Bijlage 16 NGO CE vooronderzoek
Tekst van het document
Aanleg van kabels en leidingen CONTRA-INDICATIE
WIJZIGING EN/OF AANLEG INFRASTRUCTUUR
ALGEMENE OMSCHRIJVING
Betreft wijzigingen in en/of de aanleg van (spoor)wegen en kabels en leidingen.
INFORMATIE OVER DE LOCATIE 1. Wat is de huidige maaiveldhoogte? 2. Welke wijzigingen hebben plaatsgevonden? 3. Waar heeft de wijziging plaatsgevonden?
4. Wanneer heeft de wijziging plaatsgevonden?
128-024-VO-01
De huidige maaiveldhoogte van het onderzoeksgebied ligt op zo’n 25 meter boven NAP. Er zijn kabels en leidingen aangelegd binnen het onderzoeksgebied. De wijziging heeft plaatsgevonden in verschillende delen van het onderzoeksgebied. Dit is zichtbaar in figuur 18. Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet eenduidig vast te stellen. Pagina 90 van 128
CONTRA-INDICATIE
WIJZIGING EN/OF AANLEG INFRASTRUCTUUR
ALGEMENE OMSCHRIJVING
Betreft wijzigingen in en/of de aanleg van (spoor)wegen en kabels en leidingen.
INFORMATIE OVER DE LOCATIE 5. Is daarbij de grond geroerd c.q. opgebracht? 6. Tot welke diepte is de grond geroerd? 7. Wat is de invloed daarvan (geweest) op de maaiveldhoogte? 8. Is er grondverbetering uitgevoerd?
Ja, de grond is geroerd. Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet eenduidig vast te stellen. Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet eenduidig vast te stellen. Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet eenduidig vast te stellen. Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet eenduidig vast te stellen.
9. Wat is er gebeurd met het afgevoerde/verplaatste materiaal? INFORMATIE MET BETREKKING TOT DE WERKWIJZE EN INGEZETTE MIDDELEN 10. Op welke wijze is de wijziging van het maaiveld is Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet gerealiseerd? eenduidig vast te stellen. 11. Welk type werkzaamheden zijn uitgevoerd? Het is aannemelijk dat er ontgravingen hebben plaatsgevonden voor de aanleg van kabels en leidingen. INFORMATIE ALGEMEEN 12. Wat was de maaiveldhoogte tijdens de Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet conflictperiode? eenduidig vast te stellen. 13. Is het maaiveld na de conflictperiode in hoogte Dit is op basis van het bronnenmateriaal niet gewijzigd? eenduidig vast te stellen. Tabel 14: Onderzoeksvragen na-conflictperiode voor het beargumenteerd aanmerken van verdacht gebied.
Bovenstaande contra-indicaties worden meegenomen in de afbakening van verdacht gebied.
5.3
HORIZONTALE AFBAKENING VERDACHT GEBIED
Het verdachte gebied zal in deze paragraaf horizontaal worden afgebakend aan de hand van het gestelde in paragraaf 5.1 en paragraaf 5.2, alsmede de uitgangspunten in het CS-VROO-02. De uitgangspunten in het CS-VROO-02 bieden geen sluitende afbakeningsmethodiek. Er mag beredeneerd van worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer het uitgangspunt niet aansluit bij de specifieke situatie in het vooronderzoek. Het verdachte gebied wordt bij dit vooronderzoek als ArcGIS Shapefile-bestand aangeleverd en kan in de meeste GIS-systemen worden ingeladen. Het verdachte gebied is gekoppeld aan een unieke GIS ID. Deze is terug te vinden bij de betreffende indicaties in de chronologische overzichtstabel in paragraaf 3.2, in paragraaf 5.4 ‘Mogelijk aan te treffen Ontplofbare Oorlogsresten’, en in de bijgeleverde shapefile met verdacht gebied.
128-024-VO-01
Pagina 91 van 128
-
Artilleriebeschietingen (GIS ID: 001)
Vanaf oktober 1944 heeft Venray onder artillerievuur van zowel de geallieerden alsook de Duitsers gelegen. Het zwaartepunt van de beschietingen lag op de dagen rondom de bevrijding van Venray op 18 oktober 1944. Op de luchtfoto van 15 oktober 1944 zijn kraters van geschutmunitie waargenomen binnen de contouren van het onderzoeksgebied. Op 16 oktober 1944 werd door de Engelsen een barrage uitgevoerd. Het ingetekende doelgebied van de barrage vertoont overlap met het gehele onderzoeksgebied. Na de bevrijding van Venray bleven Duitse eenheden artilleriebeschietingen op het dorp uitvoeren. AFBAKENINGSMETHODE Vanwege de grote verschillen in spreidingspatronen door afstanden, ingezette middelen en beschikbaar bronmateriaal is een eenduidige afbakening van artilleriebeschietingen tegen gronddoelen niet mogelijk. Iedere artilleriebeschieting tegen gronddoelen moet daarom per situatie beoordeeld worden. De beantwoording van de onderzoeksvragen moet inzichtelijk maken hoe de analyse tot stand is gekomen. UITGANGSPUNT BESCHIETING TEGEN GRONDDOELEN Verwachtingsgebieden worden uitsluitend afgebakend op basis van luchtfoto’s en/of primaire historische bronnen met betrouwbare locatieverwijzing (war diaries, KTB’s, schaderapporten, evt. MORA’s).
De onderzoeksvragen betreffende artilleriebeschietingen hebben tot de volgende feitelijke bevindingen geleid: - Gedurende de dagen rondom de bevrijding van Venray en daarna kreeg het dorp te maken met veelvoudige geallieerde en Duitse artilleriebeschietingen. Vooral de kom van het dorp had hieronder te lijden. Het onderzoeksgebied is gelegen in de kom van Venray. - Op de luchtfoto van 15 oktober 1944 zijn waarschijnlijke kraters van geschutmunitie waargenomen binnen de contouren van het onderzoeksgebied. - Op 16 oktober 1944 is door de geallieerden een barrage uitgevoerd. Het doelgebied van de barrage vertoont overlap met het gehele onderzoeksgebied. - De schadekaart van kom Venray geeft weer, dat veel huizen in de buurt van het onderzoeksgebied zwaar beschadigd waren. - In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn eind 1944 granaten en “projectielen” gevonden aan verschillende adressen aan onder andere de Hoenderstraat en de Eindstraat. - Uit de EOD-meldingen blijkt dat in de periode 1971 tot heden in de omgeving van het onderzoeksgebied regelmatig geschutmunitie is aangetroffen. - In 2015 is bij opsporingswerkzaamheden bij het Venrays Museum, vanaf zo’n 30 meter afstand van het onderzoeksgebied, geschutmunitie aangetroffen.
Aan de hand van de bovenstaande onderzoeksresultaten wordt het gehele onderzoeksgebied aangemerkt als ‘Verdacht op verschoten geschutmunitie van geallieerde en Duitse afkomst in de niet-naoorlogs geroerde bodem’.
128-024-VO-01
Pagina 92 van 128
-
Raketaanval door jachtbommenwerpers (GIS ID: 002)
Op 14 oktober 1944 vonden gedurende de gehele dag raketaanvallen van Typhoons op de kerktoren van de Sint Petrus’ Bandenkerk plaats. Deze kerk is gelegen op een afstand van zo’n 200 meter van het onderzoeksgebied. AFBAKENINGSMETHODE Vanwege de grote verschillen in spreidingspatronen is een eenduidige afbakening van raketbeschietingen niet mogelijk. Iedere raketbeschieting moet daarom per situatie beoordeeld worden. De beantwoording van de onderzoeksvragen moet inzichtelijk maken hoe de analyse tot stand is gekomen. De onderzoeksvragen betreffende artilleriebeschietingen hebben tot de volgende feitelijke bevindingen geleid: - Op 14 oktober 1944 vonden gedurende de gehele dag raketaanvallen van Typhoons plaats, met als doel de toren van de Sint Petrus’ Bandenkerk, gelegen op zo’n 200 meter afstand van het onderzoeksgebied. - Niet alle inslaglocaties kunnen aan de hand van het geraadpleegde archiefmateriaal en luchtfotoanalyse naar een locatie worden herleid. - Eind 1944 is achter het perceel aan de Hoenderstraat 10, in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied, een “raketbom” gevonden. - Op luchtfoto’s van 15 oktober 1944 zijn in de directe omgeving van de bovenstaande vondstlocatie kraters waargenomen die mogelijk van raketten afkomstig zijn. - In de directe omgeving van het onderzoeksgebied zijn op de luchtfoto’s van 15 oktober 1944 verwoeste panden waargenomen.
- In 1993 werd bij de kerk een staartstuk van een raket aangetroffen. In 2006 werd in de Hofstraat een gevechtskop van een raket geruimd. Aan de hand van bovenstaande onderzoeksresultaten wordt een deel van het onderzoeksgebied aangemerkt als ‘Verdacht op verschoten raketten van geallieerde afkomst in de niet-naoorlogs geroerde bodem’. Voor de horizontale afbakening is de kaart geraadpleegd die in figuur 7 zichtbaar is. Deze kaart toont de inslaglocaties van raketten rondom de kerk, zoals deze na de aanvallen zijn ingetekend. Als uitgangspunt voor het bepalen van verdacht gebied is gekeken naar de grootste onderlinge afstand van twee inslagen van raketten aan de noordwestelijke zijde van de kerk. De grootste onderlinge afstand tussen twee inslagen bedraagt 40 meter. Met inachtneming van vijf meter geoafwijking resulteert dit in een buffer van 45 meter voor de afbakening van verdacht gebied. De punten waaruit de afbakening van verdacht gebied heeft plaatsgevonden, zijn de drie meest zuidelijk gelegen kraters binnen de contouren van het onderzoeksgebied en een zwaar beschadigd pand aan de oostelijke zijde van het onderzoeksgebied, die zichtbaar zijn op de luchtfoto’s van 15 oktober 1944. De drie meest zuidelijk gelegen kraters zijn als uitgangspunt genomen omdat deze zich dicht bij de locatie bevinden, waar eind 1944 een raketbom is aangetroffen.
Het beschadigde pand is 128-024-VO-01
Pagina 93 van 128
als uitgangspunt genomen omdat in literatuur is gesteld dat panden aan de Eindstraat beschadigd raakten door de raketbeschietingen op de Sint Petrus’ Bandenkerk op 14 oktober 1944. De volgende feitelijk herleidbare indicaties zijn achterhaald met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied en in het navolgende schema in kleur weergegeven: AANNEMELIJKE OORZAKEN VOOR DE AANWEZIGHEID VAN ACHTERGEBLEVEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
LUCHTAANVALLEN
Bombardement
Beschieting met boordwapens
Beschieting met raketten
Vliegtuigcrash/ Inslag V-wapen
GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)
Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)
In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven
MUNITIE VERNIETIGING
MILITAIR
MUNITIE OPSLAG
Springputten en dergelijke
Militair oefenterrein
Munitie fabricage en/of opslag
Munitiedump of stort
Stationering militairen
Munitie inrichtingen
Munitiedump in water
Vliegveld
Incident munitieopslag
(afzinking)
Mijnenveld(en)
(explosie)
Vernielingsactiviteiten
Figuur 19: Schema met achterhaalde oorzaken/scenario’s voor indicaties betreffende de vermoedelijke aanwezigheid van OO op basis van de geraadpleegde bronnen.
De gebieden die naar aanleiding van de horizontale afbakening zijn aangemerkt als verdacht ‘in de niet-naoorlogs geroerde’ bodem op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten, zijn weergegeven op de Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten in Bijlage 1.
5.4
MOGELIJK AAN TE TREFFEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
Op basis van de resultaten uit de bronnenstudie is getracht informatie te achterhalen over de indicaties welke hebben geleid tot de afbakening van verdacht gebied. De achterhaalde informatie is weergegeven in de navolgende tabel. De indicatie is voorzien van een GIS ID, zodat het betreffende verdachte gebied gemakkelijk is terug te vinden in de attributentabel in GIS. Om het zoekdoel bij eventuele opsporingswerkzaamheden te bepalen, wordt aangeraden om de GIS-bestanden te raadplegen in combinatie met de onderstaande tabel.
128-024-VO-01
Pagina 94 van 128
ID
INDICATIE
HERKOMST
HOOFDSOORT
SUBSOORT
KALIBER
VERSCHIJNINGSVORM AANTAL
001
Artilleriebeschietingen
Geallieerd
Geschutmunitie
Brisant, rook
Verschoten
Niet feitelijk vast te stellen
Duits
Geschutmunitie
Brisant (o.a. pantser)
o.a. 2” mortier, 3” mortier (o.a. fosfor), 75 mm, 25 ponder, 3.7”, 105 mm, 4.5”, 5.5”. o.a. 2 cm, 7,5 cm, 7,62 cm, 8 cm mortier, 10 cm mortier, 10,5 cm.
Verschoten
Niet feitelijk vast te stellen
Geallieerd
Raketten
Semi Armoured Piercing (SAP)
60lbs
Verschoten
Niet feitelijk vast te stellen
002
Raketaanval door jachtbommenwerpers
Tabel 15: Mogelijk aan te treffen Ontplofbare Oorlogsresten binnen de als ‘verdacht’ aangegeven gebieden.
128-024-VO-01
Pagina 95 van 128
5.5
VERTICALE AFBAKENING
Om de te verwachten diepte van de vermoede OO vast te kunnen stellen, dient bezien te worden van welke verschijningsvorm er wordt uitgegaan, in dit geval: ▪ ▪
Verschoten (Geschutmunitie, GIS ID: 001) Verschoten (Raketten, GIS ID: 002)
Bij het bepalen van de verticale afbakening is specifiek rekening te worden gehouden met in ieder geval het bodemtype, gewicht en kaliber/diameter van de OO. Aangezien de gegevens voor het merendeel van de benodigde parameters (bijvoorbeeld verwachte snelheid, inslaghoek ed.) ontbreken en/of niet achterhaalbaar zijn, is het niet mogelijk om een op feiten gebaseerde rekenmethode voor de penetratiediepte voor verschoten OO toe te passen. Derhalve hanteert ECG een afbakening op basis van ervaringen met de aangehaalde OO in gelijksoortige omstandigheden. Naoorlogse verhogingen of ontgravingen kunnen van invloed zijn op de diepte-indicaties.
De ervaringswaarden voor de verschoten geschutmunitie artikelen zijn mede gebaseerd op de door ECG uitgevoerde opsporingswerkzaamheden ten behoeve van het project ‘Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Gedurende dit project zijn ca. 300 (restanten van) Ontplofbare Oorlogsresten aangetroffen in zand en kleibodem. ECG acht deze informatie voldoende representatief voor het opstellen van de verticale afbakening. In de onderstaande tabel zijn de maximale dieptes opgenomen (de minimale diepten van de aangetroffen artikelen reikten van op het maaiveld tot enkele centimeters eronder, bij een aantal artikelen bestond het vermoeden dat deze in de loop der jaren ‘omhoog geploegd’ zouden kunnen zijn). Voor de verticale afbakening van het verdachte gebied wordt gekeken naar gelijksoortige kalibers als de OO die vermoedelijk in het huidige onderzoeksgebied kunnen worden aangetroffen. GESCHUTMUNITIE: VERSCHIJNINGSVORM VERSCHOTEN KALIBER (SUBSOORT) NATIONALITEIT 4.2inch mortiergranaat (brisant) 25 ponder (Rook) granaat 3inch mortiergranaat (brisant) 15,2cm (brisant) granaat 12cm mortiergranaat (brisant) 15cm raket (brisant) 8cm mortiergranaat (brisant) 15cm (brisant) granaat 10,5cm (brisant) granaat 3.7inch (brisant) granaat 25 ponder (brisant) granaat 8cm raket (brisant) 8,8cm (brisant)granaat 20mm (brisant) granaat 10cm mortiergranaat (brisant)
128-024-VO-01
Geallieerd Geallieerd Geallieerd Duits Duits Duits Duits Duits Duits Geallieerd Geallieerd Duits Duits Geallieerd Duits
AANGETROFFEN MAXIMALE DIEPTE T.O.V. MV TEN TIJDE OPSPORING -1,65m -1,50m -1,50m -1,50m -1,40m -1,20m -1,01m -1m -0,90m -0,85m -0,8m -0,51 -0,50 -0,50 -0,45
Pagina 96 van 128
2inch mortiergranaat (rook)
Geallieerd
-0,35
Tabel 16: Overzicht maximale dieptewaarden aangetroffen Ontplofbare Oorlogsresten tijdens opsporingswerkzaamheden in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Opmerkelijk zijn de dieptewaarden van de aangetroffen (middel) zware mortiergranaten. Tevens is aan de data van opsporing te ontlenen dat de grotere kalibers geschut granaten diep indringen. De aangetroffen 2inch mortiergranaten en 20mm werden tot -0,50m -mv aangetroffen.
De verticale afbakening is in de tabel op de volgende pagina weergegeven. In hoofdstuk 4 zijn aanwijzingen achterhaald dat bodemlagen binnen het verdachte gebied reeds naoorlogs zijn geroerd. Maatvoering omtrent deze grondroerende werkzaamheden ontbreekt. De geroerde bodemlaag is de ‘onverdachte laag na bodemingrepen’. ECG gaat ervanuit dat eventueel aangetroffen OO bij de eerdere grondroerende werkzaamheden zijn gemeld en geruimd, waardoor deze geroerde bodemlaag niet langer als verdacht wordt aangemerkt.
128-024-VO-01
Pagina 97 van 128
ID
HOOFDSOORT
VERSCHIJNINGSVORM
001
Geschutmunitie
Verschoten
002
Raketten
Verschoten
MINIMALE DIEPTE
MAXIMALE DIEPTE
MINIMALE DIEPTE
MAXIMALE DIEPTE
MINIMALE DIEPTE
MAXIMALE DIEPTE
-MV WOII
-MV WOII
-MV HEDEN
-MV HEDEN
N.A.P.
N.A.P.
0,10m -MV Of: onder onverdachte laag na bodemingrepen 0,10m -MV Of: onder onverdachte laag na bodemingrepen
2m -MV
Situaties in relatie tot WOII zijn niet eenduidig vast te stellen.
2,50m -MV
Situaties in relatie tot WOII zijn niet eenduidig vast te stellen.
Tabel 17: Overzicht globale inschatting diepteligging.
128-024-VO-01
Pagina 98 van 128
6 LEEMTEN IN KENNIS ▪
Van eventuele meldingen of ruimingen van (vermoede) explosieven in of direct grenzend aan het onderzoeksgebied zijn over de periode 1940-1944 en 1948-1970 geen gegevens meer bekend bij de EOD en het SSA.
▪
Er heeft beperkte controle plaatsgevonden of de ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen.
▪
Bepaalde indicaties die zijn aangetroffen in literatuur en archiefstukken en meldingsrapportages van de EOD zijn niet te herleiden naar een specifieke locatie.
▪
Blindgangers van luchtdoelartillerie worden conform het gestelde in het CS-VROO-02 niet in de resultaten van het onderzoek meegenomen.
▪
ECG beschikt niet over de complete informatie aangaande de maatvoering van de waargenomen naoorlogse grondroerende werkzaamheden.
▪
ECG gaat er redelijkerwijs vanuit dat bij de grondroerende werkzaamheden eventuele OO zouden zijn opgemerkt, gemeld en geruimd. Het is echter niet uit te sluiten dat er OO over het hoofd zijn gezien of niet zijn gemeld.
▪
ECG beschikt niet over Kriegstagebücher van de Duitse eenheden die in de omgeving van het onderzoeksgebied actief waren.
▪
De luchtfotoanalyse wordt bemoeilijkt door begroeiing in het onderzoeksgebied en het stedelijk karakter van de omgeving van het onderzoeksgebied.
▪
Kraters van geschutmunitie en raketten zijn op luchtfoto’s niet altijd eenduidig van elkaar te onderscheiden.
▪
Er zijn geen luchtfoto’s van bruikbare kwaliteit beschikbaar voor de periode net na de bevrijding van het onderzoeksgebied.
▪
Enkele luchtfoto’s zijn van matige kwaliteit, waardoor de luchtfotoanalyse bemoeilijkt wordt.
128-024-VO-01
Pagina 99 van 128
7 CONCLUSIE EN ADVIES ECG heeft een Vooronderzoek Compleet uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied ‘Hoendersveld te Venray’.146 Het doel van deze studie is het verkrijgen van een gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1.
Is het onderzoeksgebied of een deel hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen en potentieel verdacht (aanwijzingen/indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten)? Het onderzoeksgebied is betrokken geweest bij oorlogshandelingen. Vanaf begin oktober 1944 werd Venray met geallieerde artillerie bestookt. Het hoogtepunt van deze geallieerde beschietingen lag rond de bevrijding van Venray op 18 oktober. Het onderzoeksgebied ligt in het centrum van Venray, dat zwaar getroffen werd. Verder werd op 14 oktober de Sint Petrus’ Bandenkerk, op zo’n 200 meter van het onderzoeksgebied gelegen, de gehele dag aangevallen door Typhoons die raketten afschoten op de toren van de kerk. Op luchtfoto’s van 15 oktober 1944 zijn kraters waargenomen binnen het onderzoeksgebied en in de directe omgeving daarvan. Ook werd een groot deel van de bebouwing in de omgeving van het onderzoeksgebied verwoest of zwaar beschadigd. Na de bevrijding kwam het dorp onder Duits artillerievuur te liggen. Eind 1944 werd in de directe omgeving van het onderzoeksgebied een raket geruimd. Omwille van voorgaande is het gehele onderzoeksgebied als VERDACHT op geschutmunitie en een deel van het onderzoeksgebied als VERDACHT op raketten geclassificeerd.
2.
Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als onverdacht kan worden aangemerkt (aanwijzingen contraindicaties)? Door de jaren heen is er binnen de contouren van het onderzoeksgebied bebouwing gerealiseerd en weer verwijderd. In het noorden en het zuiden van het gebied zijn parkeerplaatsen gerealiseerd. Rondom het gebouw dat vandaag de dag in het onderzoeksgebied staat, is verharding aangelegd. Tevens zijn er kabels en leidingen gelegd. Maatvoering omtrent de bodemroerende werkzaamheden ontbreekt. Daardoor kan enkel worden gesteld dat de geroerde bodemlagen als ‘onverdachte laag na bodemingrepen’ worden beschouwd.
3.
Indien er sprake is van verdacht gebied wat is dan de hoofdsoort, subsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Ontplofbare Oorlogsresten (en voor de hoofdsoort afwerpmunitie tevens het type ontstekingsinrichting en het verwachte aantal)?
146 ECG raadt de opdrachtgever aan om de bevindingen van deze bureaustudie te delen met de betreffende gemeente
waarin het onderzoeksgebied zich bevindt.
128-024-VO-01
Pagina 100 van 128