CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.1.1.8 Enge Steeg 4 archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Gemeenteraad 26 maart 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening stoppers ensaneringsregeling (ronde 3)13.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Steegse Peelweg Leunen, gemeente Venray

Rapportage archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Steegse Peelweg, Leunen, gemeente Venray Opdrachtgever

Rapportnummer

20926.001

Versienummer1

1

Datum

22 december 2022

Opsteller Paraaf

Kwaliteitscontrole Paraaf

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld

door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Daarom Econsultancy KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

20926.001

Opdrachtgever Toponiem

Steegse Peelweg

Plaats

Leunen

Gemeente

Venray

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Kadastrale gemeente Venray, sectie N, perceel 1898 (ged.)

Omvang plangebied

circa 4.200 m2

Kaartblad

52B

Centrumcoördinaten (X/Y)

195.660/391.210

Archeoregio NOaA

4: Brabants zandgebied

Bevoegde overheid

Gemeente Venray Postbus 500 5800 AM Venray

Uitvoeringsperiode

december 2022

Uitvoerder

Econsultancy

Onderzoeksmelding ARCHIS3

5316876100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van in december 2022 een ar-cheologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Steegse Peelweg te Leunen in de gemeente Venray. In het plangebied zal een woning worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het plangebied heeft op basis van het bureauonderzoek een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum, Mesolithicum, Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd en een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Resultaten inventariserend veldonderzoek Bij het verkennend booronderzoek is een sterk verstoord zandpakket van 75 tot 180 cm dik aangetroffen op afgetopte dekzandafzettingen. De sterke bodemverstoringen zijn vermoedelijk veroorzaakt door de aanleg en verwijdering van de voormalige weg door het plangebied, de kanalisatie van de beek de Scheide en de 20 eeeuwse ruilverkaveling. Op basis van de aangetroffen grootschalige bodemverstoringen kan de gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde voor alle perioden worden bijgesteld naar laag.

Advies Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.

20926.001 versie 1

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Venray), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Venray wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

20926.001 versie 1

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 16 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 1 Methoden ...................................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 4 Archeologische waarden ................................................................................................................ 7 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................................ 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 12 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 15

Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 16 Methoden .................................................................................................................................... 16 Resultaten .................................................................................................................................... 16 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 17

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 17

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

20926.001 versie 1

TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.4 Tabel 3.1 Tabel 3.2

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13.

Het plangebied op de topografische kaart Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de geomorfologische kaart Het plangebied op het AHN Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de historische kaart uit 1801-1828 Het plangebied op de historische kaart uit 1857 Het plangebied op de historische kaart uit 1911 Het plangebied op de topografische kaart uit 1958 Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp eerste opzet Boorstaten

20926.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van een archeologisch onder-zoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Steegse Peelweg in Leunen, gemeente Venray. De initiatiefnemer is voornemens in het plangebied een woning te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992, de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006 en de Erfgoedwet (2016. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2 en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase door middel van boringen (hoofdstuk 0. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in december 2022 door . Het rapport is gecontroleerd door .

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuurhistorische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018 en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018, protocol 4002, die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.2

2 SIKB.

20926.001 versie 1

1 / 17

Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Venray; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 meter rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Steegse Peelweg, in het buitengebied ten westen van Leunen in de gemeente Venray (kaart 1). Het plangebied heeft een oppervlak van circa 4.200 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) rond 25 meter +NAP. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland (zie kaart 3).

20926.001 versie 1

2 / 17

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Venray (2010). Volgens dit bestemmingsplan valt het plangebied van noord naar zuid binnen de dubbelbestemmingen: Waarde - Archeologie 2 en Waarde Archeologie 3. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 500 m2 en 100 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld.3 Tussen beide dubbelbestemmingen bevindt zich een kleine zone (circa 100 m2) zonder een dubbelbestemming archeologie. De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart en de bijbehorende beleidsnota.

