bijlage 5 (plan) - Motivering Van Broekhuizenstraat 61 Oostrum
Tekst van het document
Motivering TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l ‘Van Broekhuizenstraat 61, Oostrum’
Colofon Rapport: Van Broekhuizenstraat 61, Oostrum Rapportnummer: 6247BS01 Datum: november 2025
Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gelingadvies.nl
Contactpersoon Geling Advies B.T. Keulen MSc Junior Adviseur Ruimtelijke Ontwikkeling 0493 – 597 500 bkeulen@gelingadvies.nl
© NOVEMBER 2025
GELING ADVIES
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. G&O CONSULT VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.
2
INHOUD 1 INLEIDING 1.1 Achtergrond 1.2 Planlocatie 1.3 Tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Venray 1.4 Leeswijzer
5 5 5 6 6
2 BESCHRIJVING BESTAANDE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE 2.1 Bestaande Situatie planlocatie 2.2 Toekomstige situatie planlocatie 2.3 Strijdigheden met het tijdelijk deel omgevingsplan
7 7 8 10
3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Omgevingswet 3.1.2 Omgevingsbesluit 3.1.3 Nationale Omgevingsvisie Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.5 Instructieregels (AMvB’s) 3.1.6 Conclusie 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Limburg 2021 3.2.2 Ontwerp provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Venray
11 11 11 12 12 14 14 17 17 17 18 19 21 21
4 ASPECTEN MILIEU EN FYSIEKE LEEFOMGEVING 4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Trillingen 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Spuitzoneringen 4.8 Kabels- en leidingen 4.9 Slagschaduw 4.10 Omgevingsveiligheid 4.10.1 Inventarisatie risicobronnen 4.10.2 Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid 4.11 Veiligheid 4.12 Gezondheid 4.13 Wateraspecten 4.14 Klimaatadaptatie en duurzaamheid 4.15 Natuur 4.15.1 Wet natuurbescherming 4.15.2 Gebiedsbescherming 4.15.3 Houtopstanden 4.15.4 Soortenbescherming 4.15.5 Natuurnetwerk Nederland 4.16 Archeologie 4.17 Cultuurhistorie 4.18 Ontplofbare oorlogsresten
23 23 23 25 27 27 30 30 34 35 35 36 37 38 38 40 43 43 43 44 44 45 45 46 47 48
3
4.19 4.20 4.21
Verkeer en parkeren Landschap Omgevingskwaliteit en leefbaarheid
49 49 49
5 JURIDISCHE TOELICHTING 5.1 Algemeen 5.2 Verbeelding 5.3 Regels
50 50 50 50
6 UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.1.3 Nadeelcompensatie 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Participatie & omgevingsdialoog 6.2.2 Bevoegd gezag en afstemming met ketenpartners 6.2.3 Vaststellingsprocedure
52 52 52 52 52 52 52 52 53
7 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
54
Bijlagen Bijlage 22.l1: Situatieschets Bijlage 22.l2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 22.l3: Omgevingsdialoog
4
1 1.1
INLEIDING
ACHTERGROND Onderhavige motivering heeft betrekking op het vergroten van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum (hierna: planlocatie). De vergroting van de woonfunctie wordt beoogd ten behoeve van het positief bestemmen van het bijgebouw en zwembad inclusief bijbehorende terrasverharding. Tevens beoogt de vergroting van de woonfunctie een correctie van het vigerende omgevingsplan, voor zover dit niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Er is voorafgaand aan de aanvraag van de omgevingsvergunning een verzoek ingediend bij de gemeente Venray. De gemeente heeft onder voorwaarden gesteld medewerking te verlenen aan voorliggend plan. Ter realisatie van dit plan is een wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO) noodzakelijk. Onderhavige motivering maakt deel uit van deze omgevingsplanwijziging. In deze motivering wordt aangetoond dat het plan past in de omgeving en dat deze voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving. Tevens wordt aangetoond dat met het plan sprake van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL).
1.2
PLANLOCATIE De planlocatie, zoals weergegeven in navolgende figuur, omvat het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum, kadastraal bekend als Venray, sectie S, perceelnummer 312. De omvang van de planlocatie bedraagt 9.060 m 2. De planlocatie is gelegen binnen de kerngrenzen van Oostrum, binnen de gemeente Venray. In de directe omgeving van de planlocatie is sprake van een menging van functies waarbij woonfuncties veelal worden afgewisseld door agrarische gronden (weilanden en akkerbouw), natuur (bos), bedrijfsfuncties en een maatschappelijke functie. Figuur 1 Ligging planlocatie binnen de dorpskern Oostrum (Bron: Omgevingsloket)
5
Figuur 2 Omgeving planlocatie binnen het tijdelijke omgevingsplan (Bron: Omgevingsloket)
1.3
TIJDELIJK DEEL OMGEVINGSPLAN GEMEENTE VENRAY Op deze locatie geldt het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Venray, welke het voormalige bestemmingsplan ‘Oostrum’ omvat. Op de verbeelding behorend bij dit tijdelijke omgevingsplan heeft de planlocatie de functies ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’, evenals de dubbelfuncties ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 4’. Verder heeft de planlocatie een bouwvlak met de bijbehorende maatvoeringen ‘Maximum goothoogte (m) 4,5’ en ‘Maximum aantal wooneenheden: 1’. Navolgend is de planlocatie op de vigerende verbeelding weergegeven. Figuur 3 Verbeelding planlocatie. (Bron: Omgevingsloket)
1.4
LEESWIJZER Onderhavige motivering kent een opbouwend vervolg. In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie van de planlocatie. Hoofdstuk 3 gaat verder in op de vigerende beleidskaders waar onderhavig plan vervolgens aan wordt getoetst. Voorts omvat hoofdstuk 4 een toetsing van het plan aan de geldende milieutechnische aspecten. Hoofdstuk 5 beschrijft vervolgend de wijze van bestemmen en bevat een uitwerking van de planregels. De maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan is opgenomen in hoofdstuk 6. De motivering eindigt met hoofdstuk 7 waar beschreven wordt of met onderhavig plan sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL).
