Bijlage 3.1.1.8 Enge Steeg 4 archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Tekst van het document
Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, december 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5d90dcd35.
20926.001 versie 1
3/4
Kadaster Topotijdreis; internetsite, december 2022. http://www.topotijdreis.nl/ Nationaal Archief; internetsite, december 2022. http://www.gahetna.nl/ NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, december 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’, internetsite, december 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0. Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, december 2022. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, december 2022. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, december 2022. https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, december 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F153C906C9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. Ruimingskaart; internetsite, december 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, december 2022.
https://www.sikb.nl Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, december 2022. https://www.topotijdreis.nl VEO Bommenkaart; internetsite, december 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
20926.001 versie 1
4/4
KAARTEN
Kaart 1.
Het plangebied op de topografische kaart
Kaart 2.
Het plangebied op de kadastrale kaart
Kaart 3.
Het plangebied op een luchtfoto
Kaart 4.
Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart
Kaart 5.
Het plangebied op de geomorfologische kaart
Kaart 6.
Het plangebied op het AHN
Kaart 7.
Het plangebied op de bodemkaart
Kaart 8.
Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied
Kaart 9.
Het plangebied op de historische kaart uit 1801-1828
Kaart 10.
Het plangebied op de historische kaart uit 1857
Kaart 11.
Het plangebied op de historische kaart uit 1911
Kaart 12.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1958
Kaart 13.
Boorpuntenkaart
BIJLAGEN
Bijlage 1.
Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Bijlage 2. AMK nr. 16266
AMK-terreinen
Locatie
Datering
Waarde en omschrijving
350 meter ten oosten van het plangebied Leunen te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196382/391254
Late Middeleeuwen Nieuwe tijd
Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Leunen. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20eeeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.
Bijlage 3. Zaaknummer (OMnummer) 2215611100 (31088)
Onderzoeksmeldingen
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
100 meter ten noordoosten van het plangebied St. Catharinastraat te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 195770/391367
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: SOB Research Datum: 2008-09-23 Resultaat: Het betreft de bouw van 36 nieuwe woningen met parkeergelegenheid voor 85 auto's. Op basis van de planvorming zal het mogelijk aanwezige bodemarchief echter ‘in situ’ behouden blijven. Ter plaatse van een deel van het plangebied zal de bodem worden opgehoogd. De nieuwe woningen zullen op een peilhoogte van ongeveer 25,0 tot 24,7 meter +NAP worden gerealiseerd. Ter plaatse van het laagst te bebouwen punt heeft het bestaande maaiveld een hoogte van 23,65 meter +NAP. Hier zal het maaiveld worden verhoogd tot een hoogte van circa 25 meter +NAP. Dat betekent dat de bodem circa 1,35 meter zal worden opgehoogd. Ter plaatse van het hoogst te bebouwen punt heeft het bestaande maaiveld een hoogte van 24,29 meter +NAP. Hier zal het maaiveld worden verhoogd tot circa 24,7 meter +NAP. Dat betekent dat het bestaande maaiveld circa 0,4 meter zal worden opgehoogd. Indien er wordt gekozen voor een fundering op de bestaande grond, zal de bouwvoor worden verwijderd. Dit heeft echter geen nadelige gevolgen voor het mogelijk aanwezige bodemarchief. Indien wordt gekozen voor paalfundering zal de bouwvoor niet worden verwijderd. Op basis van bovenstaande kan worden aangenomen dat het bodemarchief niet zal worden aangetast door de voorgenomen bouwactiviteiten.
Daarom wordt een nader archeologisch onderzoek binnen het onderzoeksgebied niet noodzakelijk geacht. Type onderzoek: bureauonderzoek en booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2011-12-01 Resultaat: Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de archeologische verwachting voor het plangebied laag voor archeologische resten van jager-verzamelaars uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum en hoog voor archeologische resten van landbouwers van het Neolithicum tot de Nieuwe tijd. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase blijkt dat het bodemprofiel in het plangebied sterk is verstoord. De verwachte veldpodzolgrond is door de grootschalige verstoring in het plangebied geheel afgetopt tot een diepte van 65 - 100 cm -mv. Op basis van het verkennend booronderzoek wordt de gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, voor het gehele plangebied bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 2010-10-18 Resultaat:.
Tijdens het veldonderzoek is er in het plangebied een onverstoorde enkeerdgrond aangetroffen, een bodem met een humeuze bovengrond die door mensen opgebracht is bij de langdurige bemesting van de akkers en die een hoge kans geeft op de aanwezigheid van archeologische waarden die bewaard zijn onder dit humeuze dek. In de boringen zijn alleen in de humeuze bovengrond brokjes baksteen en houtskool en enkele verbrande en onverbrande kersenpitten aangetroffen. In twee boringen zijn waarschijnlijk de resten van een oudere akkerlaag aanwezig onder het plaggendek. De C-horizont onder het plaggendek lijkt onverstoord te zijn. Voor het plangebied worden archeologische vervolgmaatregelen geadviseerd bij bodemverstoringen dieper dan circa 80 en 110 cm -mv. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 2012-04-19 Resultaat: Er zijn twee vindplaatsen aangetroffen. In totaal zijn 35 sporen en 33 vondsten aangetroffen in het plangebied. Het gaat voornamelijk om kuilen en greppels, die in vrijwel alle werkputten zijn aangetroffen. Alleen in werkput 3 zijn slechts twee sporen (verstoringen) aanwezig als gevolg van aftopping van het dekzand door agrarische werkzaamheden. Vindplaats 1 heeft sporen uit de Late Middeleeuwen (14e / 15e eeuw) en vindplaats 2 uit de Nieuwe tijd (16e eeuw heden).
Behorend bij vindplaats 1 is een ondiepe greppel met een kogelpotscherf en een kuil met een scherf uit 1350-1450. Onduidelijk is of een paalkuil in het noordoosten van het plangebied ook uit deze periode dateert, vanwege twee vondsten hieruit met twee verschillende dateringen. Naast een kogelpotfragment is een oranje baksteenfragment aangetroffen.
2351562100 (49716) en 2351570100 (49717)
350 meter ten oosten van het plangebied Sint Catharinastraat 2H te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196040/391270
2305124100 (43472)
400 meter ten oosten van het plangebied St. Jorishof te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196114/391246
2365421100 (51508)
400 meter ten oosten van het plangebied St. Jorishof te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196115/391251
2248896100 (35762)
450 meter ten zuidoosten van het plangebied te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 195988/390877
2232492100 (33435)
450 meter ten oosten van het plangebied te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196217/391008
2279473100 (39975)
450 meter ten oosten van het plangebied te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196225/391071
2385591100 (54120)
500 meter ten oosten van het plangebied Achterom te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196231/391080
Tenslotte is een middeleeuwse akkerlaag aangetroffen. Vindplaats 2 betreft een negental kuilen uit 16e / 17e eeuw en een aantal greppels, die vermoedelijk in de 20e eeuw opengelegen hebben, maar, op basis van georectificatie, een ouderdom kennen van vóór 1811. In het centrale deel van het plangebied is een aantal verstoringen aangetroffen. Verder zijn er zeer veel sporen van bioturbatie. Na waardering van de twee vindplaatsen blijkt het plangebied niet behoudenswaardig. IDDS Archeologie adviseert om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 2009-06-24 Resultaat: Tijdens het karterend booronderzoek (IVO karterende fase) is vastgesteld dat het plangebied, met name de delen die in gebruik zijn ten behoeve van de aspergeteelt, sterk verstoord zijn geraakt als gevolg van landbouwwerkzaamheden. De oude akkerlaag uit het verkennend onderzoek blijkt op basis van de aanvullende boringen en de kijkgaten ontstaan te zijn als gevolg van diepwoeling op het terrein. Archeologische indicatoren zijn uitsluitend in de verploegde lagen waargenomen, waardoor geconcludeerd wordt dat een eventuele vindplaats in het plangebied sterk geroerd is.