Volgens de archeologische beleidskaart en de verwachtingskaart uit 2011 van de gemeente Venray ligt het noordelijke deel van de het plangebied in een zone met een hoge verwachting voor droge en natte gebieden. Het zuidelijke del van het plangebied ligt in een monument van zeer hoge waarde of een monument die betrekking heeft op een historische kern. De tussenliggende kleine strook ligt in een gebied met een lage verwachting voor droge en natte gebieden, en/of vrijgegeven en verstoorde gebieden. Over het algemeen geldt dat voor plangebieden met verschillende waarden de hoogste waarde geldt voor het gehele plangebied. Archeologisch onderzoek is dan noodzakelijk bij een verstoringsoppervlak groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte groter dan 50 cm onder maaiveld (zie Kaart 4).4 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het Bodemloket geraadpleegd.5 Binnen het plangebied zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Er zijn dus geen gegevens bekend over de milieuhygiënische staat van het plangebied.

2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer heeft zich ingeschreven voor de saneringsregeling varkenshouderij (SRV) voor de locatie Enge Steeg 4 in Leunen. De SRV verplicht de sloop van alle stallen. Voor deelnemers aan de SRV die vallen onder de Ruimte-voor-Ruimte regeling en stoppen als agrarisch bedrijf heeft de gemeente Venray een aanvullende regeling ontwikkeld. Aan de hand van deze regeling wenst de initiatiefnemer tevens om een woning te bouwen aan

3 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 4 Moonen et al, 2008, geactualiseerd in 2013 5 Bodemloket.nl/omgevingsloket

20926.001 versie 1

3 / 17

de Steegse Peelweg, tussen huisnummers 2 en 8. Dit perceel is thans nog onbebouwd en in gebruik als akkerland. Het ontwerp, vormgeving en maatvoering van de woning zijn op dit moment niet duidelijk. Dat wordt overgelaten aan de toekomstig eigenaar/bewoner. In ieder geval zal de woning moeten voldoen aan de Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG) eisen. Een eerste opzet is afgebeeld in bijlage 7.

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie6

Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx4)

Geomorfologie7

Dekzandwelvingen (L51) in het noordwesten, Dalvormige laagte (R23) en Beekdalbodem (R42) in het zuiden

Bodem8

Hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ23) in het noordwesten, Veldpodzolgronden (Hn23) in het zuidoosten.

Grondwatertrap9

II-VII

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met overwegend afzettingen van de Formatie van Boxtel. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, toen de wind vrij spel had in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden.

6 De Mulder et al., 2003. 7 BRO Bodemkaart, NGR/WER, 2018. 8 BRO Geomorfologische kaart, NGR/WER, 2019. 9 BRO Grondwaterspiegeldiepte Model , NGR/WER, 2021.

20926.001 versie 1

4 / 17

In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuif-zandgebieden gevormd. De mens is echter de primaire oorzaak van het ontstaan van de landduinen. Als gevolg van overbeweiding en het steken van plaggen in en na de Middeleeuwen werd plaatselijk de vegetatie namelijk ernstig beschadigd waardoor de wind vat kreeg op de ondergrond. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde stuifzandencomplex bevindt zich op circa 2 kilometer ten westen van het plangebied. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Venray afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het plangebied bevindt zich op de overgang van dekzandwelvingen in het noorden naar het beekdal van de (gekanaliseerde) Scheide in het zuiden. De Scheide ontspringt op circa 1 kilometer ten zuidwesten van het plangebied en stroomt dan via het zuiden van het plangebied in noordoostelijke richting langs de noordelijke rand van Leunen. Op circa 2 kilometer ten noordoosten van het plangebied mondt de Scheide uit in de Oostrumschebeek. DINO Het Dinoloket10 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).

Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is een iets ten noorden van het plangebied geplaatste boring bestudeerd.11 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit fijne zand- en leemafzettingen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied deels binnen een gebied met Dekzandwelvingen (L51) in het noordwesten en deels binnen een Dalvormige laagte (R23) en Beekdalbodem (R42) in het zuiden (zie kaart 5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland12 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied.

Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een licht hellende zone tussen de hoger gelegen dekzandgebieden ten noordwesten van Leunen en het lager gelegen beekdal van de Scheide ten zuidoosten van het plangebied. Het plangebied loopt af van 25,3 meter +NAP in het noordwesten naar 24,3 meter +NAP in het zuidoosten. Binnen het plangebied zijn verder geen lokale hoogteverschillen zichtbaar die door bebouwing of vergraving kunnen zijn veroorzaakt (zie kaart 6).

10

Dinoloket.

11

DINO boornummers B52B0950.

12

PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS.

20926.001 versie 1

5 / 17

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het noordwesten van het plangebied gekarteerd als Hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ23) en het zuidoosten van het plangebied als Veldpodzolgronden (Hn23) (zie kaart 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen.

De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.13 Veldpodzolgronden treft men op grote oppervlakten in Limburg aan op de zwak golvende dekzandafzettingen, meestal bestaande uit ouder dekzand. Over het algemeen hebben ze een vrij ondiepe en dunne B-horizont. Plaatselijk is de B-horizont door ontginning geheel of gedeeltelijk opgenomen in de bouwvoor. Het moedermateriaal bestaat uit sterk lemig of zeer sterk lemig zeer fijn zand. Het leemgehalte neemt op een diepte van 60-80 cm af. Een intacte veldpodzolbodem bestaat over het algemeen uit een 30 cm bouwvoor met hieronder een 25 cm dikke B-horizont. De B-horizont is bruin tot geelbruin van kleur. De onderliggende afzettingen die als de Chorizont worden geïnterpreteerd zijn geel van kleur. Afhankelijk van de grondwatertrap, wordt het materiaal naar beneden toe lichtgrijs van kleur en bevatten roestvlekken.

14 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.

13 Doesburg et al., 2007. 14 Stichting voor Bodemkartering, 1975.

20926.001 versie 1

6 / 17

Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2.2

Grondwatertrappenindeling15

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII op de dekzandafzettingen in het noorden en grondwatertrap II in het beekdal in het zuidoosten. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed.

2.6 Archeologische waarden AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied, is Archis3, geraadpleegd, de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 8 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen16. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en

15

Locher & De Bakker, 1990.

16

Provinciaal Omgevingsplan Limburg.

20926.001 versie 1

7 / 17

onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied.17 AMK-terreinen Archeologische monumenten (AMK-terreinen) zijn terreinen waar op basis van historische gegevens of vondsten archeologische resten worden vermoed of aanwezig zijn. Een uitdraai van de AMK-terreinen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 2. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied bevindt zich één AMK-terrein: de historische kern van Leunen op 350 meter ten oosten van het plangebied. Onderzoeksmeldingen Archeologische onderzoeksmeldingen zijn meldingen van verschillende typen archeologische onderzoeken. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en definitieve opgravingen. Bureauonderzoeken worden buiten beschouwing gelaten. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. Een uitdraai van de onderzoeksmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 3.

Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal negen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken een proefsleuvenonderzoek en een archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden. De resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat diverse percelen zwaar verstoord bleken te zijn maar dat plaatselijk ook archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vondstmeldingen Vondstmeldingen zijn meldingen van vondsten die bij toeval of bij archeologisch onderzoek zijn gedaan. Een overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied is opgenomen in bijlage 4. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie vondstmeldingen geregistreerd. De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er in ieder geval menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Neolithicum, IJzertijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Direct aan de overzijde van de Steegse Peelweg ten zuidoosten van het plangebied zijn in 1959 door een particulier een cultuurlaag, kuil en fragmenten aardewerk uit de IJzertijd aangetroffen.

De vondsten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in het onderzoeksgebied hangen samen met de historische kern van Leunen ten oosten van het plangebied. Verder is er op 500 meter ten zuidwesten van het plangebied in 1930 door een particulier een fragment van een vuurstenen bijl uit het Neolithicum gevonden. Archieven en provinciaal archeologisch depot Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben.

17

Provinciaal Omgevingsplan Limburg.

20926.001 versie 1

8 / 17

2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Leunen In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Leunen is van oorsprong een agrarische nederzetting en is ontstaan aan het einde van de Middeleeuwen. Het dorp is gesticht op de hogere gronden langs de oevers van de Scheide, een zijbeek van de Oostrumsche Beek. Tot de eerste helft van de vorige eeuw bestond het dorp feitelijk slechts uit lintbebouwing langs lokale verbindingswegen. Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp door middel van (hoofdzakelijk) projectmatige woningbouw uitgebreid.

