bijlage 5 (plan) - Motivering Van Broekhuizenstraat 61 Oostrum
Tekst van het document
Doorwerking planlocatie Aangezien met voorgenomen plan enkel de woonfunctie van het perceel vergroot wordt, voorziet onderhavig plan niet in de ontwikkeling van extra verkeersbewegingen. Het voorgenomen plan draagt daarmee ‘niet in bekende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor het waarborgen van het woon- en leefklimaat is verder gekeken naar de concentratiekaarten van het RIVM. Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. Deze kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. Wat betreft de luchtkwaliteit gelden voor het jaar 2025 de volgende waarden ter hoogte van de planlocatie: Fijn stof PM10: 15,15 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Fijn stof PM2,5: 8,613 µg/m3 (grenswaarde 20 µg/m3 jaargemiddelde) Stikstof NO2: 10,98 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Gekeken naar de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart voor het jaar 2025 is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het thema “luchtkwaliteit” leidt niet tot belemmeringen.
28
Figuur 8 Uitsnede grootschalige concentratie- en depositie kaart PM10.
Figuur 9 Uitsnede grootschalige concentratie- en depositie kaart PM2,5.
Figuur 10 Uitsnede grootschalige concentratie- en depositie kaart NO2.
29
4.6
GEUR In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot geur. Deze regels zijn, tezamen met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en de regels van de bruidsschat het toetsings- en beoordelingskader voor geur bij omgevingsplanactiviteiten en wijzigingen van het omgevingsplan. De definitie van een geurgevoelig object is vastgelegd in bijlage I van de Bruidsschat: a.
b.
Gebouw: 1. Dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en; 2. Dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en 3. Dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf of; Geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.
Doorwerking planlocatie In de wijde omgeving van het plangebied zijn enkele (veehouderij)bedrijven gelegen. Uit jurisprudentie kan worden afgeleid dat de rechter het waarborgen van een ‘aanvaardbaar woon- of leefklimaat’ van mensen beschouwt als een noodzakelijke voorwaarde voor evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovendien mag het beoogde plan zelf ook geen belemmeringen veroorzaken voor de omliggende agrarische bedrijvigheid. Het dichtstbijzijnde actieve agrarische bedrijf met geurbelasting bevindt zich op een afstand van ruim 1.28 kilometer, betreffende de varkenshouderij aan de Stationsweg 165. Verder zijn er op 1.6 kilometer van de planlocatie de varkenshouderij aan de Zomp 6 en de pluimveehouderij aan de Zomp 8 gelegen. Deze veehouderijen zijn op voldoende afstand gelegen van de planlocatie. Uit wetgeving blijkt verder dat tussen veehouderijen die dieren houden zonder geuremissiefactor en geurgevoelige objecten, een minimumafstand van 50 of 100 meter moet worden gehouden. Binnen een straal van 100 meter van het plangebied zijn echter geen veehouderijen gelegen waar dieren worden gehouden zonder geuremissies. De dichtstbijzijnde veehouderij zonder geurnorm, betreffende de melkveehouderij aan de Mgr. Hanssenstraat 2, is gelegen op meer dan 450 meter afstand van de te vergroten woonfunctie en voldoet daarmee aan de richtafstanden.
Het aspect geur is daarmee geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.7
SPUITZONERINGEN Uit jurisprudentie op grond van de Omgevingswet volgt dat voor alle ruimtelijke ontwikkelingen waarbij sprake is van de realisatie dan wel uitbreiding van een gevoelig object of gevoelige functie nabij agrarische gronden van derden, onder meer het milieuaspect ‘spuitzone’ in ogenschouw dient te worden genomen. Op agrarische gronden kunnen immers gewasbeschermingsmiddelen toegepast worden (middelen die gebruikt worden om onder meer landbouwgewassen te beschermen tegen ziekten en plagen).
30
Aangezien er onzekerheden bestaan over de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid, dient naar aanleiding van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een (ABRvS) een ‘veilige zone’ te worden aangehouden tussen enerzijds agrarische gronden en anderzijds gevoelige objecten en functies, om mogelijke gezondheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken. Deze zone wordt ook wel de ‘spuitvrije zone’ genoemd. Deze spuitvrije zones fungeren als buffer om de negatieve effecten van drift, het onbedoeld verwaaien van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving, te beperken. Op basis van jurisprudentie van de ABRvS geldt in dit soort situaties dat een spuitvrije zone van 50 meter tussen agrarische gronden en gevoelige objecten en functies als ‘niet onredelijk’ wordt beoordeeld. 1 Een verkorting van deze afstand is mogelijk, indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Onderhavig plan voorziet in een vergroting van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum ten behoeve van het positief bestemmen van het bijgebouw en zwembad inclusief bijbehorende terrasverharding. Tevens beoogt de vergroting van de woonfunctie een correctie van het vigerende omgevingsplan, voor zover dit niet overeenkomt met de feitelijke situatie.
In dat kader dient, conform bovengenoemde jurisprudentie, rekening te worden gehouden met eventuele omliggende agrarische gronden in extern eigendom binnen een straal van 50 meter. Doorwerking planlocatie Ten westen van de planlocatie zijn de percelen VRY00-S-2039 en VRY00-S-2040 gelegen. Deze percelen zijn in gebruik als grasland en hebben in het bestemmingsplan ‘Oostrum’ (2015) de functie ‘Agrarisch’. Echter, in het later vastgestelde bestemmingsplan ‘Woningbouw Zompgraaf Oostrum’ (2023), welke momenteel geheel onherroepelijk in werking is, is deze agrarische functie gewijzigd naar de functie ‘Wonen’, zie onderstaande figuur ter verduidelijking. Hierdoor mag de woonfunctie als referentiepunt worden gehanteerd. Gelet op het feit dat spuitzonering uitsluitend betrekking heeft op agrarische gronden, is het opnemen van een spuitzone in dit geval niet van toepassing. Deze percelen vormen dan ook geen belemmering voor de voortgang van onderhavig plan. Figuur 11 Verbeelding “Woningbouw Zompgraaf Oostrum” (Bron: Omgevingsloket).