6
2 2.1
BESCHRIJVING BESTAANDE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE
BESTAANDE SITUATIE PLANLOCATIE Onderhavige planlocatie, betreffende het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum, is thans voorzien van een burgerwoning, bijgebouw met overkapping en zwembad met bijbehorende terrasverharding. Op het perceel is zowel een woonfunctie als agrarische functie gelegen. De woonfunctie, gelegen ter hoogte van de burgerwoning, beslaat thans een oppervlakte van 911 m2. De agrarische functie beslaat met een oppervlakte van 8149 m2 het overige gedeelte van het perceel, waarop onder meer het bijgebouw met overkapping en het zwembad met terrasverharding zijn gelegen. Tevens wordt een gedeelte van dit perceel aangewend als tuin. Op onderhavige planlocatie werd door initiatiefnemer voorheen een gemengd agrarisch bedrijf geëxploiteerd, betreffende een intensieve veehouderij (varkenshouderij) en een akkerbouwbedrijf, hoofdzakelijk gericht op de teelt van aardappelen. Gezien de onwenselijkheden van deze agrarische activiteiten binnen de dorpskern van Oostrum, is in 2015, in overleg met de gemeente Venray, besloten de intensieve veehouderij op locatie te beëindigen en het akkerbouwbedrijf te verplaatsen naar de Zomp. Middels een omgevingsvergunning is de toenmalige woning uitgebreid, waardoor deze zich nu deels buiten de woonfunctie en het bouwvlak bevindt. De functies ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’ zijn op deze locatie behouden gebleven.
Daarnaast is het destijds aanwezige bijgebouw (voormalig bedrijfsgebouw) gehandhaafd. Onderstaand is de huidige situatie van de planlocatie weergegeven. Figuur 4 Aanzichten planlocatie (Bron: Google Maps)
7
Figuur 5 Bovenaanzicht planlocatie (Bron: Google Maps).
2.2
TOEKOMSTIGE SITUATIE PLANLOCATIE Het voorgenomen plan ziet toe op het vergroten van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum. De vergroting van de woonfunctie wordt beoogd ten behoeve van het positief bestemmen van het bijgebouw en het zwembad met bijbehorende terrasverharding. Tevens beoogt de
8
vergroting van de woonfunctie een correctie van het vigerende omgevingsplan, voor zover dit niet overeenkomt met de feitelijke situatie op de planlocatie. De woonfunctie zal worden vergroot zodat het zwembad, inclusief de bijbehorende terrasverharding, volledig binnen de woonfunctie komt te liggen. Volgens de geldende planregels is een zwembad immers uitsluitend toegestaan binnen de woonfunctie. Daarnaast wordt de woonfunctie vergroot om het bestaande bijgebouw met overkapping gedeeltelijk binnen de woonfunctie te laten vallen. Dit bijgebouw heeft immers een dubbelfunctie. Zo wordt het bijgebouw zowel voor agrarische doeleinden als voor woondoeleinden gebruikt. Een deel van het bijgebouw is immers verbonden met het zwembad en de hoofdwoning, aangezien onder de overkapping een zitgedeelte is gerealiseerd en in het bijgebouw een zwembadpomp is geplaatst. Verder wordt het bijgebouw ook in bredere zin gebruikt als onderdeel van de hoofdwoning. Het overige deel van het bijgebouw staat ten dienste van het aanwezige rundvee, dat in de stal en onder de overkapping beschutting vindt. Dit gebruik past logischerwijs binnen de agrarische functie (schuilhut). De overkapping is door middel van een scheidingswand verdeeld tussen het gedeelte van het rundvee en het zitgedeelte bij het zwembad. Om deze reden wordt het bijgebouw functioneel opgesplitst.
Concreet voorziet het voorgenomen plan in een vergroting van de woonfunctie tot een oppervlakte van 2.366 m2. De omliggende agrarische functie blijft behouden en zal een oppervlakte beslaan van 6.694 m2. Er zijn verder met het voorgenomen plan geen bouw- noch sloopwerkzaamheden voorzien. Onderstaand is een uitsnede van de situatieschets weergegeven. De volledige situatieschets is opgenomen in Bijlage 1 bij deze motivering. Figuur 6 Beoogde situatie plangebied, Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum (Bron: Geling Advies).
Ontsluiting en parkeren Voorliggend plan voorziet niet in bouw- noch sloopwerkzaamheden. De planlocatie wordt ontsloten door de bestaande oprit. Overeenkomstig de huidige situatie is het parkeren in de toekomstige situatie op het eigen terrein voorzien.
9
Landschap De planlocatie is reeds voorzien van beplanting dat goed aansluit bij de kenmerken van de landschappelijke context en verkeren in goede conditie. Deze beplanting wordt in de toekomstige situatie in stand gehouden.
2.3
STRIJDIGHEDEN MET HET TIJDELIJK DEEL OMGEVINGSPLAN Op deze locatie geldt het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Venray, welke het voormalige bestemmingsplan ‘Oostrum’ omvat. Op de verbeelding behorend bij dit tijdelijke omgevingsplan heeft de planlocatie de functies ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’, evenals de dubbelfuncties ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Verder heeft de planlocatie een bouwvlak met de bijbehorende maatvoeringen ‘Maximum goothoogte (m) 4,5’ en ‘Maximum aantal wooneenheden: 1’. Onderhavig plan voorziet in het vergroten van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum. Hiervoor dient een gedeelte van de huidige functie ‘Agrarisch’ te worden gewijzigd naar de functie ‘Wonen’. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de wijzigingsbevoegdheden uit het bestemmingsplan echter komen te vervallen. Derhalve is, om onderhavig plan mogelijk te maken, een wijziging van het Omgevingsplan noodzakelijk. Hierbij maakt het plan onderdeel uit van paragraaf 22.5.2 van de Omgevingswet.
