Bijlage 1c Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Veulensewaterweg ong. te Veulen
Opsteller: Arvalis B.V. Bartels K. en Bergsma T.
Inhoudsopgave 1.
Beschrijving bestaande situatie ............................................................................... 3
1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
Aanleiding en doel ................................................................................................. 3 Ligging en begrenzing ............................................................................................ 3 Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................... 4 Leeswijzer ............................................................................................................ 5
2.
Beschrijving van het plan ........................................................................................ 6
2.1. 2.2. 2.3.
Algemeen ............................................................................................................. 6 Ruimtelijk en functionele structuur ........................................................................... 6 Projectbeschrijving................................................................................................. 6
3.
Beleidskader ......................................................................................................... 8
3.1. 3.2.
Inleiding ............................................................................................................... 8 Rijksbeleid ............................................................................................................ 8
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.
Provinciaal beleid ................................................................................................... 9
3.3.1. 3.3.2. 3.3.3. 3.4.
Nationale omgevingsvisie ................................................................................. 8 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ...................................................... 8 Ladder duurzame verstedelijking ...................................................................... 9 Provinciale Omgevingsvisie .............................................................................. 9 Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” ........................................ 10 Omgevingsverordening Limburg....................................................................... 11
Gemeentelijk beleid .............................................................................................. 11
3.4.1. 3.4.2. 3.4.3.
Toekomstvisie 2030 'Venray loopt voorop'......................................................... 11 Omgevingsvisie Venray ................................................................................... 12 Bestemmingsplan toetsing .............................................................................. 13
4.
Omgevingsaspecten .............................................................................................. 15
4.1.
Milieuaspecten...................................................................................................... 15
4.1.1. 4.1.2. 4.1.3. 4.1.4. 4.1.5. 4.1.6. 4.2.
Ruimtelijke aspecten ............................................................................................. 18
4.2.1. 4.2.2. 4.2.2.1. 4.2.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.2.5. 4.3.
Gebiedsbescherming ...................................................................................... 21 Soortenbescherming....................................................................................... 22
Landschappelijke inpassing .................................................................................... 23 Waterparagraaf .................................................................................................... 23
4.5.1. 4.5.2. 5.
Externe veiligheid .......................................................................................... 18 Cultuurhistorie en Archeologie ......................................................................... 20 Cultuurhistorie ........................................................................................... 20 Archeologie ................................................................................................ 20 Mobiliteit en parkeren ..................................................................................... 20 Niet gesprongen explosieven ........................................................................... 21 Kabels en leidingen ........................................................................................ 21
Flora en Fauna ..................................................................................................... 21
4.3.1. 4.3.2. 4.4. 4.5.
Milieu Effect Rapportage ................................................................................. 15 Bodem .......................................................................................................... 16 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................ 16 Luchtkwaliteit ................................................................................................ 17 Geluid .......................................................................................................... 18 Spuitzones .................................................................................................... 18
Provinciaal waterplan Limburg ......................................................................... 23 Watertoets .................................................................................................... 24
Uitvoerbaarheid .................................................................................................... 26
5.1. 5.2. 5.3.
Economische haalbaarheid ..................................................................................... 26 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................... 26 Omgevingsdialoog ................................................................................................ 26
6.
Procedure ............................................................................................................ 27
6.1.
Uitgebreide procedure omgevingsvergunning ........................................................... 27
7.
Afweging en eindconclusie ..................................................................................... 28
Bijlage(n) 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Principestandpunt gemeente Venray Situatietekening Bodemonderzoek Flora en Faunaonderzoek Archeologisch onderzoek Landschappelijke inpassing a. Toelichting stikstofberekeningen b. AERIUS berekening realisatiefase c. AERIUS berekening gebruiksfase
1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.
Aanleiding en doel
Initiatiefnemer wil de voorliggende locatie, gelegen ten zuiden van de Veulensewaterweg, gaan gebruiken als containerveld voor aardbeitrayplanten. Het voorliggende plangebied is 12,9 ha groot. Tevens wordt er een hemelwaterbassin gerealiseerd alsook 3 watersilo’s en een gebouwtje voor watertechnische installaties. De ontwikkelingen in de teelt van aardbeien volgen elkaar snel op. Waren het vroeger vooral planten die in het veld (vollegrond) groeiden die voor de productie van aardbeien gebruikt werden, nu zijn het steeds meer zogenaamde trayplanten die door afnemers (aardbeienproductietelers) gevraagd worden. De productie verplaatst zich naast de teelt in de vollegrond steeds meer naar systemen “uit de grond”, die in kassen, tunnels en/of op stellingen plaats vindt. Dit fenomeen is nationaal al decennia een trend, internationaal gezien echter pas sinds de laatste jaren. Overheidsmaatregelen leiden tot een versnelling qua verschuiving naar de teelt uit de grond. Percelen kunnen immers niet meer ontsmet worden waardoor afnemers bij besmetting van percelen niet meer in de grond kunnen telen en naar alternatieve teeltsystemen gaan. Middels de teeltsystemen uit de grond is ook sprake van een milieuvriendelijkere teelt in vergelijking met een teelt in de vollegrond.
Initiatiefnemer zal met de vermeerdering op milieuvriendelijkere wijze telen in vergelijking met een teelt in de vollegrond. Ondernemers zullen op de vraag naar trayplanten in moeten spelen anders verliest het bedrijf zijn positie in de markt en hiermede het bestaansrecht van het bedrijf. Bestaande en ook nieuwe afnemers die voorheen uitsluitend naakte wortelplanten afnamen, nemen immers in toenemende mate trayplanten af. Als aan deze vraag naar trayplanten niet voldaan kan worden dan verliest het bedrijf bestaande en ook potentiële nieuwe klanten. Vaak hebben afnemers meerdere teeltsystemen (vollegrondsproductieteelt en teelt op een ander teeltproductiesysteem). Als trayplanten niet geleverd kunnen worden verliest het bedrijf hiermede klanten. Klanten vragen immers de trayplanten. De planten die voor vollegrond productie gebruikt worden zijn naakte wortel planten. Deze planten worden ook bij initiatiefnemer in de vollegrond vermeerderd. De vermeerdering als ook de productie in de vollegrond is risicovoller aangezien de planten besmet kunnen worden door grondgebonden schimmelziektes, bacteriën en/of aaltjes. De teelt “uit de grond” maakt gebruik van trayplanten. Trayplanten zijn planten die los van de grond in een mengel van kokos en veen worden opgekweekt en met wortelbal worden uitgeleverd.
De trayplant geeft meer zekerheid ten aanzien van met name plantgezondheid en vruchtkwaliteit. Trayplanten kunnen alleen op een daarvoor geprepareerde oppervlakte te weten een containerveld worden gekweekt. De afstand tot de bedrijfslocatie moet daarbij zo kort mogelijk zijn. Dit is vooral van belang om de onbewortelde stekken in goede conditie op de tray te kunnen zetten. Daarnaast dient er afdoende toezicht te zijn tijdens het teeltseizoen om problemen tijdens de opkweek te voorkomen. Een mankement aan bijvoorbeeld de beregening kan voor een catastrofe zorgen aangezien de planten groeien in een zeer klein volume teeltmedium. De teelt van trayplanten dient veel nauwkeuriger aangestuurd te worden dan de teelt in de vollegrond. De onderhavige locatie welke initiatiefnemer in gebruik wil nemen als containerveld is reeds geruime tijd in gebruik voor de teelt van aardbeiplanten. Gelet op het huidige gebruik en het toekomstige gebruik zal er ruimtelijk weinig tot geen verschil optreden.
1.2.
Ligging en begrenzing
Het plangebied is gelegen aan de Veulensewaterweg ong. te Veulen. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Venray, sectie O nummers 459, 514, 515, 537 en 927. De kadastrale percelen hebben een oppervlakte van 12,9 hectare. Op de navolgende luchtfoto zijn de voorgenoemde percelen omlijnd.
Afbeelding 1. Luchtfoto met plangebied
Het plangebied is omgeven door hoofdzakelijk agrarische bedrijven en tevens het bungalowpark “Het Meerdal”. Net ten zuiden van de locatie ligt de grens met de gemeente Horst aan de Maas. Het plangebied zal na realisatie van het containerveld worden ontsloten via de Veulensewaterweg en verder via de Midden Peelweg.
1.3.
Vigerend bestemmingsplan
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.4.. Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan buitengebied Venray 2010 in combinatie met bestemmingsplan Venray 2010, herziening regels. De enkelbestemming “Agrarisch” is van toepassing, de noordzijde van het perceel is gelegen binnen de gebiedsaanduiding “reconstructiezone landbouwontwikkelingsgebied” en de zuidzijde heeft de gebiedsaanduiding “reconstructiezone-verwevingsgebied”. Tevens ligt op gedeeltes van de percelen de dubbelbestemming “waarde-archeologie 1 en 2”. Voor de toetsing aan het vigerend bestemmingsplan zie paragraaf 3.4.3..