De eerste gebouwen in Leunen zijn in een lint langs de toenmalige hoofdweg opgericht. De huidige Albionstraat op 450 meter ten oosten van het plangebied volgt het tracé van deze voormalige hoofdweg. Naast de Albionstraat vormt de St. Catharinastraat/Steegse Peelweg het tweede oude lint waarlangs Leunen is ontstaan. Langs deze wegen treft men dan ook de oudste bebouwing aan. Rondom de oude linten hebben in het verleden veel hoogstamboomgaarden gelegen. Aan de zuid- en noordwestzijde van het dorp lagen de essen (akkers). Karakteristiek en tegenwoordig nog zichtbaar in het landschap is de krans van boerderijen op de zuidrand van de zuidelijke es, het Leunsche Veld. Deze boerderijen liggen op de rand van de hoge onbebouwde es, het lagere beekdal van de Oostrumsche Beek en de bovenloop van de Scheide. In de onbebouwde beekdalen rondom Leunen lagen de hooi- en weidegronden. In de periode na de Tweede Wereldoorlog is de stedenbouwkundige structuur van het dorp door projectmatige woningbouwontwikkelingen verder ingevuld. In eerste instantie is het gebied rond de Sint Catharinastraat grotendeels bebouwd. Vooral aan de westkant, rondom de kruising van de Albionstraat en Sint Catharinastraat, heeft het dorp zich verder uitgebreid, met als zuidelijke begrenzing het sportpark ‘t Klaverblad.

Mede door de ligging van de kern tussen de waterlopen en het sportpark is een herkenbaar, betrekkelijk compact dorp ontstaan. De laatste grootschalige uitbreidingen van Leunen betreffen de woonbuurt De Korenmolen, gelegen in de noordoostelijke hoek van het dorp, en het uitbreidingsplan De Steeg, gelegen langs de westelijke dorpsgrens. 18

18 Tielen & van Schie, 2017

20926.001 versie 1

9 / 17

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.3

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

1:20.000

Akkerland en grasland, met in het zuiden een beek. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

Steegse Peelweg al aanwezig. Woning direct ten oosten van het plangebied.

1811-1832

Gemeente 1:2.500 Venray, Sectie D, Blad 06, nummer 1448 en 1454 - 1456

Bouwland en weiland, met in het zuiden een beek. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

Woning direct ten oosten van het plangebied.

Militaire topografische kaart21 (nettekening)

1830-1850

52

1:50.000

Akkerland en grasland, met in het zuiden een beek. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

Woning of schuur direct ten oosten van het plangebied verdwenen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1895

652

1:50.000

Akkerland en grasland. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

Gekanaliseerde beek loopt langs zuidelijke rand van het plangebied.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1911

652

1:50.000

Akkerland en grasland. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1923

652

1:50.000

Akkerland en boomgaard. Plangebied doorsneden door

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Tranchot und v. Müffling kaart19

1801-1828

19 Venray

Kadastrale minuut20

19 Beeldbank Vrije Universiteit. 20

Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

21

Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

20926.001 versie 1

10 / 17

onverharde weg in noordwestelijke richting Militaire topografische kaart (veldminuut)

1936

652

1:50.000

Akkerland en boomgaard. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

Steilrand door het plangebied.

Topografische kaart

1955

52B

1:25.000

Akkerland en boomgaard. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

Steegse Peelweg verhard.

Topografische kaart

1967

52B

1:25.000

Akkerland en boomgaard. Plangebied doorsneden door onverharde weg in noordwestelijke richting

Topografische kaart

1978

52B

1:25.000

Grasland

Gebied herverkaveld. Onverharde weg en kleinschalige kavelgrenzen verdwenen. Woning ten oosten van het plangebied gerealiseerd

