CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2-3 Toelichting Veerweg 16

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Veerweg 16 Blitterswijck e.a.’16.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN “Veerweg 16 Blitterswijck e.a.” NL.IMRO.0984.BP22025-va01 Vastgesteld

Document:

Bestemmingsplan “Veerweg 16 Blitterswijck e.a.”

IDN:

NL.IMRO.0984.BP22025-va01

Status:

Vastgesteld

Datum:

31 oktober 2023

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING .................................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan .............................................................................................................................................. 3 1.2 Ligging van het plangebied..................................................................................................................................................................................... 4 1.3 Vigerende bestemmingsplannen ........................................................................................................................................................................ 5 2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................................8 2.1 Algemeen ..................................................................................................................................................................................................................... 8 2.2 Ruimtelijke structuur ...........................................................................................................................................................................................

10 2.3 Functionele structuur .......................................................................................................................................................................................... 10 3 BEOOGDE SITUATIE .......................................................................................................................................... 11 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ........................................................................................................................................ 13 3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ............................................................................................................................................... 14 3.3 Landschappelijke inpassing................................................................................................................................................................................. 14 4 BELEIDSKADER .................................................................................................................................................... 16 4.1 Rijksbeleid .................................................................................................................................................................................................................

16 4.2 Provinciaal beleid ................................................................................................................................................................................................... 20 4.3 Gemeentelijk beleid.............................................................................................................................................................................................. 25 5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ................................................................... 27 5.1 Milieuaspecten......................................................................................................................................................................................................... 27 5.2 Externe veiligheid................................................................................................................................................................................................... 29 5.3 Water .........................................................................................................................................................................................................................

30 5.4 Kabels, leidingen en straalpaden ..................................................................................................................................................................... 31 5.5 Natuur ........................................................................................................................................................................................................................ 31 5.6 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................................................................................... 33 5.7 Verkeer en parkeren ........................................................................................................................................................................................... 35 5.8 Niet-gesprongen explosieven .......................................................................................................................................................................... 36 6 JURIDISCHE ASPECTEN ....................................................................................................................................

37 6.1 Toelichting op de verbeelding.......................................................................................................................................................................... 37 6.2 Toelichting op de planregels............................................................................................................................................................................. 38

Vastgesteld

1

7 UITVOERBAARHEID........................................................................................................................................... 40 7.1 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................................................................................................... 40 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................................................................. 40 8 PROCEDURE.......................................................................................................................................................... 42 BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS berekening Separate bijlagen: ▪ Akoestisch onderzoek ▪ Quickscan flora & fauna

Vastgesteld

2

1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Op de locatie Veerweg 11 in Blitterswijck is Walkro Blitterswijck B.V. gevestigd, een producent van substraat voor de champignonteelt. Voor het kunnen produceren van dit substraat voert het bedrijf grondstoffen in de vorm van paardenmest, kippenmest, gips en stro aan. Twee jaar geleden is het bedrijf gestart met de productie van biologisch substraat (benodigd voor het telen van biologische champignons). Sindsdien is biologisch stro als grondstof voor het biologisch substraat nodig. Om de verkeersveiligheid te borgen met de aanvoer van biologisch stro, wat afkomstig is uit geheel Europa, heeft het bedrijf behoefte aan een opstelstrook voor vrachtwagens buiten het bedrijfsterrein. Op deze opstelstrook, welke is gelegen in de openbare ruimte, kunnen vrachtwagens met biologisch stro wachten totdat ze gecontroleerd zijn en het bedrijfsterrein mogen betreden om te lossen. Uit oogpunt van verkeersveiligheid dient het opstellen van de vrachtwagens niet op de doorgaande weg plaats te vinden. De ideale plek voor een opstelstrook is op korte afstand van de entree van het bedrijfsterrein. Gekozen is om de opstelstrook evenwijdig aan de toegangsweg de Galgenberg te realiseren, daarmee net buiten het bedrijfsterrein, op het perceel kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummer 1335.

Afbeelding 1. Ligging en omgeving bedrijf (rood omcirkeld), beoogd perceel voor opstelstrook (blauw) en ruillocatie Veerweg 16 (geel)

Om dit perceel te kunnen verwerven ruilt het bedrijf het perceel tegen de verderop gelegen agrarische bedrijfslocatie Veerweg 16, welke het bedrijf thans in eigendom heeft. Voorwaarde voor de ruil is dat enige vorm van bewoning, verblijfsrecreatie en / of een zorgboerderij op de agrarische bedrijfslocatie per direct onmogelijk wordt gemaakt en op termijn de huidige bedrijfswoning geheel wordt gesloopt.

Vastgesteld

3

Een veelgebruikte toeristische fietsroute loopt van de Veerweg via de Galgenberg en de Ooijenseweg naar de Kortenbos. Met het vele zware transport dat over de Galgenberg plaatsvindt van en naar het bedrijf is het veiliger het fiets- en vrachtverkeer van elkaar te scheiden door de fietsroute niet meer via de Galgenberg te laten lopen. De gemeente Venray wil daarom de fietsroute verleggen via de Veerweg, evenwijdig aan de nieuwe opstelstrook, direct naar de Ooijenseweg. Evenwijdig aan de opstelstrook dient in dat kader een vrijliggend fietspad te worden gerealiseerd zodat fietsers gescheiden van het overige verkeer op deze drukke weg naar de Kortenbos kunnen fietsen. Ten slotte heeft de gemeente Venray een strook grond direct aan de Galgenberg en Veerweg verworven met als doel hier een watergang te realiseren c.q. een bestaande watergang op te maken die de afwatering van deze weg moet gaan verzorgen / verbeteren. Om deze ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken c.q. te borgen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt aan de beoogde opstelstrook de bestemming ‘Verkeer – Wegverkeer’ gegeven. Voor de realisatie van het nieuwe fietspad wordt aan een strook, evenwijdig aan de opstelstrook, eveneens de bestemming ‘Verkeer – Wegverkeer’ gegeven.

De rest van het betreffend perceel blijft bestemd voor agrarische doeleinden (zonder bouwmogelijkheden). De locatie Veerweg 16 blijft eveneens bestemd voor agrarische doeleinden. De bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een agrarisch bedrijf blijven hier overwegend in stand. De huidige bedrijfswoning dient op termijn echter gesloopt te worden en het wordt per direct onmogelijk gemaakt nog langer op de locatie te wonen, huisvesting van arbeidsmigranten te ontplooien of om enige andere vorm van bewoning te realiseren, verblijfsrecreatie te ontplooien of hier een zorgboerderij te beginnen. De strook grond aan de Galgenberg en Veerweg waar de watergang is beoogd wordt net zoals de wegen zelf ook bestemd als ‘Verkeer’ zodat de realisatie van de waterhuishoudkundige doeleinden ten behoeve van deze wegen zijn geborgd.

1.2 Ligging van het plangebied Het bedrijf Walkro Blitterswijck B.V. is gelegen ten zuidoosten van de kern van Blitterswijck, op korte afstand van de Maas. Het bedrijf wordt ontsloten via de Galgenberg naar de Ooijenseweg, de belangrijkste verbindingsweg tussen Blitterswijck en Broekhuizen / Broekhuizenvorst. De Ooijenseweg loopt evenwijdig aan de Maas. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op drie locaties welke allen zijn gelegen nabij het bedrijf; het perceel kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummer 1335, het bouwvlak van de agrarische bedrijfslocatie Veerweg 16 en de gronden kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummers 2159, 2161, 2162 en 2164. Het perceel kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummer 1335 (in het vervolg aangegeven als “plangebied A”) heeft een driehoekige vorm en is aan alle zijden begrensd door een openbare weg; de Ooijenseweg in het zuidwesten, de Galgenberg in het noorden en de Veerweg in het oosten. Dit perceel kent een agrarisch gebruik en is voor een deel verhard. De Ooijenseweg wordt hier begeleid door een bomenrij. Ten noorden van het bedrijfsterrein, aan de overzijde van de Veerweg, ligt de agrarische bedrijfslocatie Veerweg 16 (in het vervolg aangegeven als “plangebied B”).

De locatie is bebouwd met een boerderij (de bedrijfswoning), een loods en een stapmolen en is in gebruik als paardenhouderij. Rondom deze locatie ligt het huisperceel, wat thans in gebruik is als weiland voor het beweiden van paarden.

Vastgesteld

4

Ten noorden van de Galgenberg en ten westen van de Veerweg liggen de percelen kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummers 2159, 2161, 2162 en 2164 (in het vervolg aangegeven als “plangebied C”). Dit betreft een strook grond van circa 2,5 meter breed, direct gelegen aan de Galgenberg en Veerweg. Thans is deze strook grond in gebruik als landbouwperceel. Gelegen in het rivierdal van de Maas kenmerkt de omgeving zich door het agrarische en natuurlijke karakter. Verspreid aan zowel de Ooijenseweg als de Veerweg bevinden zich enkele burgerwoningen.

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Voor het buitengebied van Blitterswijck geldt het bestemmingsplan “Buitengebied – Oost” (vastgesteld d.d. 18 juni 2013). Alle bouwvlakken van veehouderijen zijn echter buiten dit bestemmingsplan gehouden, zo ook het bouwvlak van de locatie Veerweg 16. Hier geldt nog het bestemmingsplan “Buitengebied Meerlo-Wanssum” (vastgesteld d.d. 31 augustus 1999 en goedgekeurd d.d. 9 oktober 2001). Plangebied A Dit perceel is volledig bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en daarbij tevens voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Beekdal’ en ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’ en de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’.

Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied – Oost”, begrenzing plangebied A in rood aangegeven

Vastgesteld

5

De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch grondgebruik en behoud, ontwikkeling en versterking van de aanwezige landschappelijke waarden en bestaande natuurwaarden al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd, welke ter plaatse ontbreekt. Het perceel mag derhalve niet worden bebouwd. Om twee delen van het perceel te benutten voor een verkeersfunctie is op basis van de agrarische bestemming niet toegestaan. Er is sprake van een functionele strijdigheid. Daarnaast is het op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal’ niet toegestaan deze delen te verharden. Plangebied B De locatie Veerweg 16 is volledig bestemd als ‘Agrarische doeleinden, bouwperceel A(b)’ en daarbij tevens aangewezen als ‘Tevens waterbergend winterbed van de Maas’. Oppervlakte van het bouwvlak c.q. dit bestemmingsvlak bedraagt circa 2.900 m2.

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied Meerlo-Wanssum”, begrenzing plangebied B in rood aangegeven

De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. De belangrijkste functie van de bestemming is een rendabele agrarische bedrijfsvoering. Deze gronden mogen volledig worden bebouwd met bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning. Op basis van de vigerende bestemming is het ter plaatse toegestaan te wonen in een bedrijfswoning. De bedrijfswoning dient op termijn te worden gesloopt. Verder zal per direct de woonmogelijkheid worden ontnomen zodat het niet meer is toegestaan te wonen op deze locatie. Tevens wordt ander permanente aanwezigheid in de vorm van verblijfsrecreatie en/of een zorgboerderij onmogelijk gemaakt.

Vastgesteld

6

Plangebied C Deze strook grond is volledig bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ en daarbij tevens voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Beekdal’ en ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’ en de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’.

Afbeelding 4. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied – Oost”, begrenzing plangebied C in rood aangegeven

De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch grondgebruik en behoud, ontwikkeling en versterking van de aanwezige landschappelijke waarden en bestaande natuurwaarden al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik. Het is niet toegestaan om ten behoeve van de verkeersfunctie op deze gronden een watergang te hebben c.q. te realiseren. Er is sprake van een functionele strijdigheid.

Vastgesteld

7

2 HUIDIGE SITUATIE

2.1 Algemeen In dit hoofdstuk is een beschrijving van de plangebieden gegeven. Hierbij komen de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving aan bod. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Blitterswijck, ten zuidoosten van de bebouwde kom. Kenmerkend is de ligging in het rivierdal van de Maas, op korte afstand van de rivier zelf.

Maas Plangebied B

Plangebied C Bedrijf

Plangebied A

Ooijenseweg Afbeelding 5. Luchtfoto met daarop beide plangebieden

De plangebieden liggen tegen het bedrijfsterrein van Walkro Blitterswijck B.V. aan. Dit bedrijfsterrein, met een omvang van circa 9 ha, ligt ingeklemd tussen de rivierdijk in het oosten, de Veerweg in het noorden en westen en een bosgebied in het zuiden. Het bedrijf ontsluit via de Galgenberg op de Ooijenseweg. Plangebied A grenst direct aan de Galgenberg en ligt verder ingeklemd tussen de wegen Veerweg en Ooijenseweg. Plangebied A is niet bebouwd maar wel voorzien van een verharding, evenwijdig aan de Veerweg. Evenwijdig aan de Ooijenseweg staat een opgaande wegbeplanting. Thans vindt op deze locatie opslag plaats van agrarische producten (met name balen hooi). Aan de overzijde van de Ooijenseweg liggen enkele burgerwoningen en een bedrijfswoning, behorende bij een agrarisch bedrijf. Aan de overzijde van de Galgenberg en Veerweg bevinden zich agrarische gronden, plangebied C vormt daar een onderdeel van.

Vastgesteld

8

Afbeelding 6. Huidige situatie plangebied A en C

De Veerweg krult zich als het ware om het bedrijfsterrein heen. Direct ten noorden van het bedrijfsterrein, aan de overzijde van de Veerweg bevindt zich de agrarische bedrijfslocatie Veerweg 16, zijnde plangebied B. Dit agrarisch bedrijf is bebouwd met een boerderij, loods en stapmolen. Hier is een paardenhouderij gevestigd. De locatie ligt solitair in het landschap; aan zowel de oost- als de westzijde is geen bebouwing gelegen. Rondom deze locatie bevinden zich agrarische gronden.

Afbeelding 7. Huidige situatie plangebied B

Vastgesteld

9

Afbeelding 8. Boerderij Veerweg 16, plangebied B

Afbeelding 9. Zicht op plangebied B richting het westen

2.2 Ruimtelijke structuur De belangrijkste structuurdrager van het omliggende landschap is de rivier de Maas, die op een afstand van circa 350 meter ten oosten van het bedrijfsterrein stroomt. De Maas is bijzonder goed herkenbaar door haar grootte en typisch kronkelende loop. Rondom de Maas zijn de verschillende Maasterrassen met de daar doorheen lopende oude Maasmeanders duidelijk herkenbaar door hun lagere ligging. Het verkavelingspatroon van de omgeving is redelijk kleinschalig en onregelmatig te noemen. Met een divers gebruik van de gronden. De hoger gelegen delen zijn in gebruik als akker en de lager gelegen delen als weilanden. Bosopstanden geven het landschap een halfopen karakter. Meer richting de Maas is het landschap juist grootschaliger en open.

Afbeelding 10. Impressie huidige situatie plangebied A

Afbeelding 11. Impressie Veerweg tussen Galgenberg en Ooijenseweg, plangebied A

2.3 Functionele structuur De omgeving wordt gekenmerkt door het agrarisch gebruik, maar vanwege de natuurlijke inrichting, ook door het recreatieve gebruik. Daartussen bevinden zich burgerwoningen. Aan de overzijde van de Ooijenseweg van plangebied A bevindt zich een forellenkwekerij. In noordelijke richting ligt recreatiepark “het Roekenbosch”, bestaande uit een bungalowpark met bijbehorende voorzieningen. Het bedrijfsterrein van Walkro Blitterswijck B.V. is het enige andersoortige bedrijf in de directe omgeving.

Vastgesteld

10

3 BEOOGDE SITUATIE Walkro Blitterswijck B.V., gevestigd op de locatie Veerweg 11 in Blitterswijck, is een producent van substraat voor de champignonteelt. Als grondstoffen voor dit substraat worden paardenmest, stro, kippenmest en gips aangevoerd. Door marktontwikkelingen is er een verschuiving in de vraag ontstaan. Hierdoor is het bedrijf 2 jaar geleden gestart met de productie van biologisch substraat, benodigd voor het telen van biologische champignons. Door de productie van biologisch substraat wordt minder conventioneel substraat geproduceerd. Dit betekent dat de aanvoer van biologisch stro ten koste gaat van paardenmest dat nodig is voor productie van conventioneel substraat. Voor de productie van biologisch substraat is met name biologisch stro als grondstof nodig. Voor biologisch stro geldt: ▪ Biologisch stro is schaars. Veel vraag en weinig aanbod. ▪ Vanwege schaarste wordt het biologisch stro daarom vanuit het buitenland aangevoerd (vanuit geheel Europa). ▪ De aanvoer geschiedt niet door het bedrijf zelf, maar door buitenlandse transporteurs en is daarom niet planbaar. ▪ Door biologische wetgeving moet dit stro bij ontvangst op benodigde documenten worden gecontroleerd, wat enige tijd kan vergen. In de tussentijd wachten de vrachtwagens met het stro buiten de poort van het bedrijf. ▪ Hierdoor ontstaan piekmomenten bij de entree van het bedrijf.

▪ Vanwege de inrichting en gebruik van het bedrijfsterrein moeten de vrachtwagens gedoseerd toegelaten worden. Er is geen ruimte om de piekmomenten op het bedrijfsterrein zelf op te vangen. Het gevolg zijn ongewenste en onveilige situaties bij de entree van het bedrijf. Op regelmatige basis is sprake van stilstaand en incidenteel blokkerend verkeer op de Galgenberg en de kruising Galgenberg – Veerweg. Om de aanvoer van biologisch stro in goede banen te leiden heeft het bedrijf behoefte aan een opstelstrook voor vrachtwagens buiten het bedrijfsterrein. Op deze opstelstrook, gelegen in de openbare ruimte, kunnen vrachtwagens met biologisch stro wachten totdat hun documenten gecontroleerd zijn en het bedrijfsterrein mogen betreden om te lossen. Uit oogpunt van verkeersveiligheid dient het opstellen van de vrachtwagens niet op de doorgaande weg plaats te vinden. De ideale plek voor de opstelstrook is nabij de entree van het bedrijfsterrein om onnodige verkeersstromen te voorkomen. Gekozen is om de opstelstrook evenwijdig aan de toegangsweg de Galgenberg te realiseren, net buiten het bedrijfsterrein, op het perceel kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummer 1335. De beoogde opstelstrook ligt evenwijdig aan de Galgenberg en wordt van de openbare weg gescheiden door een bestaande watergang.

Aan weerszijden van een rijbaan met een breedte van 5,5 m worden in totaal 7 opstelplaatsen gerealiseerd zodat zich tegelijkertijd 7 vrachtwagens hier kunnen opstellen. Vrachtwagens kunnen zich hier opstellen zodat het verkeer op de openbare weg geen hinder meer heeft van deze stilstaande vrachtwagens. Vrachtwagens met biologisch stro zullen zich hier op werkdagen opstellen vanaf 07:00 uur ’s morgens tot 17:00 uur ’s middags. Dagelijks zullen gemiddeld 9 vrachtwagens afzonderlijk van elkaar gebruik maken van de opstelstrook. De wachttijd voor deze vrachtwagens varieert van 20 minuten tot 2 uur. Voor het perceel is een omgevingsvergunning verleend op 12 oktober 2016 voor het realiseren van allerlei verhardingen en hekwerk met poort. Tevens vindt er opslag plaats van agrarische producten. In het kader van de realisatie van de opstelstrook worden alle verhardingen en het hekwerk met poort verwijderd en wordt de opslag van agrarische producten volledig gestaakt.

Vastgesteld

11

Afbeelding 12. Beoogde inrichting van het perceel met opstelstrook en nieuw fietspad

Samenhangend met de realisatie van de opstelstrook wil de gemeente Venray de toeristische fietsroute welke thans van de Veerweg via de Galgenberg en de Ooijenseweg naar de Kortenbos loopt verleggen. Met het vele zware transport dat over de Galgenberg plaatsvindt van en naar het bedrijf is het veiliger het fiets- en vrachtverkeer van elkaar te scheiden door de fietsroute niet meer via de Galgenberg te laten lopen. Door de fietsroute te verleggen via de Veerweg naar de Ooijenseweg wordt het verkeer van de Galgenberg zo veel mogelijk vermeden. Evenwijdig aan de nieuwe opstelstrook dient in dat kader een vrijliggend fietspad te worden gerealiseerd zodat fietsers gescheiden van de opstelstrook direct naar de Kortenbos kunnen fietsen. Het nieuwe fietspad heeft een breedte van 3 m en komt vrij te liggen van de opstelstrook. De Veerweg wordt in het kader van verkeersveiligheid tussen de Ooijenseweg en de Galgenberg volledig afgesloten voor gemotoriseerd verkeer.

Afbeelding 13. Huidig tracé fietsroute

Afbeelding 14. Beoogd tracé fietsroute

Om desbetreffend perceel waar de opstelstrook is beoogd te kunnen verwerven ruilt het bedrijf het perceel tegen de verderop gelegen agrarische bedrijfslocatie Veerweg 16, welke het bedrijf thans in eigendom heeft. Voorwaarde voor de ruil is dat enige vorm van bewoning op de agrarische bedrijfslocatie onmogelijk wordt gemaakt en op termijn de huidige boerderij gesloopt wordt.

Vastgesteld

12

De boerderij wordt thans niet meer bewoond, maar wordt als kantineruimte nog door de huidige gebruiker gebruikt. Het bedrijf heeft met de gebruiker afgesproken dat hij de boerderij nog voor een periode van maximaal 1 jaar mag gebruiken als kantineruimte. De afspraak is dat de boerderij daarna direct wordt gesloopt of zoveel eerder als mogelijk. Om het overtollige water afkomstig van de Galgenberg en Veerweg op te kunnen vangen wordt ten noorden respectievelijk ten westen van deze wegen een watergang aangelegd c.q. de thans aanwezige watergang opgemaakt met een lengte van circa 200 m en een diepte van circa 1 m.

3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is enerzijds gericht op het mogelijk maken van een opstelstrook voor vrachtwagens en een fietspad op het perceel kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummer 1335 en anderzijds de mogelijkheid voor wonen te ontnemen op de locatie Veerweg 16 en op termijn de bedrijfswoning geheel te slopen. Ten slotte wordt de aanleg van een watergang mogelijk gemaakt evenwijdig aan de Galgenberg en Veerweg. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ De beoogde opstelstrook met een breedte van 16,5 m, welke evenwijdig is gepositioneerd aan de Galgenberg, net zoals de Galgenberg bestemmen als ‘Verkeer – Wegverkeer’; ▪ Het beoogde nieuwe fietspad met een breedte van 5,5 m, welke evenwijdig is gepositioneerd aan de opstelstrook bestemmen als ‘Verkeer – Wegverkeer’; ▪ Het overige deel van het perceel kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E, nummer 1335 blijft overeenkomstig bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. ▪ De geldende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen dienen voor het desbetreffend perceel opnieuw te gelden met dien verstande dat van de nieuwe verkeersbestemming de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal’ wordt verwijderd zodat verharding binnen de verkeersbestemming is toegestaan.

▪ Het bestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling te bevatten dat de realisatie van de opstelstrook pas is toegestaan wanneer de landschappelijke inpassing van de locatie wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. ▪ Het bouwvlak voor de locatie Veerweg 16 wordt zodanig gewijzigd dat de bedrijfswoning buiten het bouwvlak komt te liggen. Na sloop van deze bedrijfswoning kan er dan ook niets voor in de plaats worden gebouwd; ▪ Sloop van de bedrijfswoning uiterlijk 1 jaar na onherroepelijk worden van bestemmingsplan wordt uitgevoerd; ▪ Alle woon-, verblijfsrecreatie- en zorgboerderijmogelijkheden binnen dit bouwvlak worden onmogelijk gemaakt; ▪ De mogelijkheid voor het exploiteren van een veehouderij, niet zijnde een intensieve veehouderij, dient binnen dit bouwvlak mogelijk te blijven; ▪ Een strook grond aan de Galgenberg en Veerweg met een breedte van ongeveer 2,5 meter wordt bestemd als ‘Verkeer – Wegverkeer’ zodat op deze strook grond een watergang ten behoeve van de afwatering van deze wegen is toegestaan; ▪ Qua systematiek wordt voor dit bouwvlak aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied – Oost” c.q. het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening regels”. Alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen die voor de omgeving van het bouwvlak gelden worden ook van toepassing verklaard voor het bouwvlak.

De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan met drie plangebieden. Plangebied A is nog steeds grotendeels bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. Enkel de beoogde opstelstrook en het fietspad hebben de bestemming ‘Verkeer – Wegverkeer’ gekregen. Van deze delen van het perceel is de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal’ verwijderd. Hierdoor wordt het mogelijk deze delen te verharden ten behoeve van verkeersdoeleinden. Het vigerende bestemmingsplan biedt de mogelijkheid gronden te verharden binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal’ (door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) indien door het verharden de landschappelijke en / of natuurwaarden van deze gronden niet onevenredig worden geschaad

Vastgesteld

13

(artikel 22.4.4). Daarvan is in dit geval sprake, daarom is het legitiem deze dubbelbestemming van betreffende gronden te verwijderen. Uit de uitgevoerde quickscan flora & fauna (zie paragraaf 5.5) blijken voor de te verharden gronden geen natuurwaarden. Landschappelijke waarden worden door het initiatief geen nadelig beïnvloed. De landschappelijke waarde wordt hier vooral bepaald door het open zicht vanaf de Ooijenseweg op het Maasdal. Deze openheid blijft gewaarborgd daar de gronden alleen verhard worden. De landschappelijke karakteristiek wordt verder versterkt door tussen de opstelstrook en fietspad een haag aan te planten. Plangebied B betreft het bouwvlak van de locatie Veerweg 16. Hier blijft een agrarisch bedrijf in de vorm van een veehouderij mogelijk, echter worden alle woonmogelijkheden van het bouwvlak gehaald door de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ aan het bouwvlak toe te kennen. Ook is de bedrijfswoning buiten het bouwvlak gelegd en is vastgelegd dat de bedrijfswoning uiterlijk 1 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan gesloopt moet zijn. Aan het bouwvlak zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Beekdal’ en ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’ en de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ toegekend, net zoals die gelden voor de omliggende gronden.

Plangebied C wordt bestemd als ‘Verkeer – Wegverkeer’ maar hier blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal’ van kracht zodat verharden niet zondermeer mogelijk is. Wel wordt door deze bestemming de realisatie van een watergang mogelijk ten behoeve van de afwatering van aangrenzende wegen. Alle andere dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen blijven overeenkomstig van toepassing.

3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het voor plangebied A mogelijk gemaakt de beoogde opstelstrook en het fietspad te verharden en als zodanig te gebruiken. Daarvoor wordt het huidige vervallen veldschuurtje volledig verwijderd. Ook overige verhardingen op het perceel worden verwijderd en de huidige opslagactiviteiten worden volledig beëindigd. Als compensatie voor het realiseren van de opstelstrook wordt het perceel landschappelijk ingepast en voor het overige weer in agrarisch gebruik gegeven. Hierdoor kan gesteld worden dat er sprake is van een verbetering van de stedenbouwkundige en ruimtelijke situatie, welke veel beter aansluit bij de omgeving dan de huidige situatie. In plangebied B wordt de huidige boerderij, als zijnde de bedrijfswoning, gesloopt. De boerderij wordt daarbij buiten het bouwvlak gelegd zodat het na sloop niet meer mogelijk is hier een nieuw gebouw op te richten. Andere wijzigingen van deze locatie betreffen uitsluitend functionele veranderingen, de planologische mogelijkheid om te wonen op deze locatie wordt middels onderhavig bestemmingsplan ontnomen. Alle andere bebouwing en bouwmogelijkheden blijven gelijk aan de huidige situatie. De sloop van de boerderij en het uitsluiten van woonmogelijkheden op deze locatie heeft geen nadelige stedenbouwkundige of ruimtelijke consequenties.

Plangebied C maakt de realisatie van een watergang mogelijk evenwijdig aan de Galgenberg en Veerweg op de plek waar reeds een bestaande watergang aanwezig is. Het opmaken van de bestaande watergang heeft nauwelijks tot geen stedenbouwkundige of ruimtelijke consequenties.

3.3 Landschappelijke inpassing De realisatie van de opstelstrook en het fietspad gaan gepaard met een landschappelijke inpassing op hetzelfde perceel. Met deze landschappelijke inpassing wordt enerzijds beoogd om het initiatief op een juiste wijze in het landschap te integreren en anderzijds om het landschap te versterken.

Vastgesteld

14

De locatie is gelegen in het rivierdal van de Maas. Vanuit landschappelijk oogpunt is in het rivierdal het doel de herkenbaarheid van de verschillende onderdelen van het rivierenlandschap te vergroten: ▪ de steilranden van de terrassen herkenbaar maken; ▪ het ontwikkelen van de oude Maasmeanders tot natte laagtes; ▪ ruimte geven aan water; ▪ oude bouwlanden herkenbaar laten door karakteristieke openheid. Typisch landschapselement voor dit landschapstype zijn de heggen in de delen van het landschap die in gebruik zijn en blijven als weide en/of hooiland. In de lagere delen zijn elementen wenselijk die passen bij natte natuurontwikkeling en open grazige vegetaties. Langs de akkercomplexen en in het stroomvoerende gedeelte zullen solitaire bomen, ook als rivierbegeleiding, goed tot hun recht komen.

Afbeelding 15. Landschappelijke inpassing van plangebied A

Met de landschappelijke inpassing van de locatie is hier zo veel mogelijk bij aangesloten. De opstelstrook zal worden afgeschermd door een gemengde haag, een verwijzing naar de kenmerkende heggen in het rivierdal. De rand van het perceel wordt aangezet door de evenwijdig aan de Veerweg een bomenrij aan te planten in de vorm van Veldesdoorn. Tevens worden twee van deze Veldesdoorns als solitaire bomen aangeplant aan de oostelijke zijde van de opstelstrook. Op het perceel zelf wordt een boomgroep van drie Honingbomen aangeplant. De akker wordt ingezaaid met een plukweidemengsel wat niet alleen kleur geeft maar ook een hoge ecologische waarde heeft. Ten slotte wordt opgemerkt dat de opgaande bomenrij evenwijdig aan de Ooijenseweg behouden blijft. Uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling en tevens als zodanig vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente.

Vastgesteld

15

4 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Venray. In beginsel wordt hierbij uitsluitend de fysieke realisatie van de opstelstrook en het fietspad behandeld, aangezien voor de locatie Veerweg 16 alleen de woonmogelijkheden van een bestaand agrarisch bouwvlak worden ontnomen. Hier worden verder geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, juist alleen maar ontnomen. Bij het ontnemen van ontwikkelingsmogelijkheden is een toetsing aan het beleid, indien niet anders vermeld, niet aan de orde.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke

Vastgesteld

16

eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties. De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen.

Het betreffen ontwikkelingen waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de realisatie van de opstelstrook en fietspad. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het realiseren van de opstelstrook en het fietspad zijn de waterveiligheid in verband met de Maas van toepassing. Het beleid voor hoogwater is nader uitgewerkt in de Waterwet en Beleidslijn grote rivieren (zie hierna). 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Vastgesteld

17

Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2015:448 en ECLI:NL:RVS:2015:2929) is gebleken dat de aanleg van een weg of een busbaan niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.6.1, tweede lid van het Bro.

Daarbij heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het volgende afgewogen: “Gelet op de nota van toelichting en de strekking van de regeling die mede gericht is op het tegengaan van leegstand, is de Afdeling van oordeel dat de busbaan, evenals een weg, niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang met artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, onder i, van het Bro.” De ontwikkelingen voorzien in de realisatie van een opstelstrook voor wachtende vrachtwagens, de aanleg van een vrijliggend fietspad langs de Ooijenseweg om zo een bestaande toeristische fietsroute te kunnen verleggen en een watergang aan de Galgenberg en Veerweg. Deze kleinschalige ontwikkelingen zullen niet zorgen voor leegstand elders. In lijn met de voornoemde jurisprudentie kan dan ook worden geconcludeerd dat de realisatie van de opstelstrook, het fietspad en de watergang niet als een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro kunnen worden aangemerkt. Een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking blijft dan ook achterwege. Op basis van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat dit initiatief zich dan ook niet als een stedelijke ontwikkeling kwalificeert. De ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet van toepassing.

Afbeelding 16. Uitsnede kaart behorende bij de Waterregeling

Vastgesteld

18

4.1.4 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij de algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving. Uit de kaarten behorende bij het Waterbesluit en de Waterregeling, blijkt dat de plangebieden zijn gelegen in de zone ‘Waterstaatkundig beheer’. De gebieden die deel uitmaken van het ‘Waterstaatkundig beheer’ van de Maas dienen te voldoen aan het stroomvoerend en bergend regime, zoals aangegeven in de Beleidslijn grote rivieren. 4.1.5 Beleidslijn grote rivieren De overstromingen van de Maas in december 1993 en januari 1995 hebben duidelijk gemaakt dat de Maas niet altijd binnen het winterbed blijft zoals dit in het Koninklijk Besluit 1916 (op basis van de Rivierenwet 1908) is vastgelegd. Bij (nieuwbouw)plannen in het rivierbed van de Maas dient daarom rekening gehouden te worden met hoge waterstanden. Op 19 september 1997 werd de circulaire “Bouwen langs de Maas” vastgesteld door Provinciale Staten als provinciaal ruimtelijk beleid.

Hierin werd vastgelegd hoe de ministeriële beleidslijn “Ruimte voor de rivier” (Staatscourant 12 mei 1997) in Limburg zijn doorwerking diende te krijgen, waarbij de bescherming van een deugdelijke stroomvoering en waterberging voorop stonden. Middels deze circulaire werd tevens invulling gegeven aan de afspraken die naar aanleiding van de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” tussen Rijk, provincie en gemeentes waren gemaakt. Mede op basis van de resultaten van een in 2005 verrichte evaluatie en ervaringen in de praktijk is besloten om de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” te herzien. De herziening van de beleidslijn draagt, mede als gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied en de wens om verwarring met de PKB “Ruimte voor de Rivier” te voorkomen, de naam “Beleidslijn grote rivieren”. Met de herziening van de beleidslijn wordt meer ruimte geboden aan ontwikkelingsgerichte initiatieven. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor ontwikkelingen die de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied kunnen verbeteren. Doelstelling van de beleidslijn grote rivieren is om de beschikbare bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden, ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken en het waarborgen van de afvoercapaciteit in het stroomvoerend rivierbed.

Alle plangebieden bevinden zich in het stroomvoerend regime. Dit regime geldt voor delen van het rivierbed waar, op grond van rivierkundige overwegingen, in principe alleen specifiek omschreven riviergebonden activiteiten zijn toegestaan (ja, mits). Deze activiteiten dienen te voldoen aan rivierkundige voorwaarden. Niet riviergebonden activiteiten zijn niet toegestaan, alleen onder specifieke criteria zijn uitzonderingen mogelijk (nee, tenzij). Om deze het stroomvoerend regime planologisch-juridisch te borgen is op basis van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’ aan plangebied A en de omgeving van plangebied B toegekend. In deze dubbelbestemming is een verbodsbepaling opgenomen zodat voor activiteiten binnen het stroomvoerend regime vaak een vergunningsplicht geldt. De daarvoor benodigde omgevingsvergunning kan dan niet zonder goedkeuring van de beheerder van Maas, Rijkswaterstaat, worden verleend.

Vastgesteld

19

Afbeelding 17. Uitsnede kaart Beleidslijn grote rivieren

In het geval van het realiseren van de opstelstrook en het fietspad wordt alleen het bestaande maaiveld verhard. Daarvoor in plaats worden andere bestaande verharding verwijderd. Dit heeft geen negatieve consequenties voor het functioneren van de Maas. In het geval van het verkleinen van het bouwvlak en het ontnemen van alle woonmogelijkheden op de locatie Veerweg 16 worden juist bouwmogelijkheden verkleind of vindt een functiewijziging plaats van de bestaande bebouwing. Ten slotte wordt een watergang gerealiseerd. Ook dit heeft geen negatieve consequenties voor de Maas. Door het opnieuw van toepassing verklaren van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’ voor het gehele plangebied blijven de rivierkundige waarden juridisch-planologisch geborgd. Voorafgaand aan het verharden van de opstelstrook en het fietspad en het realiseren van de watergang dient Rijkswaterstaat haar goedkeuring hieraan te hebben gegeven.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014).

Vastgesteld

20

De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: ▪ Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; ▪ Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); ▪ Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.

De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Bereikbaarheid is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van de Limburgse economie, de leefbaarheid en een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat. Bovendien maakt het een brede deelname mogelijk aan het maatschappelijke leven, werk, sociale contacten, culturele bijeenkomsten en recreatie. Mobiliteit is echter breder dan bereikbaarheid. In 2018 heeft de Provincie Limburg het mobiliteitsplan ‘Slim op weg naar morgen’ vastgesteld. Dat is het uitgangspunt voor de provinciale beleidskeuzes. Naast bereikbaarheid in de zin van doorstroming onderscheid de provincie als mobiliteitsdoelen: veiligheid, duurzaamheid en leefbaarheid. Veiligheid gaat hierbij onder meer over de veilige staat van het wegennet, verkeers- veiligheid in algemene zin en sociale veiligheid. Natuurlijk kijkt de provincie over de provinciale en nationale grenzen. Door de euregionale ligging van Limburg zijn grensoverschrijdende verbindingen van groot belang. Ook de bereikbaarheid van en tussen de steden in Limburg vraagt aandacht.

