bijlage bij vragen P Custers (VL) - Rapport-lokale-niet-stemmer-2022
Tekst van het document
De bevindingen uit de documentstudie en het veldwerk hebben we eerst op gemeentelijk niveau uitgewerkt en vervolgens hebben we de overeenkomsten en verschillen tussen de gemeenten geanalyseerd. We richten ons in dit hoofdstuk op de overeenkomsten, in het bijzonder op de variaties en combinaties van motieven van nietstemmers die we in alle gemeenten tegenkwamen. Een uitgebreidere verantwoording van de onderzoeksmethoden en beschrijving van de resultaten per gemeente zijn te vinden in het bovengenoemde rapport van Van Bochove, Klarenbeek en Moors. 6.3 Motieven van niet-stemmers Als je aan mensen vraagt waarom ze wél gestemd hebben, is de variatie aan antwoorden vrij beperkt: het is een morele plicht, een belangrijk recht, een gewoonte, het hoort. Als je aan mensen vraagt waarom ze niet hebben gestemd, is de diversiteit aan redenen enorm. Maar door onze oogharen heen zien we ook algemene patronen.
165 Locaties waren bijvoorbeeld in en om supermarkten, in winkels en winkelcentra, in een café of op een terras, in en om
een buurtcentrum of bedrijfsverzamelgebouw en bij scholen. De plekken waar we gingen staan of zitten waren ook afhankelijk van het tijdstip, bijvoorbeeld ’s ochtends bij een supermarkt, ’s middags bij een school (als ouders hun kind kwamen ophalen) en ’s avonds in een centrumgebied met horeca- en cultuurgelegenheden. De lokale niet-stemmer| 71
6.3.1 Gradaties van wantrouwen Gebrek aan vertrouwen in de politiek is een veelvoorkomend motief om lokaal niet te stemmen. Binnen dit motief is er variatie in de mate van wantrouwen (van een beetje teleurgesteld zijn tot geloof in complotten), en op wie of wat het wantrouwen zich richt (lokaal of landelijk, mensen of het systeem). Veel niet-stemmers zijn van mening dat het niet uitmaakt of zij wel of niet gaan stemmen. Vaak zeggen zij erbij dat er toch niets mee wordt gedaan. ‘Als het lijkt alsof alles van tevoren al is beslist, dan heeft het voor mij geen zin om te gaan stemmen.’ (man, 39, Almere Poort) ‘Waarom zou ik stemmen voor een overheid waarbij ik geen verandering zie?’ (vrouw, 49, Den Haag Laakkwartier en Spoorwijk) Veel van deze niet-stemmers hebben geen vertrouwen in het probleemoplossend vermogen van de politiek of overheid. Ze zien vooral onkunde en een gebrek aan daadkracht, geen resultaten: ‘De gemeente zet eigenlijk vooral in de etalage wat ze niet doet, niet wat ze wel heeft bereikt’ (man, 45, Oldambt). Naast de ‘politiek’ noemen veel niet-stemmers in hun antwoord ook ‘politici’. Over politici in het algemeen zeggen respondenten vaak dingen als ‘ze komen hun beloften niet na’ en ‘ze maken het niet waar’. Sommigen noemen de politici waar ze geen vertrouwen in hebben bij naam.
Hoewel we specifiek vroegen naar het wel of niet stemmen bij de lokale verkiezingen, kwamen namen van landelijke politici regelmatig voorbij. In deze antwoorden ging het niet zozeer over onkunde, maar vooral over onbetrouwbaarheid. (…) En alle politici mogen van mij bij het grofvuil. Met name Rutte, wat een charlatan.’ (man, 37, Den Helder) ‘Vroeger stemde ik wel, maar nu niet meer. Dat komt door het liegen van Rutte.’ (man, 42, Almere Poort) Volgens sommige niet-stemmers zijn onbetrouwbaarheid en oneerlijkheid niet verbonden aan individuele politici, maar ingebed in het totale politieke systeem. Zo zegt een respondent (vrouw, 60, Den Helder) dat ze ‘natuurlijk’ niet stemt, omdat het ‘een corrupt zooitje’ is. Een ander (man, 44, Weert) vindt dat burgers ‘maar pionnen’ zijn in het politieke spel. De hieronder geciteerde respondent hekelt de ‘vriendjespolitiek’ en de ‘witte cultuur’ in het systeem. ‘Zolang politici hun woorden niet nakomen kan niemand mij verplichten om te stemmen. Voorlopig zie ik alleen maar vriendjespolitiek, deels omdat er in de politiek een witte cultuur heerst en omdat de resultaten voorspelbaar zijn. Daarom zie ik het nut niet in om te gaan stemmen, ik vertrouw het systeem niet. Ze maken zich niet hard voor mensen zoals wij.
Witte mensen hebben prioriteit, arme mensen van kleur komen laatst.’ (man, 30, Den Haag Laakkwartier en Spoorwijk) Verschillende niet-stemmers hebben twijfels bij de eerlijkheid van het stemproces. Zo vertelt een respondent (vrouw, 63, Den Haag Laakkwartier en Spoorwijk) dat ze in haar omgeving had gehoord dat mensen op een bepaalde partij hadden gestemd, maar dat ze het niet terugzag in de uitslag. Die stemmen zijn ‘weggebonjourd’, denkt ze: ‘Wie is daarbij? Ik vertrouw het niet.’ Lokale en landelijke problematiek zijn vaak met elkaar verweven in de antwoorden van niet-stemmers die blijk geven van enige mate van politiek wantrouwen. Op beide niveaus zien zij een gebrek aan daadkracht, beloftes die niet nagekomen worden en oneerlijkheid over besluitvorming. Lokaal noemen ze bijvoorbeeld problemen rond afval, geluidsoverlast en een gebrek aan voorzieningen in de wijk. Landelijk noemen ze de stikstof-, woning-
De lokale niet-stemmer | 72
en coronacrisis, de toeslagenaffaire en stijgende prijzen. Ervaringen met een incapabele en oneerlijke overheid voeden het wantrouwen in de lokale en de landelijke politiek.166 6.3.2 Geen belangstelling voor (lokale) politiek Een ander veelvoorkomend motief van niet-stemmers is een gebrek aan belangstelling in politiek, soms vooral in de lokale politiek, soms in de politiek als geheel. Sommigen noemden dit in combinatie met enig wantrouwen richting de politiek, anderen hadden er geen mening over. Sommige niet-stemmers zeggen het bijna verontschuldigend, anderen vinden het vanzelfsprekend en komen er rondweg voor uit: zij vinden politiek ‘niet belangrijk’ en ‘niet interessant’. Ook respondenten die als eerste reden aangeven dat ze door omstandigheden niet in staat waren om te stemmen – geen tijd, ziek, op vakantie, ID kwijt – voegen daar regelmatig aan toe dat ze zich er ook niet in verdiept hadden, er geen verstand van hebben, niet wisten waarop ze moesten stemmen, en het sowieso niet heel belangrijk vinden. Dit toont de meerwaarde van het in gesprek gaan met niet-stemmers. In een enquête hadden velen waarschijnlijk alleen op de praktische belemmeringen gewezen. 167 Enkele niet-stemmers onderbouwen hun gebrek aan belangstelling voor de lokale politiek met het argument dat het ‘wel goed gaat’ met hun gemeente en dat ze ‘niet ontevreden’ zijn.
Zij associëren stemmen met ergens tegen zijn of met verandering willen. Zo zegt een respondent (vrouw, 60, Den Helder): ‘Nee, ik heb niet gestemd. Dat interesseert me eigenlijk helemaal niet. Ik heb het verder prima, dus ik zou ook niet weten waarom ik zou gaan stemmen.’ Een andere toevoeging aan het algemene motief ‘niet belangrijk’ is de opvatting dat ‘lokaal er niet toe doet’. Als voorbeeld wordt het stikstofbeleid genoemd. De beslissingen worden in de landelijke politiek genomen: ‘Den Haag is de baas’ (vrouw, 63, Oldambt). Lokale sleutelfiguren noemen ook de geringe binding die sommige bewoners hebben met de gemeente waarin zij wonen als reden voor desinteresse in de gemeentelijke politiek. Bijvoorbeeld bewoners van een buitenwijk, een stadsdeel nog in aanbouw, een klein dorp binnen een fusiegemeente, of een wijk met een hoge verhuismobiliteit. Dit hoorden we ook terug in de straatgesprekken. Deze bewoners stemmen niet, omdat ze het gevoel hebben dat het hen (nog) niet betreft of aangaat. ‘Misschien als we straks echt gesetteld zijn in deze buurt, want dat hebben we tijdens de lockdowns niet of nauwelijks gehad, dat we dan eens om ons heen kijken naar wat zich allemaal afspeelt in Almere Poort. Al lijkt het op dit moment niet zo veel.’ (man, 28, Almere Poort) Sommige bewoners hebben het voornemen zich er volgende keer wel in te verdiepen.
6.3.3 Gevoel niet gezien te worden Hoe verschillend de onderzochte gemeenten ook zijn, opvallend is dat er overal groepen bewoners zijn die zich niet gezien voelen door lokale politici. ‘De aandacht gaat altijd naar…’, zeggen zij. Hiermee samenhangend ervaren deze bewoners lokale politici ook niet als zichtbaar en benaderbaar. Of het nu gaat om Laakkwartier en Spoorwijk in Den Haag, het stadsdeel Poort in Almere, Julianadorp in Den Helder, of het ‘ommeland’ van Oldambt, in al deze gebieden voelt een deel van de bewoners zich niet gezien en niet gehoord door de gemeente. Zo zeggen bewoners: ‘het is hier een vergeten wijk’ (sleutelfiguur en bewoner Laakkwartier en Spoorkwartier), ‘er waren allerlei beloften gedaan over deze wijk, maar ik zie daar niks van terug’ (vrouw, 36, Almere Poort), ‘alle wethouders wonen in Winschoten en kijken naar Winschoten’ (man, 76, Oldambt). 166 Vgl. T. Peeters, E. Smits van Waesberghe, A. Mesic, en R. van Wonderen (2020), Van persoonlijke krenking tot
vertrouwensbreuk: Verhalen van burgers met gebrek aan vertrouwen in instituties (Utrecht: Verwey-Jonker Instituut). 167 Vgl. J. van Ostaaijen, M. Eskamp en S. van Zuydam (2017), Tegen beter weten in: Hoe een gemeentelijke verkiezingscampagne de opkomst (niet) kan verhogen, Jaarboek van Griffiers: Werk in uitvoering. De griffier en de democratie, 37-50, http://www.griffiers.nl/projecten/jaarboeken/jaarboek-2017; In open enquêtevragen noemen sommige respondenten overigens ook verschillende motieven in combinatie, zoals hoofdstuk 3 laat zien. Bijvoorbeeld de combinatie van ‘geen tijd’ en ‘geen vertrouwen’. Een van de voordelen van een gesprek in plaats van een open enquêtevraag, is de mogelijkheid voor onderzoekers om hier verder op door te vragen. De lokale niet-stemmer| 73
Bewoners krijgen niet de indruk dat de lokale politici oprecht geïnteresseerd zijn in ‘mensen zoals zij’. En waarom zou je je dan inspannen door te gaan stemmen, als de gemeente toch niks voor jou doet, zo vragen velen zich af. Ze hebben het gevoel dat het allemaal niet uitmaakt, of je nu wel of niet stemt, en of nu de ene of de andere partij wint. Het enige verschil is ‘of je door de kat of door de hond gebeten wordt’ (vrouw, 41, Oldambt). Zowel de lokale sleutelfiguren – die veelal zelf wel gestemd hadden – als niet-stemmers in de ‘vergeten gebieden’ zijn kritisch over de zichtbaarheid van lokale politici. Eens in de zoveel tijd een flyer verspreiden, of af en toe eens komen ‘aapjes kijken’, werkt volgens hen niet. Sommige bewoners die vroeger wel stemden, maar nu niet meer, geven aan dat dit te maken heeft met een gebrek aan verbinding. Vroeger stemde je op iemand die je kende, maar ze kennen de lokale politici steeds minder.168 ‘Je ziet ze nooit en dan voor de verkiezingen zie je ze vier weken’, zegt een respondent (vrouw, 46, Weert), die overigens zelf wel gestemd had, maar het eens was met de kritiek van niet-stemmers in haar omgeving. Als de partijen en hun kandidaten grotendeels onzichtbaar zijn, hoe moet je er dan ‘een gevoel’ bij krijgen, vraagt ze zich af.
6.3.4 Overige motieven De hierboven uiteengezette motieven werden het vaakst genoemd, regelmatig ook in combinatie. Een andere reden om niet te stemmen die soms werd genoemd, waren uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden, zoals een coronabesmetting. Respondenten geven bijvoorbeeld aan dat ze normaal altijd stemmen omdat ze het belangrijk vinden, maar dit keer was dat voor hen niet mogelijk. Volgens sleutelfiguren speelde ook de locatie van stemlokalen een rol; in sommige woonzorgcentra en scholen was er bijvoorbeeld geen stemmogelijkheid, om mogelijke verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Niet-stemmers zelf noemen echter zelden zulke aan de organisatie van de verkiezingen gerelateerde redenen. Wel geeft een stemmer (vrouw, 83, Weert) aan dat wanneer er géén stemlokaal was geweest in het zorgcentrum waar zij woont, zij waarschijnlijk niet gestemd had, omdat ze slecht ter been is. Angst voor coronabesmetting werd door niemand genoemd. Corona als motief om niet te stemmen komt nog wel op een andere manier terug: meerdere niet-stemmers geven aan dat ze het niet eens waren met het lokale en/of landelijke coronabeleid, daardoor (nog) minder vertrouwen hebben in de politiek, en (mede) daarom niet hebben gestemd. De oorlog in Oekraïne werd niet genoemd als motief, maar het kan een verklaring zijn voor de lage opkomst.
De gemeenteraadsverkiezingen verdwenen hierdoor – in ieder geval in de landelijke media – wat naar de achtergrond. 6.4 Niet zwart-wit maar grijs De straatgesprekken en interviews met lokale sleutelfiguren leverden niet alleen inzicht op in motieven om niet te stemmen, maar nuanceren ook de vaak gebruikte tegenstellingen ‘aangehaakt versus afgehaakt’ en ‘stemmers versus niet-stemmers’. 6.4.1 Nuancering van termen ‘boos’ en ‘afgehaakt’ Op basis van het veldwerk wordt duidelijk dat termen als ‘boze burgers’ of ‘afgehaakte burgers’ – in het publieke debat vaak gebruikt – te kort door de bocht zijn. Onder mensen die niet stemmen komen allerlei gevoelens voor richting de (lokale) politiek, zoals onverschilligheid, tevredenheid, berusting, boosheid, teleurstelling, machteloosheid, cynisme en argwaan. Waar boosheid een actieve emotie veronderstelt, hebben veel nietstemmers zich erbij neergelegd dat de lokale politiek – in hun ogen – het verschil niet zal maken. De term ‘afgehaakt’ suggereert ten eerste dat mensen eerst ‘aangehaakt’ waren en ten tweede dat mensen ‘niet meedoen’ in de samenleving. Beide suggesties moeten genuanceerd worden. Als het om politieke participatie gaat, zijn er mensen die nooit ‘aangehaakt’ zijn geweest. We spraken tijdens straatgesprekken met mensen die nog nooit hadden gestemd.
In sommige wijken wordt niet-stemmen van generatie op generatie overgedragen, geven sleutelfiguren aan. We spraken daarnaast ook met mensen die in politieke zin wel ‘afgehaakt’ kunnen worden genoemd – ze zijn op politiek afgeknapt en erin teleurgesteld – maar tegelijkertijd zijn ze juist heel ‘aangehaakt’. Ze zijn bijvoorbeeld actief als vrijwilliger in hun wijk en vinden dát de manier is om iets voor je stad, dorp of wijk te betekenen. Zo 168 Zie voor het belang van een persoonlijke relatie tussen kiezers en kandidaten in kleinere gemeenten: H. Kuhn en D. van
der Vlist (2022), “Mensen stemmen op mensen”. Stuk Rood Vlees, 22 maart 2022, https://stukroodvlees.nl/mensenstemmen-op-mensen/.
De lokale niet-stemmer | 74
zeggen twee vrijwilligers in een buurtcentrum in Den Haag Laakkwartier en Spoorwijk dat je ‘zelf degene bent die het moet doen’, en je je eigen stem niet ‘moet weggeven, maar gebruiken’. Het liever zelf doen in plaats van vertrouwen op anderen, zien we ook terug in andere gemeenten. 6.4.2 Stemmers hebben vaak begrip voor niet-stemmers Tijdens de straatgesprekken en via de interviews met lokale sleutelfiguren spraken we ook met mensen die wél gestemd hebben bij de gemeenteraadsverkiezingen. Een veelgehoorde uitspraak onder stemmers is: ‘als je niet stemt, mag je ook niet klagen’. Stemmen wordt door stemmers als een voorrecht of burgerplicht gezien. Anderen doen het vooral uit gewoonte, omdat het hoort, en ze het van huis uit hebben meegekregen. Om er vervolgens vaak achteraan te zeggen dat ze het eigenlijk niet erg interessant vinden en zich er niet zo in verdiepen. Sommige stemmers geven een persoonlijkere reden, bijvoorbeeld dat ze met hun stem tegenwicht willen bieden aan bepaalde partijen of politici waar ze het niet mee eens zijn. Sommige mensen stemmen juist – of zelfs alleen – bij de gemeenteraadsverkiezingen, omdat je ‘daar nog echt wat kunt doen’ voor je stad of dorp. Zij zijn het niet eens met niet-stemmers die vinden dat de landelijke politiek het uiteindelijk toch voor het zeggen heeft.
Ook het persoonlijk kennen van iemand die op de lijst stond wordt in sommige gemeenten genoemd. Waar het idee van ‘zien en gezien worden’ wel bestaat, is de prikkel om te stemmen sterker. 169 Veel stemmers hebben ook niet-stemmers in hun naaste omgeving. Hoewel zij zelf een andere keuze hebben gemaakt, tonen zij vaak begrip voor mensen die niet stemmen. Ze geven aan te begrijpen dat mensen er geen vertrouwen (meer) in hebben. Sommigen twijfelen er ook aan of ze zelf zullen blijven stemmen. ‘Het verbaast me niet dat mensen niet gaan stemmen. Ik ga zelf wel altijd, maar ik zei laatst ook al tegen mijn vrouw: “Het zou zomaar eens kunnen dat ik ermee ga kappen.” Er gebeurt niks met de stemmen van de mensen, ze worden niet gehoord.’ (man, 67, Den Helder) ‘Ik stem altijd, ik ben blij dat dat kan in Nederland. Maar ik heb niet de illusie dat het daadwerkelijk uitmaakt. (…) Ik ben het niet eens met de opmerking van [andere deelnemer aan groepsgesprek] dat als je niet stemt, je niet moet klagen. Ik kan me voorstellen dat veel mensen het vertrouwen kwijt zijn.’ (sleutelfiguur bewonersinitiatief, Den Haag Laakkwartier en Spoorwijk) Sommige stemmers maken zich zorgen over de lage opkomst, maar ze nemen dit de lokale politiek meer kwalijk dan hun niet-stemmende dorps- of stadgenoten.
Hoewel we – ook in dit hoofdstuk – vaak het onderscheid maken tussen stemmers en niet-stemmers, blijkt uit de straatgesprekken dat er veel overeenkomsten zijn tussen beide groepen. 6.5 Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk bekeken we de motieven van niet-stemmers en stemmers in vijf gemeenten met een verhoudingsgewijs lage opkomst bij de lokale verkiezingen van 2022. We constateerden allereerst dat stemmen of niet-stemmen zich niet dichotoom verhouden. We spraken wel mensen die altijd stemmen en mensen die nooit stemmen, maar dat wil niet zeggen dat hun motieven en gevoelens heel anders zijn. Mensen denken en handelen vanuit ‘gelaagde’ motieven. We zagen namelijk ook dat de motieven voor het niet-stemmen heel gevarieerd zijn. Er zijn algemene patronen, zoals een gebrek aan vertrouwen in en belangstelling voor de (lokale) politiek, en je als inwoner niet gezien en gehoord voelen – lokaal noch nationaal. Binnen deze uiteenlopende motieven vinden we verschillende verschijningsvormen en gradaties. Sommige respondenten zijn teleurgesteld in politici die beloftes niet zijn nagekomen, andere wantrouwen het hele politieke systeem. Sommigen vinden alle vormen van politiek oninteressant, anderen specifiek de gemeente. De opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen is structureel laag. Maar in 2022 nog lager dan vier jaar eerder.
Interessant is, dat weinig respondenten in ons verkennende en qua opzet beperkte onderzoek deze situatie opmerkelijk vonden. Sommigen maakten zich wel zorgen om de lage opkomst. Maar het was niet zo dat het hen 169 Kuhn en Van der Vlist, 2022.
De lokale niet-stemmer| 75
verbaasde. De vraag die veel wetenschappers, opiniemakers en bestuurders zich stelden: zien we een ontwikkeling die structureel is en in 2026 opnieuw tot lage(re) opkomst leidt? Of hadden we in 2022 te maken met een incidentele situatie, gekleurd door (de maatregelen omtrent) de coronapandemie, de aandacht voor de oorlog in Oekraïne en de verschillende affaires waarin de overheid verwikkeld was? Die vraag stelden de mensen die we (op straat) interviewden zich feitelijk niet. Vanwege corona waren er hier en daar stemlokalen niet op hun vertrouwde locatie beschikbaar. De mediaaandacht voor de oorlog in Oekraïne stelde de verkiezingen ongetwijfeld in de schaduw. Dat zijn situationele factoren die mede kunnen verklaren dat de opkomst laag was. Maar voor onze respondenten waren de pandemie en de oorlog niet of nauwelijks motieven om niet te gaan stemmen. We hebben slechts in vijf gemeenten met voorbijgangers op straat en lokale sleutelfiguren gesproken en kunnen gemeenten of wijken onderling niet vergelijken. Wat niettemin als een rode draad in de gesprekken zit, was de ervaren afstand tot de lokale politiek. Het gevoel van ‘verweesdheid’: dat politici niet de belangen van gewone mensen behartigen, of alleen maar van de mensen die toegang tot de politiek hebben. Dat geldt voor de landelijke politiek, maar evenzeer, zoals ons onderzoek liet zien, voor de gemeenten.
Bewoners in de gemeenten waar we onderzoek deden, weten zich vaak niet gezien en gehoord.170 Ze voelen zich niet vertegenwoordigd door lokale politici, die volgens hen vooral oog hebben voor andere wijken dan de hunne, of alleen voor de ‘stad’ en niet voor ‘het ommeland’, of voor de mensen aan wie ze zelf wat hebben. Bewoners willen ‘geen figurant zijn in het verhaal van een ander’.171 In plaats daarvan willen ze bestuurders en raadsleden die naar hun wijk of dorp komen, die oprecht geïnteresseerd zijn in wat er speelt onder de bewoners, en die daar vervolgens ook écht iets mee doen. Maar die bestuurders en raadsleden zien ze niet, alleen politici die net als in de landelijke politiek vooral naar hun eigen belangen kijken. In dergelijke emoties wortelt het gebrek aan vertrouwen in het (lokale én landelijke) politieke bedrijf. Ons onderzoek concentreerde zich op gemeenten met een structureel lage opkomst. Veel mensen gaven aan vaker niet gestemd te hebben voor de gemeenteraad of de Tweede Kamer (de provinciale en Europese verkiezingen werden sowieso zelden genoemd).
Daar zit een structureel gebrek aan vertrouwen, dat de laatste jaren ongetwijfeld extra is verscherpt door hoe mensen geraakt zijn door corona(maatregelen), de affaires die aan het licht kwamen waarin de overheid burgers tekort bleek te hebben gedaan, of de crises rondom kwesties die mensen raken in hun primaire behoeften, die de overheid niet bij machte bleek adequaat op te lossen, zoals de beschikbaarheid en prijs van woningen, de stijgende kosten voor levensonderhoud, of een ongezonde leefomgeving. Daar is het vertrouwen van mensen afgenomen in wat de overheid voor hen kan betekenen als het echt nodig is. In de straatgesprekken en interviews koppelden respondenten dikwijls zelf die recente affaires en crises aan hun gebrek aan vertrouwen in de overheid. Dat zou erop kunnen wijzen, dat het vertrouwen voorlopig nog niet terug is en mogelijk dus effect gaat hebben op de opkomst en stembereidheid van de komende landelijke en lokale verkiezingen. Bewoners en lokale sleutelfiguren doen zelf verschillende aanbevelingen voor het structureel verbeteren van de opkomstcijfers.
In lijn met wat Van Ostaaijen en collega’s concludeerden, zijn dit aanbevelingen die ‘structurele en langdurige investering in de lokale samenleving’ vereisen en die meer vragen ‘dan het één keer in de vier jaar organiseren van een feestje rond de verkiezingen’.172 De vier belangrijkste aanbevelingen van de respondenten uit ons onderzoek zijn: 1. Laat als lokale politicus je gezicht vaker zien en luister écht naar bewoners De relatie tussen bewoners en lokale politici moet beter. Mensen voelen zich niet gezien en gehoord en missen vaak de connecties om wel met politici in gesprek te komen. ‘In plaats van te wachten tot de burger naar ons toekomt, moeten wij naar de burger toe’, is ook onder gemeenteambtenaren te horen. En dan niet alleen vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen een bijeenkomst bijwonen, maar regelmatig aansluiten en echt het gesprek aangaan.
170 Vgl. Peeters et al., 2020. 171 Filosoof Marjan Slob, geciteerd in Van der Meer en Ham, 2022, 31. 172 Van Ostaaijen (2017)
De lokale niet-stemmer | 76
2. Maak als lokale politicus je beloftes concreet en kom ze na Zowel niet-stemmers als stemmers zeggen dat er in de lokale politiek van alles wordt beloofd, maar weinig wordt waargemaakt. Langslepende lokale kwesties ondergraven het vertrouwen, net als landelijke politieke affaires (de toeslagenaffaire werd vaak genoemd). Bewoners willen transparantie, concrete doelen en zichtbare resultaten. 3. Benut de rol van intermediairs Informatievoorziening is belangrijk voor het betrekken van bewoners bij de lokale politiek. Lokale omroepen en (wijk)kranten kunnen hieraan bijdragen. Daarnaast zijn er belangrijke ‘intermediairs’ die een schakel zijn tussen bewoners en lokale politici. Lokale sleutelfiguren die actief zijn binnen wijkraden, bewonersinitiatieven en buurthuizen hebben wel de connecties en genieten vaak het vertrouwen van burgers. Zij nodigen politici uit voor bijeenkomsten en geven door wat er onder de mensen leeft. Zulke ‘niet-gekozen vertegenwoordigers’ 173 zijn cruciaal voor het bij elkaar brengen van de ‘leefwereld’ en de ‘systeemwereld’. 4. Investeer in het politieke bewustzijn en vertrouwen van de jeugd Niet-stemmen wordt vaak van generatie op generatie overgedragen, signaleren lokale sleutelfiguren. Om dat te doorbreken, is het belangrijk jongeren te betrekken bij de lokale politiek.
Door er aandacht aan te besteden op school (hoe werkt de gemeenteraad en wat betekent het concreet voor jouw leven in de wijk?), en door jongeren op te zoeken en met hen in gesprek te gaan. Er zijn ‘onorthodoxe’ manieren voor nodig om jongeren te betrekken, zeggen sleutelfiguren. Sluit aan bij hun behoeften en interesses. De respondenten die we in dit hoofdstuk een stem geven, spraken vanuit hun lokale context. Meestal hadden ze het over de lokale politiek, dikwijls ook over de landelijke politiek. De oplossingen die ze aanreikten, zijn vooral lokaal gericht. Maar er ligt beslist ook een opgave voor de landelijke politiek om de belangstelling voor en de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen te vitaliseren, temeer omdat het wantrouwen over de lokale en de landelijke politiek vaak door elkaar heen loopt, zoals we lieten zien. Deels ligt die landelijke opgave bij het vermijden van het frame ‘afhakers’, dat politici van landelijke partijen vaak impliciet en expliciet gebruiken. Daarmee plaatsen ze mensen die niet stemmen buiten het politieke systeem, terwijl die daar juist uitgesproken deel van uitmaken.
173 H. van de Bovenkamp en H. Vollaard (2017), De democratische kwaliteit van gekozen en niet-gekozen
vertegenwoordiging in gemeenten. Bestuurswetenschappen, 71(1), 5-22. De lokale niet-stemmer| 77
Intermezzo: Is lage opkomst een probleem? Hans Vollaard
Wat we in dit intermezzo zien:
Er zijn zorgen dat een lage opkomst een verzwakking van democratische legitimiteit van het gemeentebestuur, ongelijkheid in representatie en lokaal burgerschap in verval betekent; Een hoge(re) opkomst wordt echter betwist als graadmeter van een goede democratie. Dat hangt af van de opvattingen over democratische legitimiteit, representatie en burgerschap. Mede in dat licht is het de vraag of democratische legitimiteit, ongelijkheid in representatie en goed burgerschap altijd gediend zijn met een hogere opkomst; Het ligt daarom meer voor de hand om de achterliggende zorgen als gebrek aan politiek vertrouwen onder bepaalde stemmers én niet-stemmers, ongelijkheid in representatie en lokaal burgerschap (weten hoe iemand invloed kan uitoefenen in diens gemeente) aan te pakken dan de hoogte van opkomst.
I.1 Inleiding In de commentaren op de lage(re) opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 overheerste een zorgelijke toon. De lage opkomst was een probleem. Zoals in de inleiding al naar voren kwam, zou de lage opkomst de legitimiteit van gemeentebesturen verzwakken. Bovendien zou de lage opkomst kunnen leiden tot ongelijke vertegenwoordiging, omdat inwoners met afwijkende kenmerken en/of standpunten minder in beeld zouden komen. Daarnaast leefden er zorgen over de burgers zelf: in hoeverre voelden die zich betrokken bij de (lokale) politiek? Waren niet-stemmers afgehaakt van de democratie? Deze zorgen zijn gestoeld op (impliciete) opvattingen wat een legitiem gemeentebestuur, goede vertegenwoordiging en goed burgerschap zouden moeten inhouden. Dit intermezzo staat stil bij de vraag waarom de lage opkomst eigenlijk een probleem laat zien voor wat betreft legitimiteit, vertegenwoordiging en burgerschap op basis van politiek-filosofische discussies daarover. Deze bijdrage is verre van compleet, maar is vooral bedoeld als eerste aanzet tot reflectie over nut en noodzaak van een hoge(re) opkomst en opkomstbevordering.
I.2 Opkomst en democratische legitimiteit Hoe lager de opkomst, des te lager de democratische legitimiteit – zo is vaak te horen. Dat zal gebaseerd zijn op de opvatting dat democratische legitimiteit betekent dat het volk zijn instemming geeft aan het bestuur. 174 Volgens deze redenering zou het bestuur dus op minder steun kunnen rekenen, als een kleiner aandeel van het volk opkomt bij verkiezingen. In dat licht is het ook te begrijpen dat sommigen een opkomst van 50 procent als kritische ondergrens beschouwen (zie inleiding). Een basale notie van democratische besluitvorming is immers dat minstens de helft een besluit goedkeurt. Lage opkomst geldt ook op een andere manier als verzwakking van de democratische legitimiteit. Zeker bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen werd vaak verwezen naar gebrekkig politiek vertrouwen als verklaring waarom mensen niet gaan stemmen. Een lage opkomst is dus een signaal dat de democratische legitimiteit, uitgedrukt in vertrouwen in politieke instituties, onder druk staat. Er zijn echter allerlei tegenargumenten aan te dragen waarom een lage opkomst niet zo problematisch is voor de democratische legitimiteit:
Dat een hoge opkomst als normatieve maatstaf wordt gebruikt om de democratische legitimiteit van het gemeentebestuur te bepalen, betekent nog niet dat het volk dat feitelijk ook zo ziet. Burgers kunnen de macht van het gemeentebestuur immers ook op allerlei andere gronden accepteren. Zo bleek bijvoorbeeld dat Nederlanders harmonieus samenleven, het kiesrecht en de vrijheid van meningsuiting belangrijker
174 F. Peter (2017), Political legitimacy, Stanford Encyclopedia of Philosophy, https://plato.stanford.edu/entries/legitimacy/
De lokale niet-stemmer | 78
aspecten van (lokale) democratie dan dat de meerderheid beslist. 175 Daarnaast hoeven niet-stemmers hun thuisblijven bij verkiezingen niet te beschouwen als het onthouden van instemming aan het gemeentebestuur. Ze zouden dat immers ook kunnen laten blijken door het naleven van (lokale) wet- en regelgeving en het trouw betalen van (lokale) belastingen. Dit tegenargument betekent dat vooral nog aan inwoners zelf nog moet worden gevraagd waarom ze de macht van een gemeentebestuur, al dan niet verkozen met een lage opkomst, accepteren, en niet zonder meer (hoge) opkomst als normatieve maatstaf van democratische legitimiteit toe te passen; Een volgend tegenargument is dat mensen om allerlei andere redenen dan gebrek aan vertrouwen in politieke instituties niet gaan stemmen. Er zijn zeker inwoners die niet gaan stemmen, om ze niet (meer) vertrouwen in hun (lokale) overheid hebben. Ze blijken echter ook allerlei andere motieven te hebben om niet te gaan stemmen, zoals praktische belemmeringen. Daarnaast zijn er ook stemmers die weinig vertrouwen hebben in politieke instituties.
Uit het opkomstcijfer is dat echter niet af te leiden; 176 Een heel ander tegenargument is dat voor democratische legitimiteit het afdoende is dat mensen hun kiesrecht kunnen gebruiken, niet of ze er daadwerkelijk gebruik van maken.177 Als mensen weinig belang hebben bij bepaalde verkiezingen of weinig verstand van de voorliggende kwesties hebben, zou het zelfs beter zijn dat ze zich niet laten horen bij de verkiezingen. Een hogere opkomst zou de kwaliteit van de verkiezingen dus niet verbeteren. Dit tegenargument onderstreept wel dat alle mensen in staat zijn om hun belangen en idealen te kunnen verdedigen als ze dat willen. Dat betekent dat elke burger daarvoor afdoende kennis en zelfvertrouwen moet hebben (meegekregen); Een volgend argument tegen het belang van een hoge(re) opkomst is het idee dat verkiezingen vooral een instrument zijn om het gemeentebestuur ter verantwoording te kunnen roepen en af te kunnen rekenen op zijn prestaties. Als inwoners tevreden zijn, zouden ze daarom minder geneigd zijn om naar de stembus te gaan. Een lage opkomst zou zo geïnterpreteerd kunnen worden als teken van tevredenheid onder de inwoners; en een hogere opkomst juist van het tegendeel. Er is inderdaad een deel van de niet-stemmers die aangeeft niet te stemmen omdat ze het wel goed vinden gaan in hun gemeente.
178 Het is echter de vraag in hoeverre er sprake is van een goed functionerende verantwoordingsrelatie op lokaal niveau. Het is voor veel mensen lastig om te zien waarvoor gemeenten precies verantwoordelijk zijn om daarover een oordeel uit te spreken. 179 Dit argument onderstreept het belang dat mensen weten hoe ze als burger worden bestuurd en hoe ze als burger invloed op dat bestuur kunnen uitoefenen om zo die verantwoordingsrelatie ook invulling te geven. Daarnaast is het van belang dat via verkiezingen mensen het gemeentebestuur kunnen corrigeren. Dat vereist een gemeentebestuur dat de inhoudelijke speelruimte heeft gekregen om keuzes te maken en waar niet-presterende bestuurders (kunnen) worden vervangen; Een aanvullend tegenargument is ook dat een lage opkomst het gemeentebestuur juist scherp houdt, omdat het gemeentebestuur er dan niet gemakshalve vanuit kan gaan dat het volk heeft ingestemd met wat het tot de volgende verkiezingen doet.
Het gemeentebestuur zal dan juist meer moeite moeten doen om te achterhalen wat het volk wil, om zo te voorkomen dat bij een komende verkiezing het alsnog zou kunnen worden weggestuurd; Een ander argument is dat voor democratische legitimiteit het niet zozeer gaat om simpelweg koppen tellen bij verkiezingen, maar om het bespreken en afwegen van alle relevante perspectieven die onder de bevolking leven in de maatschappelijke en politieke discussies over gemeentelijke besluiten.
En er zijn nog wel meer tegenargumenten. In ieder geval laten de genoemde tegenargumenten al zien dat het afhangt van de opvatting over democratische legitimiteit die iemand huldigt, of een lage(re) opkomst als probleem geldt. Die tegenargumenten betekenen niet dat bij een lage(re) opkomst geen werk aan de winkel is. 175 P. Kanne, L. Staartjes en M. Conradie (2018), Democratische kernwaarden volgens burgers en bestuurders (Amsterdam:
I&O Research). 176 M. Boogers en L. Salome (2014), Gemeenteraadsverkiezingen 2014: Wie stemt wat en waarom? (Amersfoort: BMC); zie ook hoofdstuk 5 en 6. 177 B. Saunders (2012), The democratic turnout ‘problem’, Political Studies, 60, 306-320. 178 Boogers en Salome (2014); zie ook hoofdstuk 5 en 6. 179 L. de Blok en W. van der Brug (2016), Wie houden burgers verantwoordelijk? In T. van der Meer en H. van der Kolk (red.), Democratie dichterbij: Lokaal Kiezersonderzoek 2016 (SKON), 71-76. De lokale niet-stemmer| 79
De focus ligt echter niet zozeer bij opkomst. Bij verschillende tegenargumenten kwam bijvoorbeeld naar voren dat alle mensen in staat moeten zijn om van hun kiesrecht gebruik te maken. Het is de vraag of dat op lokaal niveau het geval is, gelet op de beperkte kennis over lokale politiek. Lokaal burgerschap (weten wat iemand als burger kan en moet in zijn gemeentebestuur) zou daarom ontwikkeld moeten worden. Daarmee kunnen meer inwoners van hun kiesrecht gebruik maken, als ze dat zouden willen. Daarnaast is de hoogte van de opkomst niet gelijk een goede graadmeter van democratische legitimiteit, uitgedrukt in termen van vertrouwen in het gemeentebestuur. In dat licht zou de zorg dan ook eerder moeten zijn hoe sterk dat vertrouwen is, dan wat de hoogte van de opkomst is. En dat vertrouwen is eerder te winnen door als overheid beloftes na te komen 180, open en eerlijk op te treden en iedereen gelijk behandelt, dan door de opkomst te bevorderen.
I.3 Opkomst en ongelijke representatie Een veelgehoorde zorg is dat een lage opkomst kan leiden tot ongelijkheid in vertegenwoordiging. Dat is op zich geen vreemde gedachte, omdat al lang bekend is dat opkomst selectief is. Sommige inwoners met bepaalde kenmerken en voorkeuren komen meer op dan andere. Als bepaalde groepen inwoners thuisblijven, en vooral als dat structureel dezelfde groepen zijn, dan bestaat de kans dat de wensen en belangen van deze groepen structureel ondervertegenwoordigd blijven. Lage opkomst met ongelijke representatie als gevolg, zou zo kunnen leiden tot een vicieuze cirkel: raadsleden richten zich alleen nog op mensen die wél stemmen, waardoor de nietstemmers zich steeds minder gehoord voelen en zich verder afkeren van de politieke gemeenschap. In geval van Amerikaanse steden bleek bijvoorbeeld dat lokaal beleid meer gericht was op mensen die meer stemmen, de welgestelde, witte bovenklasse.181 In Nederland bleek al dat op bepaalde gevoelige kwesties zoals de opvang van asielzoekers, lokale stemmers en niet-stemmers van standpunten verschillen. 182 Er zijn echter diverse argumenten aan te dragen waarom een hogere opkomst ongelijkheid in representatie niet zou verhelpen:
Allereerst is de vraag of bij een hogere opkomst, de gelijkheid in representatie wordt gecorrigeerd. Als de stijging in opkomst vooral afkomstig is van hetzelfde type inwoners als degenen die al stemden, dan zal de opkomst selectief blijven, en zal ongelijkheid in representatie dus in stand blijven. Onderzoek laat ook zien dat hogere opkomst wat dat betreft weinig zoden aan de dijk zet;183 Ook als alle kiesgerechtigde inwoners gaan stemmen, zijn nog niet alle mensen en organisaties die worden geraakt door gemeentelijke besluitvorming gerepresenteerd, zoals bedrijven, kinderen, toeristen, natuur en toekomstige generaties. Een hoge opkomst leidt dus zo niet tot gelijke representatie van alle betrokken belanghebbenden; Ongelijke participatie hoeft bovendien niet tot ongelijke representatie te leiden. Volksvertegenwoordigers, in dit geval dus gemeenteraadsleden, kunnen immers ook rekening houden met niet-stemmers, en zo ongelijkheid in representatie ondervangen. Dat lijkt ook aan te sluiten bij wat voor raadsleden Nederlanders wensen. 184 Die vinden het niet zo belangrijk of raadsleden een getrouwe afspiegeling vormen van de maatschappij of staan voor hun partijprogramma.
Waar raadsleden het vooral beter zouden kunnen doen in de ogen van inwoners is in hun rol van democratische procesbewaker: responsieve volksvertegenwoordigers die erop toe zien dat alle belangen worden gehoord en meegewogen, en besluiten aansluiten bij verlangens en behoeften van alle inwoners. Inwoners blijken beduidend minder tevreden over de manier waarop raadsleden deze rol invulling geven dan raadsleden zelf. Zeker praktisch opgeleide inwoners zijn hierover ontevreden. Lage opkomst hoeft zo dan niet zonder meer een probleem te zijn, zo lang als volksvertegenwoordigers wel alle relevante belangen in ogenschouw nemen.
180 L. de Blok en L. Brummel (2022), Gefundeerd politiek vertrouwen? Onderzoek naar de relatie tussen overheidsprestaties
en het vertrouwen in politieke instituties (Utrecht: USBO). 181 B. Schaffner, J. Rhodes en R. La Raja (2016), Race- and class-based inequality and representation in local government. Work. Pap. (Amherst, MA: Univ. Mass), http://people.umass.edu/schaffne/schaffner_rhodes_laraja_apsa_2016.pdf 182 Boogers en Salome (2014); Jansen en Boogers (2019); zie ook hoofdstuk 3 183 G. Lutz en M. Marsh (2007), Introduction: Consequences of low turnout, Electoral Studies, 26(3), 539-547. 184 B. Denters, H. Vollaard, H. van de Bovenkamp en F. Meijerink (2019), Gekozen en niet-gekozen vertegenwoordigers op lokaal niveau, in B. Denters en G. Janssen (red.), Democratie dichterbij: Lokaal Kiezersonderzoek 2018.
De lokale niet-stemmer | 80
Een lage(re) opkomst zou dus tot ongelijke representatie kunnen leiden, maar een hoge(re) opkomst hoeft wat dat betreft geen soelaas te bieden. De achterliggende zorg zou dus eerder de ongelijkheid in representatie zijn dan de hoogte van de opkomst op zich.
I.4 Opkomst en democratisch burgerschap Een andere veel gehoorde zorg bij een lage opkomst betreft de burgers zelf. Stemmers geven vaak aan dat ze stemmen op basis van een gevoel van burgerplicht. Een goede burger stemt, is dan het achterliggende idee. Dat sluit aan bij de republikeinse notie van burgerschap, waarin burgers pas echt vrij zijn als ze zichzelf besturen en samen met hun medeburgers bepalen wat het gemeenschappelijk goede, het algemeen belang, is voor hun eigen politieke gemeenschap. Door actief deel te nemen aan politieke gemeenschap, komt het politieke ambt van burger tot leven. Een niet-stemmer zou zo laten zien dat die juist afgehaakt is van de democratische gemeenschap. Een dalende opkomst zou dus problematisch zijn, omdat democratisch burgerschap zo in verval zou zijn. Ook daar zijn echter argumenten tegenin te brengen:
Zowel stemmers als niet-stemmers beschouwen vrije en eerlijke verkiezingen het belangrijkste principe in lokale democratie. 185 Ook zijn zowel stemmers als niet-stemmers, in ieder geval enkele jaren geleden, redelijk tevreden hoe vrije en eerlijke verkiezingen vorm krijgen op lokaal niveau. Heel wat niet-stemmers dragen ook praktische redenen aan om niet te gaan stemmen, waardoor een lage opkomst zonder meer als teken van democratisch burgerschap in verval is te zien; Stemmen is sinds 1970 een recht in Nederland. Dat betekent dat mensen de vrijheid hebben om niet te gaan stemmen. Uit focusgroepen over vertegenwoordiging en stemmen blijkt wel dat Nederlanders het niet zo erg vinden als mensen niet gaan stemmen: stemmen is iemands eigen verantwoordelijkheid; het is een eigen keuze of iemand gaat stemmen of niet. 186 Niet stemmen kan zo dus eerder wijzen op een ander idee van burgerschap (vrijheid om niet te stemmen), dan burgerschap in verval; In politiek-filosofische discussies wordt ook ingebracht dat mensen op andere manieren al snel een zinvolle(re) bijdrage kunnen leveren aan maatschappij dan door via stemmen te proberen een betere overheid te realiseren. 187 Een burger die weinig weet hoe die met zijn stem de overheid zinvol kan beïnvloeden, kan dus al snel met andere activiteiten zoals het boodschappen doen voor zieke buren, een goede burger zijn.
Niet-stemmen zou dan eerder het resultaat zijn van een afweging zijn hoe iemand diens spaarzame tijd en energie goed kan inzetten in de maatschappij dan van burgerschap in verval.
Kortom, deze tegenargumenten geven aan dat goede burgers niet hoeven te stemmen, en een lage opkomst hoeft niet te betekenen dat democratisch burgerschap in verval is.
I.5 Afronding Opkomst geldt vaak als een graadmeter hoe gezond een democratie is. Het is echter de vraag of het een goede graadmeter is. En dat een hogere opkomst dus altijd beter is. En dat lage opkomst per se een probleem is. Allereerst hangt het van iemands opvattingen over democratische legitimiteit, vertegenwoordiging en burgerschap af of stemmen en een hoge opkomst van belang is. Zeker, een lage opkomst kan een goede aanleiding zijn voor zorgen over gebrek aan democratische legitimiteit, ongelijke representatie en democratisch burgerschap in verval. Een hogere opkomst betekent echter niet zonder meer dat die zorgen verminderen. Het zou dan ook meer voor de hand liggen om onderliggende zorgen bij lage opkomst aan te pakken, zoals het vertrouwen in de (lokale) overheid, het gebrek aan kennis onder inwoners over hun mogelijkheden als burger om invloed uit te oefenen in hun gemeente en de ongelijkheid in representatie.
185 T. van der Meer (2016), Legitimiteit en politieke steun, in T. van der Meer en H. van der Kolk (red.), Democratie dichtbij:
Lokaal Kiezersonderzoek 2016 (SKON), 17. 186 P. Dekker en J. Den Ridder (2017), Lastige kwesties. Acht focusgroepen over vertegenwoordiging en stemmen (Den Haag: SCP). 187 J. Brennan en C. Freiman (2021), Must good Samaritans vote? Politics, 1-13. De lokale niet-stemmer| 81
7. Het antwoord op een lage opkomst: naar een grotere betrokkenheid van politici en kiezers 188 Julien van Ostaaijen
Wat dit hoofdstuk laat zien:
Er zijn enkele relatief eenvoudige ingrepen om de opkomst iets te verhogen, onder meer door tegemoet te komen aan enkele praktische belemmeringen die sommige kiesgerechtigden (zeggen te) hebben. Beter dan het streven naar een hogere opkomst als doel is het streven naar betere relatie tussen kiesgerechtigden en de politiek. Dat zal ook de opkomst verbeteren.
7.1 Inleiding: hogere opkomst of betere vertegenwoordiging? In 2013 stelden onderzoekers vast dat er de jaren daarvoor minstens 170 factoren onderzocht waren in relatie tot de hoogte van de opkomst bij verkiezingen.189 Dergelijke factoren variëren van het weer op de verkiezingsdag tot de politieke interesse van de kiezer. In dit hoofdstuk kunnen we dus optimistisch van start gaan en redeneren dat als er zoveel factoren zijn met mogelijk effect op de opkomst, er vast ook heel veel manieren zijn om de opkomst te verhogen (zie ook hoofdstuk 2). Toch is het goed om hier te beginnen met enkele tot realisme leidende constateringen. Mede uit de vorige hoofdstukken bleek immers dat veel factoren een marginale of onbekende rol spelen. Daarnaast zijn veel factoren in het algemeen en zeker op korte termijn moeilijk – door de overheid of (semi-) overheidsorganisaties – beïnvloedbaar. Denk bijvoorbeeld aan zaken als de opleiding of politieke interesse van de kiesgerechtigde. Dat betekent echter niet dat een dalende trend van de opkomst alleen lijdzaam moet worden ondergaan. Er zijn zeker mogelijkheden daar iets aan te doen. Dat vereist echter dat er breed wordt gekeken naar oplossingen. Niet alleen naar mogelijke kleine aanpassingen met doorgaans klein effect, maar ook naar vereiste langdurige inspanning om oorzaken van een lage opkomst te beïnvloeden.
Om te beginnen is het goed dat bestuurders en overheden voor zichzelf de vraag beantwoorden wat ze nu eigenlijk willen veranderen. Gaat het om het cijfer van de opkomst? Oftewel is het doel simpel gezegd zoveel mogelijk kiezers naar de stembus te krijgen? Of gaat het toch vooral om daaraan relevante zaken als het verkleinen van politieke ongelijkheid en/of het bevorderen van politieke kennis en/of politieke betrokkenheid van kiesgerechtigden? Veel mensen en zeker ook bestuurders zullen geneigd zijn dat tweede te zeggen. Toch zijn veel van de huidige opkomst bevorderende activiteiten vooral op het eerste gericht. Denk aan allerlei activiteiten rondom de verkiezingen, zoals stembureaus op bijzondere locaties en het aanbieden van koffie en museumtickets bij specifieke stembureaus. Het effect op de opkomst van veel van dit soort initiatieven is beperkt of er wordt geen significant effect gevonden.190
7.2. Een hogere opkomst Laten we ons eerst focussen op de vraag om enkel het aantal kiezers te vergroten en dus de wens tot betere vertegenwoordiging in de vorm van minder ongelijkheid en/of meer kennis en/of betrokkenheid van de kiezer 188 Een concept van dit hoofdstuk is voorgelegd aan alle auteurs van deze bundel. Dank aan Zahra Runderkamp en Floris
Vermeulen voor hun commentaren. Dat geldt ook voor de redacteuren. Daarnaast dank aan Sabine van Zuydam en Joost Smits voor hun commentaren. 189 K. Smets en C. van Ham (2013), The embarrassment of riches? A meta-analysis of individual-level research on voter turnout, Electoral Studies, 32(2), 344-359. 190 J. van Ostaaijen, M. Epskamp en M. Dols (2016), Verbetering op komst: Een verkenning naar een effectieve gemeentelijke inzet van communicatiemiddelen voor de opkomst bij lokale verkiezingen (Tilburg: Tilburg University).
De lokale niet-stemmer | 82
even parkeren. Veel van de maatregelen in deze paragraaf relateren aan het feit dat een deel van de kiesgerechtigden zegt praktische redenen te hebben om niet te stemmen, zoals geen tijd of op het tijdstip van de verkiezing niet in de gemeente aanwezig (zie ook hoofdstuk 3 en 6). Voor deze kiezers zou enige dwang of juist een ruimere of betere mogelijkheid de stem uit te brengen uitkomst kunnen bieden. Dan lijken de volgende ingrepen effectief en/of kansrijk.
7.2.1. Het herinvoeren van de opkomstplicht We hoeven maar naar onze zuiderburen te kijken om te zien dat het herinvoeren van de opkomstplicht waarschijnlijk de snelste manier is voor een substantieel hogere opkomst. 191 Veel verkiezingen en dus ook de gemeenteraadsverkiezingen kunnen daar rekenen op een opkomst van om en nabij de negentig procent. 192 Het herinvoeren van de opkomstplicht wordt in de wetenschappelijke literatuur ook verdedigd als de beste manier om de participatieve ongelijkheid bij een lage opkomst tegen te gaan (maar daarover later meer).
7.2.2. Timing van de verkiezingen Verschillende onderzoeken tonen aan dat de opkomst van wat in de politicologische wetenschap een second order election heet, een verkiezing die van minder belang wordt geacht door inwoners, verhoogd kan worden door deze samen te houden met verkiezingen waarop volgens inwoners meer op het spel staat. 193 Uit Duits onderzoek bleek dat het samenvoegen van de lokale en Europese verkiezingen een stijging van drie tot vier procentpunten van de lokale opkomst tot gevolg had.194 Ook in Nederland zijn in het verleden goede resultaten gehaald met het combineren van lokale en provinciale verkiezingen 195 en recenter met het koppelen van de verkiezingen van het algemeen bestuur van het waterschap en de Provinciale Staten. Er is echter ook op dit punt onderzoek waarin dat effect wordt betwist.196 Uit Duits onderzoek bleek overigens ook dat hoe dichter een lokale verkiezing op eersterangsverkiezingen zit, des te hoger de opkomst bij de lokale verkiezingen. En een andere mogelijkheid zou het verplaatsen van de verkiezingsdag naar het weekend kunnen zijn. De politicoloog Mark Franklin197 concludeert dat stemmen op zaterdag of zondag een hogere opkomst kan opleveren, al zijn ook hier de resultaten niet altijd eenduidig.
7.2.3. Een andere manier van stemmen Volgens verschillende enquêtes blijkt een aanzienlijk deel van de Nederlandse niet-stemmers wel te gaan stemmen als dat via internet, smartphone en/of app zou kunnen. 198 Door digitaal stemmen zou de structureel 191 Overigens wordt in Vlaanderen de opkomst voor het lokale niveau afgeschaft. 192 Zie ook S. Hennau en J. Ackaert (te verschijnen), Compulsory voting and voter turnout in the Low Countries: A research
overview, Politics of the Low Countries. 193 J. Cancela en B. Geys (2016), Explaining voter turnout: A meta-analysis of national and subnational elections. Electoral Studies, 42, 264-275. 194 A. Vetter (2015), Just a matter of timing? Local electoral turnout in Germany in the context of national and European parliamentary elections, German Politics, 24(1), 67-84. 195 A. Wille (2000), De verdwenen kiezer terug: opkomstbevorderende strategieën bij gemeenteraadsverkiezingen (Leiden: Instituut voor Publiek en Politiek). 196 Smets en Van Ham (2013) 197 M. Franklin (1996), Electoral participation, in L. LeDuc, R. G., Niemi en P. Norris (red.), Comparing democracies: Elections and voting in global perspectives (Thousand Oaks, CA: Sage), 214-233; M. Franklin (2002), The dynamics of electoral participation. In: L. Leduc, R. G. Niemi and P. Norris (red.), Comparing democracies 2 (Thousand Oaks, CA: Sage), 148-168.; M. Franklin (2004), Voter turnout and the dynamics of electoral competition in established democracies since 1945 (Cambridge: Cambridge University Press). Zie ook A. Henderson en N. McEwen (2010), A comparative analysis of voter turnout in regional elections, Electoral Studies, 29(3), 405-416.
198 I&O Research (2014), Opkomst kan hoger door stemmen via internet mogelijk te maken, https://www.ioresearch.nl/actueel/opkomst-kan-hoger-door-stemmen-via-internet-mogelijk-te-maken/ (laatst bezocht op 4 oktober 2022); EenVandaag (2014), Als je niet stemt word je ook niet bedrogen, https://eenvandaag.avrotros.nl/panels/jijvandaag/uitslagen/item/als-je-niet-stemt-word-je-ook-niet-bedrogen/ (laatst bezocht op 4 oktober 2022) . De lokale niet-stemmer| 83
lagere opkomst met name onder jongeren kunnen stijgen.199 Dat sluit aan op onderzoeken waaruit blijkt dat veel mensen als oorzaak voor niet-stemmen verrassend vaak naar zaken als geen tijd, vergeten, de oproep kwijt, afwezigheid of ziekte wijzen (vgl. hoofdstukken 2, 3 en 6). Toch moeten dergelijke optimistische berichten met betrekking tot de opkomst, en zeker waar het gaat om wat mensen zeggen te doen, genuanceerd worden. Digitaal stemmen blijkt volgens enkele onderzoeken toch grotendeels de ‘wel-stemmers’ aan te trekken. Zo bleek onder andere uit onderzoek uit Estland dat door de mogelijkheid van digitaal stemmen het aantal internetstemmers toenam tot wel dertig procent, maar de opkomst van de nationale verkiezingen in dezelfde periode slechts enkele percentages steeg.200 Daarnaast is het goed te benoemen dat er problemen kunnen zijn met integriteit. Hoe waarborg je dat mensen onafhankelijk stemmen en niet door een derde gedwongen worden te stemmen op een partij waarop ze eigenlijk niet zouden willen stemmen? Tenslotte wordt beweerd dat met stemmen per post meer kiezers zouden stemmen. Volgens Amerikaans onderzoek zorgt stemmen per post voor wat extra opkomst, maar niet veel. 201 Ook de stembus meerdere dagen openhouden, zou kunnen helpen. Datzelfde geldt voor meer stembureaus per aantal inwoners, al wordt het effect daarvan betwist. 202
7.2.4. Of toch inzetten op de campagne? Bovenstaande initiatieven waarmee de opkomst mogelijk stijgt, vereisen aanpassingen aan het stelsel en/of wetgeving. Het is daarom niet verwonderlijk dat de oplossing voor een hogere opkomst doorgaans elders wordt gezocht, met name in een (betere) opkomstcampagne. Voor wat daarin mogelijk is, wordt vaak verwezen naar het boek ‘Get out the vote’ van Donald Gerber en Alan Green. In dit boek bespreken de onderzoekers veel manieren om de opkomst te bevorderen. Het aansprekende van hun werk is onder meer dat zij kosten/batenanalyses maken. Ze bespreken per activiteit wat de kosten per extra stem zijn. Het is uiteraard de vraag in hoeverre dit overzicht van Amerikaans onderzoek voor Nederland relevant is, maar het overzicht en de onderlinge verschillen zijn aardig om te tonen (zie tabel 7.1). Uit ‘Get out the vote’ blijkt toch vooral dat het met dit soort campagnes lastig is de opkomst te verhogen en/of dat elke extra stem veel extra werk en veel geld kost.203 Dat zal voor de lokale Nederlandse praktijk mogelijk extra belemmerend zijn, omdat de budgetten die overheden en partijen voor de verkiezingscampagne aanwenden beperkter zijn dan in de Verenigde Staten. Bovendien is het goed om onderscheid te maken tussen de doorgaans neutrale overheidscampagnes en de campagnes van politieke partijen.