Ten noorden van de planlocatie is het perceel VRY00-S-305 gelegen, eveneens in eigendom van initiatiefnemer. Hoewel dit perceel momenteel eveneens in gebruik 1 O.a. Beschreven in de uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zaaknummer 200900570/1/R2 d.d. 23 september
2009
31
is als grasland, heeft het binnen het geldende bestemmingsplan ‘Oostrum’ (2015) de functie ‘Wonen’, zie onderstaande afbeelding ter verduidelijking. Deze woonfunctie kan dan ook als referentiepunt worden gehanteerd. Gelet op het feit dat spuitzonering uitsluitend betrekking heeft op agrarische gronden, is het opnemen van een spuitzone in dit geval niet van toepassing. Dit perceel vormt dan ook geen belemmering voor de voortgang van onderhavig plan. Figuur 12 Verbeelding “Oostrum” (Bron: Omgevingsloket).
Ten noordoosten en oosten van de planlocatie zijn verder de percelen VRY00-S2071, VRY00-S-2073, VRY00-S-2075, VRY00-S-2076 en VRY00-S-2077 gelegen. Ook deze percelen zijn thans in gebruik als grasland. De percelen VRY00-S-2071 en VRY00-S-2073 hebben in het bestemmingsplan ‘Oostrum’ reeds de functie ‘Wonen’ en ‘Water’. Gelet op het feit dat spuitzonering uitsluitend betrekking heeft op agrarische gronden, is het opnemen van een spuitzone in dit geval niet van toepassing. De percelen VRY00-S-2075, VRY00-S-2076 en VRY00-S-2077 hebben in het bestemmingsplan ‘Oostrum’ (2015) de functie ‘Agrarisch’. Echter, in het later vastgestelde bestemmingsplan ‘Woningbouw Zompgraaf Oostrum’ (2023), welke momenteel geheel onherroepelijk in werking is, is deze agrarische functie gewijzigd naar de functie ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Water’, zie onderstaande figuur ter verduidelijking. De functie van perceel VRY00-S-2071 is ‘Wonen’ gebleven en de functie van perceel VRY00-S-2073 is gewijzigd naar ‘Wonen’ en ‘Groen’. Hierdoor mogen de woon-, groen- en waterfunctie als referentiepunt worden gehanteerd. Gelet op het feit dat spuitzonering uitsluitend betrekking heeft op agrarische gronden, is het opnemen van een spuitzone in dit geval niet van toepassing. Deze percelen vormen dan ook geen belemmering voor de voortgang van onderhavig plan.
Tevens voldoen deze percelen aan de vuistregel van 50 meter als gesteld in de uitspraken van de ABRvS.
32
Figuur 13 Verbeelding “Woningbouw Zompgraaf Oostrum” (Bron: Omgevingsloket).
Daarnaast liggen ten zuiden van de planlocatie de percelen VRY00-S-1877, VRY00-S2154, VRY00-S-2155, VRY00-S-2157, VRY00-S-2169, VRY00-S-2170, VRY00-S-2171, VRY00-S-2176, VRY00-S-2177, VRY00-S-2178, VRY00-S-2180, VRY00-S-2181 en VRY00-S-2182. In het bestemmingsplan ‘Oostrum’ (2015) hebben deze percelen de functie ‘Agrarisch’. Deze percelen zijn echter al geruime tijd niet meer als landbouwgrond in gebruik. In het recente en onherroepelijke bestemmingsplan ‘Oostrum-Oost (herstelbesluit)’ (2024) hebben deze percelen dan ook de functie ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Water’ gekregen. De projectontwikkelaar is op deze percelen al geruime tijd aan het bouwen en de bouw is al ver gevorderd. De woningen direct aansluitend op de Van Broekhuizenstraat zijn nog niet vergund, maar er ligt wel een bouwaanvraag bij burgemeester en wethouders van Venray. Ook dit perceelsgedeelte is niet meer agrarisch in gebruik. Gelet op het feit dat spuitzonering uitsluitend betrekking heeft op agrarische gronden, is het opnemen van een spuitzone in dit geval niet van toepassing. Deze percelen vormen dan ook geen belemmering voor de voortgang van onderhavig plan. Figuur 14 Verbeelding “OostrumOost (herstelbesluit)” (Bron: Omgevingsloket).
Tot slot vindt de uitbreiding van de woonfunctie plaats op het perceel VRY00-S-312, dat volledig in eigendom is van initiatiefnemer zelf. Dit perceel heeft in het geldende bestemmingsplan ‘Oostrum’ (2015) de functie ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’. De agrarische gronden worden momenteel gebruikt als grasland waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Echter, in de toekomstige situatie worden op de gronden van perceel VRY00-S-312 de gebiedsaanduiding ‘milieuzone spuitvrije zone’ opgenomen waardoor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hier niet langer mogelijk is. Ten noorden van de planlocatie ligt ook perceel VRY00-S-2072, dat formeel eigendom is van Waterschap Limburg. Dit perceel heeft de functie ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’, ‘Water’ en ‘Agrarisch’. De agrarische functie geldt ter hoogte van de duiker. Deze duiker is echter volledig in gebruik van initiatiefnemers. Met toestemming van het Waterschap Limburg is dat perceel gedeelte namelijk overkluisd en bij cliënten als weiland in gebruik. In de toekomstige situatie worden op de gronden van perceel VRY00-S-2072 de gebiedsaanduiding ‘milieuzone spuitvrije zone’ opgenomen waardoor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hier niet langer mogelijk is.
