CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2-3 Toelichting Veerweg 16

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Veerweg 16 Blitterswijck e.a.’16.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het accent ligt op: ▪ Kwaliteit en functioneren regionaal watersysteem ▪ Ontwikkeling landbouw in balans met omgeving ▪ Versterken kernkwaliteiten landschap en cultuurhistorie ▪ Recreatief medegebruik Bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen de bronsgroene landschapszone dienen de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten beschreven te worden, alsmede een motivering hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijke karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Deze zijn aangeduid in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg.

Vastgesteld

23

Afbeelding 18. Uitsnede kaart Landschapskader Noord- en Midden-Limburg

Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart ligt het plangebied in een rivierdal. Het rivierdal bestaat uit een aantal verschillende gebieden. In de eerste plaats de verschillende Maasterrassen met de daar doorheen lopende oude Maasmeanders. Deze zijn vaak nog herkenbaar door hun lagere ligging. De terrasranden zelf zijn op veel plekken nog herkenbaar als steilranden in het landschap. In de tweede plaats is er het typische Maasheggenlandschap dat zich vooral op het laagterras bevindt in Noord-Limburg. Ten slotte ligt er rond Roermond nog het Maasplassengebied, ontstaan als gevolg van grootschalige grindwinning. De landschapsecologische kwaliteit van het rivierdal is divers door de grootte van dit landschapstype en de verschillende te onderscheiden deelgebieden. In algemene zin kan echter gesteld worden dat het rivierdal van bijzonder belang is als belangrijkste structuurdrager van het landschap. In feite zijn de Maas en de wind de belangrijkste scheppers van het landschap van Noord- en Midden-Limburg. De Maas is bijzonder herkenbaar door haar grootte en typisch kronkelende loop. Daarnaast heeft het Maasdal een bijzondere betekenis als belangrijk natuurgebied en als ecologische verbindingszone. Tegelijkertijd liggen in het rivierdal ook verschillende bosgebieden met een flinke oppervlakte.

Het doel van de ontwikkeling van het rivierdal is het vergroten van de herkenbaarheid van de verschillende onderdelen van het rivierenlandschap: ▪ de steilranden van de terrassen herkenbaar maken; ▪ het ontwikkelen van de oude Maasmeanders tot natte laagtes; ▪ ruimte geven aan water; ▪ oude bouwlanden herkenbaar laten door karakteristieke openheid. Typisch landschapselement voor dit landschapstype zijn de heggen in de delen van het landschap die in gebruik zijn en blijven als weide en/of hooiland. In de lagere delen zijn elementen wenselijk die passen bij natte natuurontwikkeling en open grazige vegetaties. Langs de akkercomplexen en in het stroomvoerende gedeelte zullen solitaire bomen, ook als rivierbegeleiding, goed tot hun recht komen. Met een ontwikkeling in de bronsgroene landschapszone moet het landschap er in ieder geval op vooruit gaan. Met de aanwezige landschappelijke kwaliteiten van het rivierdal is rekening gehouden bij de inrichting en inpassing van het plangebied (zie paragraaf 3.3). Daarnaast heeft de ontwikkeling mede betrekking op het verbeteren van het recreatief medegebruik (zijnde het fietspad) wat een van de doelen is in de bronsgroene landschapszone.

Vastgesteld

24

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken.

Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends en ontwikkelingen die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends en ontwikkelingen zijn: ▪ andere invulling van de (schaarse) ruimte; ▪ klimaatverandering en energietransitie; ▪ nieuwe technologie; ▪ langer leven; ▪ nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; ▪ toenemende diversiteit; ▪ veranderende economie. In 2030 is iedereen mobiel in Venray.

Een verbeterde economische bereikbaarheid vergroot de energietransitie, vergroot de verkeersveiligheid en stimuleert tot meer fietsgebruik. Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. Dat zorgt ervoor dat bedrijven en voorzieningen binnen Venray goed bereikbaar zijn, maar ook dat inwoners die buiten de gemeente werken of studeren snel op hun werk of onderwijsinstelling zijn. De bereikbaarheid binnen de gemeente en richting Nijmegen (noord), Venlo (zuid), Eindhoven (west) en Duitsland (oost) is verder verbeterd met het streven naar een robuust mobiliteitssysteem, nieuwe (organisatie)vormen van vervoer en door gebruik te maken van nieuwe en slimme technologieën.

Vastgesteld

25

Het realiseren van de opstelstrook en het verleggen van het fietspad draagt bij aan ambitie 5 van de gemeente Venray. Het zorgt niet alleen voor een betere en veilige ontsluiting voor het bedrijf en de Galgenberg in zijn algemeenheid, ook fietsen wordt aanzienlijk veiliger door het scheiden van het fietsverkeer en het vrachtverkeer. 4.3.2 Omgevingsvisie Venray De gemeente Venray heeft, in het kader van de op handen zijnde Omgevingswet en door gewijzigde inzichten, op 2 november 2021 een nieuwe omgevingsvisie voor het grondgebied van de gemeente opgesteld. Daarin heeft de gemeente de nieuwe beleidsuitgangspunten voor ontwikkelingen in de gemeente opgenomen. De nieuwe omgevingsvisie biedt de basis van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en dient als ruimtelijk toetsingskader. In de omgevingsvisie wil de gemeente laten zien voor welke uitdagingen de gemeente staat en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: de Toekomstvisie 2030 "Venray loopt voorop". De omgevingsvisie is samen met de input van inwoners, ondernemers en verenigingen tot stand gebracht. De gemeente wil de belangrijke waarden van Venray beschermen en versterken.

Daarbij wordt aan de hand van ambities rekening gehouden met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. Belangrijk vraagstuk daarbij is hoe de gemeente er over 10 jaar uit zal zien. De ambities spelen een rol in ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden. Het plangebied is gelegen binnen de zogenaamde ‘agrarische gebieden’. Het agrarisch gebied is volop in ontwikkeling. Er spelen diverse onderwerpen in het agrarisch gebied zoals grootschalige agrarische bedrijvigheid, leegstand en ruimteclaims vanuit de energietransitie en klimaatverandering. Ook spelen er maatschappelijke discussies over voedselproductie, grondgebruik en biodiversiteit. De gemeente gaat in kaart brengen hoe al deze functies naast elkaar kunnen bestaan. De gemeente gaat voor het toekomstbestendig maken van het agrarische landschap. Veiligheid en gezondheid zijn belangrijke pijlers hierin. Met bereikbaarheid worden de mogelijkheden aangegeven, die bewoners hebben om zich te verplaatsen en deel te nemen aan activiteiten. Bewoners kunnen zich lopend verplaatsen, maar ook gebruik maken van vervoersmiddelen als de fiets, auto, bus en trein. De gemeente wil dat bereikbaarheid geen obstakel vormt voor haar inwoners om deel te nemen aan de samenleving, conform aan de doelen van het regionale samenwerkingsverband Trendsportal.

De hoofddoelstellingen van Trendsportal zijn: 1. Verhogen kwaliteit van leven: Mobiliteit zodat iedereen mee kan doen 2. Verbeteren verkeersveiligheid: Streven naar nul verkeersslachtoffers 3. Aantrekkelijk mobiliteitssysteem: Robuust, attractief en betrouwbaar 4. Ondersteunen milieu- en energietransitie: Overschakelen op schone en stille mobiliteit 5. Verbeteren ruimtelijk-economische bereikbaarheid: Voor toerisme, agro, maak en logistieke sector Het initiatief sluit aan bij de omgevingsvisie. Het betreft een kleinschalige plaatselijke ontwikkeling die grootschalige agrarische bedrijvigheid niet belemmert. Wel wordt door het initiatief de bereikbaarheid van het bedrijf verbeterd en draagt het initiatief bij aan een betere verkeersveiligheid.