Tegelijkertijd is de bereikbaarheid en mobiliteit van het buitengebied, van minder druk bevolkte regio’s en voorzieningen een toenemend aandachtspunt vanuit het oogpunt van leefbaarheid en maatschappelijke participatie. Het doorontwikkelen van het (snel-)fietsroutenetwerk in Limburg kan bijdragen aan de beleefbaarheid van het landschap, de gezondheid van onze inwoners en aan het verbinden van regio’s (ook over de grens), steden en dorpen. De provincie streeft naar een toekomstbestendige, toegankelijke, slimme, schone en grenzeloze mobiliteit, zodat mensen zich vrij kunnen bewegen. De provincie wil een Limburg dat uitstekend bereikbaar is voor alle mensen, voor goederen en informatie, mede door een goede aansluiting op (inter-)nationale en (eu)regionale netwerken (weg, spoor, water, lucht, buis en digitaal). Het vervoer van mensen en goederen dient betrouwbaar, vlot, veilig en duurzaam te zijn, zonder teveel impact op de leefomgeving en milieukwaliteit. De provincie stimuleert het (elektrisch) fietsen, ook over langere afstanden. Zo neemt de mobiliteitsdruk af en wordt de gezondheid en luchtkwaliteit bevorderd. Zowel de opstelstrook als het verleggen van het fietspad draagt bij aan het halen van de provinciale doelstellingen.

Met de opstelstrook is niet alleen sprake van het faciliteren van het bedrijf en daarmee de Limburgse economie, maar vooral van het verbeteren van de verkeersveiligheid. De vrachtwagens zullen niet meer op de openbare weg hoeven op te stellen wat de doorstroming van de Galgenberg bevordert alsook de overzichtelijkheid van de kruising Galgenberg – Veerweg. Met het te verleggen fietspad worden fietsers niet meer over de Galgenberg geleid, alwaar veel vrachtverkeer plaatsvindt van en naar het bedrijf. Uit het oogpunt van verkeersveiligheid is het beter de fietsers te scheiden van het vrachtverkeer

Vastgesteld

21

door een nieuw fietspad aan de Ooijenseweg te realiseren. Het nieuwe fietspad draagt daarom bij aan meer fietsveiligheid en daarmee een meer aantrekkelijk fietsnetwerk. Over de realisatie van een watergang is als een dermate kleinschalige ontwikkeling niet genoemd in de Provinciale Omgevingsvisie. Het initiatief is daarmee passend in het provinciale beleid, zoals verwoord in de Provinciale Omgevingsvisie. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 In de Omgevingsverordening Limburg 2021 staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Op dit moment geldt nog de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 januari 2023) is een nieuwe verordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg 2021 in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hierna is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. Het initiatief is echter wel alvast getoetst aan de nieuwe omgevingsverordening. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen.

De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2021 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Groenblauwe mantel; ▪ Bufferzones grondwaterafhankelijke natuur; Groenblauwe mantel Een van de wijzigingen in de Omgevingsverordening 2021 ten opzichte van de Omgevingsverordening 2014 betreft het samenvoegen van de zilvergroene en bronsgroene landschapszone tot de groenblauwe mantel. De regels voor beide typen gebieden komen sterk overeen, net als het feitelijke gebruik. Het plangebied is aangeduid als ‘groenblauwe mantel’. Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen vormen samen de groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden. Dergelijke stad-landzones vormen samen een soort mantel tussen en bij het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. Binnen dit gebiedstype ligt de focus op het versterken van het klimaatadaptieve karakter, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel geldt een motiveringsplicht om aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteit in de betreffende gebieden wordt omgegaan.

De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed, het reliëf en de ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdalen. Deze zijn aangeduid in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg. Zie voor de toets aan het landschapskader paragraaf 4.2.4. Bufferzones grondwaterafhankelijke natuur Het is in deze zone verboden om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken. Voor zowel de opstelstrook als het fietspad als de watergang is geen sprake van het onttrekken van grondwater. Deze bepaling is derhalve niet van toepassing voor het initiatief.

Vastgesteld

22

4.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden maar is in 2014 gewijzigd vanwege de vaststelling van het toenmalige POL2014, waarin was bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening zou worden toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. Het hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. In artikel 2.2 van het hoofdstuk Ruimte is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavig initiatief is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (zie hoofdstuk 4.1.3).

De ladder voor duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn nadere regels gesteld voor de onttrekking van grondwater vanwege de ligging van de locatie in een bufferzone verdrogingsgevoelige natuurgebieden. Het is in deze zone verboden grondwater te onttrekken. Voor zowel de opstelstrook als het fietspad is geen sprake van het onttrekken van grondwater. Er wordt derhalve voldaan aan de Omgevingsverordening Limburg 2014. 4.2.4 Landschapskader Noord- en Midden-Limburg Volgens de Omgevingsverordening Limburg 2021 ligt het plangebied binnen de groenblauwe mantel, het vroegere ‘landelijk gebied – bronsgroene landschapszone’ (zoals destijds opgenomen in het POL2014). Deze zone betreft de beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap en omvat ook het winterbed van de Maas.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13200962/2