10
3
BELEIDSKADER
3.1
RIJKSBELEID
3.1.1
Omgevingswet De Omgevingswet is per 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet moet leiden tot meer ruimte voor duurzame ontwikkelingen, meer rekening houden met regionale verschillen, meer ruimte bieden voor maatwerkoplossingen en belanghebbenden vroegtijdig betrekken in de besluitvorming. Daarnaast is het doel van de Omgevingswet om de tientallen vormen van wet- en regelgeving onder het oude omgevingsrecht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), te bundelen in één wet die toeziet op het omgevingsrecht en daarmee te voorkomen dat initiatiefnemers rekening moeten houden met veel verschillende wetten met elk hun eigen procedures, planvormen en regels. Met de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsregelgeving streeft de regering vier verbeterdoelen na: Het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; Het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; Het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; Het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water.
Daarmee vormt de wet de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Om de Omgevingswet uit te voeren, hebben overheden de beschikking over 6 'kerninstrumenten': De omgevingsvisie: de omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan dat rekening houdt met alle ontwikkelingen in de leefomgeving. Het opstellen van deze visie is op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau verplicht; Het programma: maatregelen om de leefomgeving te beschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. Het programma richt zich op een onderwerp, een bepaalde bedrijfssector of een gebied. Verschillende overheden kunnen ook samen een programma opstellen. Decentrale regels: decentrale overheden hebben 1 regeling voor de fysieke leefomgeving voor hun hele grondgebied. Dit zijn het gemeentelijk omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Hierin staan verschillende soorten regels. Bijvoorbeeld decentrale regels voor activiteiten van burgers en bedrijven. En kaders om vergunningen te toetsen. Ook worden er gebieden in aangewezen die een bepaalde functie hebben. Algemene rijksregels: dit zijn het Bkl, Bal, Bbl en de Omgevingsregeling. Deze ‘Algemene Maatregelen van Bestuur’ (AMvB’s) worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht.
11
De omgevingsvergunning: veel initiatieven van burgers en bedrijven hebben gevolgen voor de leefomgeving. Voor de meeste daarvan gelden algemene regels. Soms is een vergunning nodig. Bijvoorbeeld voor het verbouwen van een rijksmonument. De overheid toetst vooraf of dat mag. Het projectbesluit: het projectbesluit is een uniforme procedure voor besluitvorming over complexe projecten van het Rijk, een provincie of een waterschap. Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, windmolenpark of natuurgebied. Een projectbesluit regelt in dezelfde procedure de afwijking van het omgevingsplan. Het projectbesluit kan ook gelden als een omgevingsvergunning. Doorwerking planlocatie In dit geval is ervoor gekozen de vergroting van de woonfunctie op het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum mogelijk te maken middels een wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO). Daarmee maakt het plan onderdeel uit van het kerninstrument ‘Decentrale regels’. 3.1.2
Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage. Concreet bevat het Omgevingsbesluit bepalingen over de volgende onderwerpen: Bevoegdheden, handhaving en beheer Procedurele regels Projectprocedure Milieueffectrapportage Financiële bepalingen Digitale voorzieningen Doorwerking planlocatie In dit geval gaat het om het toepassen van een wijziging van het omgevingsplan (TAM-IMRO plan).
3.1.3
Nationale Omgevingsvisie Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI gaat uit van vier prioritaire opgaven. Ruimte voor de klimaatadaptatie en energietransitie; o De klimaatverandering, de energietransitie en de afspraken uit het Klimaatakkoord hebben een grote invloed op de fysieke leefomgeving en vereisen zorgvuldige afwegingen en ingrijpende keuzes bij de inrichting van zowel de bovengrondse als ondergrondse ruimte. Maatregelen om de negatieve effecten van klimaatverandering te beperken en de energietransitie te realiseren, moeten worden ingepast in een omgeving waar ook andere opgaven en belangen druk uitoefenen op de beschikbare ruimte. Het is daarom van belang om alle kansen voor energiebesparing optimaal te benutten. Duurzaam economisch groeipotentieel;
12
o
Vanuit de sterke internationale concurrentiepositie is het noodzakelijk om te investeren in een nieuw, duurzaam en circulair sociaaleconomisch verdienmodel. Tegelijkertijd blijft het essentieel om te zorgen voor een goed vestigingsklimaat met een aantrekkelijke, veilige en gezonde leefomgeving en voldoende fysieke ruimte voor bedrijvigheid. Ontwikkelingen die bijdragen aan een duurzaam en concurrerend vestigingsklimaat vereisen een integrale aanpak, in samenhang met opgaven zoals woningbouw, bereikbaarheid, landschap, energietransitie, milieu, gezondheid, welvaart en welzijn. Sterke en gezonde steden en regio’s; o Het realiseren van een aantrekkelijke omgeving om in te wonen, werken en ontspannen vereist keuzes die voortkomen uit een brede afweging. Daarbij is samenhang nodig met thema’s zoals bereikbaarheid, gezondheid en veiligheid, klimaatadaptatie, behoud en versterking van culturele waarden en verduurzaming van de gebouwde omgeving. Het gaat niet alleen om de beschikbaarheid van voldoende woningen van hoge kwaliteit, maar vooral om het creëren van een aantrekkelijke leefomgeving. Het streven is gericht op steden en regio’s als gezonde habitats, waarin functies zoveel mogelijk en waar nodig worden gecombineerd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. o Natuurlijke systemen en landschap staan in bepaalde regio’s onder druk.
