CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

b NL.IMRO.0984.TAM25015-ON01 tb8 Archeologisch onderzoek

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Oude Heerweg 23, Blitterswijck18.002 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. 2.14.2 Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in gebruik als vakgarage, de realisatie van het garagegebouw kan de bodem hebben verstoord, waardoor eventuele aanwezige archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan. Daarnaast kan ook de historische bebouwing, vanaf begin 19 e eeuw, de bodem hebben verstoord en mogelijk oudere sporen hebben aangetast. De historische bebouwing zelf betreft echter ook archeologie vanwege de ouderdom. 2.15 Conclusie en advies bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is.

Op basis van de landschappelijke ligging en archeologische waarnemingen in de omgeving is er een lage verwachting opgesteld voor de perioden (Laat) Paleolithicum en het Mesolithicum. Voor de perioden Neolithicum tot en met de IJzertijd en de Vroege- en Late Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Voor de Romeinse tijd en de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als

40

Renes, 1999.

26 (34)

bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

Inventariserend Veldonderzoek

3.1 Inleiding Het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4003 Overig en bestaat uit: 1. Controle aanwezigheid en volledigheid informatie (LS05, LS06 PS05, VS05, VS07) 2. Opstelling Plan van Aanpak IVO-Overig (VS01, SP01, VS08) 3. Aanmelden onderzoek bij Archis 4. Uitvoeren veldwerk IVO-Overig (VS02, VS03, VS04) 5. Melden eerste bevindingen onderzoek bij Archis 6. Uitwerken vondsten en (boor)monsters (VS03, SP02) 7. Analyseren resultaten IVO-Overig (VS02, VS03, VS04) 8. Opstellen standaardrapport IVO-Overig en waardering (VS05, VS06) 9. Opstellen selectieadvies (VS07) 10. Aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis 11. Aanleveren van analoge projectdocumentatie (DS01, DS02, OS17) 12. Aanleveren van vondsten en monsters (DS03, OS17) 13. Aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05) 14. Verwijderen gedeselecteerde vondsten en monsters (OS13) Het inventariserend veldonderzoek bestaat uit een booronderzoek verkennende fase. De gekozen onderzoeksmethode voor het veldwerk is gebaseerd op de resultaten van het bureauonderzoek (uitmondend in de gespecificeerde archeologische verwachting), het protocol inventariserend veldonderzoek uit de KNA versie 4.1 (protocol 4003 IVO-O).

3.2 Doelstelling en vraagstelling Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.3 Werkwijze Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 30 mei 2025 door de heer E.F.M. Rademakers (Archeoloog) en de heer M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 3 juni 2025 door de heer E.F.M. Rademakers (Archeoloog), mevrouw M. Geurts (Archeoloog) en de heer M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen.

In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 5 boringen tot maximaal 250 cm -mv gezet (zie kaart 20). De boringen zijn lithologisch conform de Leidraad Archeologische Standaard

27 (34)

Boorbeschrijving (ASB, versie 1.1).41 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en zwaarden) is vastgelegd met behulp van dGPS.

Boorpuntenkaart weergegeven op de luchtfoto uit 2022

41

Bosch, 2008.

28 (34)

Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. Vanwege het gebruik van het plangebied (bestraat en bebouwd) was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren.

3.4 Resultaten en interpretatie De locaties van de boringen worden weergegeven in kaart 14. De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 8 weergegeven. Bijlage 9 betreffen foto’s van de boringen.. 3.4.1 Bodemopbouw Op basis van de boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven: Direct onder het maaiveld bevindt zich bij alle boringen verharding (stoeptegel of klinker). Daaronder bevinden zich verschillende opgebrachte pakketten. In veel gevallen is er sprake van duidelijk opgebracht bouwzand, lokaal tot wel 120 cm beneden maaiveld. Daaronder bevinden zich pakketten waarvan niet geheel duidelijk is of deze (recent) zijn opgebracht of zijn geroerd. De pakketten worden gekenmerkt door een gevlekte kleur en bevatten in een aantal gevallen baksteen. De opgebrachte/geroerde pakketten gaan tot een diepte tussen 150 en 220 cm beneden maaiveld. Boring 3 is gestuit, deze boring bevindt zich op de locatie waar volgens de Kadastrale Minuut bebouwing heeft gestaan (zie kaart 10), er kan echter niet worden vastgesteld of het stuiten in relatie staat tot de oude bebouwing. Onder de opgebrachte/geroerde pakketten bevindt zich de C-horizont, zijnde rivierafzettingen (rivierbedding). De C-horizont bestaat over het algemeen uit grof zand en is geel/beige van kleur.

Echter is in de boringen opgemerkt dat in de onderzijde van de bovenliggende geroerde/opgebrachte pakketten ook al sediment van de C-horizont aanwezig lijkt te zijn (zie foto’s bijlage 9). De top van de C-horizont lijkt niet meer intact te zijn in het plangebied. In tegenstelling tot de verwachting op basis van de bodemkaart, is in het plangebied geen enkeerdgrond aangetroffen. 3.4.2 Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend booronderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.5 Conclusie veldonderzoek Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel antwoorden te vinden op de vraag of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeenstemmen met de verwachtingen en als

29 (34)

er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Ook wordt getracht om een eerste indruk te verkrijgen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan worden gesteld dat onder de verharding sprake is van een ophogingspakket, waarbij het in een aantal gevallen gaat om geel bouwzand. Daarnaast is er ook sprake van pakketten die duidelijk zijn geroerd, gekenmerkt door gevlektheid. Mogelijk zijn ook deze pakketten nog opgebracht. Pas tussen de 150 en 220 cm beneden maaiveld zijn duidelijk natuurlijke afzettingen aangetroffen, waarbij het gaat om de rivierbedding. In de bovenliggende pakketten is echter al sediment van de rivierbedding aanwezig, er lijkt dus geen sprake meer te zijn van een intact archeologisch niveau. Op basis van de bodemingrepen in de 20e eeuw, met de realisatie van de garage met diepgaande funderingen, de bouw en verwijdering van een tankstation in het zuiden van het plangebied (waar zich de historische bebouwing grotendeels heeft bevonden), en de verwijdering van ondergrondse olietanks, wordt niet verwacht dat er nog intacte sporen aanwezig zullen zijn van historische bebouwing.

Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals opgesteld in hoofdstuk 2, worden bijgesteld naar laag voor alle tijdsperioden.

30 (34)

4

Conclusie en advies

In opdracht van Beusmans & Jansen heeft Sweco een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd naar de locatie Oude Heerweg 23 te Blitterswijck, gemeente Venray. De aanleiding voor dit onderzoek is de wens van de initiatiefnemer om woningen te realiseren binnen het plangebied. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan worden gesteld dat onder de verharding sprake is van een ophogingspakket, waarbij het in een aantal gevallen gaat om geel bouwzand. Daarnaast is er ook sprake van pakketten die duidelijk zijn geroerd, gekenmerkt door gevlektheid. Mogelijk zijn ook deze pakketten nog opgebracht. Pas tussen de 150 en 220 cm beneden maaiveld zijn natuurlijke afzettingen aangetroffen, waarbij het gaat om de rivierbedding. In de bovenliggende pakketten is echter al sediment van de rivierbedding aanwezig; er lijkt dus geen sprake meer te zijn van een intact archeologisch niveau.

Op basis van de bodemingrepen in de 20e eeuw, met de realisatie van de garage met diepgaande funderingen, de bouw en verwijdering van een tankstation in het zuiden van het plangebied (waar zich de historische bebouwing grotendeels heeft bevonden), en de verwijdering van ondergrondse olietanks, wordt niet verwacht dat er nog intacte sporen aanwezig zullen zijn van historische bebouwing. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals opgesteld in hoofdstuk 2, worden bijgesteld naar laag voor alle tijdsperioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Sweco om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Sweco. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Venray), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Venray wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan.

Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Venray op de hoogte te stellen. De Omgevingswet regelt dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang, niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen. Dit rapport is opgeleverd aan de opdrachtgever en dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid.

31 (34)

Literatuurlijst Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘sGravenhage. Boots, G.J., & M. Stiekema, 2012: Archeologisch onderzoek en verkennend booronderzoek plangebied Molenhof te Blitterswijck in de gemeente Venray. Econsultancy rapportnummer 12013049, Swalmen. Bosch, J.H.A., 2008: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. versie 1.1. Op basis van Standaard boorbeschrijvingsmethode versie 5.2. Deltares-rapport 2008-U-R0881/A. Utrecht, Deltares. Exaltus, R., & J. Orbons, 2024: Oude Heerweg 57, Blitterswijck, gemeente Venray, Inventariserend veldonderzoek (IVO-); bureauonderzoek, oppervlaktekartering en verkennend booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport nr. 21113, Eijsden. Hanemaaijer, M., & R. van Lil, 2009: Gemeente Meerlo Wansum, Blitterswijck, Berkenstraat Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC Rapport 1806, Amersfoort. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘sGravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Koomen, A.J.M. en Maas, G.J., 2005: Geomorfologische kaart van Nederland. Wageningen Environmental Research. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A.

van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Nelissen, R., H. Leuveringen & T. Deville, 2009: Bureauonderzoek en karterend veldonderzoek d.m.v. boringen, Van Lyndenstraat te Blitterswijck. Synthegra projectnummer S090092, Valkenswaard. RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2011. Actualisatie verwachtingskaart en opstellen beleidskaart met bijbehorende beleidsregels Gemeente Venray (Nr. 15642VENR-F). Weesp. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Ruijters, M.H.P.M., X.C.C. van Dijk, G.R. Ellenkamp & G. Tichelman, 2017: Afgedekte ruggen opgezocht Onderzoeksgebied Ooijen-Wanssum in de gemeenten Venray en Horst aan de Maas Archeologisch vooronderzoek: een proefsleuvenonderzoek. RAAP-rapport 3153, Weesp.

32 (34)

Stiekema, M., 2014: Archeologisch verkennend booronderzoek Maasweg 7 te Blitterswijck in de gemeente Venray. Econsultancy rapportnummer 14081806, Swalmen. Tump, M., 2022: Gemeente Venray, Blitterswijck Plangebied Gebiedsontwikkeling OoijenWanssum, deelgebied W6 Bewoning in de overgang van de vroege naar de middenijzertijd op een oude terrasrest. BAAC-rapport A-20.0202, ’s-Hertogenbosch. TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Verboom-Jansen, M & J.P.M. de Wit, 2025: Blitterswijck, Berkenstraat (ong.) Gemeente Venray (L) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 5051, Nieuwegein. Verheij, R.S., A.J. Wullink & A.C. Mientjes, 2021: Archeologisch vooronderzoek Beetezijweg 3, 5, 7 in Blitterswijck. Econsultancy rapportnummer 17527.002, Rotterdam. Vos, P. & S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Utrecht (Deltares). Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Bronnenlijst Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, 2025. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, 2025. http://www.bodemloket.nl BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021: . NGR/Wageningen Environmental Research. Beschikbaar op: https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/757a7c50540d-4105-9135-73f09f700743. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg; internetsite, 2025. https://www.limburg.nl/Beleid/Cultuur/Erfgoed/Monumenten/Cultuurhistorische_Waardenkaa rt Dinoloket; internetsite, 2025. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, 2025. http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); internetsite, 2025. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/1c0dcc64 -91aa-4d44-a9e3-54355556f5e7. Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, 2025.

33 (34)

https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8f25a-4d01-9245-5cf058314ebf. Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’; internetsite, 2025. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-85137370867ad32e. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2024); internetsite, 2025. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a -9a58-4761-a809-b4c5d90dcd35. Kadaster Topotijdreis; internetsite, 2025. http://www.topotijdreis.nl/ NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, 2025. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C 4D0E1D6AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000, internetsite, 2025. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d07379-4f26-a444-7616e1d888f0. Openbasiskaart.nl, internetsite, 2025. https://www.openbasiskaart.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, 2025. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, 2025.

https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2023) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) WCS’; internetsite, 2025. https://service.pdok.nl/rws/ahn/wcs/v1_0?SERVICE=WCS&request=GetCapabilities Ruimingskaart; internetsite, 2025. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ Topotijdreis: 200 jaar topografische kaarten; internetsite, 2025. https://www.topotijdreis.nl VEO Bommenkaart; internetsite, 2025. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

34 (34)

Kaarten

Kaart 1.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000)

Kaart 2.

Het plangebied op de kadastrale kaart

Kaart 3.

Het plangebied op een luchtfoto uit 2022

Kaart 4. Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart en de beleidskaart voor de Gebiedsontwikkeling OoijenWanssum

Kaart 5.

Het plangebied op paleogeografische kaarten

Kaart 6. Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1:50.000 van Nederland

Kaart 7.

Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN4)

Kaart 8.

Het plangebied op de bodemkaart

Kaart 9. Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied

Kaart 10. Het plangebied op de kadastrale minuut

Kaart 11. Het plangebied op het bonneblad uit 1899

Kaart 12. Het plangebied op de topografische kaart uit 1965

Kaart 13. Het plangebied op de topografische kaart uit 1980

Kaart 14. Boorpuntenkaart

Bijlagen

Bijlage 1. Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Bijlage 2. AMK-terreinen AMK-terrein 16624 van hoge archeologische waarde Binnen het zuidelijke deel van het plangebied Blitterswijck te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.054 / Y:393.830 Terrein met bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Het gaat om de oude dorpskern van Blitterswijck. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19de-eeuwse en vroeg 20ste-eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter ge had kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. Complex Begin datering Eind datering 1 Nederzetting (onbepaald) Late Middeleeuwen Nieuwe Tijd

Bijlage 3. Onderzoeksmeldingen met bijbehorende vondsten/sporen Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5137339100 Archeopro 24-11-2021 10 meter ten zuidwesten van het plangebied Blitterswijck, gemeente Venray X:204.886 / Y:393.526 In het bureauonderzoek is, vanwege de grote afstand tot open water en de ligging buiten een gradiëntzone, hooguit een middelhoge verwachting opgesteld voor jagers-verzamelaars. Voor de landbouwers geldt, vanwege de ligging op een vlak en hooggelegen dalvlakteterras, een hoge verwachting. Tijdens het booronderzoek is geconstateerd dat het plangebied tot minimaal zestig centimeter beneden maaiveld is verstoord, lokaal zelfs tot 1,2 meter beneden maaiveld. Een intact akkerdek is nergens aangetroffen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.42 Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Bureauonderzoek

Zaaknummer: 2228304100 10 meter ten zuiden van het plangebied Berkenstraat te Blitterswijck, gemeente Venray X:204.985 / Y:393.570 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS.

Uitvoerder: Econsultancy BV

Datum: 08-01-2009

Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 2230378100 ADC ArcheoProjecten 22-01-2009 10 meter ten zuiden van het plangebied Blitterswijck, gemeente Venray X:204.985 / Y:393.574 Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat het volledige terrein is afgegraven. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.43 Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Booronderzoek

Zaaknummer: 2186736100 50 meter ten noordoosten van het plangebied Op den Dries te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.020 / Y:393.735 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS.

Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten

Datum: 13-02-2008

Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5140838100 Econsultancy BV 06-12-2021 70 meter ten westen van het plangebied Blitterswijck, gemeente Venray X:204.801 / Y:393.620 Volgens het bureauonderzoek worden er in het plangebied rivierafzettingen van de Formatie van Beegden verwacht, met eventueel daarop dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel. In de top van de rivierafzettingen worden 42 43

Exaltus & Orbons, 2024. Hanemaaijer & van Lil, 2009.

archeologische resten verwacht vanaf het Laat-Paleolithicum. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat ter plaatse van het plangebied een plaggendek aanwezig is met een dikte tussen circa 80 en 100 cm met hieronder Pleistocene rivierafzettingen van de Maas. In de top van de rivierafzettingen is verbruining opgetreden. Binnen het plangebied zijn er geen dekzandafzettingen aangetroffen. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied op rivierafzettingen ligt, behorend tot de Formatie van Beegden. Hierop is een 80 tot 100 cm dik plaggendek aangetroffen. Onder het plaggendek in de top van de rivierafzettingen is een 10 tot 30 cm dikke verbruiningshorizont (Bw-horizont) aangetroffen. Binnen deze verbruiningshorizont zouden archeologische resten bewaard kunnen zijn gebleven. De verwachting voor resten uit het Vroeg-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen wordt hiermee bevestigd. De verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd kan naar laag worden bijgesteld, omdat de top van het plaggendek mogelijk geroerd is. Econsultancy adviseert om de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’ te handhaven. Dit betekent dat bij toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden dieper dan 50 cm -mv en groter dan 250 m2 eerst verder onderzoek moet worden uitgevoerd.

Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend/waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven.44 Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Bureauonderzoek

Zaaknummer: 2265402100 80 meter ten westen van het plangebied Beetezijweg (ong.) te Blitterswijck, gemeente Venray X:204.796 / Y:393.681 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS.

Uitvoerder: Econsultancy BV

Datum: 11-11-2009

Booronderzoek

Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy

Datum: 01-01-2009

Zaaknummer: 2266578100 80 meter ten westen van het plangebied Beetezijweg te Blitterswijck, gemeente Venray X:204.796 / Y:393.681 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS. Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 5484951100 Transect 28-11-2023 160 meter ten zuidoosten van het plangebied Blitterswijck, gemeente Venray X:205.072 / Y:393.474 In het bureauonderzoek is gesteld dat er geen archeologische resten uit het Paleolithicum en mesolithicum worden verwacht, aangezien vindplaatsen uit deze periodes met name voorkomen in gradiëntzones langs terrasranden. Er is een hoge verwachting opgesteld voor de perioden Neolithicum tot en met de Late middeleeuwen. Tijdens het booronderzoek zijn, zoals verwacht, lemige Maasafzettingen aangetroffen. Bovenop de maasafzettingen is sprake van een dunne laag dekzand. Er is geen sprake van een bouwlanddek. In de top van het dekzand is een zwak ontwikkelde B-horizont aanwezig, de oorspronkelijke top van het dekzand is nog deels intact. Het relevante archeologisch niveau bevindt zich op een diepte van 35-50 cm beneden maaiveld (17,3-18,2 m NAP). Er is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd.45 Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Booronderzoek

Zaaknummer: 2361411100 160 meter ten noordwesten van het plangebied Blitterswijck, gemeente Venray

44 45

Verheij et al., 2021. Verboom-Jansen & de Wit, 2025.

Uitvoerder: Econsultancy BV

Datum: 13-03-2012

X:204.750 / Y:393.875 Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum laag. De archeologische verwachting voor het Mesolithicum is hoog, voor de periode Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd middelhoog en voor de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd hoog. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw in het zuiden van het plangebied bestaat uit een bouwvoor van 30 cm dikte, bestaande uit bruin grijs, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand met daaronder een bruine laag bestaande uit matig fijn, zwak siltig zand. Deze laag varieert sterk in dikte en kan als B-horizont worden geïnterpreteerd. De C-horizont bestaat over het algemeen uit beige, matig fijn, zwak siltig zand. Het noorden van het plangebied is tijdens het veldonderzoek niet onderzocht. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Het noorden van het plangebied ligt binnen de historische kern van Blitterswijck en volgens het gemeentelijk archeologiebeleid is daar een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven verplicht. Het zuidelijke deel van het plangebied is onderzocht met een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek.

Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van het plangebied, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden in het zuidelijke deel van het plangebied niet meer in situ worden verwacht ter plaatse van de bebouwing en ter plaatse van boring 6, ten noorden van deze bebouwing.46 Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Proefsleuvenonderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 2383233100 Archeodienst Gelderland BV 26-09-2011 190 meter ten noorden van het plangebied Pastoor Verhegenstraat te Blitterswijck, gemeente Venray X:204.965 / Y:393.919 In opdracht van Van der Horst Vastgoedontwikkeling heeft archeologisch onderzoeksbureau Archeodienst BV een proefsleuvenonderzoek (Inventariserend Veldonderzoek, waarderende fase - (IVO-P)) uitgevoerd aan de Pastoor Verheggenstraat in Blitterswijck. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de RO-procedure ten behoeve van de geplande ontwikkeling van het plangebied. De opdrachtgever is van plan om 26 nieuwbouwwoningen met bijbehorende infrastructuur in de vorm van wegen en parkeerplaatsen te realiseren. Hierbij zal de bodem door graafwerkzaamheden worden verstoord, waarbij eventueel aanwezige archeologische resten verloren zullen gaan. Tijdens het proefsleuvenonderzoek aan de Pastoor Verheggenstraat te Blitterswijck zijn geen archeologische resten aangetroffen. Het bodemprofiel blijkt grotendeels intact te zijn. Onder de bouwvoor bevindt zich een esdek dat direct op de C-horizont rust. Uit de onderkant van het esdek is een drietal aardewerkfragmenten uit de 19e eeuw afkomstig. Er zijn geen aanwijzingen dat er op enig moment bewoning binnen het onderzoeksgebied heeft plaatsgehad.

Vondsten Begin datering Eind datering 3 fragmenten keramisch roodbakkend geglazuurd Nieuwe Tijd Midden Nieuwe Tijd Laat aardewerk Geen grondsporen aangetroffen of gemeld in ARCHIS Complexen 1 complextype niet te bepalen

Begin datering Nieuwe Tijd Midden

Bureauonderzoek

46

Eind datering Nieuwe Tijd Laat

Zaaknummer: Uitvoerder: 2266367100 Archaeological Research en Consultancy 190 meter ten noorden van het plangebied Pastoor Verheggenstraat te Blitterswijck, gemeente Venray X:204.965 / Y:393.919 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS.

Datum: 20-11-2009

Booronderzoek

Datum: 12-06-2006

Boots & Stiekema, 2012.

Zaaknummer: 2122120100

Uitvoerder: Synthegra BV

240 meter ten noordoosten van het plangebied Kerkstraat te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.195 / Y:393.804 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS. Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Bureauonderzoek

Zaaknummer: 2143010100 290 meter ten oosten van het plangebied Blitterswijck te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.347 / Y:393.950 Geen resultaten bekend binnen ARCHIS.

Uitvoerder: BAAC BV

Datum: 16-01-2007

Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 2233067100 Synthegra BV 16-02-2009 330 meter ten noordwesten van het plangebied van lyndenstraat te Blitterswijck te Blitterswijck, gemeente Venray X:204.765 / Y:394.019 Er is in het bureauonderzoek een middelhoge verwachting opgesteld voor de perioden (Laat) Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen, en een lage verwachting voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Vanwege de verstoorde bodemopbouw, zoals bleek uit het verkennend booronderzoek, is geen vervolgonderzoek geadviseerd. 47 Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Booronderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 2457008100 Econsultancy BV 18-09-2014 350 meter ten noordoosten van het plangebied Maasweg 7 te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.177 / Y:394.035 Het gemeentelijke beleidskaart toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven gemeentelijke beleidskaart, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden.48 Geen vondsten aangetroffen of gemeld in ARCHIS Proefsleuvenonderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 4769713100 BAAC BV 28-01-2020 390 meter ten oosten van het plangebied Wanssum, gemeente Venray X:205.416 / Y:394.081 In opdracht van Mooder Maas heeft BAAC archeologie en bouwhistorie tussen 17 en 21 februari 2020 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in deelgebied W6 in de Weerd Wanssum te Blitterswijck, gemeente Venray. Het onderzoek maakt deel uit van een serie archeologische onderzoeken ten behoeve van de gebiedsontwikkeling OoijenWanssum. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van een hoogwatergeul langs de Maas. Deelgebied W6 ligt grotendeels op een terrasrest uit de Late Dryas en wordt aan de noordzijde begrensd door een vroeg-holocene restgeul. Vanuit die restgeul, maar ook vanuit de huidige Maas zijn in de loop der tijd oeverafzettingen over de grindige beddingafzettingen afgezet. De oudste afzettingen op de terrasrest kunnen gerekend worden tot de Laag van Wijchen. Die Laag van Wijchen is tot zeker het begin van de midden-ijzertijd het maaiveld geweest. Na de midden47 48

Nillesen et al., 2009. Stiekema, 2014.

ijzertijd werd de Maas bij het deelgebied steeds actiever. In toenemende mate werden oeverafzettingen gevormd op de top van het terras, waardoor het maaiveld circa 1 tot 1,5 m hoger kwam te liggen. Het bovenste deel van de oeverafzettingen, ook wel post-Romeins dek genoemd, is op deze locatie afgezet in de loop van de middeleeuwen. Tijdens het veldonderzoek zijn twee vindplaatsen aangesneden. Vindplaats 1 bestaat uit een afvalkuil die gedateerd wordt in het begin van de midden-ijzertijd. Deze bevindt zich langs de zuidelijke rand van de vroeg-holocene geul en is gegraven vanuit de top van de Laag van Wijchen. Het spoor wordt afgedekt door het post-Romeinse dek. Vermoedelijk betreft het hier een geïsoleerd fenomeen, omdat er geen andere sporen in de omgeving zijn gevonden die uit dezelfde periode stammen. Vindplaats 2 bestaat uit meerdere kuilen, paalsporen (waaronder de plattegrond van een spieker) en een waterkuil. Deze sporen worden eveneens afgedekt door het post-Romeinse dek. De vindplaats bevindt zich op het hoger gelegen terrein ten zuiden van de restgeul. Vermoedelijk betreft het hier de resten van een geïsoleerd erf dat globaal gedateerd kan worden in de vroege middeleeuwen B – late middeleeuwen A. Dergelijke vindplaatsen zijn zeldzaam in het Maasdal.

Op basis van de waardering wordt vindplaats 1 uit het begin van de midden-ijzertijd niet behoudenswaardig geacht omdat het hier vermoedelijk een geïsoleerd fenomeen betreft. Vindplaats 2 uit globaal de vroege middeleeuwen B - late middeleeuwen A wordt wel behoudenswaardig geacht. Het advies van BAAC is dan ook om deze vindplaats te beschermen middels behoud in situ en indien dit niet mogelijk is door behoud ex situ door middel van een opgraving. Er wordt geadviseerd om het veldonderzoek gefaseerd uit te voeren. Vondsten Begin datering Eind datering 1 fragment vuurstenen kling Neolithicum Bronstijd 13 fragmenten tefrieten brok Late Bronstijd Middeleeuwen 145 fragmenten keramisch aardewerk, handgevormd Midden IJzertijd Midden IJzertijd 1 fragment zandstenen/kwartsieten brok Midden IJzertijd Midden IJzertijd 99.999 fragmenten afval van dierlijk bot Midden IJzertijd Midden IJzertijd 21 fragmenten keramisch hutteleem Midden IJzertijd Midden IJzertijd 1 fragment keramisch tegula Romeinse Tijd Romeinse Tijd 1 fragment keramisch ruwwandig aardewerk, Vroege Middeleeuwen A Vroege Middeleeuwen B gedraaid 1 fragment keramisch bolpot - Dorestad WIII A-E:laat Vroege Middeleeuwen C Vroege Middeleeuwen C Mayen/bolpot 4 fragmenten keramisch aardewerk, handgevormd Vroege Middeleeuwen D Late Middeleeuwen A 1 fragment keramisch Pingsdorf geelwitbakkend Vroege Middeleeuwen D Late Middeleeuwen A 2

fragmenten keramisch Elmpt Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen B 1 fragment keramisch steengoed - Langerwehe Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B 1 fragment keramisch steengoed - Siegburgs Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B 1 fragment keramisch steengoed - Raerens Nieuwe Tijd Vroeg Nieuwe Tijd Vroeg Sporen 1 kuil 1 spieker/graanschuur (4/6/8/9 palig) 1 waterput/waterreservoir 7 kuilen 4 paalgaten/paalkuilen

Begin datering Midden IJzertijd Vroege Middeleeuwen B Vroege Middeleeuwen B Vroege Middeleeuwen B Vroege Middeleeuwen B

Eind datering Midden IJzertijd Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen A

Geen complexen aangetroffen of gemeld in ARCHIS Opgraving

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 4869643100 BAAC BV 17-06-2020 400 meter ten noordoosten van het plangebied Wanssum, gemeente Venray X:205.409 / Y:394.049 Tijdens de opgraving zijn losse vondsten uit de steentijd aangetroffen, het betreffen enkele vuurstenen artefacten uit het Mesolithicum dan wel Neolithicum. De meeste aangetroffen archeologische resten dateren uit de IJzertijd en behoren tot een eenfasig en eenledig erf dat geplaatst kan worden in de vroege en begin van de midden IJzertijd, daarna is het erf

verlaten en het hoofdgebouw ontmanteld. Uit de Romeinse tijd zijn enkele losse scherven aangetroffen. In de Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd is op het terrein zand gewonnen.49 Vondsten Begin datering Eind datering 1 fragment vuurstenen kernpreparatie-kling Mesolithicum Mesolithicum 1 fragment vuurstenen afslag Mesolithicum Mesolithicum 1 fragment vuurstenen kern Mesolithicum Mesolithicum 1 fragment vuurstenen schrabber Neolithicum Neolithicum 1 fragment vuurstenen kern Neolithicum Neolithicum 1 fragment vuurstenen kling Neolithicum Neolithicum 1 fragment afval van dierlijk bot IJzertijd IJzertijd 10 fragmenten tefrieten maalsteen:ligger IJzertijd IJzertijd 1 fragment zandstenen/kwartsieten maalsteen:ligger IJzertijd IJzertijd 1 fragment zandstenen/kwartsieten slijpsteen IJzertijd IJzertijd 1 fragment zandstenen/kwartsieten maalsteen:ligger IJzertijd IJzertijd 401 fragmenten keramisch aardewerk, handgevormd Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 4 fragmenten keramisch dakpan Romeinse Tijd Romeinse Tijd 2 fragmenten keramisch Belgisch rood aardewerk Romeinse Tijd Romeinse Tijd 7 fragmenten keramisch gladwandig aardewerk, Romeinse Tijd Romeinse Tijd gedraaid 16 fragmenten keramisch ruwwandig aardewerk, Romeinse Tijd Romeinse Tijd gedraaid 1 fragment keramisch geverfd aardewerk, gedraaid Romeinse Tijd Romeinse Tijd 1 fragment keramisch Belgisch aardewerk Romeinse Tijd Romeinse Tijd 1

fragment keramisch kogelpot Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen A 2 fragmenten keramisch Elmpt Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen A 1 fragment keramisch Pingsdorf geelwitbakkend Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen A 1 fragment keramisch Paffrath Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen A 3 fragmenten keramisch Proto-steengoed Late Middeleeuwen A Late Middeleeuwen B 1 fragment keramisch steengoed - Langerwehe Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B 1 fragment ijzeren pijlpunt Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B 4 fragmenten keramisch roodbakkend geglazuurd Late Middeleeuwen B Nieuwe Tijd Midden aardewerk 84 fragmenten ijzeren munitie (projectiel met Nieuwe Tijd Laat Nieuwe Tijd Laat patroon) Sporen Begin datering Eind datering 3 palenrijen Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 7 kuilen Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 60 paalgaten/paalkuilen Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 4 spiekers/graanschuren Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 3 kuilen Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 1 waterput/waterreservoir Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 3 afvalkuilen Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 1 huisplattegrond Vroege IJzertijd Midden IJzertijd 21 kuilen Late Middeleeuwen B Nieuwe Tijd 1 kuil Nieuwe Tijd Laat Nieuwe Tijd Laat Geen complexen aangetroffen of gemeld in ARCHIS

49

Tump, 2022.

Booronderzoek

Zaaknummer: 2440110100 480 meter ten noordoosten van het plangebied Wanssum, gemeente Venray X:205.306 / Y:394.774 Rapport niet raadpleegbaar.

Uitvoerder: BAAC BV

Datum: 18-10-2013

Vondsten 1 fragment vuursteen 3 fragmenten vuursteen 1 fragment bot 3 fragmenten keramiek 1 fragment natuursteen 2 fragmenten keramiek 1 fragment keramiek 1 fragment keramiek 3 fragmenten keramiek 2 fragmenten metalen slak 1 fragment keramiek 3 fragmenten keramiek 1 fragment keramiek 1 fragment keramiek 2 fragmenten keramiek 3 fragmenten keramiek 1 fragment keramiek 2 fragmenten keramiek 1 fragment keramiek 8 fragmenten keramiek 4 fragmenten keramiek 10 fragmenten houtskool 10 fragmenten huttenleem 10 fragmenten houtskool 10 fragmenten huttenleem 10 fragmenten huttenleem 10 fragmenten houtskool 3 fragmenten keramiek

