk mandaat af te leiden voor specifieke beleidskwesties, zeker bij een lage opkomst. Extra ophalen van steun en inzicht onder inwoners is dan logisch. De vraag is echter wel van wie steun en inzicht wordt verworven. Met de term participatieparadox is er eerder al op gewezen dat er meer mogelijkheden zijn voor burgers om te participeren, maar dat die vooral actieve burgers worden gebruikt. Die laten zich zo nog een keer horen.
Zo kan directe participatie eerder ongelijkheid/selectiviteit versterken, dan corrigeren. De achterliggende zorgen bij een lagere opkomst laat zich dus ook via deze weg niet oplossen. Bovendien ligt de deelname aan verkiezingen nog altijd veel hoger dan de deelname aan andere lokale vormen van politieke participatie. Een andere indirecte weg om opkomst te bevorderen is het versterken van het belang van gemeenten door het overhevelen van taken naar gemeenten (decentralisaties). Hoe meer invloed inwoners ervaren van de gemeente, des te groter de kans dat ze gaan stemmen immers (hoofdstuk 3). Op het eerste gezicht is het daarom opvallend dat de opkomst niet omhoog is gegaan na de grootschalige decentralisaties in het sociale domein (jeugdzorg, arbeidsreïntegratie en maatschappelijke ondersteuning). De vraag is echter hoeveel inwoners dat ervaren hebben als lokale taken, waarover zij via verkiezingen invloed kunnen uitoefenen. Er worden immers nog steeds debatten in de nationale politiek over bijvoorbeeld jeugdzorg gevoerd – ook omdat daar nog altijd fundamentele keuzes in de jeugdzorg gemaakt kunnen worden. Dat kan de ervaren relevantie van gemeenten verminderen, doordat ze meer als uitvoeringsorganisaties van het rijk worden beschouwd.
Daarbij is het de vraag of inwoners bijvoorbeeld een centrum voor jeugd en gezin herkennen als onderdeel van de gemeente, en beschouwen als onderwerp waarover ze bij gemeenteraadsverkiezingen zich mogen uitspreken. Bovendien is het maar een beperkt deel van de bevolking die direct gebruik maakt van jeugdzorg, arbeidsreïntegratie en maatschappelijke ondersteuning. Daar komt nog bij dat experts van het lokaal bestuur betwijfelen of gemeenteraden welke veel keuzevrijheid hebben, doordat ze financieel goeddeels afhankelijk zijn van het rijk en daarnaast de dienstverlening vaak in regionaal verband verankerd hebben. Bovendien is de neiging van veel gemeenteraden om een consensuskoers in het sociale domein te varen. Het zal dan voor inwoners al helemaal lastig zijn om te doorgronden welke betekenisvolle keuzes ze dan nog kunnen maken bij gemeenteraadsverkiezingen. Decentralisaties zijn dus niet zomaar een recept om de opkomst te bevorderen. Dat is op zich geen nieuwe bevindingen. De groeiende bevoegdheden van het Europese Parlement hebben in Nederland immers niet geleid tot een toename van de opkomst bij Europese verkiezingen. Al met al is opkomst een hardnekkige kwestie. Opkomst kan worden opgekrikt, maar daarmee zijn achterliggende zorgen als selectieve opkomst, gebrek aan politiek vertrouwen en moeite om te kiezen niet weggenomen.
En die achterliggende zorgen zijn ook niet gemakkelijk op te lossen. Het is dan ook geen wonder dat ook veel andere westerse democratieën evenzeer kampen met een lage of dalende opkomst bij lokale verkiezingen en dat niet zo snel omgebogen krijgen.
8.3.5 Permanent onderhoud Zo’n hardnekkige kwestie zou moedeloos kunnen stemmen. Met constante factoren als gebrekkige interesse in lokale politiek is het ook niet te verwachten dat de opkomst snel zal stijgen. De neergaande trend van dalende opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen is niet eenvoudig om te buigen. Bovendien gaat het niet zozeer om het verhogen van het opkomstcijfer, maar vooral ook om het aanpakken van de onderliggende problemen van politieke ongelijkheid, een gebrek aan vertrouwen in de politiek (zowel onderdeel een deel van de lokale nietstemmers als stemmers, zie hoofdstuk 3) en een gebrek aan lokaal burgerschap. Het gaat daarmee om het
De lokale niet-stemmer | 94
versterken van het lokale democratisch bestel in den brede. Hoe dat zou moeten en kunnen voert verder dan het bestek van dit rapport. Duidelijk is echter wel dat het een zaak van de lange adem is en niet iets wat alleen direct na de verkiezingen met een lage opkomst aandacht moet krijgen of pas weer in de aanloop naar de volgende gemeenteraadsverkiezingen in 2026. Wie de opkomst zou willen bevorderen en de lokale democratie wil versterken, moet voortdurend aan de slag. In gemeente op het gemeentehuis en vooral ook daarbuiten in wijken en buurten. Maar ook in Den Haag: om gemeentebesturen, gemeenteraden en lokale media voldoende toe te rusten om hun rol in de lokale democratie goed te vervullen. We vertellen daarmee niet iets nieuws. Ook in reactie op de lage opkomst bij eerdere verkiezingen was dat vaak het appèl. Democratie heeft nu eenmaal permanent onderhoud nodig.
De lokale niet-stemmer| 95
Bijlage 1: onderzoeksverantwoording Giedo Jansen en Lisanne de Blok
Inleiding Deze bijlage beschrijft de totstandkoming van het Lokaal Kiezersonderzoek 2022 (LKO 2022) en de aanvullende dataverzameling onder niet-stemmers. Tezamen vormen beide dataverzamelingen de basis voor de analyses in deze rapportage, behoudens het kwalitatieve onderzoek in hoofdstuk 6. Met betrekking tot het LKO gaan we hier nader in op de vragenlijstconstructie, de wijze van dataverzameling, de kwaliteit van de data, de beschikbaarheid van de data, en de weging die is toegepast. Net als de dataverzameling zelf bouwt deze onderzoeksverantwoording voort op het eerste LKO uit 2016 (pilot) en het tweede LKO uit 2018. De beschrijving hieronder is daarom een bijgewerkte versie van de onderzoeksverantwoording door Giedo Jansen en Bas Denters uit het rapport Democratie dichterbij: Lokaal kiezersonderzoek 2018, en is daarmee ook schatplichtig aan de onderzoekverantwoording door Henk van der Kolk en Tom van der Meer met betrekking tot het LKO 2016. Voor de huidige keuzes, inclusief eventuele tekortkomingen, zijn wij uiteraard zelf verantwoordelijk.
Hoe kwam de vragenlijst van het LKO tot stand? De doelstelling van het LKO 2022 is om een omvattend beeld schetsen van de lokale verkiezingen en de lokale democratie in Nederlandse gemeenten anno 2022. Het LKO is daarom niet gericht op het beantwoorden van een beperkt aantal onderzoeksvragen, maar een project dat het beantwoorden van meer vragen mogelijk moet maken. Hoewel omvattend, is het LKO gericht op een aantal kernthema’s. We volgen hierbij het algemene model dat gemaakt is voor het eerste LKO in 2016, met daarin de belangrijkste groepen variabelen die ook in deze editie van het Lokaal Kiezersonderzoek centraal staan. Dit model is weergegeven in figuur A.1. Het onderhavige rapport richt zich uiteraard primair op de afhankelijke variabele ‘opkomst’ (specifieker ‘niet-stemmen’) en verklaringen hiervoor. Nadere analyse van andere afhankelijke variabelen zullen worden gepubliceerd in een later te verschijnen rapportage over het LKO 2022.
Figuur A.1 Het model dat ten grondslag ligt aan het LKO Gemeentelijke verklaringen - Sociaal-demografisch (samenstelling) - Politiek (samenstelling; B&W) - Maatschappelijke voorzieningen
Individuele verklaringen Sociaal-demografisch - Sociaal-economische opvattingen - Woongeschiedenis (verhuizingen) - Maatschappelijke inbedding - etc. Hoe zijn de data van het LKO verzameld?
De lokale niet-stemmer | 96
(Inclusief ongelijkheid)
Afhankelijke variabelen - Opkomst en stemgedrag (GR) - Burgerparticipatie lokale politiek - Perceptie van legitimiteit lokale instituties en actoren - Percepties van verantwoordelijkheid en verantwoording - Opvattingen over lokale dienstverlening - Opvattingen over nieuwe participatievormen - Belangrijkste problemen (lokaal niveau)
Voor deze derde editie van het LKO is voor dezelfde type dataverzameling gekozen als bij de eerste twee edities. Ten tijde van het eerste LKO 2016 is de keuze gemaakt voor een enkele, landelijke steekproef. Een alternatief zou een dubbele steekproef zijn geweest waarbij eerst een selectie van gemeenten wordt getrokken, en daarbinnen een steekproef van individuen. De enkele steekproef is voor de meeste doeleinden van het LKO effectiever en goedkoper. Met een landelijke steekproef kan bovendien de wisselwerking tussen gemeente en burger systematisch bestudeerd worden. Het voornaamste nadeel is dat geen betrouwbare, beschrijvende uitspraken gedaan kunnen worden over individuele gemeenten, omdat het aantal respondenten per gemeente daarvoor te klein is. Dat is echter geen doel van het LKO. Voor de uitvoering van het LKO 2022 is wederom gekozen om gebruik te maken van het LISS internet panel van Centerdata. ‘LISS’ staat voor ‘Langlopende Internet Studies voor de Sociale wetenschappen’. In het LISS-panel zitten mensen uit alle lagen van de Nederlandse bevolking. Zij vullen via internet vragenlijsten in en werken zo mee aan wetenschappelijke onderzoeken. Panelleden krijgen daarvoor betaald en worden voorzien van een computer met internetverbinding, indien die niet aanwezig is.
Het LISS-panel bestaat uit ongeveer 7500 panelleden in ongeveer 5000 huishoudens, verspreid over heel Nederland. Centerdata en het Centraal Bureau voor de Statistiek selecteren de leden voor het LISSpanel. Deelnemers kunnen zich dus niet zelf aanmelden voor deelname aan het LISS-panel. Meer informatie over het LISS panel kan worden gevonden op www.lissdata.nl. Het veldwerk voor het LKO 2022 vond plaats direct na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen van 14, 15 en 16 maart 2022. In plaats van twee meetmomenten is er gekozen voor één meting. Op dit punt wijkt het LKO 2022 af van het LKO-2018 dat een voor- en een nameting kende. De vragenlijst is afgenomen van 17 maart 2022 tot 29 maart 2022. Voor respondenten, die de vragenlijst vermoedelijk ononderbroken invulden, 218 was de gemiddelde invulduur ongeveer 22 minuten. In aanvulling op het reguliere LKO 2022, hebben we ten behoeve van deze rapportage over opkomst een aanvullende steekproef uit het LISS-panel getrokken onder niet-stemmers. Het doel van deze aanvullende vragenlijst was om meer inzicht te krijgen in de beweegredenen en motieven om niet te gaan stemmen en hen enkele handelingsperspectieven voor te leggen. Het betrof een korte vragenlijst met zowel gesloten vragen (over o.a.
de keuze om niet te gaan stemmen, het stemgedrag van de omgeving en een potentiële opkomstplicht) en enkele open vragen over de redenen waarom de respondent niet is gaan stemmen en mogelijke oplossingen voor niet-stemmen. De vragenlijst is voorgelegd aan respondenten van het LKO die aan hadden gegeven niet te hebben gestemd, maar is ook breder uitgezet onder niet-stemmers in het algemene LISS-panel. Leden van het LISS-panel die niet hadden deelgenomen aan het reguliere LKO 2022 kregen ook een aantal aanvullende vragen die uit het LKO afkomstig waren (over o.a. politiek vertrouwen, regionale binding en opvattingen over de lokale politiek). Het veldwerk voor de aanvullende vragenlijst vond plaats tussen 2 en 31 mei 2022. Tijdens deze periode vulden 1024 respondenten de vragenlijst volledig in. Voor respondenten, die de vragenlijst vermoedelijk ononderbroken invulde,219 was de gemiddelde invulduur ongeveer 5 minuten.
Wat is de kwaliteit van de data? Het LISS-bestand is weliswaar gebaseerd op een aselecte steekproef uit de bevolkingsregisters, maar lang niet iedereen die in eerste instantie werd benaderd doet mee aan panelonderzoek. Het is moeilijk aan te geven wat het responsepercentage van de selectie is. Omdat het een panelonderzoek is, haken sommige mensen na een tijdje af. Centerdata selecteert daarop in samenwerking met het CBS nieuwe respondenten. Door te monitoren of gegevens uit het panel overeenkomen met bekende populatiegegevens, houdt Centerdata in de gaten of het bestand ‘representatief’ blijft. Het onderzoek dat in deze rapportage wordt gepresenteerd is gebaseerd op een steekproef uit de populatie LISS panelleden die ook hebben deelgenomen aan het LKO2018 (n=1995) plus een verse steekproef van panelleden van 18 jaar en ouder (n=1557). Door het opnieuw benaderen van respondenten 218 Minder dan anderhalf uur tussen begin en eindtijd. 219 Wederom minder dan anderhalf uur tussen begin en eindtijd.