Tegelijkertijd zijn er veel opgaven in het landelijk gebied zoals transitie van de landbouw, de energietransitie, klimaatadaptatie, natuurherstel, bodemdaling en verdergaande verstedelijking. Een toekomstbestendige ontwikkeling vraagt een verantwoorde herinrichting van het landelijk gebied en een verbetering van de milieukwaliteit. In de visie worden verder de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het bijvoorbeeld ook om behoud en versterking van cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. De volgende nationale belangen zijn van toepassing op onderhavig plan: Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Doorwerking planlocatie Hoewel onderhavig plan vanwege diens kleinschaligheid niet direct bijdraagt aan de vier prioritaire doelen, sluit het plan wel aan bij verschillende nationale belangen zoals benoemd in de NOVI. Zo voorziet het plan niet in de ontwikkeling van een nieuwe (milieu)belastende activiteit, waardoor het plan bijvoorbeeld bijdraagt aan het beschermen van omliggende natuurgebieden. Daarmee wordt de kwaliteit van de fysieke leefomgeving gewaarborgd.
Daarnaast omvat de planlocatie in de huidige situatie veel groen. Omdat het plan niet voorziet in de aanleg van nieuwe verharding, kan hemelwater gemakkelijk in de bodem infiltreren. Dit draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast in
13
lagergelegen gebieden. Tevens zorgt het groene karakter van de planlocatie ervoor dat de afvoer van water richting de achtergelegen beek vertraagd. Het behoud van het groene karakter van de planlocatie ondersteunt tevens de instandhouding van lokale habitats en draagt bij aan de biodiversiteit op de locatie. Ook dit aspect sluit aan bij de nationale belangen zoals geformuleerd in de NOVI. Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat het plan in lijn is met het Rijksbeleid en geen strijdigheid vormt met de uitgangspunten van de NOVI. 3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De toelichting bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Artikel 5.129 g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaald dat de Ladder betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129 g Bkl is geen ondergrens vastgelegd. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2 (per functie).
Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen zoals maatschappelijke functies, cultuur, leisure of recreatie. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen die een nieuw of groter planologisch beslag op de ruimte leggen dan het geldende omgevingsplan toestaat. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten hebben. Het is niet relevant of de planlocatie binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Doorwerking planlocatie Alvorens de ladder voor duurzame verstelijking doorlopen dient te worden, zal beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Onderhavig plan voorziet in een vergroting van de woonfunctie. Met onderhavig plan zijn geen bouw- noch sloopwerkzaamheden voorzien. Er worden op de planlocatie geen nieuwe bouwwerken gerealiseerd. Er is derhalve geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waardoor gesteld kan worden dat de uitvoering van de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op dit plan.
3.1.5
Instructieregels (AMvB’s) Navolgend wordt het plan getoetst aan de instructieregels vastgelegd in de navolgende besluiten. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de
14
nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is opgebouwd uit de volgende onderwerpen: • In de instructieregels staan onder andere de normen en regels die gelden voor omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen. • De omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl, zoals luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. • Het Bkl bevat regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. • En regels over monitoring en gegevensverzameling. Deze regels hebben betrekking op de onderdelen waterkwaliteit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en het behoud van cultureel erfgoed. Onderstaand wordt ingegaan op instructieregels die specifiek (kunnen) gelden voor het plangebied. Doorwerking planlocatie Hoofdstuk 2 van het Bkl bevat instructieregels voor omgevingswaarden. Deze waarden gelden als maatstaven voor de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de toelaatbare belasting door activiteiten, en de concentratie of depositie van stoffen in de fysieke leefomgeving. Ook de instructieregels met betrekking tot de kwaliteit van de buitenlucht en de waterkwaliteit zijn hierop van toepassing. Onderhavig plan voorziet uitsluitend in een vergroting van de bestaande woonfunctie. Hierbij zijn geen bouw- noch sloopwerkzaamheden gemoeid.
Er is dan ook geen sprake van een nieuwe milieubelastende activiteit of een activiteit die leidt tot een verhoging van concentraties of depositie van schadelijke stoffen in lucht, bodem of water. Aangezien er geen fysieke werkzaamheden plaatsvinden, zijn er geen belemmeringen voor de lucht- en waterkwaliteit. Hoofdstuk 3 van het Bkl bevat instructieregels over onder meer geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, toevalsvondsten van bodemverontreiniging, en de bescherming van habitats en soorten. Het plan betreft de vergroting van een gevoelige functie, waardoor rekening moet worden gehouden met omgevingsgeluid. Er wordt echter geen nieuw gevoelig bouwwerk gerealiseerd dat gevoelig is voor weg-, spoor- of industrielawaai. Bovendien bevinden zich in de directe omgeving geen spoorlijn of industrieterrein. De Van Broekhuizenstraat wordt verder voornamelijk benut voor bestemmingsverkeer met een beperkte verkeersintensiteit. Geluid vormt derhalve geen belemmering voor dit initiatief. In het kader van de functievergroting is bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Aangezien geen sprake is van grondroerende werkzaamheden, is er evenmin sprake van verstoring van habitats of soorten in de directe omgeving. Hoofdstuk 4 van het Bkl betreft onder andere programma’s voor natuur(behoud), Natura 2000, stikstofreductie en natuurverbetering.
Het plan heeft geen invloed op omliggende Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland, omdat het geen sloop- of bouwwerkzaamheden omvat die tot een versnippering van natuurwaarden kunnen leiden. Daarnaast leidt het plan niet tot een toename van stikstofdepositie die nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor omliggende natuurgebieden.