33
Figuur 15 Verbeelding planlocatie in toekomstige situatie (Bron: Geling Advies).
Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘spuitzone’ in deze fase van het plan geen belemmering vormt voor de voortgang.
4.8
KABELS- EN LEIDINGEN Met onderhavig plan zijn geen bouw- noch sloopwerkzaamheden voorzien. Hierdoor zullen er geen bodemroerende activiteiten plaatsvinden en heeft het plan geen impact op eventueel aanwezige kabels en leidingen in de ondergrond. Aangezien een KLIC-melding uitsluitend wettelijk verplicht is bij graafwerkzaamheden, is het doen van een KLIC-melding voor deze locatie niet noodzakelijk. Met het plan zal echter wel rekening moeten worden gehouden met eventuele overige feitelijke belemmeringen die zich ter plaatse kunnen voordoen. In onderstaande figuur is af te lezen dat in de omgeving van de planlocatie een hoogspanningslijn is gelegen: -
Blauwe lijn: hoogspanningslijn van 150 kV met een rekenafstand van 2X95 meter;
Figuur 16 Ligging hoogspanningsleidingen ten opzichte van de planlocatie
De planlocatie is gelegen op een afstand van meer dan 1.000 meter van de blauwe hoogspanningslijn en is daarmee buiten de betreffende rekenafstand gelegen. Concluderend kan gesteld worden dat de hoogspanningsleidingen geen belemmering vormen voor onderhavig plan.
34
4.9
SLAGSCHADUW In de omgeving van de planlocatie zijn geen windturbines gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken op de planlocatie, zoals weergegeven in onderstaande figuur. Tevens worden binnen de planlocatie geen windturbines gerealiseerd. Voorts bevinden zich in de directe nabijheid van de planlocatie geen hoge bouwwerken die aanleiding kunnen geven tot slagschaduwvorming. Er is derhalve geen sprake van slagschaduw binnen de planlocatie. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Figuur 17 Ligging windmolens ten opzichte van de planlocatie
4.10
OMGEVINGSVEILIGHEID Omgevingsveiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor omgevingsveiligheid bestaat onder meer uit instructieregels in afdeling 5.1.2 Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). De risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
35
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied wordt vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De gemeenten moeten in die gebieden rekening houden met het risico van brand, explosie of gifwolken en bepalen in hun omgevingsplan de benodigde beschermende maatregelen binnen zo’n aandachtsgebied.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. De gemeente kan in een aandachtsgebied een deelgebied aanwijzen als voorschriftengebied. Dit betekent dat in een deelgebied in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied kan worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 4.10.1
Inventarisatie risicobronnen In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicobronnen weergegeven zijn.
36
Figuur 18 Ligging planlocatie t.o.v. risicobronnen
In de directe omgeving van de planlocatie bevindt zich een buisleiding en snelwegverbinding. Het transport van gevaarlijke stoffen via deze infratstructuur brengt potentiële risico’s met zich mee. De planlocatie is echter niet gelegen in een van de bijbehorende aandachtsgebieden PR 10-5 tot PR 10-8. De buisleiding (gasleiding van Gasunie) is gelegen op een afstand van 686 meter. De snelwegverbinding (A73) is gelegen op een afstand van 1,3 kilometer. Verder zijn in de nabijheid van de planlocatie enkele opslagtanks voor propaan gelegen. Ook voor deze risicobronnen geldt dat de planlocatie op een voldoende afstand gelegen is. Concluderend kan worden gesteld dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het aspect externe veiligheid met betrekking tot in de omgeving aanwezige infrastructuur en overige risicobronnen. 4.10.2
Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid Voldoende bluswater en een goede bereikbaarheid bij brand zijn belangrijk voor een goede bestrijding van eventuele branden. Op basis van de Wet veiligheidsregio’s ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij gemeenten. Mede door de saneringen van het drinkwaternet door de Waterleiding Maatschappij Limburg en de regionalisering van de brandweerzorg is de behoefte ontstaan aan regionaal uniforme uitgangspunten die beter aansluiten op de repressieve mogelijkheden van de brandweer. Bluswaterbehoefte en bereikbaarheid zijn immers niet gemeente specifiek en in vergelijkbare situaties zal de brandweer op een gelijke wijze optreden. Het “Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid” is tot stand gekomen in samenwerking tussen de Veiligheidsregio Limburg-Noord, een vertegenwoordiging van diverse gemeenten binnen de regio en Waterleiding Maatschappij Limburg. Het modelbeleid geeft een nadere praktische en inhoudelijke invulling aan de wettelijke eisen die er gelden ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Het is bedoeld als toetsingskader voor situaties zoals nieuwbouw projecten, saneringen van waterleidingen en verkeersbesluiten. Doorwerking planlocatie De bluswatervoorzieningen dienen te voldoen aan het gemeentelijk beleid voor bluswater.
Bij toetsing is uitgegaan van “woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer lager dan 6 meter boven meetniveau”. In de directe nabijheid van de planlocatie liggen meerdere, onafhankelijke brandkranen met debieten tussen de 45 en 55 m3/uur. Daarmee wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid.
37
De bereikbaarheid dient te voldoen aan het gemeentelijke beleid voor bereikbaarheid voor hulpdiensten (brandweer). Om incidenten snel en effectief te kunnen bestrijden is het belangrijk dat een incidentlocatie goed, snel en via meerdere zijden voor hulpdiensten bereikbaar is. Het plangebied is vanaf meerdere zijden bereikbaar en voldoet daarmee aan het gemeentelijke beleid. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid’ geen belemmeringen vormen voor het voorgenomen plan.
4.11
VEILIGHEID Onderhavig plan heeft geen negatieve invloed op de verkeersveiligheid of de externe veiligheid. De beoogde vergroting van de woonfunctie leidt niet tot een toename van verkeersbewegingen. Daarnaast worden op de planlocatie geen risicobronnen, zoals een opslagtank voor propaan, gerealiseerd. De locatie beschikt over voldoende parkeergelegenheid, waardoor parkeren langs de openbare weg uitgesloten is. Het aspect ‘veiligheid’ vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.12
GEZONDHEID Onderhavig plan voorziet in een vergroting van een woonfunctie. Een woonfunctie wordt hierbij aangemerkt als zijnde een gevoelige functie. Aangezien sprake is van de vergroting van een gevoelige functie, dient de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 doorlopen te worden. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. In het bijbehorende stroomschema (Stappenplan 2.0) worden diverse aspecten betrokken bij de afweging of sprake is van een zodanig verhoogd risico voor de volksgezondheid dat nadere GGD-advisering aangewezen is. In het navolgende worden de afzonderlijke stappen uit het stroomschema toegelicht. 1.
Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen): Omgevingsdienst beoordeelt aan de hand van het endotoxine toetsingskader 1.0 dat de ontwikkeling NIET voldoet aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige functie. Het bevoegd gezag en ondernemer komen in een dialoog niet tot een goede oplossing om een beperking van de berekende endotoxine-afstand te realiseren. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee varkenshouderijen en één pluimveehouderij. Getoetst aan het endotoxine toetsingskader 1.0 geldt: de richtafstand voor de varkenshouderij aan de Zomp 6 bedraagt (fijnstof: 401,193 kg/j) 128 meter. De planlocatie ligt op meer dan 128 meter afstand (1,6 kilometer) De richtafstand voor de varkenshouderij aan de Stationsweg 165 bedraagt (fijnstof: 9,948 kg/j) 0 meter. De planlocatie ligt op meer dan 0 meter afstand (1.28 kilometer). De richtafstand voor de pluimveehouderij aan de Zomp 8 bedraagt (fijnstof: 3721,676 kg/j) 262 meter. De planlocatie ligt op meer dan 262 meter afstand (1,6 kilometer). Voor dit punt hoeft geen advies opgevraagd te worden bij de GGD.
2.
Emissies; de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid.
38
Doorwerking plangebied Onderhavig plan ziet enkel toe op de vergroting van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum. Dit leidt niet tot een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak in de lucht. 3a. Geur toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader I.
de ontwikkeling valt onder de Wgv en Verordening ruimte. In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar blijft er sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond).
II.
Voor dieren zonder emissiefactor: In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan, maar de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige functie is kleiner dan 100 meter (in een kern), 50 meter (in het buitengebied) of de in het gemeentelijk beleid genoemde afstand.
Doorwerking plangebied In de beoogde situatie wordt voldaan aan de gestelde geurnormen voor de voor- en achtergrond in het buitengebied. Ook in de worst-case scenario’s voor in de omgeving gelegen varkenshouderijen. Daarnaast is de afstand van de beoogde woonfunctie (gevoelige functie) tot omliggende veehouderijen in de kern, ruim groter dan de gestelde 100 meter. 3b. Geur, toetsen aan aanvaardbaar gezondheidskundige advieswaarde.
woon-/leefklimaat
a.d.h.v.
I.
Voor dieren met emissiefactor: De voor- en/of achtergrondgeurbelasting is hoger dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. (2015).
II.
Voor dieren met emissiefactor: De afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de gevel van de dichtstbijzijnde gevoelige functies is kleiner dan 100 meter.
Doorwerking plangebied In de beoogde situatie wordt voldaan aan de gestelde geurnormen voor de voor- en achtergrondbelasting in de kern. Ook is de afstand van de beoogde woonfunctie (gevoelige functie) tot in de omgeving gelegen varkenshouderijen ruim groter dan de gestelde 100 meter. 4a. Binnen één (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden, namelijk: a) varkens en pluimvee; of b) rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of c) kleine herkauwers onderling
39
4b. De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie minder dan 100 meter. Doorwerking plangebied Hier is geen sprake van, is niet van toepassing. 5a. Geitenhouderij: binnen een afstand van 2 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. 5b. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- en verblijfsruimten van derden. 5c. overige veehouderijen: binnen een afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Doorwerking plangebied Het gestelde is hier niet van toepassing. 6. Er is sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Doorwerking plangebied Hier is geen sprake van. 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid; Dit blijkt uit de gevoerde dialoog en/of de klachtenregistratie van de omgevingsdienst/gemeente. Doorwerking plangebied Er is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Met onderhavig plan wordt enkel een woonfunctie vergroot. Dit heeft geen effect op de concentratie van emissies in de lucht. Concluderend kan gesteld worden dat het aspect ‘gezondheid’ geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief.
4.13
WATERASPECTEN Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Vanwege dit belang moeten bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. De Omgevingswet stelt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat bij het vaststellen van een omgevingsplan het waterbelang moet worden gewogen. Bij de totstandkoming van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Bij het wegen van het waterbelang wordt de waterbeheerder benaderd voor een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten die worden meegewogen zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. Het wegen van het waterbelang heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij het wegen van het waterbelang. Toetsing van de waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische waterfuncties dienen hier aan bod te komen.
40
Het doel van de waterparagraaf is een toelichting te geven op de waterhuishoudkundige aspecten van het project en de benodigde informatie aan te leveren met betrekking tot de toekomstige berging en afvoer van hemelwater. De waterbeheerder voor de planlocatie is het waterschap Limburg. Waterbeheerprogramma Limburg (2022-2027) Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Dat is een verplichting vanuit de Omgevingswet. Met het Waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 20222027. Het WBP vormt een uitwerking van het bestuursprogramma uit 2019 en sluit aan op de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is bepaald. De opgaven rond klimaat en water zijn groot en complex dat alleen gezamenlijke inspanning tot oplossingen kan leiden. Daarom hebben overheden, inwoners, bedrijven en belangenorganisaties samen nagedacht over de invulling van het WBP. Tijdens een omgevingsreis door Limburg is actief om reactie en input gevraagd. Dit heeft geleid tot waardevolle ideeën en suggesties, die in het WBP zijn verwerkt. Ook bij de verdere uitwerking van het WBP wordt de omgeving betrokken om mee te denken en actief deel te nemen. Waterschap Limburg hanteert in het WBP de volgende vier speerpunten: • • • •
Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.
Het waterschap heeft een aantal toetsingspunten opgesteld waar zij ruimtelijke plannen aan toetsen. Dit betreffen de volgende toetsingspunten: •
• •
•
• •
•
Doorgaans zijn lagergelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepteinfiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepteinfiltratie toepassen.
41
•
•
Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.
Doorwerking plangebied Onderstaand een uitsnede van de legger weergegeven. De legger is een document dat beschrijft waaraan waterstaatswerken, in beheer bij het waterschap, zoals de waterkeringen moeten voldoen. Het gaat daarbij om de ligging, vorm, afmeting en constructie. De ligging en het ontwerp van de kering uit het projectbesluit zijn de basis voor de legger. Figuur 19 Legger Waterschap Limburg (Bron: Waterschap Limburg)
Bodem en grondwater Op de bodemkaart van Nederland is af te lezen dat de gronden binnen de planlocatie bestaan uit Hoge zwarte enkeerdgronden, lemig fijn zand. De gemiddeld grootste diepte (GLG) is gelegen op circa 202 cm-mv, de gemiddeld kleinste diepte (GHG) is gelegen op circa 95 cm-mv. Aanwezige oppervlaktewater Aan de noordzijde van de planlocatie is de beek de Zompgraaf gelegen welke wordt aangemerkt als zijnde een primaire watergang. De planlocatie is verder niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of boringsvrije zone. Afkoppeling en infiltratie Het Waterschap adviseert (vrijblijvend) bij nieuwe ontwikkelingen een infiltratievermogen van 100 mm per 24 uur. Met dit plan wordt echter geen extra verharding toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie. Hierdoor blijft de afkoppeling en het infiltratievermogen van de locatie in de toekomstige situatie ongewijzigd. Desondanks wordt, ter extra motivering van het advies van het Waterschap, de huidige wijze van afkoppeling en infiltratie hieronder kort toegelicht.
42
De planlocatie bestaat voor een overgrote deel uit onverharde gronden, waaronder aangrenzende eigen agrarische gronden. De onverharde gronden liggen op gelijk niveau met de verharde delen, waarna deze onverharde gronden geleidelijk aflopen in de richting van de ten noorden gelegen Zompgraaf. Hierdoor stroomt het hemelwater dat op de verharding valt langzaam af naar de lager gelegen delen, waar het volledig op eigen terrein zal infiltreren. Doordat er voldoende afstand is tussen de verharding en het nabijgelegen waterlichaam, krijgt het hemelwater ruim de gelegenheid om in de bodem te infiltreren. De aanwezige enkeerdgronden zijn bovendien goed waterdoorlatend, wat de infiltratie versnelt en daarmee bijdraagt aan het voorkomen van wateroverlast in de omgeving. In geval van langdurige of extreme neerslag zal het overtollige water, dat niet direct in de bodem kan infiltreren, vertraagd afstromen naar het waterlichaam. Dankzij de geleidelijke afvoer en de bergingscapaciteit van de waterloop, kan het hemelwater gecontroleerd het plangebied uitstromen waardoor wateroverlast wordt voorkomen. Aangezien het plan geen bouwwerkzaamheden omvat, wordt er geen extra productie van huishoudelijk afvalwater mogelijk gemaakt. De afvoer van hemelwater blijft daarmee ongewijzigd.
Conclusie Samenvattend kan worden geconcludeerd dat, doordat het plangebied grotendeels uit onverharde gronden bestaat en er geen nieuwe verharding wordt toegevoegd, in combinatie met het goede infiltratievermogen van de enkeerdgronden en de ruime afstand tot het waterlichaam, voldoende tijd en ruimte wordt geboden voor infiltratie in de bodem. Daarmee kan gesteld worden dat wordt voldaan aan de geadviseerde infiltratiecapaciteit van 100 mm per 24 uur en is het waterbelang afdoende geborgd.
4.14
KLIMAATADAPTATIE EN DUURZAAMHEID Onderhavig plan voorziet enkel in een vergroting van een woonfunctie. Met het plan wordt geen nieuwe verharding aangelegd, waardoor het huidige infiltratievermogen van de locatie behouden blijft. Het hemelwater dat valt in het plangebied zal snel infiltreren in de bodem, wat bijdraagt aan het voorkomen van wateroverlast. Daarnaast is op het perceel sprake van veel groen. Dit groen heeft een positief effect op het voorkomen van hittestress. Tevens zorgt het groen voor een de opname van hemelwater. Het aanwezige groen op de locatie blijft met het plan behouden. Het perceel is bovendien reeds gericht op duurzaamheid. Op het dak van het hoofdgebouw zijn zonnepanelen geplaatst. Tevens is met de destijdse realisatie van het hoofdgebouw ingespeeld op isolatie. Hiermee sluit het plan aan bij de bredere ambities op het gebied van energiebesparing en duurzame opwekking. Gelet op het bovenstaande draagt het plan bij aan een klimaatbestendige en duurzame woonomgeving en vormt het aspect duurzaamheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.15
NATUUR
4.15.1
Wet natuurbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij de planlocatie. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige
43
beschermde soorten zoals aangewezen in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. 4.15.2
Gebiedsbescherming Met de Habitatrichtlijn zijn natuurgebieden aangewezen als Natura2000-gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om ruimteiljke plannen of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, ed. Onderstaand is de planlocatie weergegeven ten opzichte van omliggende Natura2000 gebieden. Figuur 20 Ligging planlocatie t.o.v. Natura-2000 gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving)
Doorwerking planlocatie Zoals te zien in het volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (Boschhuizerbergen) is gelegen op een afstand van circa 1,1 kilometer van de locatie. Met onderhavig plan worden geen zijn geen nieuwe activiteiten voorzien die in zekere zin emissies veroorzaken. Onderhavig plan voorziet immers enkel in de vergroting van de woonfuncie. Hier komen geen extra verkeersbewegingen bij vrij die voor extra emissies zouden kunnen leiden. Geconcludeerd kan worden dat het plan geen negatieve effecten zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in de omgeving. 4.15.3
Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van Bal heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Omgevingswet valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze
44
herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing op het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: 1. 2. 3.
Buiten de bebouwde kom – boswet liggen; Een oppervlakte hebben van 10 are of meer; Rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.
Doorwerking planlocatie Met het voorgenomen plan is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos. Daarnaast blijft de bestaande beplanting binnen de planlocatie behouden. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op het voorgenomen plan. 4.15.4
Soortenbescherming De Omgevingswet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen, is het verplicht de resterende schade te compenseren. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is sterk gerelateerd aan de aanwezigheid van bepaalde kleine landschapselementen (bosjes, wielen/poelen, heggen/hagen e.d.). Doorwerking planlocatie Onderhavig plan voorziet in een vergroting van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum. Met dit plan zijn geen bouwnoch sloopwerkzaamheden voorzien. Hiermee voorziet het plan niet in de mogelijke aantasting van mogelijke habitats van dieren en planten in de omgeving. De biodiversiteit in de omgeving wordt met onderhavig plan niet geschaad. Daarnaast blijft de bestaande beplanting in het plangebied behouden, waardoor ook de habitats van aanwezige planten en dieren behouden blijven. Geconcludeerd kan worden dat het beoogd plan geen nadelige gevolgen zal hebben voor aanwezige soorten.
4.15.5
Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De
45
status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van provincies. De provincies stellen voor deze gebieden eigen regels ter behoud, bescherming en versterking daarvan vast. De provincie Limburg heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Limburg. Op navolgende afbeelding is het Natuurnetwerk Limburg weergegeven. Het voorgenomen plan bevindt zich niet in of grenst niet aan delen van het Natuurnetwerk Limburg. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk ligt op circa 305 meter van de planlocatie. Het plan vormt derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het Natuurnetwerk Limburg Figuur 21 Ligging planlocatie t.o.v. Natuurnetwerk Limburg (Bron: Provincie Limburg)
4.16
ARCHEOLOGIE Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Venray voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Indien de archeologische waarde bepaald is, geeft de Erfgoedverordening aan of er een onderzoeksplicht bestaat.
De gemeente Venray heeft op 7 november 2024 de erfgoedverordening geactualiseerd. Onderstaand is de planlocatie op de archeologische verwachtingskaart weergegeven.
46
Figuur 22 Ligging planlocatie t.o.v. archeologische verwachtingen (Bron: Omgevingsloket)
Doorwerking planlocatie Voor onderhavig planlocatie geldt de archeologische verwachtingswaarde ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Een archeologisch onderzoek waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad op gronden met de functie ‘Waarde – Archeologie 2’ is vereist indien de verstoring meer dan 250 m2 bedraagt én deze verstoring dieper gaat dan 50 centimeter. Voor gronden met de functie ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt dit voor verstoringen van meer dan 500 m2 én als deze verstoring dieper gaat dan 50 centimeter. Onderhavig plan voorziet enkel in een vergroting van een woonfunctie. Met onderhavig plan zijn derhalve geen bouw- noch sloopwerkzaamheden voorzien. Derhalve vindt er geen verstoring plaats van de bodem. Een archeologisch onderzoek voor onderhavig plan is dan ook niet benodigd. De archeologische waarden van de grond worden met onderhavig plan niet verstoord. Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.17
CULTUURHISTORIE Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Onderstaand is een uitsnede weergegeven van de cultuurhistorische waardenkaart van Limburg.
47
Figuur 23 Ligging planlocatie t.o.v. cultuurhistorische waarden.
Doorwerking planlocatie Zoals te zien is op bovenstaand figuur, is de planlocatie gelegen in het cultuurhistorisch vlak betreffende grasland en enkeergronden. Tevens wordt de Van Broekhuizenstraat aangemerkt als een cultuurhistorisch element ‘weg ouder dan 1806’. Met onderhavig plan zijn geen bouw- noch sloopwerkzaamheden voorzien. Onderhavig plan heeft daarmee geen invloed op de cultuurhistorische waarden van het gebied. Het plan zorgt immers niet voor een versnippering van deze waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ is voor onderhavig plan niet van toepassing.
4.18
ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Op vele locaties in Nederland bevinden zich conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie, zo ook in de gemeente Venray. Aangezien het gehele grondgebied van de gemeente Venray in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur heeft gelegen, adviseert de gemeente middels explosievenopsporing niet gesprongen explosieven (NGE) te detecteren, te lokaliseren en veilig te stellen. Doorwerking planlocatie Onderhavig plan voorziet enkel in een vergroting van de woonfunctie van het perceel. Met het plan zijn geen bouw- noch sloopwerkzaamheden voorzien, waardoor er eveneens geen bodemroerende activiteiten zullen plaatsvinden. Daarnaast is de locatie in het verleden in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Hierdoor is de bodem tot een diepte van circa 30 à 40 centimeter reeds verstoord. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat een onderzoek naar niet gesprongen explosieven (NGE) niet noodzakelijk is. Het aspect ‘ontplofbare oorlogsresten’ vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Mochten er in de toekomst op de locatie toch ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen, zal het protocol ‘Spontaan aantreffen OO’ worden gevolgd.
48
4.19
VERKEER EN PARKEREN Verkeer maakt onderdeel uit van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast de verkeersgeneratie moet aandacht besteed worden aan parkeren, auto, fiets en ov-bereikbaarheid. Ontsluiting en verkeer De planlocatie is thans ontsloten middels één in- en uitrit. Deze ontsluiting zal in de toekomstige situatie behouden blijven. In het kader van het onderhavige plan worden voorts geen werkzaamheden voorzien die van invloed zijn op de verkeersaantrekkende werking. Het voorgenomen initiatief zal derhalve niet leiden tot een toename van het verkeersaanbod. Het verkeer zal als gevolg hiervan niet worden belemmerd. Parkeren Thans wordt de bestaande in- en uitrit tevens gebruikt als parkeervoorziening. Deze in- en uitrit biedt voldoende capaciteit voor het huidige parkeergebruik. In het kader van het onderhavige plan worden geen nieuwe bouwwerken gerealiseerd die zouden leiden tot een toename van de parkeerbehoefte. De bestaande situatie blijft derhalve ongewijzigd. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavige initiatief.
4.20
LANDSCHAP Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen doorgaans te worden voorzien van een landschappelijk inpassingsplan gericht op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de locatie. Een dergelijk inpassingsplan zorgt ervoor dat het initiatief aansluit bij de bestaande landschappelijke kenmerken de landschappelijke kwaliteit van het gebied verbeterd. Voor onderhavig is echter geen landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Dit komt doordat het perceel, met de beëindiging van het voormalige bedrijf op deze locatie, reeds ingepast is met bomen, struiken en grasland. Deze landschappelijke elementen blijven met het plan allemaal behouden. Er zijn geen plannen om beplanting te verwijderen. Bovendien bevinden de gronden waarop deze elementen zijn aangebracht zich in particulier eigendom, en er geen plannen zijn deze gronden te verkopen. Hierdoor blijft het groene karakter van de locatie voldoende gewaarborgd.
4.21
OMGEVINGSKWALITEIT EN LEEFBAARHEID Onderhavig plan voorziet enkel in een vergroting van de woonfunctie. Met het plan zijn geen bouw- of sloopwerkzaamheden gemoeid. Er wordt geen nieuwe verharding aangebracht en er vinden geen bodemroeringen plaats. De bestaande situatie op het perceel blijft daarmee ongewijzigd. Er is geen sprake van milieubelastende activiteiten, noch van een toename van verkeers- of geluidsbelasting. Evenmin leidt het plan tot aantasting of versnippering van het aanwezige groen in en rondom het plangebied. Ook overige omgevingsfactoren zoals luchtkwaliteit, waterhuishouding en ecologische waarden blijven onveranderd. Geconcludeerd kan worden dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de omgevingskwaliteit of de leefbaarheid van het gebied.
49
5 5.1
JURIDISCHE TOELICHTING
ALGEMEEN Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het Omgevingsplan. Aangezien de gedeeltelijke wijziging van de functie ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’ op onderhavige locatie in strijd is met het vigerende Omgevingsplan, dient het Omgevingsplan gewijzigd te worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een Omgevingsplan dat los staat van de rest van het Omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het Omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het Omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als zodanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het Omgevingsplan van de betreffende gemeente. Daarom is er in de regels van onderhavig TAMomgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22l van het Omgevingsplan van Venray.
5.2
VERBEELDING De verbeelding is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel ‘bestemmingen’ zijn opgenomen, en dat specifieke functies als zijnde ‘functieaanduiding’ worden benoemd.
5.3
REGELS Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen. Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het Omgevingsplan van de gemeente Venray. Dat betekent dat alle regels uit het Omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavig plan (tenzij ze daarmee in strijd zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavig plan. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van de bruidsschat. Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten. Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke planlocatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel Omgevingsplan Venray (bestemmingsplan “Oostrum”).
Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Hoofdstuk 3: Algemene regels. Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-
50
omgevingsplan. Dit hoofdstuk bevat bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels die gelden voor het gehele grondgebied van de planlocatie Hoofdstuk 4: Overgangsregels. In dit hoofdstuk is het overgangsrecht voor bouwwerken en het overgangsrecht voor functioneel gebruik opgenomen.
51
6
UITVOERBAARHEID
6.1
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
6.1.1
Financieel economische haalbaarheid Voornomen omgevingsplanwijziging voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. Voor onderhavig plan wordt derhalve geen anterieure overeenkomst gesloten maar geldt een financiële bijdrage. Voor het plan worden leges geheven en dient er een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden. Op deze manier wordt de financiële haalbaarheid voldoende gewaarborgd.
6.1.2
Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 12.8 Ow het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking. Tevens worden voor het in behandeling nemen van de omgevingsplanwijziging leges in rekening gebracht.
6.1.3
Nadeelcompensatie Voor iedere omgevingsplanwijziging wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van artikel 4:126 Awb. Voor onderhavig plan wordt een nadeelcompensatie gesloten tussen initiatiefnemer en de betreffende gemeente.
6.2
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6.2.1
Participatie & omgevingsdialoog Het aangeven hoe er geparticipeerd is bij een gebiedsontwikkeling (motiveringsplicht) met een TAM-omgevingsplan is een vereiste onder de Omgevingswet. Dit dient gedaan te worden conform de eisen uit artikel 10.2 uit het Omgevingsbesluit (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan). De omgevingsdialoog is hierbij vormvrij. Voor de omgevingsdialoog aangaande dit plan is gebruikgemaakt van een dialoogformulier. Dit formulier is uitgereikt aan naastgelegen/direct omwonenden en projectontwikkelaars. Belanghebbenden konden op het formulier aangeven of zij bezwaar hadden tegen het plan en eventuele opmerkingen kenbaar maken. De projectontwikkelaars hebben na contactlegging door de initiatiefnemers geen reactie gegeven. Hierdoor konden, ondanks de poging van de initiatiefnemers, de antwoorden van de projectontwikkelaars niet worden meegenomen in deze dialoog. Er is verder niet gebleken dat er vanuit de directe omwonenden van de planlocatie een negatieve grondhouding heerst ten opzichte van de vergroting van de woonfunctie. Voor het omgevingsverslag wordt verwezen naar de bijlage.
6.2.2
Bevoegd gezag en afstemming met ketenpartners De gemeente Venray betreft het bevoegd gezag voor de wijziging van het omgevingsplan. In de voorbereiding van het plan is bekeken of het project voorgelegd dient te worden aan andere overheden of ketenpartners. Gezien het feit dat het gaat over een kleinschalig initiatief, waarbij geen bouw- noch sloopwerkzaamheden gemoeid
52
zijn, is onderhavig plan niet voorgelegd aan het Rijk. Wel heeft de gemeente advies ingewonnen bij de provincie Limburg. De provincie Limburg heeft het volgende geadviseerd (d.d. 21 juli 2025): De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. Daarnaast is het plan voorgelegd aan het Waterschap Limburg en de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Het Waterschap naar aanleiding van de adviesvraag het volgende geadviseerd: Bij nieuwe ontwikkelingen adviseren wij 100 mm in 24 uur. Advies is om te kijken of er al is afgekoppeld. Er is namelijk voldoende ruimte om bestaande verharding af te koppelen. Verder heeft het Waterschap een aantal toetsingspunten opgesteld waaraan zij ruimtelijke plannen toetsen. Deze toetsingspunten zijn opgenomen in de waterparagraaf (paragraaf 4.13). Tot slot gaat de Veiligheidsregio Limburg-noord, naar aanleiding van onderstaande toetsingspunten, zonder woordwaarden akkoord met het plan: Er liggen geen risicobronnen binnen relevante afstand. Externe veiligheid is dan ook niet van toepassing. De bluswatervoorziening dient te voldoen aan het gemeentelijke beleid voor bluswater. Bij toetsing is uitgegaan van “woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer lager dan 6 meter boven meetniveau”.
In de directe nabijheid van het plangebied liggen meerdere, onafhankelijke brandkranen met debieten tussen de 45 en 55m3/uur. Daarmee wordt voldaan aan het beleid. De bereikbaarheid dient te voldoen aan het gemeentelijke beleid voor bereikbaarheid voor hulpdiensten (brandweer). Om incidenten snel en effectief te kunnen bestrijden is het belangrijk dat een incidentlocatie goed, snel en via meerdere zijden voor hulpdiensten bereikbaar is. Het plangebied is vanaf meerdere zijden bereikbaar. 6.2.3
Vaststellingsprocedure Het ontwerp-omgevingsplan zal voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd. Tegelijkertijd wordt het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website. Iedereen kan zijn zienswijze over het ontwerp omgevingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging.
53
7
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
Het plan, beschreven in hoofdstuk 2, is in hoofdstuk 3 getoetst aan de vigerende landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidskaders. In hoofdstuk 4 is het plan getoetst aan de ruimtelijke- en milieu hygiënische aspecten. Uit voorliggende motivering kan geconcludeerd worden dat, vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het voorgenomen plan aanvaardbaar is overwegende dat: Het plan past binnen de vigerende beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente; Er geen ruimtelijke of milieu hygiënische knelpunten naar voren zijn gekomen die belemmerend zijn; De waterhuishoudkundige belangen voldoende gewaarborgd zijn; De economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd is. De gemeente Venray kan instemmen met het voorgenomen plan.
54