De lokale niet-stemmer| 97
uit de vorige editie, is het mogelijk om op individueel niveau de veranderingen tussen 2018 en 2022 te analyseren. De respons is weergegeven in tabel A.2. Voor de aanvullende vragenlijst onder niet-stemmers zijn in totaal 1194 panelleden die aan hadden gegeven niet te hebben gestemd bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 uitgenodigd. Van alle genodigde leden kwamen er 709 uit de steekproef van het LKO, en 485 uit het grotere LISS-panelbestand. Dit leidde tot een steekproef van 1028 respondenten, waarvan 622 hadden meegedaan aan het LKO 2022 en 407 niet. Tabel A.2 toont ook de algemene respons voor deze aanvullende vragenlijst. De respons lag onder de genodigden uit het LKO-bestand iets hoger dan onder de overige LISS panel leden (respectievelijk 87,7 procent en 83,9 procent).
Tabel A.2 - Responsoverzicht LKO-2022 Selectie aantal leden huishouden Nonrespons: Respons: Incompleet: Compleet:
3552 (100%) 681 (19,2%) 2871 (80.8%) 25 (0,7%) 2.846 (75,3%)
Aanvullende steekproef Niet-stemmers 1194 (100%) 166 (13,7%) 1028 (86,3%) 4 (0,3%) 1024 (85,8%)
Beschikbaarheid en anonimiteit LKO, gemeentekenmerken Een expliciet doel van Stichting Kiezersonderzoek Nederland (SKON) is de publieke beschikbaarheid van data voor onderzoek door derden. De data van het LKO worden daartoe binnenkort gedeponeerd bij het Nederlandse data-archief DANS. Omdat het LKO ingebed is in het langlopende LISS-panel, zijn er nadrukkelijke waarborgen voor de anonimiteit van de respondenten. Gegevens zijn noch te herleiden naar individuele burgers noch naar individuele gemeenten waarin zij wonen. Het basisbestand van het LKO is daarom verrijkt met drietal gemeentekenmerken in tamelijk grove categorisaties: indeling gemeentegrootte, het gemiddelde besteedbare inkomen, en etnische samenstelling. Het is mogelijk om in aanvullende analyses andere gemeentekenmerken te koppelen aan het LKO-bestand, maar uitsluitend door middel van remote access via Centerdata.
Weging van de data ten behoeve van deze publicatie Omdat het LISS panel op een ingewikkelde manier tot stand is gekomen, worden aan de LISS-data geen weegfactoren toegevoegd. 220 Het LKO gebaseerd is op dit panelbestand. Dit panelbestand weliswaar is gebaseerd op een representatieve steekproef, maar de uitval voorafgaande aan deelname aan het panel in combinatie met specifieke uitval voor dit onderzoek, is relatief hoog. Daardoor wijken de gegevens uit het bestand soms af van gegevens die we kennen uit andere bronnen. Zo is bijvoorbeeld het aantal mensen in het bestand dat zegt te hebben gestemd bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen veel hoger dan in werkelijkheid het geval was. Voor de verbanden tussen variabelen hoeft dat niet zoveel uit te maken, maar bij beschrijvingen zijn die afwijkingen vreemd en leiden ze af van de dingen waar het om gaat. Daarom hebben we de gegevens in de bestanden gewogen via eenzelfde procedure als de eerdere edities van het LKO en op basis van gegevens waarvan we de populatiegegevens kennen. Meer specifiek zijn de gegevens gewogen naar opkomstgedrag bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 en de Tweede Kamerverkiezingen van 2021, geslacht, geboortejaar (waarbij we net als in de vorige editie een tweedeling hebben gemaakt tussen mensen geboren voor of na 1963), opleiding en de mate van stedelijkheid van de gemeente waar men woont.