15
In Hoofdstuk 5 zijn verder instructieregels opgenomen die van toepassing zijn op het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan. Afdeling 5.1 bevat regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waaronder: • Het waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); • Het beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); • Het beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4); • Het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden (paragraaf 5.1.5). Zoals eerder genoemd zijn met dit plan geen sloop- of bouwwerkzaamheden gemoeid, waardoor geen extra verharding wordt aangelegd. Hierdoor blijven het infiltratievermogen en de afwateringscapaciteit van het terrein behouden zoals in de huidige situatie. De bestaande verharding bevindt zich op voldoende afstand van een primaire watergang, waardoor hemelwater ter plaatse kan infiltreren in de eigen bodem. Verder maakt dit plan geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk die schadelijk zijn voor de gezondheid of het milieu. Er wordt geen groen verwijderd, zodat landschappelijke of stedenbouwkundige waarden niet worden aangetast. Ook wordt met het plan geen activiteiten uitgevoerd die de veiligheid van omwonenden kunnen bezwaren. Tevens zijn in de omgeving geen activiteiten gelegen die de veiligheid van de initiatiefnemers kunnen bezwaren.
Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de geldende instructieregels uit het Bkl en dat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving met dit plan voldoende is gewaarborgd. Besluit activiteiten leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan rijksregels voor burgers en bedrijven. De regels gelden voor bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten, activiteiten in een beperkingengebied of activiteiten met gevolgen voor de natuur. Het Bal bevat algemene regels, meldingsplichten, vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden en specifieke zorgplichten, om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen en cultureel erfgoed te beschermen. Wanneer het noodzakelijk is dat het bevoegd gezag een activiteit voorafgaand beoordeelt, voorschriften daarvoor opstelt en expliciet instemt met de uitvoering daarvan, is een omgevingsvergunning vereist. Doorgaans gaat het om complexere activiteiten met potentieel grote gevolgen. Doorwerking planlocatie Met onderhavig plan worden geen specifieke nieuwe activiteiten mogelijk gemaakt die onder het Bal vallen. Indien bewoners van de locaties activiteiten onder het Bal wensen te verrichten, mogen deze niet in strijd zijn met het Omgevingsplan en dient getoetst te worden aan de algemene regels, meldingsplichten, vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden en specifieke zorgplichten.
16
Besluit bouwwerken leefomgeving In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan rijksregels voor burgers en bedrijven. Het zijn allemaal regels die met bouwwerken te maken hebben. Ofwel het bouwen, in stand houden, gebruiken of slopen van bouwwerken. De regels gaan over onderwerpen als veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Het Bbl bevat: algemene regels; meldingsplichten; vergunningplichten; maatwerkmogelijkheden; specifieke zorgplichten. Doorwerking planlocatie Onderhavig plan voorziet in een vergroting van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum. Met onderhavig plan zijn geen bouw- noch sloopwerkzaamheden voorzien. Het Bouwbesluit (Bbl) is niet van toepassing op onderhavig plan. Omgevingsregeling In de Omgevingsregeling heeft het Rijk alle technische details van de andere regelgeving uitgewerkt. Denk aan aanvraagvereisten voor omgevingsvergunningen en rekenregels voor geluid. 3.1.6
Conclusie Op het projectgebied als zodanig wordt in het Rijksbeleid niet specifiek ingegaan. Het rijksbeleid heeft geen specifieke gevolgen voor het projectgebied en biedt mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen. Geen van de nationale belangen wordt met onderhavig project aangetast of beïnvloed. Het initiatief als zodanig past binnen de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid van de nationale overheid, de NOVI.
3.2
PROVINCIAAL BELEID
3.2.1
Omgevingsvisie Limburg 2021 De Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door de Provinciale Staten. De Omgevingsvisie Limburg richt zich op de langere termijn (2030 – 2050) en beschrijft onderwerpen als wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Ook aspecten als gezondheid, veiligheid en gezonde leefomgeving worden in de Omgevingsvisie meegenomen. In september 2018 is het vormgevingstraject van de Omgevingsvisie Limburg gestart. Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) vormde deels het vertrekpunt voor deze Omgevingsvisie. Het proces van het opstellen van de Omgevingsvisie kende een aantal fasen. Zo is in het totstandkomingstraject uitgebreid de dialoog aangegaan en zijn meerdere regionale werksessies georganiseerd om gezamenlijk te komen tot een gedragen Omgevingsvisie. Hierbij waren gemeenten en belanghebbenden aanwezig. In de periode vanaf december 2019 tot en met maart 2020 heeft de Provincie Limburg onder de naam 'Toekomst van Limburg' ook haar inwoners uitgenodigd om via digitale en fysieke kanalen mee te denken over de fysieke leefomgeving en gevraagd hun mening en visie te delen. De provincie Limburg stelt in haar Omgevingsvisie drie hoofdopgaven vast:
17
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in stedelijk/bebouwd gebied en in landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie, inclusief landbouwtransitie; Klimaatadaptatie en energietransitie. De Omgevingswet gaat uit van het zoeken naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin personen leven, wonen, werken, leren en vrije tijd besteden. De Omgevingsvisie is geen blauwdruk voor de toekomst en biedt keuzemogelijkheden. Deze keuzes worden gemaakt aan de hand van maatwerk en waarbij rekening wordt gehouden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Bij het maken van afwegingen wordt aangesloten op de volgende vijf Limburgse principes: Het streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal; Meer stad, meer land; Het zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, zowel boven- als ondergronds. Doorwerking planlocatie Onderhavig plan voorziet in een vergroting van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum. Onderhavig plan voorziet niet in de ontwikkeling van een milieubelastende activiteit noch in de realisatie van nieuwe bouwwerken.