Het is niet uit te sluiten dat zich in het plangebied sporadisch grondsporen bevinden die beneden de verstoorde diepte reiken, maar de vraag is in hoeverre deze nog bij zullen dragen aan de kennisvorming omtrent het verleden. Voorgesteld wordt op basis van de resultaten van het karterend booronderzoek en de kijkgaten het terrein op archeologische gronden vrij te geven. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 2009-01-22 Resultaat: Gezien de afwezigheid van een aaneengesloten esdek, de sterke mate van verstoring van de bodem en het ontbreken van relevante archeologische indicatoren, geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 2010-03-22 Resultaat: Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied tot gemiddeld 105 cm -mv, sterk verstoord is. Alleen in de boringen 1, 6, 14, 17, 18, 22 en 23 is een humeus (es)dek van meer dan 50 cm dik aangetroffen. Deze esdeklaag ligt met name rondom de vroegere boerderij ter plaatse van het perceel Achterom 6. Ter plaatse van boorpunt 13 is een brandlaag vastgesteld.
Deze laag bevestigt de melding dat de boerderij die hier tot 1965 heeft gestaan door brand is verwoest. Tijdens het booronderzoek zijn alleen in de boringen 16 en 23 eenduidige archeologische indicatoren aangetroffen Het betreft twee fragmenten geglazuurd, roodbakkend aardewerk. In combinatie met stukjes steenkool en baksteen duiden deze vondsten op een postmiddeleeuwse ouderdom van het humeuse (es)dek. Indien de bestaande schuur ter plaatse van de voormalige boerderij op het perceel Achterom 6 wordt gesloopt ten behoeve van woningbouw of tuinaanleg, wordt geadviseerd om hier een nader karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Ten aanzien van het overige deel van het plangebied dient vanwege de afwezigheid van een aaneengesloten esdek, het ontbreken van voldoende relevante archeologische indicatoren en met name de sterke mate van verstoring van de bodem, de archeologische verwachting voor wat betreft het aantreffen van (behoudenswaardige) resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd te worden bijgesteld naar laag. Vervolgonderzoek is hier derhalve niet noodzakelijk. Type onderzoek: archeologische begeleiding Uitvoerder: De Steekproef Datum: 2012-10-17 Resultaat: In opdracht van de families Vollenberg en Voermans is op 18 oktober 2012 een archeologische begeleiding uitgevoerd op de locaties Achterom 4 en 4a te Leunen.
Het onderzoek bestond uit de begeleiding van het verwijderen van funderingen vanaf het maaiveld en de aanleg van twee bouwputten. In het hele plangebied zijn grootschalige en diepe moderne verstoringen aangetroffen. De bodemopbouw is grotendeels verstoord. Archeologisch relevante sporen en vondsten zijn niet aangetroffen en beide percelen zijn onmiddellijk na de documentatie vrijgegeven voor de bouwwerkzaamheden.
Bijlage 4.
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3122609100
Locatie
Omschrijving
70 meter ten zuidoosten van het plangebied Op De Steeg te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 195750/391150
2365421100
400 meter ten oosten van het plangebied te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 196115/391251
3117774100
500 meter ten zuidwesten van het plangebied te Leunen Gemeente Venray Coördinaat: 195270/390700
Type onderzoek: particuliere vondst IJzertijd : - handgevormd aardewerk - kuil, - fragment van een handgevormd aardewerk object - cultuurlaag Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Late Middeleeuwen : - 2 fragmenten van keramische kogelpotten Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 5 kuilen, - 9 greppels/sloten - fragment van een steengoed kruik Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van keramische borden/schotels - fragment van een metalen gesp - fragment van een faience bord/schotel - fragment van een steengoed beker Neolithicum : - fragment van een vuursteen bijl
Bijlage 5.
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk
zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort.
Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld.
Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een
instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode.
Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt.
In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Bijlage 6.
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen.
Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied. Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren.
Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor▼ ▼ den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek zaamheden door archeologen.*** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - booron- oppervlaktekartering derzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel ▼ met bouwkundige voorwaarden).
Ook kan besloten worBewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie den over te gaan op het begeleiden van de graafwerk▼****** zaamheden door archeologen.*** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen Besluit ► vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waarde(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel ▼ ▼ met bouwkundige voorwaarden). Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de arBescherming van de cheologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Bijlage 7.
Planontwerp eerste opzet
Bijlage 8.
Boorstaten
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water