Vastgesteld

26

5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de realisatie van de opstelstrook, het fietspad en de watergang dient rekening gehouden te worden met (milieu-) aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van deze ontwikkelingen voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. In beginsel wordt hierbij uitsluitend de fysieke realisatie van de opstelstrook, het fietspad en watergang behandeld, aangezien voor de locatie Veerweg 16 alleen de bedrijfswoning op termijn wordt gesloopt en verder alle woonmogelijkheden van een bestaand agrarisch bouwvlak worden ontnomen. Hier worden verder geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, juist alleen maar ontnomen. Bij het ontnemen van ontwikkelingsmogelijkheden is een toetsing aan de sectorale aspecten, indien niet anders vermeld, niet aan de orde.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij nieuwe ontwikkelingen moet de bodemgesteldheid in kaart worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. In dit geval wijzigt de functie niet in een functie die gevoelig is in het kader van de bodemkwaliteit. De agrarische bestemming wijzigt in de bestemming ‘Verkeer – Wegverkeer voor de realisatie van de opstelstrook, het fietspad en de watergang. De bodemkwaliteit is voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan daarom geen belemmering. 5.1.2 Geluid Rondom de beoogde opstelstrook bevinden zich enkele woningen. De vrachtwagens die zich op de opstelstrook zullen opstellen produceren geluid. Het gebruik van de opstelstrook mag geen negatieve effecten hebben c.q. ontoelaatbare hinder veroorzaken op het woon- en leefklimaat in deze woningen.

Om de geluidseffecten van de vrachtwagens op de opstelstrook op de omliggende woningen te onderzoeken is een akoestisch onderzoek1 uitgevoerd. In de representatieve situatie wordt de opstelstrook tussen 07:00 en 17:00 uur in gebruik genomen. In totaal gaat het dagelijks om negen vrachtwagens die vanaf de westelijke zijde het terrein opkomen en via de oostzijde weer vertrekken. Geluidsuitstraling vanwege de opstelstrook wordt veroorzaakt door het motorgeluid van rijdende vrachtwagens. Er is geen trailerkoeling van de vrachtwagens. In de akoestische modellering is, vanwege de worst-case benadering, uitgegaan van het parkeren op de zuidelijke parkeerplaatsen. De dichtstbijzijnde woning ligt namelijk ten zuiden van de opstelstrook. Op de gevels van de omliggende woningen is getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de ‘Circulaire Indirecte hinder’, welke 50 dB(A) bedraagt in de dagperiode (dagperiode loopt van 07:00 tot 19:00 uur). Uit de rekenresultaten volgt dat de berekende geluidsniveaus ruimschoots voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Hoogst berekende geluidsniveau bedraagt 38 dB(A).

1

Cauberg Huygen, Akoestisch onderzoek Walkro Blitterswijck; effecten opstelstrook, 3 augustus 2022, referentie: 09125-56820-02

Vastgesteld

27

De realisatie van de opstelstrook heeft derhalve geen negatieve effecten op het woon- en leefklimaat in de omliggende woningen. 5.1.3 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.

De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Conclusie luchtkwaliteit De opstelstrook heeft geen verkeersaantrekkende werking voor de omgeving tot gevolg; het is immers de bestaande verkeersstroom van vrachtwagens welke gebruik maakt van de opstelstrook. Deze verkeersstroom maakt als zodanig al gebruik van de Galgenberg. Daarnaast heeft de realisatie het fietspad geen verkeersaantrekkende werking.

Van het fietspad, welke wordt aangelegd om een toeristische fietsroute te verleggen, maakt in principe geen gemotoriseerd verkeer gebruik. Met beide ontwikkelingen wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het initiatief draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. 5.1.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011.

Vastgesteld

28

Alleen een geurgevoelig object wordt tegen geurhinder beschermd. Een opstelstrook, fietspad of watergang betreffen geen geurgevoelige objecten. Het aspect geur is daarmee niet beperkend voor het initiatief.

5.2 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Vastgesteld

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen

29

Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de omgeving geen risicovolle activiteiten. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.3 Water 5.3.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte bedraagt ongeveer 15 m +NAP. De bodem in het plangebied bestaat uit ooivaaggronden. Dit zijn oude rivierkleigronden zonder minerale eerdlaag en geen roest en grijze vlekken beginnend binnen 50 cm. De bouwvoor bestaat uit lichte zavel.

Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een zeer goede bodemdoorlatendheid te hebben van 1,5 tot 10 m/dag. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de hoogte van het grondwater grondwatertrap VIII. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich op ongeveer 100 cm-mv bevindt. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

Vastgesteld

30

Afvalwater Met het initiatief is geen sprake van een toename van afvalwater. Aan de afvalwatersituatie verandert met het initiatief dus niets. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig initiatief worden nieuwe verhardingen gerealiseerd in de vorm van de opstelstrook en het fietspad. Hierdoor neemt het verhard oppervlak toe ten opzichte van de huidige situatie. Het hemelwater dat valt op de nieuwe verharding zal conform het beleid worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Conform richtlijnen van de gemeente dienen de infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui waarbij 60 mm neerslag valt. De infiltratievoorzieningen mogen niet dieper zijn dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Anders zijn de infiltratievoorzieningen al (gedeeltelijk) gevuld voordat er hemelwater valt.

5.4 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna op plek van de opstelstrook en het fietspad aan te tonen en het effect van het realiseren van beide initiatieven hierop te onderzoeken is een quickscan flora & fauna2 ter plaatse uitgevoerd. Naar verluid en blijkens het bureau-onderzoek zijn er meerdere waarnemingen van steenuil geregistreerd in en rond het plangebied. Destijds stond binnen het plangebied een veldschuur die inmiddels is vervallen. Hierdoor is er binnen het plangebied geen nestgelegenheid voor de steenuil. In het kader van de ontwikkeling van het plangebied heeft initiatiefnemer een steenuilenkast opgehangen om zo de mogelijkheid tot nestelen voor de steenuil binnen c.q. in de nabijheid van het plangebied te herstellen. De initiatieven kunnen zonder effecten op broedvogels of andere beschermde soorten uitgevoerd worden. Er is geen ontheffing op grond van Wnb noodzakelijk. Er is ook voor de overige natuurwaarden geen ontheffing noodzakelijk.

2 ForFarmers, Quickscan Wet natuurbescherming soortenbescherming, 25 oktober 2022

Vastgesteld

31

Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Maasduinen”, ligt op circa 1,4 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 1,4 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. In het geval van de opstelstrook en het fietspad is de uitstoot van NOx uitsluitend afkomstig van het verkeer.

De opstelstrook heeft echter geen verkeersaantrekkende werking voor de omgeving tot gevolg; het is immers de bestaande verkeersstroom van vrachtwagens welke gebruik maken van de opstelstrook. Deze verkeersstroom maakt als zodanig al gebruik van de Galgenberg. Daarnaast heeft de realisatie het fietspad geen verkeersaantrekkende werking. Van het fietspad, welke wordt aangelegd om een toeristische fietsroute te verleggen, maakt in principe geen gemotoriseerd verkeer gebruik. Met het initiatief is er daarom geen sprake van een toename van NOx waardoor het initiatief niet leidt tot een verzuring en/of vermesting van de Natura2000-gebieden. Wel is er tijdens de aanlegfase sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de locatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen (kraan, graafmachine, etc.). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van reële aannames. Dit betreffende volgende aantallen: ▪ Aanvoer gele grond: 6 vrachtwagens ▪ Aanvoer korrelmix: 4 vrachtwagens ▪ Afvoer zwarte grond: 10 vrachtwagens ▪ Aanvoer bestrating opstelstrook en fietspad: 5 vrachtwagens ▪ Aanvoer overige materialen: 5 vrachtwagens ▪ Afvoer overige materialen: 5 vrachtwagens Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten.

Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Voor overige bezoekers is eveneens 1 bestelbusje aangehouden per dag. Uitgaande van een bouwperiode van 2 weken (met 10 werkdagen) betekent dit in totaal 20 bestelbusjes, wat resulteert in 40 middelzware verkeersbewegingen. Er wordt vanuit gegaan dat al het verkeer via de bebouwde kom van Blitterswijck zo snel mogelijk naar Wanssum zal rijden en daar zal opgaan in het heersende verkeer. Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de aanlegfase is eveneens gebruik gemaakt van reële aannames. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Uitgraven opstelstrook en fietspad: 1 graafmachine gedurende 24 uur (3 dagen) ▪ Aanvullen opstelstrook en fietspad: 1 graafmachine gedurende 16 uur (2 dagen) ▪ Aanbrengen korrelmix: 1 graafmachine gedurende 8 uur (1 dag) ▪ Aanleg sloot: 1 graafmachine gedurende 8 uur (1 dag)

Vastgesteld

32

Op grond van deze uitgangspunten zijn de emissies van de mobiele werktuigen berekend. Voor het berekenen van deze door diesel aangedreven werktuigen wordt in AERIUS Calculator gebruik gemaakt van het emissiemodel van TNO3. In dit model wordt voor het berekenen van de emissies van stikstofoxiden (NOx) gebruik gemaakt van de volgende formule: Emissie = Lastfactor * Vermogen * Emissiefactor * TAF-factor Lastfactor = het gedeelte van het (gemiddelde) volle vermogen van dit machinetype dat gemiddeld gebruikt wordt [%]; Vermogen = het gemiddelde vermogen van dit machinetype [kW]; Emissiefactor = de gemiddelde emissiefactor behorend bij het bouwjaar [g/kWh]; TAF-factor = aanpassingsfactor op de gemiddelde emissiefactor in verband met de afwijking van de gemiddelde gebruikstoepassing van dit machinetype als gevolg van wisselende vermogensvraag [-]. Voor de werktuigen zijn de emissiefactoren NOx en bijbehorende TAF-factoren verkregen uit de genoemde rapportage. In onderstaande tabel zijn de berekende emissies van de mobiele werktuigen weergegeven. Nr.

Werktuig

1 Graafmachine Totaal

Draaiuren per jaar 56

Vermogen [kW] 100

Emissiefactor [g/kWh] 3,3

Lastfactor

TAF-factor

60

0,87

Emissie [kg/jaar] 9,7 9,7

Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat de emissie NOx met 10,9 kg/jaar en de emissie NH3 met 26,3 g/jaar toeneemt tijdens de aanleg van de opstelstrook, het fietspad en de sloot. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 1). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door de aanleg van de initiatieven.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld.

3

Hulskotte, J. Verbeek, R., Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof afzet (TNO-034-UT-200901782_RPT-ML), TNO Bouw en Onderhoud, november 2009

Vastgesteld

33

Afbeelding 19. Uitsnede archeologische beleidskaart

Op deze beleidskaart is plangebied A gelegen in een gebied met een middelhoge verwachting, plangebied B in een gebied met een hoge verwachting en plangebied C ligt op de overgang van beide verwachtingswaardes. Op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn voor de plangebieden daarom respectievelijk de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing. Op basis van het archeologisch beleid en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ zijn bodemverstoring niet dieper dan 50 cm mogelijk. Indien een bodemverstoring plaatsvindt welke dieper gaat dan 50 cm en qua oppervlakte groter is dan 2.500 m2 is op voorhand archeologisch onderzoek noodzakelijk. Deze ondergrenzen worden in het kader van het initiatief niet overschreden. Wel is de archeologische dubbelbestemming opnieuw van toepassing verklaard zodat geborgd wordt dat als de ondergrenzen toch worden overschreden eerst archeologisch onderzoek plaatsvindt. Op basis van het archeologisch beleid en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn bodemverstoring niet dieper dan 50 cm mogelijk. Indien een bodemverstoring plaatsvindt welke dieper gaat dan 50 cm en qua oppervlakte groter is dan 500 m2 is op voorhand archeologisch onderzoek noodzakelijk. Deze ondergrenzen worden in het kader van het initiatief niet overschreden.

Wel is de archeologische dubbelbestemming opnieuw van toepassing verklaard zodat geborgd wordt dat als de ondergrenzen toch worden overschreden eerst archeologisch onderzoek plaatsvindt. 5.6.2 Cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en

Vastgesteld

34

structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Door het ontbreken van cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied heeft het initiatief hier geen nadelige effecten op.

5.7 Verkeer en parkeren 5.7.1 Opstelstrook Doordat het bedrijf is gestart met de productie van biologisch substraat, wat is benodigd voor het telen van biologische champignons, wordt biologisch stro als de belangrijkste grondstof aangevoerd. Door de productie van biologisch substraat wordt minder conventioneel substraat geproduceerd. Dit betekent dat de aanvoer van biologisch stro ten koste gaat van paardenmest dat nodig is voor productie van conventioneel substraat. Dit betekent dat door de productie van biologisch substraat de bestaande en vergunde aantallen vrachtwagens van en naar het bedrijf gelijk blijven c.q. niet wijzigen. Met ander woorden; de vrachtwagens met biologisch stro zijn in de plaats gekomen van vrachtwagens met conventionele paardenmest, benodigd voor de productie van conventioneel substraat. De vrachtwagens die gebruik zullen gaan maken van de opstelstrook maken daarom al onderdeel uit van de verkeersstroom die het bedrijf geneert en gebruik maakt van de Galgenberg. Juist door de opstelstrook evenwijdig aan de Galgenberg te realiseren hoeven deze vrachtwagens niet anders te rijden dan dat ze al deden. De volgende aantallen vrachtwagens zullen gebruik maken van de opstelstrook: Vracht Biologisch stro Ingehuurd transport paardenmest Gips Overige Totaal

Gemiddeld per week 25 6 5 5,25 41,25

Dit resulteert in een dagelijks gemiddelde van 8,25 vrachtwagens, afgerond 9. De wachttijd van deze vrachtwagens varieert van 20 minuten tot 2 uur. Tijdens weekenden wordt de opstelstrook niet gebruikt. Vrachtwagens zullen zich op de opstelstrook op werkdagen opstellen vanaf 07:00 uur ’s morgens tot 17:00 uur ’s middags. In totaliteit zullen maximaal 7 vrachtwagens tegelijkertijd op de opstelstrook zich kunnen opstellen. Omdat de vrachtwagens verspreid over de werkdag komen wordt echter verwacht dat nooit meer dan 5 of 6 vrachtwagens tegelijkertijd op de opstelstrook staan. Zoals al eerder aangegeven verandert er niets aan de verkeersstromen van en naar het bedrijf. Ook aan de parkeersituatie op het bedrijf wijzigt niets, dit blijft volledig plaatsvinden op eigen terrein, los van de op te stellen vrachtwagens die gebruik maken van de opstelstrook. 5.7.2 Fietspad De realisatie van het fietspad heeft geen verkeersaantrekkende werking of een negatief effect op de parkeersituatie. Een bestaande fietsroute, welke thans over de Galgenberg loopt, wordt verlegd naar parallel aan de Ooijenseweg zodat het fietsverkeer zich niet mengt met het vrachtverkeer wat gebruik maakt van de Galgenberg. Om ook de kruising van de

Vastgesteld

35

Galgenberg met de Veerweg verkeersveiliger te maken voor het fietsverkeer wordt de Veerweg tussen de Galgenberg en de Ooijenseweg afgesloten voor gemotoriseerd verkeer.

5.8 Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

Vastgesteld

36

6 JURIDISCHE ASPECTEN Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.

6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:2.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart, met daarop beide plangebieden, met een legenda. Plangebied A blijft bestemd als ‘Agrarisch met waarden’, maar de delen van het perceel die beoogd zijn als opstelstrook en als fietspad zijn bestemd als ‘Verkeer – Wegverkeer’. Hierdoor wordt het mogelijk deze delen te gebruiken als weg. Plangebied B blijft agrarisch bestemd en het bouwvlak is verkleind (de boerderij is buiten het bouwvlak gelegd). Wel wordt qua systematiek aangesloten bij de gemeentelijke standaard. Daarom is de bestemming gewijzigd van ‘Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)’ naar ‘Agrarisch met waarden’ met de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. De strekking c.q. de inhoud blijft echter hetzelfde.

De enige andere wijziging heeft betrekking op het feit dat een aanduiding is opgenomen dat een bedrijfswoning is uitgesloten, waardoor een bedrijfswoning ter plaatse niet meer is toegestaan. Ook andere woonmogelijkheden zijn uitgesloten, evenals mogelijkheden voor verblijfsrecreatie of een zorgboerderij. Plangebied C wordt bestemd als ‘Verkeer – Wegverkeer’. Hierdoor wordt het mogelijk hier een watergang ten behoeve van de afwatering van de aangrenzende wegen te realiseren. De dubbelbestemmingen (‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Beekdal’ en ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’) en de gebiedsaanduiding (‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied’) die reeds voor het plangebied golden zijn opnieuw van toepassing verklaard. Het enige wat daarin is aangepast is dat de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal’ niet van toepassing is verklaard voor die delen van plangebied A die bestemd zijn als ‘Verkeer – Wegverkeer’.

Vastgesteld

37

6.2 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is.

Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaard uit het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied – Oost”. Voor wat betreft de agrarische bedrijfslocatie Veerweg 16 is echter gebruik gemaakt van de gemeentelijke standaard uit het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening regels” aangezien in het bestemmingsplan “Buitengebied – Oost” geen regeling is opgenomen voor veehouderijen. In het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening regels” zit een dergelijke regeling wel. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels.

Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Vastgesteld

38

Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.

Vastgesteld

39

7 UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Het initiatief geschiedt volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor de benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast acht de gemeente Venray het wenselijk dat er door initiatiefnemer een omgevingsdialoog wordt gevoerd met belanghebbenden, voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Gedurende de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan kan eenieder zienswijzen indienen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Met inachtneming van de zienswijzen kan het ontwerpbestemmingsplan vervolgens verder in procedure worden gebracht voor vaststelling door de gemeenteraad. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de feitelijke bestemmingsplanprocedure het initiatief op 4 augustus 2022 gepresenteerd aan alle naastbetrokken buren. De bewoners van de volgende adressen zijn uitgenodigd voor de bijeenkomst: ▪ Ooijenseweg 9 ▪ Ooijenseweg 13 ▪ Ooijenseweg 22 ▪ Ooijenseweg 24 ▪ Ooijenseweg 24a ▪ Ooijenseweg 26 ▪ Boltweg 15 Tijdens deze bijeenkomst zijn alle aanwezigen (2 van de 7 genodigde buren waren niet aanwezig) ingelicht over het initiatief en is ingegaan op de gestelde vragen en reacties.

Alle omwonenden hebben aangegeven op het eerste gezicht geen bezwaren te hebben tegen de gepresenteerde wijzigingen van het bestemmingsplan en kunnen zich positief vinden in het initiatief. Wel wordt als verbeterpunt de aansluiting van de Galgenberg op de Ooijenseweg genoemd. Voor het overige stemmen de omwonenden in met de gekozen ontwikkelingsrichting. Indien het bestemmingsplan als zodanig wordt voortgezet verwachten de buren dan ook niet bezwaar en/of beroep aan te tekenen gedurende de procedure van het bestemmingsplan.

Vastgesteld

40

Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Om die reden is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg, Rijkswaterstaat en Waterschap Limburg. Van zowel de provincie als Rijkswaterstaat is een reactie ontvangen. De provincie geeft per email aan: Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. Wel wordt gevraagd om op voorhand in overleg te treden met Rijkswaterstaat om te bezien wat allemaal nodig is vanwege de ligging in het stroomvoerend regime van de Maas. Rijkswaterstaat geeft per email aan: Onduidelijk is hoe de nieuwe activiteiten exact zijn gedimensioneerd. Gezien deze onduidelijk is niet duidelijk of de activiteit onder reguliere toetsing aan de Beleidsregels grote rivieren vergund kan worden. Initiatiefnemer kan indien dit noodzakelijk blijkt, een beroep doen op de Regeling Ontwikkelingsruimte gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.

Na goedkeuring vanuit Rijkswaterstaat dient, voor het verkrijgen van de Provinciale Instemmings- en Akkoordverklaring (PIAV) om gebruik te kunnen maken de Regeling, contact opgenomen te worden opgenomen met de provincie Limburg. Volledigheidshalve wordt tevens opgemerkt dat naast bouwactiviteiten in het rivierbed ook aanlegactiviteiten meldings- dan wel vergunningplichtig zijn in het kader van de Waterwet. Er wordt verzocht deze activiteiten dan ook aan regels te verbinden binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed’. Naar aanleiding van deze reactie is een aanlegvergunningstelsel opgenomen voor o.a. verhardingen in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’. Per mail heeft Rijkswaterstaat later bevestigd dat voor de aanlegactiviteiten in dit geval een watervergunning noodzakelijk is. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 7 juli tot en met 17 augustus 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.

Vastgesteld

41

8 PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Indien beroep wordt ingediend, dan kan te allen tijde een voorlopige voorziening worden ingediend.

Vastgesteld

42

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:

www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Bureau Leefomgeving BV Veerweg 11, 5863 AR Blitterswijck Aanlegfase opstelstrook, fietspad en sloot Aanlegfase

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RYjK5866zc6v 16 juni 2023, 17:52 Wnb-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Resultaten

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

Situatie 1 - Beoogd Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname

RYjK5866zc6v (16 juni 2023)

2023 -

26,3 g/j

10,9 kg/j

2/6

Projectberekening

Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 

RYjK5866zc6v (16 juni 2023)

Anders... | Anders... | Mobiele werktuigen Verkeersnetwerk

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

26,3 g/j

9,7 kg/j 1,2 kg/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)

De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RYjK5866zc6v (16 juni 2023)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)

Totaal

RYjK5866zc6v (16 juni 2023)

-

Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)

-

-

-

Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)

-

-

5/6

Projectberekening

Situatie 1, Rekenjaar 2023 1

Anders... | Anders...

Naam Mobiele werktuigen Uittreedhoogte Locatie X:205997,57 Warmteinhoud Y:392721,2 Spreiding Oppervlakte 0,76 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie 2

0,0 m 0,000 MW 0m

Wegverkeer | Weg

Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer

Werkverkeer X:204878,06 Y:393738,94 3.456,56 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Max. snelheid

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

NOₓ

9,7 kg/j

Links Rechts NOₓ 1,2 kg/j Type scherm - NO₂ 0,3 kg/j Hoogte - NH₃ 26,3 g/j Afstand tot de weg - -

Voertuigbewegingen

0,0 p/jaar 40,0 p/jaar 70,0 p/jaar 0,0 p/jaar

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022.1_20230606_5e1adbf5a8 Database versie 2022.1_5e1adbf5a8 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/

RYjK5866zc6v (16 juni 2023)

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13200962/2