Aangezien onderhavig plan enkel voorziet in de vergroting van de woonfunctie van het perceel, is onderhavig plan niet in strijd met de hoofdopgaven als opgesteld door de provincie Limburg. 3.2.2
Ontwerp provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) De Provinciale Omgevingsvisie (POVI) is het strategische plan voor de fysieke leefomgeving in Limburg en vormt een actualisatie van de Omgevingsvisie Limburg 2021. Omdat de POVI momenteel nog een ontwerp betreft (ter inzage gelegen van 26 mei tot en met 7 juli 2025 maar nog niet vastgesteld) wordt deze visie afzonderlijk toegelicht van de omgevingsvisie uit 2021. De POVI omvat ambities, doelen en kaders voor de lange termijn (2025-2050). Het document biedt een integrale leidraad voor de inrichting, het beheer en het gebruik van schaarse ruimte in de provincie. Daarbij kijkt de POVI naar de leefomgeving in de brede zin. Dus niet alleen naar traditionele ruimtelijke onderwerpen, maar ook naar thema's zoals gezondheid, leefbaarheid, milieu en veiligheid. In de POVI staan vier overkoepelende ambities geformuleerd: Sterke steden en dorpen met een goed vestigingsklimaat: Optimaal benutten van ruimte in bestaande steden en dorpen, verbeteren van leefbaarheid en versterken van economische innovatiekracht. Balans tussen functies in het landelijk gebied: Combineren van de belangen van landbouw, natuur, water, landschap en vrijetijdseconomie, onder meer door gebiedsgerichte zonering. Toekomstbestendige mobiliteits- en energiesystemen: Duurzame energievoorziening en slimme mobiliteitsoplossingen.
Een vitale bodem en een robuust watersysteem: Herstel van bodemkwaliteit en zorgen dat het watersysteem zowel perioden van droogte als perioden met grote waterafvoer kan opvangen.
18
Ter realisatie van bovenstaande ambities, werkt de provincie Limburg op basis van de volgende vier leidende grondbeginselen (de Limburgse principes): Principe 1 – Gezonde en veilige leefomgeving: Prioriteit voor gezondheid, veiligheid en welzijn van mens, dier en plant. De leefomgeving moet bijdragen aan het voorkomen van bijvoorbeeld hittestress, luchtverontreiniging, geluidsoverlast en risico's zoals overstromingen. Principe 2 – Identiteit en kenmerken van gebieden: Beleidskeuzes sluiten aan op unieke landschappen, culturen en gebiedseigen kenmerken. Ontwikkelingen moeten de regionale identiteit versterken. Principe 3 – Zorgvuldig omgaan met schaarse ruimte en voorraden (bovenen ondergronds): Het optimaal benutten van ruimte, netwerken (verkeer en energie) en voorraden. Multifunctioneel ruimtegebruik wordt gestimuleerd. Principe 4 – Versterken van bebouwd én landelijk gebied: Het koesteren van variatie in stedelijke en landelijke gebieden. Het compact houden van steden en dorpen en stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied concentreren. Doorwerking planlocatie Onderhavig plan sluit aan bij bovenstaande ambities en principes in zoverre dat met het plan geen nieuwe verharding wordt aangelegd. Hierdoor behouden de omliggende (agrarische) gronden hun groene karakter en blijft de bestaande beplanting binnen de planlocatie gehandhaafd.
Het behoud van deze beplanting draagt bij aan het tegengaan van verdroging, omdat hemelwater in de bodem kan (blijven) infiltreren. Bovendien helpt de aanwezige beplanting om hittestress te verminderen gelet op diens schaduwwerking. Daarnaast bevordert de huidige groene inrichting de biodiversiteit in de omgeving. Het plan leidt niet tot milieubelastende activiteiten die negatieve effecten hebben op het omliggende Limburgs Natuurnetwerk, noch tot verontreiniging van de bodem of aantasting van archeologische waarden in het gebied. Tot slot heeft het plan geen negatieve invloed op de leefomgeving wat betreft luchtkwaliteit, geur, geluid of afval. Daarmee draagt het plan bij aan het behoud van de ambities van de provincie Limburg op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. 3.2.3
Omgevingsverordening Limburg Conform de bepalingen van de Omgevingswet is elke provincie verplicht om naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vast te stellen voor haar grondgebied. De omgevingsvisie schetst de doelstellingen en de bijbehorende maatregelen die de provincie wenst te realiseren. In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Op 21 september 2021 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld, waar later nog enkele wijzigingen doorgevoerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van februari 2025. De wijzigingen ten opzichte van de voorgaande versie van de TAM Omgevingsverordening zijn toegelicht in de Algemene toelichting op de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Limburg omvat twee soorten regels: Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke omgevingsplan of die het
19
waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke omgevingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven; regels voor activiteiten die voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. De omgevingsverordening bestaat uit kaarten en regels. Deze regels zijn noodzakelijk voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Limburg. Ze bewaken de kwaliteit van de leefomgeving. Regels worden uitsluitend opgesteld wanneer dat nodig is om provinciale ambities te realiseren of om aan wettelijke verplichtingen te voldoen. Ze dienen ter uitvoering van de omgevingsvisie. Daarnaast vormen ze een onderdeel van het beleid en de provinciale programma’s. Provinciale Staten nemen het besluit over de inhoud van de omgevingsverordening. In de omgevingsverordening staan regels die gelden voor alle inwoners, bedrijven of medeoverheden. Zo staat er in de omgevingsverordening wat de voorwaarden zijn om bepaalde activiteiten uit te voeren. Zoals buiten iets bouwen, aanleggen of organiseren. Ook staat er in de omgevingsverordening of er een vergunning of melding nodig is. De verordening bevat daarmee regels over: • • •
De fysieke leefomgeving; Activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen; De uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.
Provinciaal gezien moet een ontwikkeling passend zijn binnen de TAMomgevingsverordening Limburg. De regels in deze verordening en de toepassing daarvan beogen een evenwichtige afweging van het gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de maatschappelijke behoeften en het in stand houden of verbeteren van de omgevingskwaliteiten. Doorwerking planlocatie Volgens de Omgevingsverordening is de planlocatie gelegen binnen de omgevingswaarden ‘stedelijk gebied’ en ‘overstromingskansgebied E’. De instructieregels behorend bij het stedelijk gebied zijn enkel van toepassing op initiatieven die voorzien in de realisatie van één of meerdere woningen. Aangezien met onderhavig plan enkel een vergroting van de woonfunctie is voorzien, zijn de instructieregels behorend bij het stedelijk gebied niet van toepassing. Voor het overstromingskansgebied E geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren, een omgevingswaarde met een gemiddelde overstromingskans van eens per 100 jaar (1:100). Dit houdt in dat beken, sloten en de bodem zodanig zijn ingericht dat zij (hemel)water kunnen afvoeren bij een dergelijke kans op overstroming. Aangezien het voorliggende plan geen toename van verhard oppervlak met zich meebrengt, blijft de bestaande waterbergingscapaciteit van de locatie behouden. Daarmee waarborgt het plan de geldende omgevingswaarden voor dit gebied.
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening Limburg.
20
3.3
GEMEENTELIJK BELEID
3.3.1
Omgevingsvisie Venray Op 2 november 2021 heeft de gemeente Venray de omgevingsvisie “Venray” vastgesteld. Deze omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. De omgevingsvisie van de gemeente beschrijft wat van belang is voor de fysieke leefomgeving. Deze leefomgeving omvat alles wat buiten zichtbaar en voelbaar is: bijvoorbeeld het uiterlijk van de gemeente, de luchtkwaliteit en de aanwezige bedrijven. De visie richt zich op ambities, beleid en de onderlinge samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, wonen en werken, en cultureel erfgoed. Elementen van de leefomgeving die als waardevol worden beschouwd, verdienen bescherming en versterking. Tegelijkertijd worden ook nieuwe doelen nagestreefd. Deze doelen zijn in de omgevingsvisie samengebracht in vier hoofdambities. Er is gekozen voor een gebiedsgerichte, integrale benadering: per deelgebied wordt omschreven welke opgaven de komende jaren centraal staan. Figuur 7 Uitsnede deelgebieden Omgevingsvisie Venray (Bron: Omgevingsvisie Venray).
Onderhavige planlocatie is gelegen in het deelgebied ‘Woongebieden’. In dit deelgebied staat de volgende opgave centraal: Venray en de dorpen kenmerken zich door een prettig woonklimaat. Tegelijkertijd is er sprake van een woningtekort, zowel voor jongeren als ouderen. De focus ligt op het bouwen naar behoefte en het verbeteren van de kwaliteit van woningen. Oplossingen worden gezocht in het realiseren van woningen die beter aansluiten bij toekomstige woonwensen. Een blik op de toekomst schetst een beeld van een omgeving met voldoende groen en ruimte, waar inwoners elkaar dichtbij huis kunnen ontmoeten, en waar passende woningen beschikbaar zijn voor alle generaties. In de woongebieden wordt ingezet op het verbeteren van de woonkwaliteit. Dit gebeurt door het realiseren van de juiste woningen op de juiste locaties en het aanpassen van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast wordt goede huisvesting en integratie van bijzondere doelgroepen gestimuleerd. Toegankelijk groen krijgt
21
een belangrijke rol, zodat er ruimte is om te ontmoeten en te bewegen. Ook wordt aandacht besteed aan zowel de fysieke als de sociale veiligheid in de woonomgeving. Doorwerking planlocatie Onderhavig plan voorziet in een vergroting van de woonfunctie van het perceel gelegen aan de Van Broekhuizenstraat 61 te Oostrum. Onderhavig plan voorziet niet in de ontwikkeling van een milieubelastende activiteit noch in de realisatie van nieuwe bouwwerken. Het vergroten van de woonfunctie is een logisch uitgangpunt om het perceel te bestemmen zoals deze thans ook in gebruik is. Aangezien onderhavig plan enkel voorziet in de vergroting van de woonfunctie van het perceel, zorgt onderhavig plan niet in de afbreuk van de uitgangspunten die gelden in het deelgebied ‘Woongebieden’. Het beoogd plan is daarmee passend binnen de Omgevingsvisie Venray.
22
4 4.1
ASPECTEN MILIEU EN FYSIEKE LEEFOMGEVING
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Op grond van wettelijke procedureregels dienen B&W een beoordelings-besluit te nemen of voor dit plan een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. In het besluit m.e.r. is opgenomen voor welke voorgenomen activiteit een m.e.r.plicht of m.e.r. beoordelingsplicht geldt om te toetsen of sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorwerking planlocatie Onderhavig plan, dat enkel voorziet in de vergroting van een woonfunctie, valt niet onder een categorie als opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het Omgevingsbesluit is daarom niet van toepassing en een aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling is niet nodig.
4.2
BODEM Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
23
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Doorwerking plangebied Gezien het feit dat onderhavig plan voorziet in de vergroting van een gevoelige (woon)functie, is voor onderhavige planlocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen van dit bodemonderzoek weergegeven. Het volledige bodemonderzoek is toegevoegd in Bijlage 2 bij onderhavige motivering. Het onderzoek richt zich hierbij enkel op het zwembad en het zitgedeelte onder de overkapping, daar deze locatie wordt aangewend als gevoelig gebruik.