In onderzoek uit 2016 bleek dat voor nagenoeg alle inzet van gemeenten om de opkomst te verhogen geen significant statistisch effect kon worden vastgesteld. 204 Een semi-serieuze optie zou daarom kunnen zijn om dergelijke grote bedragen voor opkomstverhoging of ‘bewustwording’ – in 2014 gaf Rotterdam daar 600.000 Euro aan uit, Den Haag 370.000 205 – direct voor alle inwoners beschikbaar te maken. Oftewel: kiesgerechtigden geld te geven in ruil voor hun stem. 206 Een andere manier om het geld te besteden, kan zijn het stimuleren van onafhankelijke lokale en
199 Norris, P. (2004), Will new technology boost turnout? Evaluating experiments in UK local elections, in N. Kersting en H.
Baldersheim (red.), Electronic voting and democracy (Londen: Palgrave Macmillan), 193-225. 200 K. Sál (2015), Remote internet voting and increase of voter turnout: Happy coincidence or fact: The case of Estonia, Masaryk UJL & Tech., 9, 15; Ü. Madise en T. Martens (2006), E-voting in Estonia 2006. The first practice of country-wide binding Internet voting in the world, in R. Krimmer en R. Grimm (red.), Electronic Voting 2006 (Wenen: Competence Centre), 15-26. 201 D. Green en A. Gerber (2019), Get out the vote: How to increase voter turnout (Washington D.C., Columbia: Brookings Institution Press), 140. 202 Van Ostaaijen e.a. (2016); D. Jacobs, S. van Zuydam, J. van Ostaaijen en L. de Brouwer (2018), De wet van de grote(re) getallen: Het effect van meer stembureaus op de opkomst bij verkiezingen (Tilburg: Tilburg University). 203 Zie ook: Van Ostaaijen e.a. (2016) 204 Idem. 205 J. van Ostaaijen (2014), Bevlogen en begrensd. Een analyse van de gemeenteraadsverkiezingen 2014 (Tilburg: Tilburg University). 206 In onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau worden in focusgroepen door deelnemers ‘een financiële tegemoetkoming voor stemmers’ geopperd als een manier om de opkomst te verhogen. P. Dekker en J. den Ridder (2018), Lastige kwesties: Acht focusgroepen over vertegenwoordiging en stemmen (Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau), 29.
De lokale niet-stemmer | 84
regionale media. Zowel in kwantitatief als kwalitatief onderzoek bleek dat meer media-aandacht voor de verkiezingen een positief effect op de opkomst heeft.207
Tabel 7.1. Conclusies uit (Amerikaanse) onderzoek over de effectiviteit van de inzet van communicatieinstrumenten voor het verhogen van de opkomst (Dollars omgerekend naar Euro’s). 208 Methode
(opstart)kosten / management
Effectiviteit
Van deur tot deur gaan
Rekruteren, roosters en routes maken. Training en supervisie.
1 stem per 15 contacten €31 (op basis van €14 per uur (exclusief huisgenoten) en 6 contacten per uur)
Kosten per extra stem
Pamfletten verspreiden
Rekrutering, roosters en pamfletten 1 stem per 189 maken. Monitoren uitvoering. contacten
Niet berekend omdat niet bewezen is dat het effect heeft
Sturen brieven per post - Ontwerpen, printen, versturen. belangenbehartiging
Geen waarneembaar effect
Niet berekend omdat niet bewezen is dat het effect heeft
Sturen brieven per post - Ontwerpen, printen, versturen. onpartijdig
1 stem per 273 contacten
€91 (op basis van €0.50 per brief)
Opbellen door vrijwilligers
Rekrutering vrijwilligers. Training en 1 stem per 35 contacten €35 (op basis van €16 per uur supervisie. en 16 contacten per uur)
Opbellen door commerciële bureaus
Bemachtigen van telefoonlijst. Supervisie.
1 stem per 125 contacten
€63 (op basis van €0,50 per contact)
Automatisch telefoongesprek via ‘bandje’
Telefoonlijst bemachtigen, bandje inspreken.
1 stem per 900 contacten
Niet berekend vanwege miniem effect
Adressen verzamelen, bericht maken en verspreiden.
Geen waarneembaar effect behalve wanneer verstuurd vanuit een officiële bron
Niet berekend vanwege miniem effect
Verkiezingsdagfestivals
Vinden geschikte plek, organiseren en adverteren. Supervisie ter plaatse.
Opkomst per kiesdistrict €33 (effect gebaseerd op klein 1 tot 2 procentpunt aantal studies) hoger
Televisie
Maken en plaatsen advertenties.
Opkomst neemt toe met Niet berekend omdat niet 0,5 procentpunt bewezen is dat het effect heeft
Radio
Maken en plaatsen advertenties.
Opkomst neemt toe met Niet berekend omdat niet 1 procentpunt bewezen is dat het effect heeft
7.2.5. Onorthodox campagnevoeren Meer dan blijven inzetten op traditionele campagnes van overheden – die vaak vrij neutraal zijn, gericht op iedereen – is er waarschijnlijk ook winst te behalen door campagnes te richten op specifieke groepen en hun reden om niet te stemmen. Uit eerdere hoofdstukken weten we dat bijvoorbeeld praktisch opgeleiden en bepaalde etnische groepen minder vaak stemmen (zie tekstkaders). Het voeren van campagnes gericht op (die) doelgroepen is echter omstreden. In het verleden zijn er gemeentelijke voorstellen geweest die eveneens lokaal door politieke partijen geblokkeerd werden. De gedachte was namelijk dat bepaalde (andere) politieke partijen daar electoraal meer (of minder) van zouden profiteren. Oftewel een opkomstcampagne onder bepaalde groepen in een samenleving leidt doorgaans niet tot een evenredige verdeling van de stemmen van die groepen onder alle aan de verkiezing deelnemende politieke partijen. Daar hebben die partijen zeker een punt, maar gezien de huidige lage opkomstpercentages onder dergelijke groepen liggen er wel grote kansen voor verbetering, al zal de inhoud van de campagne daarvoor wellicht aangepast moeten worden. 209 Daarnaast is de huidige verdeling van niet-stemmers niet evenredig verdeeld onder de verschillende partijen.
Het Lokaal Kiezersonderzoek laat zien dat van alle kiezers van de in de Tweede Kamer vertegenwoordigende partijen maar 207 (Van Ostaaijen e.a. 2016; hoofdstuk 3) 208 Green en Gerber (2019). 209 Zie ook: Van Ostaaijen e.a. (2016)
De lokale niet-stemmer| 85
51 procent (PVV) tot 87 procent (SGP) stemt bij de gemeenteraadsverkiezingen. Dat niet al die partijen in alle gemeenten meedoen, speelt daarbij zeker een rol, maar er lijkt ook potentie om via politieke partijen (verdere) mobilisatie van achterbannen te bevorderen. Een nadeel daarvan is uiteraard dat politieke partijen zich vooral richten op die delen van de samenleving waarvan zij vermoeden dat kiesgerechtigden over te halen zijn om op hun partij te stemmen. Dat kan dus betekenen dat bepaalde delen van de samenleving, bijvoorbeeld bepaalde wijken, door veel partijen worden bezocht, maar andere juist heel weinig aandacht krijgen. Een laatste aandachtpunt is om ook onderscheid in het soort verkiezing te maken. Zo blijken er verschillen te zitten in het thuisblijfgedrag bij de verkiezingen van de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraad. 210 Onder de niet-stemmers voor de gemeenteraad bevinden zich relatief meer mensen die weinig interesse hebben en onder die van de provincie relatief meer mensen die niet weten wat de provincie doet en daarom de relevantie voor het uitbrengen van een stem niet zien. Meer aandacht voor waarom mensen bij een specifieke verkiezing niet stemmen, en ook waarom onder een specifieke doelgroep de opkomst laag is, kan helpen in het verbeteren van de campagne en de opkomst.