Topografische kaart

1987

52B

1:25.000

Grasland

-

Topografische kaart

1999

52B

1:25.000

Akkerland

-

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.3) was het plangebied begin 19e eeuw grotendeels in gebruik als akkerland en grasland, met in het zuiden de destijds nog niet gekanaliseerde beek de Scheide. Het plangebied werd doorsneden door een onverharde weg in noordwestelijke richting, een zijweg van de destijds al bestaande Steegse Peelweg. Er bevond zich geen bebouwing binnen het plangebied. Direct ten oosten van het plangebied bevond zich wel een woning, welke op zowel de Tranchotkaart als de kadastrale minuut staat weergegeven, maar vanaf de kaarten uit het midden van de 19 e eeuw is verdwenen. Aan het eind van de 19e eeuw is de Scheide gekanaliseerd en op de huidige ligging langs de zuidelijke rand van het plangebied komen te stromen. Het plangebied bleef sindsdien als zowel akkerland als boomgaard dan wel grasland in gebruik. In de jaren ’70 van de 20e eeuw zijn door ruilverkaveling de weg door het plangebied en diverse kavelgrenzen verwijderd. Sindsdien is het plangebied uitsluitend als grasland en akkerland in gebruik geweest.

20926.001 versie 1

11 / 17

Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historisch-geografisch, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940. Het plangebied ligt niet binnen 50 meter van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en MIP-objecten. Bouwhistorische gegevens Het bouwarchief van de gemeente Venray is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.

22 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Archeologische Verenigingen Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische Werkgroep Venray. Voor zover bekend bij de archeologische werkgroep zijn er in de omgeving enkele muntjes gevonden met behulp van een metaaldetector. De oudste exemplaren zijn rond 1600 te dateren. Ook zijn enkele scherven steengoed uit dezelfde periode aangetroffen. Verder zijn er bij de Archeologische Werkgroep Venray geen bijzonderheden bekend over dit gebied.23

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.4

22

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoen-

maker, 1995/Zwanenburg, 1990/Luchtfoto’s RAF. 23 Mededeling dhr. R. Bloemen, 13 december 2022

20926.001 versie 1

12 / 17

Mesolithicum

Hoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Neolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Bronstijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

IJzertijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Romeinse tijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Vroege Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Late Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de beek- en dekzandafzettingen.

Uit de landschappelijke ligging op de noordelijke flank van het beekdal van de Scheide naar de hoger gelegen dekzandwelvingen ten noorden hiervan, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen uit het Neolithicum, IJzertijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

20926.001 versie 1

13 / 17

Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.24 De ligging van het plangebied deels in en deels langs het beekdal van de Scheide maakt dat het een geschikte locatie is geweest voor jagers en verzamelaars. Het plangebied heeft daarom een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor.

Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.25 De ligging van het plangebied op de flank van een beekdal naar hoger gelegen dekzandgebieden maken het landschappeljik gezien minder geschikt voor landbouwers als de hoger gelegen gebieden in het noorden maar geschikter dan het nattere beekdal in het zuiden. Het plangebied heeft daarom een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.26 De Steegse Peelweg is een van de twee assen waarlangs het dorp Leunen is ontstaan. Uit de historische kaarten is geen bebouwing uit het plangebied bekend maar wel van de kavels direct ten oosten hiervan. Het plangebied heeft daarom een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Mogelijk zijn er infrastructurele structuren aanwezig in het plangebied. Bepaalde zones in beekdalen hebben voor bepaalde type vondsten een hogere trefkans.

Voordes komen bijvoorbeeld vooral voor op plaatsen waar het beekdal smal en het water niet te diep was. Veel voordes zijn later vervangen door bruggen. Bruggen kunnen op dergelijke plaatsen verwacht worden omdat de plaats bepaald werd door de al bestaande wegen naar de (voormalige) voorde toe.27 Beekdalen werden in het Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd en Romeinse tijd verder gebruikt voor rituele doeleinden, zoals deposities. Rituele deposities betreffen ‘losse’ vondsten die een sociale of rituele betekenis hebben gehad. Dit soort deposities werden op een specifieke locatie in het landschap gedeponeerd, zoals bijvoorbeeld het samenvloeien van twee beeklopen, beekovergangen en vennen/moerassen. Dit soort vondsten zijn puntlocaties.28

24

Louwe Kooijmans et al., 2005.

25 Louwe Kooijmans et al., 2005. 26 Renes, 1999. 27 RACM, 2008. 28 Fontijn, 2002.

20926.001 versie 1

14 / 17

De archeologische resten worden verwacht onder het eerddek dan wel bouwvoor en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland, grasland en boomgaard.

Verder heeft de beek Scheide vroeger door het zuiden van het plangebied gestroomd maar is in de twee de helft van de 19 e eeuw gekanaliseerd en naar de zuidelijke rand van het plangebied verlegd. Door ploegen, rooiwerkzaamheden en graafactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.

2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het plangebied heeft op basis van het bureauonderzoek een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum, Mesolithicum, Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd en een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond in een deel van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

20926.001 versie 1

15 / 17

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018 en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 19 december 2022 door een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veld-werk is uitgevoerd op 19 december 2022. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm vijf boringen tot maximaal 2,0 meter -mv gezet (zie kaart 13 De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 29 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden. Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 8 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven. In het plangebied zijn matig fijne, zwak tot matig siltige zandafzettingen aangetroffen. Aan het maaiveld is bij alle boringen een verstoord pakket aangetroffen bestaande uit een mix van de resten van een zwak humeus eerddek, de top van de oorspronkelijke dekzandafzettingen en mogelijk resten van een voormalig ophoogpakket of en/of onverhard wegdek. De verstoringen kenmerken zich door de gevlektheid van het sediment en plaatselijk de aanwezigheid van fragmenten baksteen.

29

Bosch, 2005.

20926.001 versie 1

16 / 17

Onder het verstoorde pakket zijn bij alle boringen onverstoorde dekzandafzettingen aangetroffen bestaande uit tot matig zwak siltige zanden. Bij boring 5 in het zuidoosten van het plangebied was het dekzandpakket gelaagd met leemlaagjes. De top van de onverstoorde dekzandafzettingen in het plangebied is op 75-180 cm -mv aangetroffen. Bij geen van de boringen zijn nog resten van een voormalig podzolprofiel waargenomen. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

3.4 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Bij het verkennend booronderzoek is een sterk verstoord zandpakket van 75 tot 180 cm dik aangetroffen op afgetopte dekzandafzettingen. De sterke bodemverstoringen zijn vermoedelijk veroorzaakt door de aanleg en verwijdering van de voormalige weg door het plangebied, de kanalisatie van de beek de Scheide en de 20e-eeuwse ruilverkaveling. Op basis van de aangetroffen grootschalige bodemverstoringen kan de gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde voor alle perioden worden bijgesteld naar laag.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Venray), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Venray wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

20926.001 versie 1

17 / 17

LITERATUUR Amersfoort, H. en P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onder-zoek en beleid. Amersfoort. Fontijn, D.R., 2002: Sacrificial Landscapes. Cultural biographies of persons, objects and ‘natural’ places in the Bronze Age of the Southern Netherlands, c. 2300-600 BC. Analecta Praehistorica Leidensia 33/34. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. en B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. en H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans, L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens en A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Moonen, B.J., J.A.M. Roymans & M.A.H.

Lipsch, 2008, geactualiseerd in 2013: Begrensd verleden; een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray. Deelrapport I: Toeli8hting op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. RAAP-rapport 1482. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 2020: NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl: Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrij-ving. Delft. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1975: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 West/Roermond.

20926.001 versie 1

1/4

Plan van Aanpak Verkennend booronderzoek Steegse Peelweg te Venray, gemeente Venray. Econsultancy Swalmen. Tielen, K. & J. van Schie, 2017: Bestemmingsplan Leunen, gemeente Venray. Plangroep Heggen, Born TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

20926.001 versie 1

2/4

BRONNEN Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’; internetsite, december 2022. https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Archieven; internetsite, december 2022. https://www.archieven.nl/nl/ Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, december 2022 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, december 2022. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, december 2022. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, december 2022. http://www.bodemloket.nl Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg; internetsite, december 2022. https://www.limburg.nl/Beleid/Cultuur/Erfgoed/Monumenten/Cultuurhistorische_Waardenkaart Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, december 2022. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, december 2022. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, december 2022. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’; internetsite, december 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-8513-7370867ad32e.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13807927/1