Voor de te vergroten woonfunctie ter hoogte van de hoofdwoning en de tuin, is immers reeds een omgevingsvergunning voor verleend. Conclusie en advies Vooronderzoek NEN5725 Met het oog op het voormalig gebruik en de resultaten van het in 2011 verrichte bodemonderzoek wordt de locatie beschouwd als verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE). De ondergrond wordt als onverdacht beschouwd (ONV-NL). Uit het verrichte vooronderzoek blijkt geen sprake van een asbestverdachte (deel)locatie. De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning niet als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit. In de regio worden gehalten aan zware metalen in het grondwater aangetoond. Deze kunnen als regionaal verhoogd worden beschouwd. Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Zintuiglijke waarnemingen verkennend bodemonderzoek Ter plaatse van meetpunten 2 en 3 is een bijmenging van sporen baksteen waargenomen in de bovengrond. De bijmenging is in het veld beoordeeld en wordt niet als asbestverdacht beschouwd. Analyseresultaten (meng-)monsters Mengmonster BG1, samengesteld uit visueel schone bovengrond, wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur.
Mengmonster BG2, samengesteld uit sporen baksteenhoudende bovengrond, wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse Landbouw/ natuur. Mengmonster OG1, samengesteld uit visueel schone ondergrond, wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur.
24
De gemeten gehalten van alle stoffen liggen onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. Analyseresultaten grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 zijn geen overschrijdingen van de signaleringsparameters aangetoond. De gemeten gehalten van alle stoffen liggen onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. Conclusie De waarden van de onderzochte stoffen van de geanalyseerde mengmonsters en het grondwater voldoen aan de gestelde criteria uit Omgevingswet en Omgevingsverordening provincie Limburg voor het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde legalisering van een zwembad en overkapping. Advies De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het tijdelijk deel van een Gemeentelijk Omgevingsplan
4.3
GELUID Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en specifieke activiteiten (windturbines etc.). In de Omgevingswet vormt geluid vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn regels via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
25
Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Geluidsgevoelige gebouwen Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van bronnen afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In een omgevingsplan is in de bruidsschat het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Doorwerking planlocatie Wanneer een geluidgevoelige gebouw wordt opgericht binnen een geluidsaandachtsgebied langs een weg of spoorlijn, is doorgaans het Bkl van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB voor geluidsgevoelige gebouwen, zoals gesteld in Artikel 5.78t en Artikel 5.78u van het Bkl. Onderhavig plan voorziet echter niet in de realisatie van een nieuw geluidgevoelig gebouw, zoals weergegeven op de situatietekening in Bijlage 22.l1.
Het plan voorziet uitsluitend in een vergroting van de bestaande woonfunctie ten behoeve van het positief bestemmen van het zwembad, bijbehorende terrasverharding en het bijgebouw. Voor de hoofdwoning is reeds een omgevingsvergunning verleend. De vergroting van de woonfunctie is een correctie van het vigerende omgevingsplan, voor zover dit niet overeenkomt met de feitelijke en vergunde situatie. Met het plan wordt het bouwvlak enkel vergroot ten behoeve van de hoofdwoning en in overeenstemming met de reeds verleende vergunning, waardoor de oprichting van nieuwe geluidgevoelige gebouwen is uitgesloten. Deze zijn feitelijk al aanwezig en vergund.
26
Voorts zijn de omliggende wegen gelegen binnen een 30 km/uur-zone. Gelet op het Bkl mag worden aangenomen dat de geldende standaardwaarde voor wegverkeeren spoorweglawaai niet wordt overschreden. Het Bkl stelt immers in Artikel 3.26 dat de geluidbelasting van gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapwegen uitsluitend relevant is bij verharde wegen, niet zijnde erven in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als jaargemiddelde, dan wel bij lokale spoorwegen die bij omgevingsverordening zijn aangewezen. De Van Broekhuizenstraat en de Geysterseweg zijn beide ingericht als 30 km/uurwegen. Het verkeer op deze wegen bestaat hoofdzakelijk uit bestemmingsverkeer. Daarmee is het niet aannemelijk dat sprake is van een relevante geluidbelasting als gesteld in Artikel 3.26 van het Bkl. Gelet op het bovenstaande is het uitvoeren van een onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk. In de omgeving van de planlocatie bevinden verder geen bedrijven of activiteiten waarvan de geluidproductie de geldende grenswaarden ter plaatse van de te vergroten woonfunctie overschrijdt. Voorheen was het glastuinbouwbedrijf aan de Geysterseweg 29 het dichtstbij gelegen (83 meter), maar dit bedrijf is in 2021 beëindigd.
Concluderend kan worden gesteld dat wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de realisatie van de burgerwoning.
4.4
TRILLINGEN In paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Venray zijn regels m.b.t. het aspect ‘trillingen’ opgenomen. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. Deze maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Venray. Doorwerking planlocatie Onderhavig plan voorziet enkel in een vergroting van een woonfunctie. Met het plan worden geen nieuwe trillinggevoelige bouwwerken opgericht. Omliggende bedrijven die in zekere mate trillingen veroorzaken worden daarmee door onderhavig plan niet gehinderd in diens bedrijfsvoering. Verder mag het voorgenomen plan zelf ook geen hinder door trillingen veroorzaken voor in de omgeving aanwezige functies. Binnen een woonfunctie vinden echter geen activiteiten plaats die in zekere mate trillingen veroorzaken. Het onderdeel “trillingen” vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.5
LUCHTKWALITEIT Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM5) voor toetsing of sprake is
27
van een goed woon- en leefklimaat. Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt immers nauwelijks voor. NIBM projecten De wet maakt namelijk onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Besluit kwaliteitseisen leefomgeving geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1.500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor agrarische bedrijven wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM situatie. Deze gaat uit van afstanden tot bedrijfsopstallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof.