Bijlage 1c Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
4.3.2.Soortenbescherming
De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: ▪ ▪
▪
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.
M&A Omgeving heeft een quick scan flora en fauna voor de realisatie van een containerveld aan de Veulensewaterweg ong. in Veulen uitgevoerd, welke als bijlage 4 aan deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Geconcludeerd is dat op en in de nabijheid van het perceel geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten zijn gedaan. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder jaarrond beschermde soorten, zoals bijvoorbeeld Huismussen, uilen en vleermuisssoorten). Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de realisatie en het gebruik van het containerveld, wordt vermeden dat de dieren hiervan te veel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.
4.4.
Landschappelijke inpassing
Door Guido Paumen is een landschapsplan opgesteld voor het voorliggende initiatief. Dit plan is als bijlage 6 aan deze Ruimtelijke Onderbouwing gevoegd. Met dit landschapsplan wordt de nieuwe ontwikkeling op een passende wijze ingepast in de omgeving. Navolgend is een uitsnede weergegeven van de landschappelijke inpassing van het initiatief.
Afbeelding 7 Uitsnede landschapsplan
Met het bij dit plan behorende landschapsplan wordt het plangebied op een goede wijze ingepast.
4.5.
Waterparagraaf
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan.
4.5.1.Provinciaal waterplan Limburg
Op 11 december 2015 heeft Provinciale Staten het Provinciaal Waterplan Limburg 2016 – 2021 vastgesteld als opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010 -2015.
Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Het is een uitwerking en nadere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL 2014. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid.
Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.
4.5.2.Watertoets
Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).
Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Beleid van het waterschap is om te proberen 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet mogelijk is kan gekozen worden voor afvoeren. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt er voor verhard oppervlak een nieuwe eis van 100 mm in 24 uur. Zie bovenstaande toetsingspunten. Bij nieuwe ontwikkelingen is het streven om alles zoveel mogelijk klimaat adaptief aan te leggen. Daarnaast zal er ook met het activiteitenbesluit rekening moeten worden gehouden. Initiatiefnemer realiseert op deze locatie een containerveld met bijbehorende watertechnische voorzieningen. Hiervan bestaat het grootste deel uit containerveld en bijbehorende
watertechnische voorzieningen. De paden van het containerveld worden uitgevoerd als betonpaden. Deze paden zullen echter afwateren op het naastgelegen onverharde oppervlak welke bestaat uit grasland waarop in een deel van het jaar de aardbeienplantentrays worden geplaatst. Opvangvoorzieningen voor hemelwater zijn hierdoor op het containerveld niet noodzakelijk. De overige verharde oppervlak betreft een hemelwaterbassin waarin het hemelwater direct opgevangen wordt en daarnaast een drietal watersilo’s waarvan het water eveneens in de silo’s wordt opgevangen. Het gebouw voor watertechnische voorzieningen zal afwateren op het hemelwaterbassin of een van de bijbehorende silo’s. Ten behoeve van het bouwplan zijn hiermede geen aanvullende watertechnische voorzieningen benodigd voor opvang van hemelwater ten behoeve van nieuw verhard oppervlak. Het perceel waar het trayveld wordt gerealiseerd is voorzien van een drainagesysteem. Vanuit dit drainagesysteem kan water worden gebruikt voor de aardbeienplantenteelt op deze locatie. Dit water zal eerst naar de drainagewatersilo worden verpompt om het op te waarderen naar gezuiverd water om het vervolgens als voedingswater te kunnen gaan inzetten.
In periodes met beperkte waterbehoefte voor het gewas is er een mogelijkheid om overtollig hemelwater te infiltreren middels de aanwezige drainwaterleidingen in het veld waardoor het drainagesyteem omgekeerd kan worden gebruikt. Dit betreffen echter zeer beperkte hoeveelheden aangezien er uitsluitend water wordt opgevangen welke op het hemelwaterbassin valt. Gezien het feit dat voorgenoemde hoeveelheden op de locatie kunnen worden geborgen heeft dit plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Aan de voorschriften in het activiteitenbesluit zal daarnaast eveneens worden voldaan.
