CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

B1.2 - Ontwerp-Regels TAM-omgevingsplan Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen (V7) incl bijlage

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen15.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

c.

artikel 7.4.1 onder d en staan het houden van een kleinschalig kampeerterrein voor recreatief gebruik toe, onder de voorwaarden dat: 1. de niet-agrarische functie, inclusief eventueel andere niet-agrarische functies op het bouwperceel, ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel; 22

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

2. 3. 4.

de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; het maximaal 25 kampeerplaatsen betreft; de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de voorziening wordt ingepast; 5. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; 6. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein; 7. bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering voor zover gelegen buiten de aanduiding 'overig agrarisch gemengd' ook het gebruik van gronden en opstallen voor niet-agrarische activiteiten worden gestaakt; 8. het kampeerterrein gelegen is binnen het bouwvlak ofwel binnen een strook van 100 m aan een zijde (niet zijnde de voorzijde) ofwel aan de achterzijde, direct aansluitend aan het bouwvlak; 9. de inrichting van het kampeerterrein niet leidt tot onevenredige aantasting van de aanwezige gebiedskwaliteiten; 10. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 11. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; 12. voor oprichting van gebouwen ten dienste van het kleinschalig kamperen dient de omgevingsvergunning in combinatie met de omgevingsvergunning van artikel 3.4 onder b te worden aangevraagd. d.

e.

artikel 7.4.1 onder f en t en staan het ontplooien van activiteiten met betrekking tot kleinschalige dagrecreatie, zoals ontbijt- en lunchmogelijkheid, theetuin, terras, speeltuin, huifkartochten toe, onder de voorwaarden dat: 1. de niet-agrarische functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel; 2. de activiteiten ten dienste staan van dagrecreatief medegebruik 1 in het gebied (ondersteuning wandel- en fietsroutes). 3. de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; 4. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; 5. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein; 6. bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering voor zover gelegen buiten de aanduiding 'overig agrarisch gemengd' ook het gebruik van gronden en opstallen voor niet-agrarische activiteiten worden gestaakt; 7. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 8. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid.

artikel 7.4.1 onder f en staan het bewerken van agrarische producten toe, onder de voorwaarden dat: de niet-agrarische functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel; de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; het de bewerking van producten afkomstig van het eigen bedrijf danwel van in de directe omgeving gelegen agrarische bedrijven betreft; 4. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; 5. bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering voor zover gelegen buiten de aanduiding 'overig agrarisch gemengd' ook het gebruik van gronden en opstallen voor niet-agrarische activiteiten worden gestaakt; 6. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 7. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid. 1. 2. 3.

f.

artikel 7.4.1 onder h en staan toe dat bestaande bebouwing wordt gebruikt voor logiesgelegenheid voor maximaal 20 tijdelijke werknemers, onder de voorwaarden dat: 1. de niet-agrarische functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel en wordt ingepast in het bestaande bouwvolume; 2. de leefruimte per logiesgelegenheid minimaal 10 m 2 per medewerker bedraagt; 23

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; ondersteunende voorzieningen (zoals toiletten en wasvoorzieningen) binnen het logiesgebouw dienen te zijn gelegen met minimaal 1 toilet en douche per 8 personen; bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering de niet-agrarische activiteiten worden gestaakt; de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

g.

artikel 7.4.1 onder i en staan het huisvesten van maximaal 5 grooms/ stagiaires voor het africhten en verzorgen van paarden toe, onder de voorwaarden dat: 1. de niet-agrarische functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel; 2. de huisvesting en alle daarbij benodigde voorzieningen enkel mogen plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing; 3. de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; 4. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; 5. bij beëindiging van de paardenhouderij-activiteiten ook het gebruik van gronden en opstallen voor de niet-agrarische activiteiten worden gestaakt; 6. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 7. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; 8. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

h.

artikel 7.4.1 onder f en t en staan het houden van een kinderdagverblijf toe, onder de voorwaarden dat: 1. de niet-agrarische functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel; 2. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; 3. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein; 4. bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering voor zover gelegen buiten de aanduiding 'overig agrarisch gemengd' ook het gebruik van gronden en opstallen voor niet-agrarische activiteiten worden gestaakt; 5. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 6. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid.

i.

artikel 7.4.1 onder t en staan het houden van een zorgboerderij toe, onder de voorwaarden dat: de niet-agrarische functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel; de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering voor zover gelegen buiten de aanduiding 'overig agrarisch gemengd' ook het gebruik van gronden en opstallen voor niet-agrarische activiteiten worden gestaakt; 5. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 6. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein; 7. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid. 1. 2. 3. 4.

j.

artikel 7.4.1 onder t en staan het afwijkend gebruik van gronden en opstallen toe, mits het gebruik is aan te merken als nevenactiviteit, voor: 1. landbouwverwant bedrijf, of 2. kleinschalig bedrijf, of 3. manege. met dien verstande dat: 24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

• • • • • •

• • k.

het gebruik plaatsvindt in niet meer in gebruik zijnde agrarische bedrijfsgebouwen; de niet-agrarische functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel; de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden; er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein; bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering dient, voor zover gelegen buiten de aanduiding 'overig - agrarisch gemengd ' ook het gebruik van gronden en opstallen voor kleinschalig bedrijf en manege te worden gestaakt, en, voor zover gelegen binnen de aanduiding 'overig - agrarisch gemengd' dient ook het gebruik van gronden en opstallen voor landbouwverwant bedrijf te worden gestaakt; de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid.

artikel 7.4.1 onder u en staan kleinschalige verblijfsrecreatie toe onder de volgende voorwaarden: indien er sprake is van een recreatiewoning, logiesvoorzieningen, groepsaccommodaties en/of bed & breakfast geldt de voorwaarde dat de omvang van de kleinschalige verblijfsrecreatie niet groter is dan 100 m2; 2. de verblijfsrecreatie vindt plaats binnen bestaande bebouwing; 3. de recreatieve functie ondergeschikt blijft aan het bestaande gebruik van het bouwperceel, en mag niet worden voortgezet wanneer de agrarische bedrijfsvoering wordt beëindigd; 4. kleinschalige horeca mogelijk is mits deze ondergeschikt is aan de dagrecreatie; 5. de nevenactiviteiten qua aard en omvang passen in de omgeving; 6. de recreatieve voorzieningen dienen landschappelijke ingepast te worden; 7. deze omgevingsvergunning mag niet worden gecombineerd met de omgevingsvergunning zoals opgenomen in artikel 7.4.2 onder a. 8. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 9. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; 10. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. 1.

l.

artikel 7.4.2 en staan een gewijzigde landschappelijke inpassing toe, onder de voorwaarden dat: 1. er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geeft tot een aangepaste landschappelijke inpassing; 2. de gewijzigde landschappelijke inpassing tenminste een gelijkwaardige landschappelijke kwaliteit waarborgt als het inpassingsplan ‘Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen’ d.d. 25 juli 2024; 3. het nieuwe inpassingsplan voorzien is van een positief advies van de kwaliteitscommissie.

Artikel 8

Bedrijf

8.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Bedrijf’. 8.2 Functieomschrijving Een als ‘Bedrijf’ aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. b. c.

de uitoefening van een landbouwverwant bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven; wonen, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; buitenop- en overslag van grond, zand en/of vergelijkbare materialen ten behoeve van het landbouwverwantbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – buitenopslag’; 25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

d. e. f.

aan-huis-gebonden-beroep tot een maximum van 40 m2; detailhandelsactiviteiten, mits direct gerelateerd aan de bedrijfsfunctie tot een maximum vloeroppervlakte van 100 m2; voorzieningen van openbaar nut.

Een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder groen, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, tuinen, met dien verstande dat: g.

ten behoeve van de ter plaatse aanwezige functie moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels. 8.3.1 Algemeen Op de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de ter plaatse toegestane functie(s), waarbij de volgende beoordelingsregels gelden tenzij anders op de verbeelding weergegeven: a. b.

c.

d.

gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, welke binnen het gehele functievlak zijn toegestaan; voor zover op de verbeelding aangeduid, mag de maximale bebouwingsoppervlakte t.b.v. het landbouwverwant bedrijf, alsmede de aangegeven goot- en bouwhoogte niet worden overschreden, met dien verstande dat het maximale bebouwingsoppervlak niet van toepassing is op de bedrijfswoning, aan- en bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bedrijfswoning; ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is één woning toegestaan met dien verstande dat de daarbij behorende aan- en bijgebouwen en uitbreiding van de woning buiten de gronden met deze aanduiding is toegestaan; kassen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van een tuincentrum.

8.3.2 Beoordelingsregels voor bouwwerken Voor de bouwwerken gelegen binnen een ‘bouwvlak’ met aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven’, gelden de volgende beoordelingsregels: a.

bedrijfsgebouwen

Goothoogte Bouwhoogte Oppervlakte Dakhelling Afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens Afstand tussen twee bedrijfsgebouwen Afstand tot de functie ‘Verkeer – wegverkeer’ b.

Max. 5,5 m Max. 10 m Max. 1.000 m2 Min. 12º Min. 5 m Max. 20 m Min. 10 m

bedrijfswoningen

Inhoud, inclusief aan/bijgebouwen t.b.v. het wonen Goothoogte Dakhelling Afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens

Max. 1075 m3 Max. 4,5 m Min. 12º en max. 45 º Min. 5 m

26 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

Afstand tot de functie ‘Verkeer – wegverkeer’ c.

aan- en bijgebouwen bij de bedrijfswoning

Goothoogte Dakvorm en -helling Afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens Afstand tot de functie ‘Verkeer – wegverkeer’ d.

f.

g.

h. i.

Max. 3,5 m Afgestemd op dakvorm en -helling bedrijfswoning Min. 5 m Min. 10 m

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Erf- en terreinafscheidingen, achter de voorgevelrooilijn Erf- en terreinafscheidingen, voor de voorgevelrooilijn Hoogte masten voor mobiele telefoons Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Afstand tot de functie ‘Verkeer – wegverkeer’ Oppervlakte t.b.v. bedrijfswoning, uitgezonderd een onoverdekt zwembad Onoverdekt zwembad e.

Min. 10 m

Bouwhoogte Max. 2 m Max. 1 m Max. 37,5 m Max. 3 m Min. 10 m Max. 30 m2 Max. 50 m2

ondergeschikte bouwdelen (tussenlid, kleine, lage aanbouwen, dakkapellen etc.) zijn wat betreft de hoogte en verschijningsvorm uitgezonderd van het gestelde onder artikel 8.3.2 a tot en met d; bij nieuwbouw dienen bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van 3 meter of hoger, op een minimale afstand van 15 meter van de bedrijfswoning en achter de achtergevel van de bedrijfswoning te worden gesitueerd; in aanvulling op artikel 8.3.1 onder a en 8.3.1 onder c, dienen aan- en bijgebouwen bij bedrijfswoningen met de dichtstbijzijnde gevel binnen een omtrek van 15 m. van de achter- en zijgevels van de woning te worden gebouwd; vervangende nieuwbouw vindt plaats op de bestaande fundamenten; binnen de fundering van de woning en/of het bijgebouw bij de woning is het ondergronds bouwen van menstoegankelijke ruimten ter vergroting van het woongenot toegestaan, mits deze ruimte(n) uitsluitend van binnenuit toegankelijk zijn en geen ruimtelijk uitstraling hebben.

8.3.3 Maatwerkvoorschriften a. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van: 1. de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing; 2. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen; 3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing. Een en ander op basis van een landschappelijk inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. b.

De onder a genoemde maatwerkvoorschriften mogen uitsluitend worden gesteld: 1. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing en 2. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden en 3. ter verbetering van de omgevingskwaliteit.

27 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

8.3.4 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het afwijken van: a.

artikel 8.3.1 onder c en toestaan dat een bedrijfswoning wordt opgericht buiten de aanduiding 'bedrijfswoning', onder de volgende voorwaarden: 1. dit vanuit het verkeersbelang dan wel een aanvaardbaar woonmilieu noodzakelijk is; 2. de afstand buiten de aanduiding 'bedrijfswoning' niet meer bedraagt dan noodzakelijk is in verband met het verkeersbelang dan wel het woonmilieu; 3. dit vanuit verkeerkundig, stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt toelaatbaar is; 4. natuurlijke, cultuur-historische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden mogen niet worden aangetast; 5. het toevoegen van een extra woning is niet toegestaan.

b.

artikel 8.3.2. onder a, b en c en staan het bouwen binnen de minimale afstand van gebouwen tot de bouwperceelsgrens toe, onder de volgende voorwaarden: 1. het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel vanwege andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het bedrijf; 2. de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt ingepast; 3. met het oog op de hemelwaterproblematiek dienen voorzieningen te worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater; 4. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 5. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; 6. aangetoond wordt dat de plaatsing vanuit het oogpunt van (brand)veiligheid aanvaardbaar is; 7. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden beperkt; 8. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie;

c.

artikel 8.3.2 onder b en staan een grotere inhoudsmaat toe voor woning inclusief bijgebouwen indien bestaande (bij)gebouwen worden gesloopt, onder de volgende voorwaarden: 1. gesloopt wordt binnen een of meer van de voor het buitengebied geldende bestemmingsplannen van de gemeente Venray; 2. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; 3. alleen de te slopen gebouwen die op die locatie niet vallen binnen het daar, op grond van de bouwregels, toegestane maximale bebouwingsvolume, worden in de berekening meegenomen; 4. de te slopen gebouwen dienen legaal aanwezig te zijn op het moment van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en mogen niet onder een andere regeling of verzoek vallen; 5. aan de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de voorwaarde verbonden dat pas met de bouw gestart mag worden als de sloop heeft plaatsgevonden; 6. alle te slopen gebouwen en de daarbij behorende bouwwerken en bouwdelen, zoals aanbouwen, overkappingen, bijbehorende ondergrondse (kelder-)ruimten, fysieke erfafscheidingen, voederplaten en andere erfverhardingen dienen gesloopt te worden; 7. alleen bovengrondse gebouwen worden meegerekend bij het te bepalen sloopvolume; 8. het percentage van het te bouwen volume dat moet worden gesloopt is bepaald in onderstaande tabel:

Aantal m3 dat wordt gebouwd (bebouwingsvolume) Tot en met 250 m3 Het meerdere boven 250 m3

Minimaal te slopen % (sloopvolume) 100% 150%

28 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

1. 2.

bij de berekening wordt begonnen met het invullen van het getal in de eerste rij van bovenstaande tabel, waarna op dezelfde manier de volgende rijen gevolgd worden; met het oog op de hemelwaterproblematiek dienen voorzieningen te worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater.

d.

artikel 8.3.2 onder f en staan toe dat bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bedrijfsvoering op een afstand van minder dan 15 meter van de bedrijfswoning en achter de achtergevel worden gebouwd, onder de voorwaarde dat de noodzaak tot een kortere afstand kan worden aangetoond.

e.

artikel 8.3.2 onder g en staan toe dat bijgebouwen op een grotere afstand dan 15 meter van de woning worden gebouwd, onder de voorwaarde dat de landschappelijke en agrarische waarden ter plaatse niet worden aangetast.

f.

artikel 8.3.2 onder a, b, c en d en staan bouwen van gebouwen binnen de minimale afstand tot de functie ‘Verkeer – wegverkeer’ toe, onder de volgende voorwaarden: 1. Het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel vanwege andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitoefening van het bedrijf; 2. De ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt ingepast; 3. Met het oog op de hemelwaterproblematiek dienen voorzieningen te worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater; 4. De natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast; 5. Sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; 6. Aangetoond wordt dat de plaatsing vanuit het oogpunt van (brand)veiligheid en verkeersveiligheid aanvaardbaar is.

8.4 Specifieke functieregels voor gebruik 8.4.1 Verboden gebruik Tot een met de functie ‘Bedrijf’ strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en opstallen voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.

het gebruik van opstallen voor permanente of tijdelijke huisvesting, uitgezonderd huisvesting binnen bedrijfswoningen; het gebruik ten behoeve van horecadoeleinden, behoudens verband houdend met het binnen de functie op de grond gerichte gebruik van gronden en opstallen; het gebruiken van gronden voor buitenopslag, behoudens buitenopslag ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – buitenopslag; het gebruik van de woning en de bestaande bedrijfsgebouwen voor huisvesting van tijdelijke werknemers; aan-huis-gebonden bedrijf; inrichtingen vallend onder de categorieën in artikel 2.1, derde lid van het Besluit omgevingsrecht; Bevi-inrichtingen, met uitzondering van LPG-tankstations en inrichtingen waar propaan wordt opgeslagen en toegepast ten behoeve van eigen gebruik; het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie; het (mobiel) breken van steen en puin; compostering.

8.4.2 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing Binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen, dient de landschappelijke inpassing overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan Eijkenhofweg 3 29 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

en 5 Veulen, d.d. 25 juli 2024, zoals opgenomen in bijlage 22ab.1 bij deze planregels, gerealiseerd te zijn en tevens in stand dienen te worden gehouden. 8.4.3 Voorwaardelijke verplichting – bodemonderzoek Op en in de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden mogen de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde als bedoeld in artikel 8.3.1 worden gebouwd mits: a.

b.

op basis van een milieuhygiënisch bodemonderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is en dit bodemonderzoek akkoord is bevonden door het in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aangewezen bevoegde gezag dan wel; een eventueel geconstateerd geval van ernstige bodemverontreiniging is gesaneerd conform de in het Bal voorgeschreven melding aan het bevoegde gezag en conform de verplichtingen uit paragraaf 4.121 Bal.

8.4.4 Specifieke functieregels met nadere afweging Burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: a.

artikel 8.1 onder d en 8.4.1 onder d en staan een grotere omvang van aan-huis-gebonden-beroep respectievelijk een aan-huis-gebonden-bedrijf toe, onder de volgende voorwaarden: 1. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 70 m 2; 2. de primaire woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate wordt gehandhaafd; 3. detailhandel vindt slechts plaats voor zover deze beperkt blijft tot verkoop in direct verband met het aan-huis-gebonden-beroep en/ of het aan-huis-gebonden-bedrijf; 4. de activiteit geen zodanige verkeersaantrekkende werking heeft dat als gevolg daarvan extra verkeersmaatregelen - waaronder parkeervoorzieningen - noodzakelijk zijn. 5. de activiteit mag uitsluitend in het hoofdgebouw en/ of aanbouw plaatsvinden;

b.

artikel 8.4.2 en staan een gewijzigde landschappelijke inpassing toe, onder de voorwaarden dat: 1. er sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geeft tot een aangepaste landschappelijke inpassing; 2. de gewijzigde landschappelijke inpassing tenminste een gelijkwaardige landschappelijke kwaliteit waarborgt als het inpassingsplan ‘Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen’ d.d. 25 juli 2024; 3. het nieuwe inpassingsplan voorzien is van een positief advies van de kwaliteitscommissie.

Artikel 9

Waarde – Archeologie – 1

9.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie – 1’. 9.2 Functieomschrijving Een als ‘Waarde – Archeologie – 1’ aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende (basis)functies, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 14.3 van de planregels in acht dient te worden genomen. 9.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels. 9.3.1 Algemeen a. Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 1' aangegeven gronden mag op basis van de onderliggende functie(s) worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 2.500 m2 (gemeten op maaiveldniveau) wordt verstoord;

30 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

b.

Indien de verstoring meer dan 2.500 m 2 bedraagt en deze verstoring dieper gaat dan 50 cm, dient de aanvrager een rapport (voortoets, bijvoorbeeld bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, proefsleuvenonderzoek, opgraving, sleufgraaf, archeologische begeleiding) van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige te overleggen waaruit blijkt dat de in de functieomschrijving van onderhavige TAM-omgevingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

9.3.2 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bepaalde in artikel 9.3.1, en staan meer bebouwing toe, indien door archeologisch onderzoek is gebleken dat geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten. Uitsluitend indien archeologische is vastgesteld, worden aan de omgevingsvergunning daartoe de volgende voorwaarden verbonden: a.

b. c.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag, het gebruiken van alternatieven voor het funderen van bouwwerken zoals heien, of de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de uitvoering van (bouw)activiteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.3.3 Aanvullend afwegingskader Alvorens te beslissen over de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.2 vragen burgemeester en wethouders een archeologisch deskundige om schriftelijk advies of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 9.4 Specifieke functieregels voor gebruik Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen voor: 1. 2.

grondbewerkingen uit te voeren, voor zover de werkzaamheden dieper gaan dan 50 cm ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld; het indrijven van voorwerpen in de grond, dieper dan 50 cm;

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.5.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen (afgraven); het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders (vergraven); het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen); het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (egaliseren); het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen; het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders; het aanbrengen van drainagebuizen in de grond; het bemalen van een of meerdere percelen (aanbrengen onderbemaling); het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels; 31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

j.

het beplanten van gronden met opgaand houtgewas in verband met boom- en sierteelt waarbij de oogst dieper dan 50 cm zal plaatsvinden.

9.5.2 Uitzonderingen op het verbod Het in artikel 9.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die: a. b. c.

d.

het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen; een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2500 m2; blijkens een rapport van een door gemeenteweg erkende archeologisch deskundige (voortoets) de in de functieomschrijving van onderhavig TAM-omgevingsplan omschreven archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad; het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de functie ‘Verkeer’, voor zover deze niet aansluit op de functie ‘Natuur’.

9.5.3 Afwegingskader Een in artikel 9.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen van de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de functieomschrijving van onderhavige functie, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Artikel 10

Waterstaat – Beschermingszone watergang

10.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. 10.2 Functieomschrijving Een als ‘Waterstaat – beschermingszone watergang’ aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming van de nabij gelegen waterloop, waarbij artikel 14.3 van de planregels in acht dient te worden genomen. 10.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels. 10.3.1 Algemeen Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde functie worden opgericht. 10.3.2 Specifieke beoordelingsregels met nadere afweging Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bepaalde in artikel 10.3.1, en staan de oprichting van bouwwerken binnen de beschermingszone toe, mits: a. het belang van de waterloop niet onevenredig wordt aangetast; b. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende functie. Burgemeester en wethouders winnen, alvorens een omgevingsvergunning te verlenen, advies in bij de waterbeheerder zijnde het waterschap.

32 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 11

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is gekomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12

Algemene aanduidingsregels

12.1 Reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied De gronden met de gebiedsaanduiding 'Reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied' zijn bedoeld voor het weergeven van de Landbouwontwikkelingsgebieden, zoals bedoeld in de Reconstructiewet. 12.2 Reconstructiewetzone – verwevingsgebied De gronden met de gebiedsaanduiding 'Reconstructiewetzone – verwevingsgebied' zijn bedoeld voor het weergeven van de Verwevingsgebieden, zoals bedoeld in de Reconstructiewet.

Artikel 13

Algemene afwijkingsregels

13.1 Omgevingsvergunning Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a.

b.

c.

d.

de planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven, mits van de wegbeheerder een positief advies is ontvangen; de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; de planregels ten aanzien van het bouwen van kunstuitingen en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, waarbij voor een hoogte van meer dan 65 m +NAP, in het kader van voorkoming van onaanvaardbare radarverstoring, voorafgaand aan het toestaan schriftelijk advies dient te zijn ingewonnen bij de Dienst Vastgoed Defensie; afmetingen in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%.

13.2 Afwegingskader Een in artikel 13.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b.

de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing; de milieusituatie; 33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

c. d. e.

de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het bijdragen aan het behoud en/of versterking van de aanwezige gebiedskwaliteiten.

Artikel 14

Overige regels

14.1 Werking wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

14.2 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening De regels van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 1 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen: a. b. c. d. e. f.

de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen; de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; het bouwen bij ondergrondse hoofdtransportleidingen; de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden; de ruimte tussen bouwwerken.

14.3 Prioriteit van dubbele functies Waar meerdere functies samenvallen, gelden: 1. in de eerste plaats de regels van de functie ‘Waarde – Archeologie – 1’; 2. in de tweede plaats de regels van de functie ‘Waterstaat – Beschermingszone Watergang’. 14.4 Strijdig gebruik Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken, doen gebruiken of laten gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit TAMomgevingsplan.

34 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

Hoofdstuk 4

Overgangsregels

Artikel 15

Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan: a. b. c.

d.

e.

15.2

aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAMomgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. a.

35 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ab Eijkenhofweg 3 en 5 Veulen

Landschappelijk inpassingsplan Eijkenhofweg 3 en 5, Veulen

De percelen Eijkenhofweg 3 en 5 te Veulen zijn twee naast elkaar liggende bebouwde percelen waar tussen de Oostrumsche beek tussendoor loopt. De bebouwing in beide gebieden wordt gewijzigd. Daarbij hoort een inpassingsplan om de kwaliteit van het landschap te beschermen en te versterken. Beide percelen liggen in het jonge ontginningen landschap. Dit landschap heeft in de basis rationeel karakter met een rechte en gestructureerde verkaveling, aan de bebouwingslinten lopen lange groenstructuren met daarachter een weids en open landschap. Zoals in de omschrijving van het jong ontginningslandschap ligt aan de Eijkenhofweg een bomenlaan met daarachter een wijds en openlandschap. Echter ontbreekt de rationele structuur in de verkaveling. Met een meer amorfe indeling wijkt het hiermee af aan de standaard omschrijving. Vanuit de gemeente bestaat de wens om de bebouwde percelen in dit gebied te voorzien van een functionele inrichting met een groen karakter. Het doel is om het formele, rechtlijnige karakter als uitgangspunt te nemen. Beplanting in de vorm van een enkele rij bomen, singels langs zijdelingse perceelsgrenzen passen de bebouwing in zonder de bebouwing geheel te verbergen.

Inpassingsplan Eijkenhofweg 3

Ligging plangebieden - PDOK

De bestaande varkensstallen op Eijkenhofweg 3 worden gesloopt en vervangen door een loods en een mestsilo voor het akkerbouwbedrijf. Voor de nieuwe bebouwing komteen waterberging aan de zuidzijde van het plangebied. Het bestaand groen wordt zo veel mogelijk gehandhaafd. Rondom de te slopen stallen is niet al het groen te handhaven maar achter de woning blijft al het aanwezige groen behouden. Het inpassingsplan richt zich het scheiden van de bedrijfsgebouwen en de woning, en op het inpassen van de nieuwe loods. Aan de oostzijde komt een bomenrij met haag en rondom de nieuwe loods komt een struweelhaag. Deze groenelementen ontrekken de bestaande en nieuwe bebouwing voor een groot deel uit het zicht. Aan de westzijde wordt het inpassingsplan gebruikt om een scheiding te maken tussen het bedrijf en de woning. De woning wordt ingepast met een beukenhaag waar tussen het bedrijf en de woning nog 3 bomen in worden geplant om de scheiding te versterken.

Eijkenhofweg 3

Eijkenhofweg 5

In het totaal wordt er 1570m2 aan nieuwe verharding aangebracht. Met een bergingseis van 100mm/m2 verharding dient een waterberging van 157m3 gerealiseerd te worden. De GHG vormt de beperkende factor voor de diepte van de waterberging met een ligging op 0,5m. De waterberging krijgt met een dimensionering van 20m lang, 17m breed en 0,5m diep een capaciteit van 161m3. Dit is een overcapaciteit van 4m3. De overstort voor de waterberging komt aan de zuidzijde waar het overtollig water de akkers op kan stromen zonder overlast te veroorzaken.

Landschappelijke inpassing, 25-07-2024 | Eijkenhofweg 3 en 5, Veulen

situatie plangebieden - PDOK

Inpassingsplan Eijkenhofweg 5 Ook bij Eijkenhofweg 5 worden de stallen afgebroken en vervangen door een loods met een aansluitend stuk verhard oppervlak en opslagvlakken. In tegenstelling tot Eijkenhofweg 3 is hier vrijwel geen bestaand groen aanwezig. Alleen aan de noordzijde rondom de woning en de oprit is groen aanwezig. Dit is echter voornamelijk uitheems en draagt weinig bij aan de ecologische kwaliteit van het landschap. Het inpassingsplan richt zich voornamelijk op de oost en zuidzijde van het perceel. Hier komt een bomenrij die loopt van de Eijkenhofweg tot aan de opslagvlakken aan de zuidzijde van het plangebied. Rondom de opslagvlakken komt een breed struweel die de vlakken volledig uit het zicht ontnemen. Aan de zuidzijde komt een bomenrij van wilgen op gepaste afstand van de Oostrumsche beek. Met deze elementen is de oost en zuid zijde vrijwel volledig ingepast. Aan de westzijde is gekozen voor een smalle singel om de nieuwe loods met bijbehorende verharding in te passen De waterberging voor de nieuwe verharding komt aan de zuidzijde van het plangebied, tussen de verharding en de bomenrij van wilgen in. In het totaal wordt er 3990m2 aan nieuwe verharding aangebracht. Met een bergingseis van 100mm/m2 verharding dient een waterberging van 379m3 gerealiseerd te worden. De GHG vormt de beperkende factor voor de diepte van de waterberging met een ligging op 0,6m.

De waterberging wordt onderverdeel in twee delen. Deel 1 vormt het diepste gedeelte van de waterberging en het eerste gedeelte dat gevuld wordt bij neerslag. Deel 1 krijgt met een dimensionering van 68m lang, 5m breed en 0,6m diep een capaciteit van 219,5m3. Deel 2 ligt ten noorden van deel 1. Met een oppervlak van 720m2 en een diepte van 0,25m krijgt het een capaciteit van circa 175m3. Samen met deel 1 komt de capaciteit in het totaal uit op 394,5m3, een overcapaciteit van ongeveer 15,5m3. Dit is gedaan omdat er hier geen ruimte is voor een geschikte overstort naar omliggend gebied zonder dat het water mogelijk in de Oostrumsche beek terecht komt.

Beheersrichtlijnen Bij de aanplant van bomen wordt aangeraden het plaatsen van boompalen en banden sterk aangeraden om jonge bomen recht te houden. Bovendien zorgen boompalen er voor dat wortels niet bewegen en zich beter kunnen ontwikkelen. De boombanden dienen jaarlijks te worden gecontroleerd en eventueel ruimer worden gezet om insnoeren te voorkomen. Slechte boompalen indien nodig vervangen. Na 5 groeiseizoenen kunnen de boompaal en band worden verwijderd. Bij een bomenrij is het van belang dat de boom voldoende ongekroond wordt om de ruimte te creëren voor onderliggende infrastructuur of andere beplanting. Het wordt aangeraden om eens in de vijf jaar snoeiwerkzaamheden te verrichten om dit te bewerkstelligen. Naast dit onderhoud is begeleiding snoei bij overhangende takken of gevaarlijke/hinderlijke situaties noodzakelijk. Om een goed struweel ontwikkelen worden de heesters in groepen van 3 tot 5 veren aangeplant. Deze groepen worden willekeurig door elkaar geplant om een natuurlijke uitstraling te krijgen.

Voor struwelen ligt de voorkeur bij het snoeien in het vroege voorjaar. Dit onderhoud gebeurt één keer per 2 tot 3 jaar. Zo worden robuustere struwelen ontwikkeld die aantrekkelijk zijn voor vogels en overige fauna. Een andere opties is om de haag in delen sterk terug te snoeien. Door per snoeibeurt enkele planten te snoeien behoud de struweelhaag zijn vorm. . Verder is jaarrond begeleiding snoei mogelijk in het geval van overhangende takken of gevaarlijke/hinderlijke situaties. Beukenhagen kunnen het beste tussen half november en eind april worden geplant voor dat de sapstroom op gang komt. Voer zo nodig grondverbetering uit bij de plantgaten. Geef gedurende twee jaar de planten ruim voldoende water. Om een dichte haag te krijgen verdient het aanbeveling om direct na het planten te snoeien, zowel de bovenkant als de zijkant. Dit stimuleert de vertakking waardoor een volle haag ontstaat. Laat de haag elk jaar iets hoger worden tot de gewenst hoogte is bereikt. De eerste jaren na aanplant kan het beste tweemaal per jaar worden geknipt, waarvan de eerste keer vóór de langste dag (de heg heeft dan de kans om nog nieuwe loten te vormen) en de tweede keer rond 1 oktober. Na enkele jaren heeft het de voorkeur om slechts één keer per jaar de haag in het vroege voorjaar te snoeien. Jaarlijkse snoei garandeert het behoud van de vorm van de haag en stimuleert verdichting.

Snoeiwerkzaamheden dienen vermeden te worden tijdens felle zon en nachtvorst om schade aan de haag te voorkomen. Om een goede singel ontwikkelen worden de heesters en boomvormers in groepen van 3 tot 5 veren aangeplant. Deze groepen worden willekeurig door elkaar geplant om een natuurlijke uitstraling te krijgen. De boomvormers worden niet in de buitenste plantrijen aangeplant. De planten kunnen het beste tussen half november en eind april worden geplant voor dat de sapstroom op gang komt. Voer zo nodig grondverbetering uit bij de plantgaten. Geef gedurende twee jaar de planten ruim voldoende water. Een singel dient één keer per jaar in het vroege voorjaar bijgesnoeid te worden maar er kan ook gekozen worden voor een minder frequent onderhoud, bijvoorbeeld één keer per 2 tot 3 jaar, waardoor er robuuster groen ontstaat. Jaarrond is begeleidingssnoei toegestaan in het geval van overhangende takken of gevaarlijke/hinderlijke situaties. De boomvormers volstaan onder dezelfde beheerrichtlijnen. Het kappen en/of snoeien van bomen en struiken tijdens het broedseizoen, is in strijd met hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zodra er daadwerkelijk een vogel broedt in de betreffende boom of struik.

Dit broedseizoen loopt over het algemeen van maart tot augustus, maar ook buiten deze periode kunnen snoeien kapwerkzaamheden in strijd zijn met hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bijvoorbeeld wanneer er een jaarrond beschermd nest aanwezig is of een vogel broedt buiten het broedseizoen. Belangrijk is dan ook om altijd voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren of eerdergenoemde situaties niet aan de orde zijn.

Landschappelijke inpassing, 25-07-2024 | Eijkenhofweg 3 en 5, Veulen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16773696/1