Het SPSS-syntax-bestand waarmee de weging is gemaakt, uitgelegd en verantwoord kan worden opgevraagd bij de auteurs van het rapport. Al met al denken we dat de gerapporteerde gegevens vanwege zowel de hoge kwaliteit van de steekproef als door het gebruik van de weegfactor een goede weergave vormen van hetgeen er leeft onder de Nederlandse bevolking. Wat betreft de aanvullende vragenlijst onder niet-stemmers is er bewust gekozen om geen weegfactor toe te passen. Doordat alleen niet-stemmers zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de vragenlijst, waarvan een deel 220 https://www.lissdata.nl/faq-page#n5506
De lokale niet-stemmer | 98
al had meegedaan aan het LKO, is de steekproef per definitie niet willekeurig. Daarnaast is er te weinig bekend over de daadwerkelijke samenstelling van de groep niet-stemmende Nederlanders bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 om de steekproef goed te kunnen wegen op basis van bijvoorbeeld leeftijd, geslacht en opleidingsniveau.
De lokale niet-stemmer| 99
Over de auteurs Lisanne de Blok is universitair docent politicologie in het departement Organisatie- en Bestuurswetenschap van de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek richt zich op de ervaren legitimiteit van politieke instituties en de prestaties van de verschillende overheden. Ze is co-directeur van het Lokaal Kiezersonderzoek 2022 en tevens projectleider van Gefundeerd Politiek Vertrouwen, een actueel onderzoek naar de relatie tussen politiek vertrouwen en overheidsprestaties. Ze is daarnaast ook managing director van de Netherlands Institute of Governance (NIG).
Marianne van Bochove is socioloog. Zij is senior onderzoeker bij EMMA – Experts in Media en Maatschappij en bij kenniscentrum Governance of Urban Transitions aan De Haagse Hogeschool. In 2012 promoveerde zij aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op een onderzoek naar stadsburgerschap en transnationale betrokkenheid van de stedelijke middenklasse. Haar onderzoek richt zich op veranderingen in de relatie tussen burgers en overheid, participatie, stedelijk beleid en sociale ongelijkheid.
Marcel Boogers is hoogleraar innovatie en regionaal bestuur aan de Universiteit Twente en onderzoeker bij Necker van Naem. Zijn onderzoek richt zich op het democratisch functioneren van complexe besluitvormingsprocessen. Hij was betrokken bij het Lokaal Kiezersonderzoek van 2018 en 2022 en doet sinds 2006 onderzoek naar de kandidaatstelling van politieke partijen bij gemeenteraadsverkiezingen.
Twan Huijsmans is promovendus op de afdelingen Sociologie en Politicologie van de Universiteit van Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op geografische verschillen in politieke attituden in Nederland en daarbuiten.
Giedo Jansen is universitair docent bij het Amsterdams Instituut voor Arbeidsvraagstukken (AIAS-HSI). Zijn onderzoek is multidisciplinair op het snijvlak van de sociologie, politicologie en arbeidsverhoudingen. Zijn politicologische werk richt zich hoofdzakelijk op het lokale openbaar bestuur en de lokale democratie. Hij was onder meer co-directeur van het Lokaal Kiezersonderzoek 2018 en 2022, en het Provinciaal en Waterschapskiezersonderzoek 2020. Hij was tevens projectleider van de Basismonitor Politieke Ambtsdragers, een meerjarig onderzoek naar vertegenwoordigers en bestuurders in het lokale en regionale bestuur.
Hans Moors is politiek filosoof, cultuurhistoricus en criminoloog. Hij is directeur-eigenaar van EMMA – Experts in Media en Maatschappij en senior onderzoeker. Eerder was hij lector Integrale Veiligheid bij Avans Hogeschool en hoofd van de afdelingen Criminaliteit & Veiligheid, Welzijn & Zorg bij IVA Beleidsonderzoek en Advies (Tilburg University). Zijn onderzoek richt zich op criminele clans en familienetwerken, maatschappelijke spanningen, en trust, fear & feel issues in buurten en wijken.
Liza Mügge is universitair hoofddocent politicologie aan de UvA. Zij leidt een NWO VIDI project (2017-2023) over politieke vertegenwoordiging en diversiteit in Nederland, Duitsland en Frankrijk. De komende jaren legt zij eveneens toe op online anti-gender geweld (Horizon Europe grant, 2023-2026) en op carrièrepaden van geminoriseerde Tweede Kamerleden (Porticus grant 2022-2024).
Julien van Ostaaijen is universitair docent Bestuurskunde aan Tilburg University en lector Recht & Veiligheid aan Avans Hogeschool. Hij houdt zich bezig met bestuur, recht en veiligheid op decentraal niveau. Afgelopen jaren was hij betrokken bij verschillende onderzoeken naar de opkomst bij lokale verkiezingen en in 2022 verscheen
De lokale niet-stemmer | 100