5. Uitvoerbaarheid 5.1.
Economische haalbaarheid
Bij de voorbereiding van een plan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het planvoornemen moet worden vastgesteld. In deze procedure wordt uitsluitend de realisatie van een containerveld met bijbehorende watertechnische voorzieningen mogelijk gemaakt. Voor het overige worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De uitvoering van het plan is in particuliere handen. Het project heeft dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. In de onderhavige situatie is daarom niet te verwachten dat derden schade leiden door de gevraagde omgevingsvergunning.
Er zal tussen de gemeente Venray en de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het onderhavig planvoornemen betreft het realiseren van een containerveld voor aardbeitrayplanten. Het voorliggende plangebied is 12,9 ha groot. Op basis van de in deze Ruimtelijke Onderbouwing uitgevoerde toetsing aan de verschillende beleidsregels, planologisch-juridische uitgangspunten en voorwaarden en (milieu-) wet- en regelgeving blijkt dat het planvoornemen voldoet aan alle relevante (milieu-) wet- en regelgeving en beleidsregels. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. De betrokken partijen zullen vanuit de gemeente worden benaderd voor onderhavige gevraagde omgevingsvergunning. Daarnaast is vanuit initiatiefnemers een dialoog gevoerd met omliggende grondeigenaren/-gebruikers. Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.
5.3.
Omgevingsdialoog
De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Vanuit initiatiefnemer is deze dialoog gevoerd, welke separaat aan het omgevingsloket is toegevoegd vanwege de AVG.
6. Procedure 6.1.
Uitgebreide procedure omgevingsvergunning
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan dient de uitgebreide procedure zoals beschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden gevolgd. Deze procedure wordt hieronder stapsgewijs beschreven: ▪ ▪
▪ ▪
▪
▪ ▪
▪
▪ ▪
▪
De wettelijke procedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: Wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht juncto artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening. Waterschap Limburg heeft aangegeven dat het plan akkoord is. De Provincie Limburg heeft aangegeven dat de beoordeling van de vergunning geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Openbare kennisgeving van de ontwerpvergunning. Ter inzage legging van de ontwerp omgevingsvergunning met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan eenieder zienswijzen naar voren brengen. Vaststelling van de omgevingsvergunning door het bevoegd gezag (gemeenteraad dan wel B&W), indien er zienswijzen naar voren zijn gebracht uiterlijk binnen 6 maanden nadat de aanvraag is ontvangen en indien er geen zienswijzen naar voren zijn gebracht uiterlijk 4 weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijze is verstreken. Algemene bekendmaking van de omgevingsvergunning. Mogelijkheid tot beroep bij de rechtbank voor belanghebbende binnen 6 weken na bekendmaking besluit. Voorlopige voorziening bij de rechtbank. Beroep heeft geen opschortende werking.
Verzoek om voorlopige voorziening heeft opschortende werking indien ingediend binnen de beroepstermijn. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de rechtbank. Uitspraak rechtbank. Mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak Afdeling.
7. Afweging en eindconclusie De initiatiefnemer wil een nieuw containerveld realiseren voor aardbeitrayplanten. Het voorliggende plangebied is circa 12,9 ha groot. Het betreft een locatie welke al jaren door initiatiefnemer in gebruik is voor de teelt van aardbeiplanten. Het realiseren van een containerveld is noodzakelijk voor de continuiteit van de bedrijfsvoering gezien het feit dat de vraag verschuift vanuit afnemers naar trayplanten. Op basis van het vigerend bestemmingsplan kan aan nagenoeg alle (behoudens de maximale oppervlakte van 1,5 hectare) vermelde voorwaarden door initiatiefnemer worden voldaan. Het is gelet op de maximale oppervlakte voor het gehele initiatief niet mogelijk om medewerking te verlenen middels de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Om toch medewerking aan het initiatief te kunnen verkrijgen is een herziening van het bestemmingsplan of een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure noodzakelijk. Vanwege de snelheid van realisatie is door initiatiefnemer gekozen voor een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure, deze ligt nu voor. Eindconclusie: De voorliggende situatie is planologisch-juridisch te vergunnen middels de voorgestelde procedure door een maatwerkafweging te maken en de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl