B1.3 - Motivering TAM-IMRO Achter de Jera fase II (13-05-2026)
Tekst van het document
Binnen een straal van 100 meter liggen 2 bedrijfsmatige activiteiten. Het betreft: 1 Claessens Interieurbouw, een bedrijf in de categorie 2. 2 De Jera, een maatschappelijke functie (jongerencentrum). Voor beide activiteiten geldt dat de hindercirkel maximaal 30 meter is. Daarbij zijn bij beide activiteiten al woningen dichterbij gelegen dan het onderhavige plangebied. Echter is het gebied een gemengd gebied, hier geldt dus een hindercirkel van maximaal 10 meter. De geplande woningen zijn niet gelegen binnen 10 meter van deze bedrijven.
Ach.Jer.25.mot-01
22
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
4.5.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘activiteiten en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Geluid 4.6.1 Beoordelingskader De regelgeving met betrekking tot aanvaardbaar geluid door een weg of spoorweg op een geluidsgevoelig gebouw staan beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarnaast kan er ook lokaal beleid van toepassing zijn. Voor deze nieuwe ontwikkeling zal daarom getoetst worden aan beide kaders.
4.6.2 Besluit kwaliteit leefomgeving Voor een nieuw geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten in een geluidaandachtsgebied bevat het Bkl een afwegingssystematiek met een standaardwaarde en een grenswaarde (artikel 5.78 Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Bij meer geluid dan de standaardwaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw gelden extra eisen. Voor de beoogde situatie zijn alleen gemeentewegen van belang. Tabel 1: Standaard en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw Geluidbronsoort
Standaardwaarde (voorkeurswaarde) [in Lden]
Grenswaarde (maximale waarde) [in Lden]
53 Lden
70 Lden
Gemeentewegen en Waterschapswegen
4.6.3 Eisen bij meer geluid dan de standaardwaarde Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Bij deze afweging gelden een aantal eisen. In de beoogde situatie is geluid boven de grenswaarde niet toegestaan.
4.6.4 Geluid tot en met grenswaarde Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: • Geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78u, lid 1a Bkl). • De overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78u, lid 1 onder b Bkl). • Bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, lid 2 Bkl). • Het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78ac Bkl). • Het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78ad Bkl). • Het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel bij het overwegen van geluidbeperkende maatregelen betrekt (5.78ab lid 1 Bkl).
4.6.5 Beleid gemeente Venray Het plangebied valt in het omgevingsplan gemeente Venray. Hierbij betreft het een tijdelijk omgevingsplan, waarbij het bestemmingsplan van vóór 2024 is overgegaan in het tijdelijk omgevingsplan. Dit omgevingsplan bevat geen aangepast beleid voor (spoor)weggeluid. Daarnaast is er op het moment van de tervisielegging van onderhavig plan geen beleidsregel of verordening van kracht binnen de gemeente Venray met betrekking tot (spoor)weggeluid. Er zijn hierdoor geen aanvullende regels van toepassing binnen de berekening en beoordeling van het (spoor)wegverkeerslawaai.
Ach.Jer.25.mot-01
23
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
4.6.6 Beoordeling geluid wegverkeer Embridge heeft een onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting wegverkeer op de nieuw te realiseren woningen, zie bijlage 2. Uit deze beoordeling blijken de onderstaande berekende geluidbelastingen (Lden) op de toetspunten ter plaatse van de woningen in het project. Tabel 2: Rekenresultaten gemeentewegen Toetspunt 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41
2,0 m (b,g,) 40 38 35 34 37 40 44 44 44 49 46 43 -42 -39 37 46 40 44 44 44 45 44 46 40 29 32 28 43 35 43 36 43 35 40 42 40 34 41 34
Hoogte [meter] 5,0 m (1e) 41 39 36 35 38 40 44 44 ---44 35 42 -34 -----44 43 44 ---30 33 30 43 37 44 37 43 37 40 42 41 35 42 35
8,0 m (2e) 41 40 38 37 38 40 44 44 --------------------42 38 43 38 42 38 40 42 41 36 42 36
De hoogste geluidbelasting bedraagt 46 Lden op de begane grond bij toetspunt 18 (TP18_A), de oostgevel van de meest oostelijke levensloopbestendige hoekwoning. Verder blijkt dat de standaardwaarde van 53 Lden nergens
Ach.Jer.25.mot-01
24
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
wordt overschreden. Hiermee zijn er voor het geluid afkomstig van de gemeentewegen geen aanvullende eisen nodig.
4.6.7 Indirecte akoestische effecten Embridge heeft een onderzoek gedaan naar de akoestische invloed ten gevolge van het toenemende wegverkeer op de bestaande woningen, zie bijlage 12. Onderstaande tabel geeft de resultaten van wegverkeerslawaai op de bestaande woningen. Tabel 3: Resultaten wegverkeerslawaai bestaande woningen Hoogte Exclusief extra verkeer Naam Omschrijving [m] [dB] 01_A In de Wei blok 1 2 37,9 01_B In de Wei blok 1 5 38,9 02_A In de Wei blok 2 2 38,5 02_B In de Wei blok 2 5 39,5 03_A In de Wei blok 3 2 45,4 03_B In de Wei blok 3 5 44,8 04_A In de Wei blok 4 2 46,1 04_B In de Wei blok 4 5 45,5 05_A In de Wei blok 5 2 46,9 05_B In de Wei blok 5 5 46,0 06_A In de Wei blok 6 2 44,5 06_B In de Wei blok 6 5 44,2 07_A In de Wei blok 7 2 48,8 07_B In de Wei blok 7 5 47,5 08_A Heidse Peelweg 39 2 47,4 08_B Heidse Peelweg 39 5 47,5 09_A Heidse Peelweg 37 2 44,9 09_B Heidse Peelweg 37 5 45,2 10_A Heidse Peelweg 35 2 45,0 10_B Heidse Peelweg 35 5 45,0 11_A Heidse Peelweg 33 2 44,4 11_B Heidse Peelweg 33 5 44,4 12_A Heidse Peelweg 44 2 42,1 12_B Heidse Peelweg 44 5 42,3 13_A Heidse Peelweg 42 2 42,2 13_B Heidse Peelweg 42 5 42,4 14_A Heidse Peelweg 38 2 41,0 14_B Heidse Peelweg 38 5 41,4 15_A Heidse Peelweg 31 voorgevel 2 43,8 15_B Heidse Peelweg 31 voorgevel 5 44,0 16_A Heidse Peelweg 31 zijgevel 2 42,0 16_B Heidse Peelweg 31 zijgevel 5 42,5 17_A Heidse Peelweg 29
zijgevel 2 36,6 17_B Heidse Peelweg 29 zijgevel 5 37,1 18_A Heidse Peelweg 29 voorgevel 2 43,0 18_B Heidse Peelweg 29 voorgevel 5 43,2 19_A Heidse Peelweg 27 2 42,3 19_B Heidse Peelweg 27 5 42,6 20_A Heidse Peelweg 25 2 43,1 20_B Heidse Peelweg 25 5 43,3 21_A Heidse Peelweg 23 2 43,3 21_B Heidse Peelweg 23 5 43,6 22_A Heidse Peelweg 21 2 45,6 22_B Heidse Peelweg 21 5 45,7 23_A Kerkweg 30 2 40,4 23_B Kerkweg 30 5 40,8
Ach.Jer.25.mot-01
25
Inclusief extra verkeer [dB] 41,2 42,3 41,1 42,1 48,3 47,8 49,0 48,3 49,8 48,9 47,3 47,0 51,6 50,2 49,5 49,6 47,7 47,9 48,1 48,1 47,7 47,6 45,2 45,5 45,7 46,0 44,1 44,6 47,6 47,9 47,3 47,6 42,9 43,4 46,1 46,3 45,3 45,6 46,0 46,2 46,2 46,5 48,4 48,5 40,4 40,8
Verschil [dB] 3,3 3,4 2,6 2,6 2,9 3,0 2,9 2,8 2,9 2,9 2,8 2,8 2,8 2,7 2,1 2,1 2,8 2,7 3,1 3,1 3,3 3,2 3,1 3,2 3,5 3,6 3,1 3,2 3,8 3,9 5,3 5,1 6,3 6,3 3,1 3,1 3,0 3,0 2,9 2,9 2,9 2,9 2,8 2,8 0,0 0,0
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Tabel 3: Resultaten wegverkeerslawaai bestaande woningen Hoogte Exclusief extra verkeer Naam Omschrijving [m] [dB] 24_A Kerkweg 28 2 36,7 24_B Kerkweg 28 5 37,4 25_A Kerkweg 26 voorgevel 2 39,7 25_B Kerkweg 26 voorgevel 5 40,0 26_A Kerkweg 26 zijgevel 2 44,5 26_B Kerkweg 26 zijgevel 5 44,2 27_A Kerkweg 24 zijgevel 2 40,1 27_B Kerkweg 24 zijgevel 5 40,4 28_A Kerkweg 24 voorgevel 2 38,7 28_B Kerkweg 24 voorgevel 5 39,8 29_A Kerkweg 22 2 40,8 29_B Kerkweg 22 5 41,7 30_A Kerkweg 25 2 39,7 30_B Kerkweg 25 5 40,5 31_A Kerkweg 23 2 39,7 31_B Kerkweg 23 5 40,9 32_A Harrie Phillipsstraat 9/11 2 45,2 32_B Harrie Phillipsstraat 9/11 5 45,6 33_A Harrie Philipsstraat 5/7 2 46,1 33_B Harrie Philipsstraat 5/7 5 46,4 34_A Harrie Phillipsstraat 10/12 2 49,2 34_B Harrie Phillipsstraat 10/12 5 48,8 35_A Heidse Peelweg 41 voorgevel 2 51,0 35_B Heidse Peelweg 41 voorgevel 5 51,0 36_A Heidse Peelweg 41 zijgevel 2 45,3 36_B Heidse Peelweg 41 zijgevel 5 45,6
Inclusief extra verkeer [dB] 36,7 37,5 40,6 40,9 47,0 46,7 42,6 42,9 39,1 40,0 40,0 41,0 40,8 41,6 39,6 40,8 45,6 46,1 46,2 46,6 49,7 49,3 51,1 51,0 45,5 45,9
Verschil [dB] 0,0 0,1 0,9 0,9 2,5 2,5 2,5 2,5 0,4 0,2 -0,8 -0,7 1,1 1,1 -0,1 -0,1 0,4 0,5 0,1 0,2 0,5 0,5 0,1 0,0 0,2 0,3
Op geen van de woningen wordt de standaardwaarden voor gemeentelijke wegen overschreden. De toename van het verkeer door de realisatie van het nieuwbouwproject Achter de Jera II te Ysselsteyn zorgt niet voor een onacceptabel leefklimaat in de bestaande omgeving.
4.6.8 Toetsing industrielawaai Zoals vastgesteld in paragraaf 4.5 zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven of inrichtingen gesitueerd die mogelijk voor geluidhinder ter plekke van de beoogde woningen kunnen zorgen. De planlocatie is volledig omgeven door woningen. Derhalve is onderzoek naar effect van industrielawaai op de beoogde woningen niet noodzakelijk. Omgekeerd hebben de beoogde woningen geen effect op omliggende gevoelige functies.
4.6.9 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor het plan.
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
Ach.Jer.25.mot-01
26
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
•
het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt. In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds in “niet betekenende mate” bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
4.7.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 33 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.8 Geur 4.8.1 Regelgeving Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen moet worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Geurgevoelige gebouwen De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt: • gebouwen met een woonfunctie; • gebouwen met een onderwijsfunctie; • gebouwen met een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied); • gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (met bedgebied). Geurveroorzakende activiteiten Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in: • het houden van landbouwhuisdieren; • andere agrarische activiteiten; • zuiveringstechnische werken; • overige bronnen van geurhinder (vaak betiteld als industriële geurhinder).
4.8.2 Planspecifiek Bij de beoordeling of het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting) en de geurbelasting op het
Ach.Jer.25.mot-01
27
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
plangebied veroorzaakt door alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting) in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. Voorgrondbelasting Ter plaatse van het onderhavige plangebied geldt er, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding, conform de Geurverordening een geurnorm van 8 ouE/m3.
Figuur 10: Uitsnede geurnormenkaart Venray met globale aanduiding plangebied (blauwe cirkel)
Uit de geurhinderkaart met de voorgrondgeurbelastingen blijkt dat er geurhindercontouren van intensieve veehouderijen deels over het te ontwikkelen plangebied liggen. Echter betreft dit de geurcontour van 3 ouE/m3 . Ter plaatse van de gedeeltes van het plangebied die binnen deze geurcontour vallen geldt een geurnorm van 8 ouE/m3 . Hiermee wordt er aan de normen voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting.
Ach.Jer.25.mot-01
28
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Figuur 11: Uitsnede geurkaart Venray met globale aanduiding plangebied (blauwe cirkel)
4.8.3 Conclusie Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.9 Water 4.9.1 Regelgeving Waterschap Limburg Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. Het waterschapsbeleid is vastgelegd in het “Waterbeheerprogramma 2022-2027: Limburg water in een veranderend klimaat”, vastgesteld op 8 december 2021. In dit programma zet het waterschap de koers uit voor toekomstbestendig waterbeheer in Limburg, met als kerntaken het zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het programma is opgenomen hoe het waterschap het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen en houden. Daarbij worden maatregelen uitgevoerd zoals het verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van wateroverlastknelpunten en het herstellen van beken en effluentkwaliteit van rioolwaterzuiveringsinstallaties. In de brochure “regenwater schoon naar beek en bodem” is de voorkeursvolgorde beschreven voor het afkoppelen van regenwater bij nieuwbouw: vasthouden, bergen en afvoeren. Bij de realisatie van verharde terreinen en gebouwen geldt het principe van ‘waterneutraal bouwen’. Dit houdt in dat het hemelwater zoveel mogelijk lokaal wordt verwerkt door middel van berging en infiltratie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat: Regenwater wordt geïnfiltreerd in de bodem via bergings- en infiltratievoorzieningen, zodanig gedimensioneerd dat een bui van 60 mm in 2 uur kan worden geborgen.
De voorziening binnen 24 uur weer beschikbaar moet zijn voor een volgende bui.
Ach.Jer.25.mot-01
29
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
-
Bij extreme buien (T=100, circa 45 mm in 30 minuten) mag geen overlast optreden. Overstort op riool is daarbij niet toegestaan.
Gemeente Venray De gemeente Venray hanteert voor nieuwbouw en inrichting van de openbare ruimte de “Toetssteen Openbare Ruimte (2022)” en het “Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2025 (GRP)”. Deze documenten bevatten de uitgangspunten en ontwerpcriteria voor de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater. Belangrijke ontwerpuitgangspunten voor het hemelwatersysteem zijn: De watertoetsprocedure vormt het vertrekpunt van het ontwerp en de gemeente wordt in alle fasen op de hoogte gehouden. Op nieuwbouwlocaties wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Bij reconstructies wordt hemelwater afgekoppeld van het gemengde stelsel. 100% van het hemelwater moet binnen het plangebied worden geïnfiltreerd; als directe infiltratie niet mogelijk is, wordt gebufferd en vertraagd afgevoerd. Infiltratievoorzieningen dienen te voldoen aan de richtlijnen uit de “Kennisbank Stedelijk Water” met een minimale bergingscapaciteit van 60 mm en een leeglooptijd van maximaal 24 uur. Noodoverstort vindt plaats op maaiveld. De voorzieningen moeten reinigbaar, inspecteerbaar en belastbaar zijn voor een brandweervoertuig. Waar mogelijk is een centrale open voorziening, zoals een wadi, de voorkeur. Voor de aanleg van wadi’s gelden aanvullende eisen zoals natuurlijke glooiingen, een flauw talud (voorkeur 1:6) en de mogelijkheid van meervoudig gebruik, bijvoorbeeld in combinatie met speelruimte.
4.9.2 Bestaande waterproblematiek Uit de Klimaateffectatlas (zie hieronder) blijkt dat de huidige situatie incidenteel wateroverlast voorkomt bij extreme neerslag (70 mm in 2 uur). Het water verzamelt zich voornamelijk in het laagstgelegen deel van het terrein, waar lokaal circa 30 cm water op het maaiveld kan blijven staan.
Figuur 12: Uitsnede klimaateffectatlas
Ach.Jer.25.mot-01
30
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Een deel van deze waterproblematiek hangt samen met het ten zuiden gelegen nieuwbouwplan “Kerkweg”, dat in de Klimaateffectatlas nog niet is meegenomen. Door deze ontwikkeling, waarbij een bergingseis van 40 mm geldt, zal de afstroming naar het onderhavige plangebied afnemen.
4.9.3 RWA-riolering Voor de ontwikkeling wordt voorzien in voldoende waterberging door een combinatie van een wadi, infiltratiekratten en een infiltratieriool. Hiervoor is een oriënterend doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd door HMB B.V., zie Bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem hoofdzakelijk bestaat uit zwak tot matig siltig, matig fijn zand met een gemiddeld hoogste grondwaterstand van circa 29,8 m +NAP (1,0 m-mv) en een actuele stand van circa 29,5 m +NAP. De doorlatendheid bedraagt gemiddeld 0,8 m/d in de onverzadigde zone van 0,9 m/d in de verzadigde zone. De bodem is daarmee redelijk doorlatend, wat voldoende mogelijkheden biedt voor infiltratie. Op basis van de bergingsberekeningen, opgenomen als bijlage 14, bedraagt de benodigde berging 127 m3, uitgaande van een maatgevende neerslag van 60 mm per m 2 verhard oppervlak. Binnen het plangebied wordt in totaal 214 m3 aan berging gerealiseerd, wat overeenkomt met circa 102 mm. De berging bestaat uit: Wadi: 67,9 m3 bij een waterlaag van 0,70 m, uit te breiden tot circa 124 m3 bij maximale vulling (+31,37 m NAP). Infiltratiekratten: 37,3 m3 (95% holle ruimte). Infiltratieriool en drainzand: 52,9 m3 gecombineerd. De totale bergingscapaciteit overtreft de eis met circa 87 m 3 (42 mm). Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de eisen van zowel gemeente als waterschap.
Het hemelwater van daken en verhardingen wordt op eigen terrein geïnfiltreerd via kratten of infiltratieputten. Voor de woningen met parkeergelegenheid op eigen terrein zijn de verharde opritten en opstelplaatsen meegenomen in de berekening.
4.9.4 DWA-riolering De woningen die aan de aan te leggen weg worden gebouwd, worden aangesloten op een nieuw DWAhoofdriool in de weg. Deze riolering wordt via een gemaal aangesloten op het hoofdriool in de Heidse Peelweg. Het hemelwater van de dakoppervlakken en de verhardingen op eigen terrein wordt niet op dit stelsel aangesloten, maar lokaal geïnfiltreerd. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke uitgangspunten van gescheiden inzameling van afval- en hemelwater.
4.9.5 Conclusie Door de ontwikkeling aan de zuidzijde van het plangebied is het onzeker of het eerder gesignaleerde waterprobleem nog steeds speelt. Daarnaast zijn maatregelen getroffen om afstroming van hemelwater tussen het bouwplan en de aangrenzende percelen te voorkomen. Het plangebied wordt opgehoogd en er is, ook bij extreme neerslag, circa 102 mm aan waterberging beschikbaar binnen het gebied. Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 regelgeving Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht Natura 2000
Ach.Jer.25.mot-01
31
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
(artikel11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn. Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om: • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
4.10.2 Planspecifiek Soortenbescherming Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Embridge Nederland een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plekke van het plangebied. De uitkomsten van deze quickscan zijn in deze paragraaf opgenomen. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 3
Ach.Jer.25.mot-01
32
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Tabel 3. Uitkomsten quickscan flora & fauna Beschermde soorten niet Flora aangetroffen Zoogdieren Fauna
Geen effecten op beschermde soorten
Vleermuizen
Niet aangetroffen
Mogelijk effecten te verwachten
Overige zoogdieren
Geen effecten te verwachten Geen effecten als rekening gehouden wordt met het broedseizoen
Vissen
Geen sporen aangetroffen Er is een nest van een houtduif aangetroffen in een boom rondom het plangebied. Niet waargenomen, geen geschikt habitat Niet waargenomen. Incidenteel kan een zwervend exemplaar van bijvoorbeeld een bruine kikker of gewone pad in het plangebied worden aangetroffen. Van een functioneel leefgebied is hier geen sprake Geen water aanwezig
Ongewervelden
Geen geschikt habitat
Geen effecten te verwachten
Vogels Reptielen
Amfibieën
Geen effecten te verwachten
Geen effecten te verwachten
Geen effecten te verwachten
Vooruitlopend op de sloop van de schuur wordt een controle uitgevoerd op de aanwezigheid van vleermuizen achter de gevelbekleding. Wanneer er geen vleermuizen worden aangetrokken wordt de ruimte achter de gevelbekleding ontoegankelijk gemaakt. Hiermee wordt voorkomen dat er vleermuizen aanwezig zijn tijdens de sloop. Gebiedsbescherming De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en – depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en –depositie vereist voor de realisatie- en gebruiksfase. Hiertoe heeft Stammen Projectadvies een AERIUS-berekening uitgevoerd en dit verwerkt in een rapportage. De AERIUS-berekeningen zijn opgenomen in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Uit de aeriusberekening v olgt dat er geen belemmeringen vormen als gevolg van de stikstofuitstoot voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er wordt geen extra stikstofdepositie berekend.
4.10.3 Conclusie De aspecten 'natuur en ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.11 Archeologie en cultuurhistorie 4.11.1 Beoordelingskader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Ach.Jer.25.mot-01
33
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.
Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed, dat voor bescherming in aanmerking komt, een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.
4.11.2 Planspecifiek Archeologie Onderhavig plangebied is groter dan 100 m2 maar op grond van het vigerende omgevingsplan en de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (figuur 13) komt naar voren dat het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde heeft, conform het gemeentelijke beleid geldt hiervoor geen onderzoeksplicht en is archeologisch onderzoek daardoor niet nodig. Het plangebied heeft daarnaast conform het vigerende bestemmingsplan (Ysselsteyn, 2016) geen dubbelbestemming waarde archeologie en is daarmee vrijgegeven van verder archeologisch onderzoek. Dit betekent dat er bij de beoogde ontwikkeling geen archeologisch onderzoek nodig is.
Figuur 13: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart.
Ach.Jer.25.mot-01
34
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Cultuurhistorie Het plangebied kent geen bijzondere cultuurhistorische waarden.
4.11.3 Conclusie Het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Omgevingsveiligheid 4.12.1 Beoordelingskader Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.
Het betreffen de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Aandachtsgebieden Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
4.12.2 Toetsing Op basis van onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland (atlas voor de leefomgeving) zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • Risicovolle inrichtingen; • Transport over weg, water en spoor; • Hogedruk aardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; • Bovengrondse hoogspanningslijnen.
Ach.Jer.25.mot-01
35
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Figuur 14: Uitsnede risicokaart (plangebied bij blauwe ballon) (bron: Pav Kaarten | Register externe veiligheid)
Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gesitueerd. Risicovol wegtransport en transport via spoor- en waterwegen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle referenties vervoer gesitueerd. Risicovolle (buis)leidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle (buis)leidingen gesitueerd.
4.12.3 Conclusie Duidelijk is dat er in de omgeving van het plangebied geen objecten of transportroutes zijn gelegen die in het kader van omgevingsveiligheid dienen te worden beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied voor externe veiligheid. Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13 Gezonde fysieke leefomgeving 4.13.1 Beoordelingskader De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.
Ach.Jer.25.mot-01
36
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
4.13.2 Toetsing gezonde fysieke leefomgeving Met het voorgenomen plan worden de bestaande opstallen binnen het plangebied van dit wijzigingsbesluit gesloopt. Dit betreft de vrijstaande schuur behorende wij de woning aan de Heidse Peelweg 29. In voorgaande paragrafen is onderzocht welke effecten het planvoornemen ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema’s zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving.
4.13.3 Conclusie Het aspect ‘gezonde fysieke leefomgeving’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14 Ontplofbare oorlogsresten 4.14.1 Beoordelingskader Het grondgebied van de gemeente is in de Tweede Wereldoorlog langdurig en intensief strijdtoneel geweest. Daarom is in grote delen van de gemeente nog steeds de kans aanwezig op het aantreffen van niet gesprongen explosieven (officiële term tegenwoordig: Ontplofbare Oorlogsresten). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de afwegingen omtrent het stellen van regels aan activiteiten, is het wenselijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven in het plangebied waarop dit plan betrekking heeft. Voorafgaand aan de uitvoering van grondroerende werkzaamheden is het noodzakelijk dat er inzicht is in de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in de bodem. In 2022 heeft de gemeente Venray een verwachtingskaart Ontplofbare Oorlogsresten laten opstellen waaruit blijkt dat de gehele gemeente verdacht is op de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Zolang Ontplofbare Oorlogsresten uit de 2e Wereldoorlog in de bodem liggen kan er niets gebeuren. In het kader van de openbare orde en veiligheid is er geen aanleiding om OO preventief te ruimen. Eventueel aanwezige OO vormen een aandachtspunt wanneer grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden. De gemeente adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek te (laten) uitvoeren.
De initiatiefnemer van een project waarbij grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden heeft de wettelijke taak om een veilige werkomgeving te creëren waaronder ook de risico´s omtrent de eventuele aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten tot een minimum te beperken.
4.14.2 Planspecifiek De hele gemeente is verdacht van ontplofbare oorlogsresten. Op de digitale kaart Ontplofbare Oorlogsresten van de gemeente is te zien dat in het hele plangebied 'geschutmunitie en raketten' kunnen worden aangetroffen. Door ECG is daarom een vooronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 9. Hieruit blijkt dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en derhalve verdacht is op het aantreffen van OO in de niet naoorlogs geroerde grond. Een nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. Om een detectie-onderzoek en eventuele benaderwerkzaamheden uit te kunnen voeren moet het gehele terrein vrij zijn van bebouwing en naoorlogs aangebrachte boven- en ondergrondse infrastructuur. Omdat het slopen van de bestaande bebouwing pas plaatsvindt na afloop van de planologische procedure, betekent dit dat het onderzoek pas na vaststelling van het TAM-omgevingsplan plaatsvindt.
4.14.3 Conclusie Het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wanneer het terrein vrij is van obstakels wordt een nader onderzoek uitgevoerd.
Ach.Jer.25.mot-01
37
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
5. Milieueffectrapportage 5.1
Beoordelingskader
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: • De MER-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; • De SMB-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. 2.
Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: 1.
2.
5.2
Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-merplichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.
Toetsing
Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet volgt dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder mogelijkheid 2 zoals hierboven beschreven. Het besluit bevat namelijk wél een activiteit uit kolom 3 van bijlage 4 van het Omgevingsbesluit [J11] de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, maar er wordt niet voldaan aan de drempelwaarden die zijn vastgelegd in kolom 2 (gevallen waarin de mer-plicht geldt). Er kan derhalve worden volstaan met een plan-mer-beoordeling indien voldaan wordt aan de onderdelen a en b van lid 2 zoals hierboven beschreven. De wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente en het betreft een kleine wijziging van de regels van het ‘gemeentebrede’ omgevingsplan. In dit geval wordt er dan ook eerst een plan-mer-beoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn. De regels over het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit.
Ach.Jer.25.mot-01
38
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
5.3
Kenmerken van het plan
De ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 33 woningen in het bouwplan Achter de Jera II te Ysselsteyn. Het nu agrarisch bestemde grond wordt getransformeerd naar een woongebied van 6 levensloopbestendige koopwoningen, 10 koopwoningen en 17 (huur)appartementen.
5.3.1 Cumulatie met andere projecten Het project staat op zichzelf. Er hoeven geen andere projecten uitgevoerd te worden om het project mogelijk te maken. Ook is de financiering van het project niet afhankelijk van andere projecten. Bouwkundige samenhang is voorts niet aan de orde. Er wordt dan ook geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid.
5.3.2 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving worden reguliere materialen en hulpbronnen gebruikt. Het gebruik van natuurlijk hulpbronnen vormt naar aard en omvang derhalve geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
5.3.3 Productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is tijdens de realisatie van onderhavig plan beperkt tot de bouwafvalstoffen. Voor de nieuwe bewoners gelden de gemeentelijke regels rondom het verwijderen van huisvuil. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
5.3.4 Effecten op gebieden De effecten die optreden zijn lokaal en beperkt van aard. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken en kwetsbaarheid van het gebied of omliggend gebieden. Het plan ligt in de bebouwde kom van Ysselsteyn. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EURichtlijn, komen niet voor in de directe nabijheid van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van het plan zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten wat betreft het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico’s voor de menselijke gezondheid.
5.4
Kenmerken van de effecten
Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van de in voorbereiding planologische procedure reeds meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In hoofdstuk 4 is ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hieronder worden de belangrijkste resultaten samengevat. Bodem De bodem is geschikt voor woningbouw. Er zijn geen nadelige effecten te verwachten. Water In het plan is voorzien in de benodigde waterberging door een combinatie van een wadi, infiltratiekratten en infiltratieriool. Hiertoe is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd. Rekening houdend met dit onderzoek en de aan te brengen verharding in het plangebied is berekend wat de totale berging in het gebied moet zijn. Op grond van deze berekening wordt bij zowel de woningen als het appartementencomplex ruim voldoende berging gecreëerd. De woningen die aan de aan te leggen weg worden gebouwd worden aangesloten op een riolering die in weg komt te liggen. Deze riolering wordt aangesloten op het hoofdriool in de Heidse Peelweg. Er zijn geen nadelige effecten te verwachten voor water.
Ach.Jer.25.mot-01
39
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Geluid Als gevolg van de ontwikkeling zijn geen nadelige effecten op het gebied van geluid te verwachten. De te realiseren woningen voldoen aan het gemeentelijk beleid inzake de geluidsbelasting. Geur De realisatie van woningen leidt niet tot extra geurbelasting. Externe veiligheid Risicovolle activiteiten (bijlage VII Bkl) In het plangebied worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. De te realiseren woningen liggen ook niet binnen aanwezige aandachtsgebieden. Luchtkwaliteit Het project draagt Niet in Betekende Mate bij aan de luchtkwaliteit. Archeologie De projectlocatie ligt niet in een waardevol archeologisch gebied. Er ligt geen dubbelbestemming archeologie op de locatie. Archeologie wordt niet verstoort. Natuur en ecologie Uit onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op soorten en gebieden. Voor vogels moet wel rekening gehouden worden met het broedseizoen.
5.5
Conclusie
Bovenstaande effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Het voornemen om de woningen te realiseren leidt niet of in zeer beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatieve effecten verwacht hoeven te worden. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide m.e.r.-beoordeling of het opstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is.
Ach.Jer.25.mot-01
40
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
6. Toelichting op de regels 6.1
Inleiding
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over één tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijke omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd, die is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket (regels op de kaart) is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn. Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) Publicatie van een wijziging van het omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de standaard STOP en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD-omgevingsplan).
Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMROstandaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk kortweg aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Venray is opgesteld op basis van TAM-IMRO. Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van woningbouw en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (Hoofdstuk 22q) van het Omgevingsplan gemeente Venray. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekendgemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in: • Met dit TAM-omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22q. • Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat 22q. • De regels binnen een hoofdstuk van een omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1.
Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22q van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen. Dit wordt in paragraaf 5.3 nader toegelicht. • Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q. het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien.
Ach.Jer.25.mot-01
41
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
• • •
Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen, Een TAM-omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties. Voor deze motivering wordt conform de eerder genoemde werkafspraak gebruik gemaakt van het objecttype 'toelichting' en is daarom onder dat kopje terug te vinden in het omgevingsloket. De zogenoemde 'pons' die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn 'overschreven' door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.
Voor dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) geldt: • Hoofdstukken moeten worden gezien en gelezen als paragrafen van Hoofdstuk 22q van het Omgevingsplan gemeente Venray. Hoofdstuk 1 moet worden gezien en gelezen als paragraaf 22q.1, hoofdstuk 2 als paragraaf 22q.2, etc. • Voor de in dit deel opgenomen artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct vóór het artikelnummer '22q' worden gelezen. Artikel 1 moet dus worden gezien en gelezen als artikel 22q.1, artikel 2 als artikel 22q.2, etc • Voor de in dit deel opgenomen bijlage bij de regels moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct vóór het nummer 1 '22q' worden gelezen. Bijlage 1 bij de regels van het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet daarom worden gezien en gelezen als Bijlage 22q.
6.2
Opzet regels
Begrippen (Artikel 1) In artikel 1 zijn ten opzichte van artikel 1 uit het omgevingsplan van de gemeente Venray aanvullende begrippen opgenomen. Hierin worden omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Toepassingsbereikbepaling (Artikel 2) In artikel 2 is het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan aangegeven, waarbij de koppeling is gelegd tussen de regels en de locatie c.q. plangebied met de geometrische bepaalde planobjecten. Meet- en rekenbepalingen (Artikel 3) Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de meet- en rekenbepalingen in artikel 3) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de manier waarop gemeten moet worden op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Aanvraagvereisten (Artikel 4) In dit artikel wordt bepaalt wat de aanvraagvereisten zijn voor een omgevingsvergunning. Zorgplicht (artikel 5) Dit artikel bevat de algemene zorgplicht.
Algemeen gebruiksverbod (Artikel 6) Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod dat bepaald dat het in algemene zin verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies. Groen (Artikel 7)
Ach.Jer.25.mot-01
42
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Ter plaatse van de functie 'Groen', is de functie met name gericht op het inrichten als groen. Verkeer (artikel 8) Ter plaatse van de functie 'Verkeer', is de functie met name gericht op het inrichten als wegen en verkeer.
Woongebied (artikel 9) Ter plaatse van de functie ‘Wonen’ is het bouwen van woningen mogelijk volgens het programma dat is vastgelegd. Het artikel kent verder gebruiksregels voor de gronden met de functie wonen, regels voor parkeren en het omgaan met water. Anti-dubbeltelbepaling (Artikel 10) Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. Algemene beoordelingsregels voor bouwen (Artikel 11) Voor het hele plangebied, en dus alle functies, gelden eveneens een aantal algemene beoordelingsregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke functies. Dit betreft name het borgen van de bergingseis voor het afkoppelen van het hemelwater. Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) In deze algemene functieregels is het strijdige gebruik bepaald voor de parkeerplekken in het gebied. Overige regels (Artikel 13) In de overige regels zijn regels opgenomen zoals onder andere de rangorde van regels en regelingen omtrent parkeren.
Overgangsrecht (Artikel 14) In deze regels is het overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bouwen en gebruik.
Ach.Jer.25.mot-01
43
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
7. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende nadeelcompensatie besproken.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
7.3
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het kostenverhaal is hiermee gedekt.
7.4 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.4.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.
7.4.2 Omgevingsdialoog Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn en wat de resultaten daarvan zijn. Indien de gemeente over een participatieverordening beschikt dient bij het vaststellen van een omgevingsplan te worden aangegeven in hoeverre aan de beleidsregels over het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen is voldaan. Ten behoeve van de planvorming is een omgevingsdialoog (op 17-09-2024) gehouden met omwonenden en belanghebbenden. Tijdens de bijeenkomst zijn vragen gesteld en suggesties gedaan. In het verslag is aangegeven hoe met de suggesties is omgegaan. Het verslag is opgenomen in Bijlage 11.
7.4.3 Zienswijzen Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit wijzigingsbesluit. In totaal zijn acht zienswijzen ingediend. Voor een inhoudelijke weergave van deze zienswijzen en het gemeentelijke standpunt daarover wordt verwezen naar het ‘Eindrapport zienswijzen en (ambtshalve) wijzigingen’, dat als bijlage 15 bij deze motivering is opgenomen. De nota van zienswijzen maakt geen onderdeel uit van het vast te stellen besluit, maar wel van het vastgestelde plan.
Ach.Jer.25.mot-01
44
13 mei 2026
Motivering TAM-IMRO Achter de Jera II
Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9. Bijlage 10. Bijlage 11. Bijlage 12. Bijlage 13. Bijlage 14. Bijlage 15.
Stedenbouwkundig schetsplan, d.d. 10-2025 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (a), d.d. 24-04-2026 Quickscan flora en fauna, d.d. 23-10-2025 Stikstofdepositieberekening, d.d. 25-10-2025 Verkennend bodemonderzoek (asbest), d.d. 12-05-2025 Asbestinventaristie, d.d 20-05-2025 Oriënterend doorlatendheidsonderzoek d.d. 02-06-2025 Analyse agrarisch gebruik aangrenzend perceel Vooronderzoek OO, d.d. 27-06-2025 Groenplan, d.d. 05-11-2025 Omgevingsdialoog, d.d. 21-11-2024 Memo invloed verkeer op bestaande woningen, d.d. 29-04-2026 Beeldkwaliteitsplan, d.d. 21-10-2025 Bergingsberekening, d.d. 15-09-2025 Eindrapport zienswijzen en ambtshalve wijzigingen d.d. 06-2026