1.4.
Leeswijzer
De onderhavige ruimtelijke onderbouwing voor een omgevingsvergunningsprocedure om af te wijken van het bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: ▪ ▪ ▪
▪ ▪ ▪
plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties zijn betrokken, hoofdstuk 5; Procedure, hoofdstuk 6; Afweging en eindconclusie, hoofdstuk 7.
2. Beschrijving van het plan 2.1.
Algemeen
In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt in de ruimtelijke structuur en de functionele structuur en ook hoe deze structuren zijn ontstaan. De beschrijving van de ruimtelijke structuur heeft bijvoorbeeld betrekking op hoe het landschap eruit ziet, welke infrastructuur er aanwezig is en de ligging van het grondgebied ten opzichte van de (directe) omgeving. De beschrijving van de functionele structuur heeft betrekking op de aanwezige functies in het plangebied.
2.2.
Ruimtelijk en functionele structuur
De locatie is gelegen in het hoogveen ontginningslandschap hetgeen gekarakteriseerd wordt als een grootschalig open landbouwgebied, dat doorsneden wordt door singelbeplantingen. De locatie ligt in een open landschap. Qua gebruik is de grondgebonden agrarische sector, met name akkerbouw, vollegrondsgroenteteelt een belangrijke speler. Tevens zijn er (intensieve)veehouderijbedrijven in de omgeving aanwezig. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Venray. Aan de zuidzijde is het bungalowpark “Het Meerdal” gelegen.
2.3.
Projectbeschrijving
De onderhavige locatie welke initiatiefnemer in gebruik wil nemen als containerveld is grotendeels reeds geruime tijd in gebruik voor de teelt van aardbeiplanten. Het realiseren van een containerveld is noodzakelijk om in te spelen op de vraag naar trayplanten vanuit de afnemers van het bedrijf. Naast het containerveld worden een hemelwaterbassin, een drietal watersilo’s en een bedrijfsgebouw voor de wachter technische installaties gerealiseerd. Het containerveld zal bestaan uit betonnen rijpaden met tussen de rijpaden een grasmengel. Jaarlijks zullen de aardbeienplantentrays op het grasland worden geplaatst in de periode van medio juli-december. In de overige periode van het jaar groeit er tussen de betonpaden een graslandmengsel. In de navolgende afbeelding is een uitsnede van de situatietekening van de toekomstige situatie weergegeven. Deze is voor de leesbaarheid als bijlage 2 aan deze onderbouwing gevoegd.
Afbeelding 2 Uitsnede ontwerptekening
3. Beleidskader 3.1.
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het planvoornemen op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit plan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
3.2.
Rijksbeleid
3.2.1.Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: ▪ ▪ ▪ ▪
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: ▪
▪
▪
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
3.2.2.Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau
van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.
3.2.3.Ladder duurzame verstedelijking
Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan of een ruimtelijke onderbouwing dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan of een ruimtelijke onderbouwing die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De onderhavige locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Venray. Het planvoornemen is van agrarische aard, er is in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het kader van de uitvoerbaarheid dient onder andere aandacht worden besteed aan de behoefte van het plan.
Gelet op het feit dat het containerveld is benodigd voor het eigen bedrijf van initiatiefnemer kan geconcludeerd worden dat er behoefte is voor de voorgenomen ontwikkeling. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling is bij initiatiefnemer, gezien de vraag van de afnemers, aanwezig.
3.3.
Provinciaal beleid
3.3.1.Provinciale Omgevingsvisie
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1.
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. In landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; Klimaatadaptieve en energietransitie;
2. 3.
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪
Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;
▪
Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: ▪ ▪ ▪
Groenblauwe mantel Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) Buitengebied
Onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van een containerveld met een oppervlakte van 10,6 ha voor aardbeitrayplanten. Dit is noodzakelijk gelet op de vraag van afnemers naar trayplanten welke op een containerveld geteeld worden. Mede gelet op de gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg.
3.3.2.Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte”
Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid.
Afbeelding 3. Uitsnede omgevingsverordening
Er zijn geen belangen uit de provinciale omgevingsverordening van belang voor de gevraagde ontwikkeling. Het project is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg.
3.3.3.Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 16 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening.
3.4.
Gemeentelijk beleid
3.4.1.Toekomstvisie 2030 'Venray loopt voorop'
In het coalitieakkoord 2018-2022 'Een gezonde toekomst voor Venray' is opgenomen dat de gemeente Venray wil komen tot een nieuwe strategische visie met een horizon tot 2030. Deze stip op de horizon moet richting geven aan de vraag waarin de gemeente zich de komende jaren wil ontwikkelen gezien de actuele trends en ontwikkelingen. Bijvoorbeeld op het gebied van klimaat, energie, duurzaamheid, leefomgeving, gezondheid, demografie en technologie, maar ook kijkend naar de positie en rol van de gemeentelijke overheid. Hiertoe heeft de gemeenteraad op 27 juni 2019 een nieuwe strategische visie vastgesteld; de Toekomstvisie 2030 'Venray loopt voorop'. Deze visie vervangt de Strategische visie Venray 2020 en de nota 'Venray, stad in de Peel (2025)'. De toekomstvisie geeft richting om de koers te bepalen waarlangs we de gevolgen van de trends en ontwikkelingen laten landen in de gemeente, binnen de gemeenschap van Venray én in de regio. Belangrijke thema's uit de vorige (herijkte) strategische visie 'Tweede stad in de Peel' lopen door naar deze visie. 'Venray loopt voorop' geeft een eigentijdse vertaling van zelfsturing met een herijking van participatie en de rol van de overheid. Daarnaast is er veel aandacht voor de kwalitatieve ontwikkeling van onder meer de leefomgeving.
Ook is samenwerking nader geduid als het gaat om de regio, met onderwijs, bedrijfsleven en in de naaste omgeving van inwoners. Speciale aandacht verdient de komst van de Omgevingswet. De toekomstvisie 2030 is een belangrijke 'eerste stap' (identiteit, kwaliteiten, doelen) voor de totstandkoming van de Omgevingsvisie. In dat traject zal de verdieping plaatsvinden op de toekomstvisie, meer specifiek in de ruimtelijke vertaling. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de volgende vijf concrete ambities geformuleerd: "In het Venray van 2030: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; 2. woon je groen en sociaal; 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; 5. is iedereen mobiel." In de toekomstvisie worden weinig directe beleidsuitspraken gedaan over de ontwikkeling van een containerveld. In ambitie 3 wordt geconstateerd dat Venray zich tot doel stelt, dat er gezorgd wordt voor nieuwe economische kansen. Het voorliggend initiatief kan gezien worden als een economische kans voor een bestaande ondernemer en is daardoor niet strijdig met de toekomstvisie.
3.4.2. Omgevingsvisie Venray Op 2 november 2021 heeft de gemeente Venray, in het kader van de naderende omgevingswet een nieuwe omgevingsvisie voor het grondgebied van de gemeente opgesteld. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: de Toekomstvisie 2030 "Venray loopt voorop". De omgevingsvisie is samen met de input van inwoners, ondernemers en verenigingen tot stand gebracht. Hierin geeft de gemeente aan waar ze naar toe wille in de toekomst. Aan de hand van ambities wil de gemeente de belangrijke waarden van Venray versterken en beschermen, rekening houdend met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. Belangrijk vraagstuk daarbij is hoe de gemeente er over 10 jaar uit zal zien. De ambities spelen een rol in ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden. Het plangebied is gelegen in het deelgebied “agrarische gebieden”. Het deelgebied omvat een groot deel van het buitengebied van de gemeente Venray. Het deelgebied kent een grote diversiteit aan functies en is volop in ontwikkeling. De ambities betreffen het toekomstbestendig maken van het agrarische landschap en een evenwichtig agrarisch gebied, waar toekomstige generaties kunnen recreëren en genieten.
De gemeente streeft naar een aantrekkelijk werkklimaat voor ondernemers waarin deze zich kunnen vestigen en ontwikkelen. De gemeente zoekt naar een evenwicht waarin de agrarische sector de ruimte heeft om te groeien, maar ook een landschap is waarin de inwoners goed kunnen wonen en recreëren. Voor het agrarische gebied zijn de volgende doelen gesteld: Het werken aan een gebiedsgerichte aanpak uit voor het bepalen van de ontwikkelingsmogelijkheden van (agrarische) bedrijvigheid; Het stimuleren en faciliteren van kringlooplandbouw; ▪ Het inzetten op sloop en/of kleinschalige niet-agrarische bedrijvigheid in VAB’s; grootschalige niet-agrarische bedrijvigheid hoort thuis op bedrijventerreinen. Om invulling te geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie Venray is de gemeente voornemens om voor verschillende thema’s Omgevingsprogramma’s op te stellen. In deze Omgevingsprogramma’s wordt de koers en uitvoering per thema beschreven. De gemeente Venray is momenteel nog bezig met de uitwerking van het Omgevingsprogramma Landelijk gebied. In november 2021 is echter wel, vooruitlopend op het vaststellen van het Omgevingsprogramma de ‘Uitvoering 2022’ en december 2021 is de ‘Koers 2022’ vastgesteld. Koers en uitvoering 2022 Het landelijk gebied binnen de gemeente Venray kent een grote diversiteit aan functies, activiteiten en ontwikkelingen.
De gemeente streeft daarom naar een gebiedsgerichte aanpak waarin beschreven wordt welke ontwikkelingen op welke locaties al gewenst of ongewenst zijn. Voor wat betreft de ontwikkeling van het landelijk gebied wordt er ingespeeld op de volgende ambities zoals gesteld in de Omgevingsvisie Venray: Een gezond Venray heeft de toekomst: Het realiseren van een gezonde leefomgeving, het verbeteren van energie en klimaat en het stimuleren van verduurzaming en innovatie van de landbouw centraal; Natuurlijk Venray: het stimuleren van natuur en biodiversiteit staat hierbij centraal. Daarbij het van belang ook waardevolle boerderijen, gebouwen en natuur- en landschapselementen te behouden en te versterken. Groen wonen voor iedereen: de ambitie bestaat om kwalitatieve woningen op een passende locatie voor de juiste doelgroepen te realiseren. In landelijk gebied worden dan ook kansen gezien voor bijzondere doelgroepen met accenten op innovatie, duurzaamheid, ecologie en/of levensloopbestendigheid. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een containerveld met bijbehorende voorzieningen. Dit betreft een intensivering welke is gekoppeld aan een tegenprestatie zodat er ook meer natuur/landschap wordt toegevoegd. Concreet in relatie tot de omgevingsvisie: Een goede balans (paragraaf 3.1): We gaan voor een landelijk gebied dat beter in balans is.
Het landelijk gebied van Venray kenmerkt zich door haar uiteenlopende invulling: van natuur tot intensieve bedrijvigheid. De gebruikers van deze gebieden hebben vaak andere belangen en uitgangspunten. Dit leidt regelmatig tot conflicten tussen natuur, wonen en bedrijvigheid. Ons
doel is om een goede balans te brengen in deze belangen zodat ze elkaar gaan versterken. Dit mogelijk maken vraagt ook om vernieuwing en daarvoor willen we ook experimenteerruimte creëren. We gaan samen werken aan een andere balans tussen gezonde leefomgeving, natuur/klimaat en bedrijvigheid. Hoe deze balans er uit gaat zien is nu nog niet duidelijk. Gesteld kan worden dat de realisatie van het containerveld met bijbehorende voorzieningen passend in is binnen de ambities van de Omgevingsvisie Venray.
3.4.3.Bestemmingsplan toetsing De locatie is gelegen in het bestemmingsplan buitengebied Venray 2010 in combinatie met bestemmingsplan Venray 2010, herziening regels. De enkelbestemming “Agrarisch” is van toepassing, de noordzijde van het perceel is gelegen binnen de gebiedsaanduiding “reconstructiezone landbouwontwikkelingsgebied” en de zuidzijde heeft de gebiedsaanduiding “reconstructiezone-verwevingsgebied”. Tevens ligt op gedeeltes van de percelen de dubbelbestemming “waarde-archeologie 1 en 2”. De ontwikkeling van een containerveld is niet passend binnen het bestemmingsplan. Binnen de bestemming “Agrarisch” is sprake van onderstaande binnenplanse wijzigingsmogelijkheid: Toevoeging functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch containerteelt' (zie de toetsing in blauw) Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – containerteelt' op de verbeelding opnemen ten behoeve van het aanleggen van containervelden met de daarbij behorende voorzieningen onder de voorwaarden dat: a.
uitbreiding binnen de aanduiding 'Waarde – Ecologische Hoofstructuur' niet is toegestaan; Het initiatief is niet gelegen binnen deze aanduiding. b. aangetoond is dat binnen het bestaande bouwvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor uitbreiding; Er is geen bestaand bouwvlak waar mogelijkheden hiervoor zijn. c. de vergroting, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering dan wel vanwege andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het bedrijf; De realisatie van het containerveld is noodzakelijk om de bedrijfsvoering aan te passen naar de noodzaak om meer teelten uit de grond te gaan doen. De vraag naar hoogwaardig uitgangsmateriaal in de zachtfruitteelt neemt toe en daar wil initiatiefnemer op inspelen. d. de locatie van het containerveld ligt aansluitend aan het bouwvlak; De locatie is niet gelegen aansluitend aan het bouwvlak echter de noordzijde van het perceel is wel gelegen in het landbouwontwikkelingsgebied. e. de oppervlakte maximaal 1,5 hectare bedraagt; De grootte van het initiatief bedraagt circa 12,9 hectare en is hiermee groter dan de genoemde maximale maatvoering. f. de totale oppervlakte van het bouwvlak en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – containerteelt ' niet meer dan 3 ha bedraagt; De grootte van het initiatief bedraagt circa 12,9 hectare en is hiermee groter dan de genoemde maximale maatvoering. g.
de maximale afstand van de aan de wegzijde gelegen grens van het bestemmingsvlak tot de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' 200 m bedraagt; Het perceel ligt direct aangrenzend aan de bestemming Verkeer en is ontsloten via de Veulensewaterweg. h. er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
De verkeersaantrekkende werking is vergelijkbaar met het gebruik van het perceel voor vollegrondsteelten waar in de huidige situatie sprake van is. i. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein; Personenbusjes waarmee initiatiefnemer werkt kunnen op eigen terrein parkeren. j. de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing en/of voorziening wordt ingepast; Zie paragraaf 4.4 voor de landschappelijke inpassing. k. met het oog op de hemelwaterproblematiek dienen voorzieningen te worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater; Zie paragraaf 4.5 voor de waterparagraaf. l. de cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en/of abiotische waarden behouden dienen te blijven; Zie paragraaf 4.2.2 voor de paragraaf cultuurhistorie en archeologie alsook paragraaf 4.3 inzake Flora en Fauna. m. er is een positief advies verkregen van de adviescommissie; Er heeft nog geen beoordeling door de adviescommissie plaatsgevonden. Op basis van het bestemmingsplan kan aan nagenoeg alle (behoudens de maximale oppervlakte van 1,5 hectare) vermelde voorwaarden door initiatiefnemer worden voldaan.
Het is gelet op de maximale oppervlakte voor het gehele initiatief niet mogelijk om medewerking te verlenen middels de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Omdat niet aan alle wijzigingsvoorwaarden voldaan kan worden, heeft geen beoordeling van de adviescommissie plaatsgevonden. Er is wel een positief gemeentelijk standpunt ingenomen en er is een startgesprek met de gemeente gevoerd. Om toch medewerking aan het initiatief te kunnen verkrijgen is een herziening van het bestemmingsplan of een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure noodzakelijk. Vanwege de snelheid van realisatie is door initiatiefnemer gekozen voor een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure, deze ligt nu voor.
4. Omgevingsaspecten 4.1.
Milieuaspecten
4.1.1.Milieu Effect Rapportage
De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r.
staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.- beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden. Dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.-beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op bijvoorbeeld: ▪ ▪ ▪ ▪
De inrichting van het landelijk gebied; De aanleg van recreatieve voorzieningen; Een stedelijk ontwikkelingsproject; De aanleg van een industrieterrein.
De activiteit aanleg van een containerveld is geen activiteit welke in onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. is aangegeven. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r. beoordeling is voor situaties onder de drempelwaarden uit kolom 2 waarvoor een m.e.r. beoordeling noodzakelijk is, dus qua omvang relatief kleine activiteiten. Ook in deze situaties zijn er mogelijk toch belangrijke nadelige gevolgen voor milieu te verwachten. De vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingplan ontstaat als in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage: ▪ ▪
De activiteit wordt genoemd in kolom 1; Niet voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2.
De activiteit het omvormen van een vollegrondsperceel naar een containerveld is een niet genoemde activiteit in kolom 1 van onderdeel D. Het perceel blijft immers in gebruik voor tuinbouwteelten waarbij doordat de teelt uit de grond gaat er op milieugebied uitsluitend voordelen ontstaan.
Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten vanwege het planvoornemen kunnen worden uitgesloten en dat er mede gelet op de aanleiding voor dit plan geen reden is alsnog een formele MER-beoordeling te doorlopen.
4.1.2.Bodem
De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. M&A Bodem en Asbest heeft in opdracht van Arvalis een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd, welke als bijlage 3 aan deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. In het onderzoek is geconcludeerd dat gezien de resultaten uit het vooronderzoek kan worden gesteld dat op de voorliggende locatie geen bebouwing of verharding aanwezig is geweest. Op het perceel of in de directe omgeving zijn geen bodembedreigende activiteiten bekend. Op basis van dit onderzoek kan worden gesteld dat geen vervolgonderzoek volgens de NEN 5740 / NEN 5707 behoeft te worden uitgevoerd in relatie tot het realiseren van het containerveld en de hiermee samenhangende ruimtelijke procedure aan de Veulensewaterweg ong..
Er gelden geen directe belemmeringen uit oogpunt van de bodemgesteldheid. Een veldwerkonderzoek volgens NEN 5740 is, op grond van de bevindingen van het vooronderzoek, niet noodzakelijk.
4.1.3.Bedrijven en milieuzonering
Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieu wet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar bedrijven zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In de navolgende tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen.
Milieucategorie
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Afbeelding 4 Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden.
Een grondgebonden agrarisch bedrijf (Akkerbouw en fruitteelt) valt onder categorie 2. De richtafstand bedraagt 30 meter. Ten aanzien van de ruimtelijke effecten van de omgeving op het plangebied wordt opgemerkt dat in de nabijheid geen bebouwing is gesitueerd die mogelijk een belemmerende factor oplevert voor het voorliggende plan. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor realisering van de beoogde plannen.
4.1.4.Luchtkwaliteit
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: ▪ ▪
negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen zijn daarnaast vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a. Er is geen sprake van een toename van fijnstof (PM10/PM2,5) of Stikstofdioxide (NO2), aangezien sprake is van percelen welke onderdeel zijn van het bouwplan. Daarnaast zal een goed woon- en leefklimaat voor de woningen gegarandeerd moeten worden.
Voor wat betreft de bedrijfsvoering van initiatiefnemer is het aspect fijn stof niet relevant. Daarom is gekeken naar de RIVM/Ministerie VWS kaarten met daarin de achtergrondconcentraties voor PM10, PM 2,5 en NO2. Gezien de lage waarden van de achtergrondconcentraties in het gebied van PM10 (ca. 21 Mg/m3, norm 40 Mg/m3), PM2,5 (ca. 14 Mg/m3, norm 25 Mg/m3) en NO2 (ca. 17
Mg/m3, norm 40 Mg/m3) kan vastgesteld worden dat er geen normoverschrijdingen plaatsvinden. Er kan dan ook gesteld worden dat er geen nadelige effecten optreden voor een goed woon- en leefklimaat.
4.1.5.Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). De geluidbelasting van aangevraagde activiteiten op woningen in de omgeving dient normaliter beoordeeld te worden met behulp van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Handreiking), uitgebracht door het voormalige ministerie van VROM. De Handreiking beveelt aan om bij vergunningaanvragen voor een bestaande inrichting de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Deze richtwaarden zijn opgenomen in tabel 4 van de Handreiking: aard van de woonomgeving
landelijke omgeving rustige woonwijk, weinig verkeer woonwijk in de stad
aanbevolen richtwaarden in dB(A) dag (7-19 avond (19-23 uur) uur) 40 35 45 40
nacht (23-7 uur) 30 35
50
40
45
Afbeelding 5 Tabel richtwaarden voor woonomgevingen
De omgeving van de inrichting kan op basis van de Handreiking worden getypeerd als landelijke omgeving (rustig buitengebied met veel agrarisch grondgebruik, verspreid liggende bebouwing en bosgebied). Op het perceel van het containerveld zullen in ieder geval werkzaamheden en laad -en losactiviteiten worden uitgevoerd, die een geluidemissie veroorzaken. Verder zullen er voor de beregening ook elektrapompen in werking zijn. Ook in de huidige situatie, het gebruik van het perceel als vollegrondsperceel, zijn er geluidsemissies. Gezien de grote afstand van de beperkte geluidsbronnen op het containerveld heeft geen akoestisch onderzoek plaatsgevonden. Daarbij vindt geen toename plaats van geluid daar er reeds sprake is van teelt van aardbeiplanten in de huidige situatie.
4.1.6.Spuitzones De aanleg van het containerveld heeft in principe geen consequenties voor de intensiteit van bespuitingen op het perceel. Bij het huidige gebruik van het perceel als zijnde vollegrondsperceel zijn immers ook bespuitingen noodzakelijk. Er is dus reeds sprake van bestaand gebruik.
4.2.
Ruimtelijke aspecten
4.2.1.Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden.
Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. Risicovolle inrichtingen (bevi) De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovolle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6 /jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)).
Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 106/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord.
Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Het enige aangegeven bedrijf is gelegen aan de Veulensewaterweg 17 en valt in de categorie “fokken en houden van varkens”. Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee
wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen van belang. Nabij het plangebied is dit de Maas, en de provinciale wegen N270 en N271. De afstand tot beide provinciale wegen bedraagt meer dan 1 kilometer en de afstand tot de Maas meer dan 800 meter. Het plangebied ligt hierdoor ver buiten de plaatsgebonden risicocontour en buiten het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico. Er ligt een leiding van de Gasunie in de nabijheid van het plangebied. Echter is deze op een dusdanige afstand gelegen dat deze geen invloed op het planvoornemen heeft.
4.2.2.Cultuurhistorie en Archeologie 4.2.2.1. Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een ruimtelijk plan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historischlandschappelijk, historisch-, geografisch en/of historisch-bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd, maar zijn niet aanwezig binnen het plangebied.
4.2.2.2. Archeologie
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Op het besluitgebied ligt de dubbelbestemming “Archeologie 2”. Indien binnen deze dubbelbestemming de verstoring meer dan 500 m² bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm dient de aanvrager een archeologisch rapport te overleggen, waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. De oppervlakte van het te verstoren terrein is groter dan 500m². Door ArcheoPro is derhalve een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 aan deze onderbouwing toegevoegd. In het onderzoek is geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding geven om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden.
4.2.3.Mobiliteit en parkeren
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Het plangebied zal na realisatie van het containerveld worden ontsloten via de Veulensewaterweg en verder via de Midden Peelweg. Ten aanzien van de verkeerstructuur kan worden gesteld dat het planvoornemen niet leidt tot een noemenswaardige wijziging ten opzichte van de bestaande situatie. Ten aanzien van het aspect parkeren kan worden gesteld dat er op het eigen perceel zal worden geparkeerd (conform de bestaande situatie) indien er werkzaamheden op het perceel worden uitgevoerd. Daarbij zullen de bestaande ontsluitingen van het perceel ook in de nieuwe situatie worden gebruikt. Tijdens de realisatie van het containerveld zal sprake zijn van een verhoogde intensiteit van verkeersbewegingen. Verder zal, net als in de huidige situatie, sprake zijn van
verkeersbewegingen vanwege de werkzaamheden met betrekking tot de teelt van aardbeiplanten op het perceel. Hiervoor zal tijdelijk geparkeerd worden op het perceel welke omgevormd wordt tot containerveld. Na realisatie zal met tractoren gewerkt worden om de gewassen op het veld te zetten, te verzorgen en van het containerveld te halen. Hiervoor zullen de paden op het veld gebruikt worden om te parkeren.
4.2.4.Niet gesprongen explosieven Het gehele grondgebied van Venray heeft in de 2e wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele ontwikkelingen of uitbreidingen in dit gebied, waar na de 2 e wereldoorlog nog niet in de grond werd geroerd en er geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar NGE (detectieonderzoek).
4.2.5.Kabels en leidingen
In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische beschermd moeten worden. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3.
Flora en Fauna
4.3.1.Gebiedsbescherming
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten zuidwesten van de locatie is het Natura2000 gebied Deurnsche Peel & Mariapeel gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 2,8 kilometer.
Afbeelding 6 Uitsnede afstand Natura 2000 (bron: natura2000.eea.europa.eu)
Resultaat AERIUS-berekeningen bouwfase: Middels het rekenmodel AERIUS Calculator is berekend of de emissies in de bouwfase resulteren in stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit het rekenmodel volgt dat in de bouwfase er geen sprake is van stikstofdepositie, dus kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Dat betekent dat voor het berekende project geen nadelige gevolgen te verwachten zijn voor de omliggende Natura 2000-gebieden. In bijlage 7 zijn de uitgangspunten voor de bouwfase ingesloten met interne saldering van het voorliggende landbouwkundige gebruik. In bijlage 7b is de AERIUS berekening ingesloten. Resultaat AERIUS-berekeningen gebruiksfase: Middels het rekenmodel AERIUS Calculator is berekend of de emissies in de gebruiksfase resulteren in stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit het rekenmodel volgt dat in de gebruiksfase er geen sprake is van stikstofdepositie, dus kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Dat betekent dat voor het berekende project geen nadelige gevolgen te verwachten zijn voor de omliggende Natura 2000-gebieden. In bijlage 7 zijn de uitgangspunten voor de gebruiksfase ingesloten met interne saldering van het voorliggende landbouwkundige gebruik. In bijlage 7c is de AERIUS berekening ingesloten. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er geen vergunningsplicht is voor de betreffende aanvraag.