Begin datering Paleolithicum Paleolithicum Paleolithicum Neolithicum Neolithicum Neolithicum Neolithicum Laat Neolithicum Bronstijd Bronstijd Late Bronstijd IJzertijd Vroege IJzertijd Late IJzertijd Romeinse Tijd Romeinse Tijd Romeinse Tijd Romeinse Tijd Romeinse Tijd Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen Late Middeleeuwen

Eind datering Bronstijd Bronstijd Nieuwe Tijd IJzertijd Middeleeuwen Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd Vroege Bronstijd IJzertijd Nieuwe Tijd Vroeg Romeinse Tijd IJzertijd Vroege IJzertijd Romeinse Tijd Romeinse Tijd Romeinse Tijd Romeinse Tijd Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Middeleeuwen Middeleeuwen Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd Nieuwe Tijd

Complexen 1 complextype niet te bepalen 2 complextype niet te bepalen 1 complextype niet te bepalen 1 complextype niet te bepalen 3 complextype niet te bepalen

Begin datering Neolithicum Neolithicum Romeinse Tijd Romeinse Tijd Middeleeuwen

Eind datering IJzertijd Romeinse Tijd Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Nieuwe Tijd

Proefsleuvenonderzoek

Zaaknummer: Uitvoerder: Datum: 2462208100 RAAP Archeologisch Adviesbureau 07-11-2014 480 meter ten noordoosten van het plangebied Ooijen-Wanssum te Wanssum, gemeente Venray X:206.912 / Y:392.961 Dit onderzoek betreft een grootschalig proefsleuvenonderzoek te Ooijen-Wanssum, bestaande uit meerdere deelgebieden. Voor dit onderzoek zijn enkel de deelgebieden 3 en 8 relevant, deze bevinden zich immers binnen het onderzoeksgebied. In deze deelgebieden zijn bewonings/rituele sporen uit de Late Prehistorie aangetroffen, samen met

nederzettingen/perceleringen uit de Late Bronstijd, Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, deze bevinden zich veelal op de jonge oeverafzettingen.50

50

Ruijters et al., 2017.

Bijlage 4. Losse vondstmeldingen Gevonden tijdens: Zaaknummer: Vinder: Vondst datum: verwervingswijze niet te 3114063100 particulier Onbekend bepalen 270 meter ten noordoosten van het plangebied Blitterswijck te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.100 / Y:393.900 Klein stuk aardewerk, waarschijnlijk een bijgave met uitgesproken scherpen buik knikken breden kraag. Versiering in de hals, drie evenwijdige ingekraste lijnen die tweemaal opgeheven worden als vormden zij een guirlande, waaronder dan een kleine ronde indeuking is aangebracht: 'hoogte: 7,3 cm; midd. standvlak: 4 cm; rand: 6,5 cm; gr. breedte: 9,5 cm; kraag hoog: 2,5 cm. Het voorwerp is door het RMO aangekocht en afkomstig van het urnenveld te Blitterswijk-Ooyen.

Vondsten Begin datering Eind datering 1 fragment keramisch aardewerk, handgevormd:3Late Bronstijd Late Bronstijd ledig lage vorm - cilinderhals Complexen Begin datering Eind datering 1 urnenveld Late Bronstijd Late Bronstijd Gevonden tijdens: Zaaknummer: archeologisch: opgraving 2849698100 270 meter ten noordoosten van het plangebied Plein te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.150 / Y:393.850 geen toelichting bekend binnen ARCHIS Sporen Onbekend aantal funderingen Complexen 1 kerk Gevonden tijdens: Zaaknummer: niet-archeologisch 2723636100 290 meter ten westen van het plangebied Meerlosche Heide te Meerlo, gemeente Venray X:204.620 / Y:393.550 geen toelichting bekend binnen ARCHIS Vondsten 1 fragment vuurstenen schrabber Complexen 1 complextype niet te bepalen

Vinder: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Vondst datum: 01-01-1948

Begin datering Late Middeleeuwen

Eind datering Late Middeleeuwen

Begin datering Late Middeleeuwen

Eind datering Late Middeleeuwen

Vinder: particulier

Vondst datum: 01-01-1970

Begin datering Neolithicum

Eind datering Neolithicum

Begin datering Neolithicum

Eind datering Neolithicum

Gevonden tijdens: Zaaknummer: Vinder: Vondst datum: verwervingswijze niet te 2856947100 particulier Onbekend bepalen 340 meter ten zuidoosten van het plangebied Blitterswijck te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.220 / Y:393.460 Deze waarneming is gebaseerd op een korte aantekening op een blanco vel inhet CAA, met enkel het coördinaat, de vondst en de mededeling 'Tekening inC.A.A.' Deze bevindt zich hier echter niet, evenmin in het Oud Archief. Vondsten Begin datering Eind datering

1 fragment keramisch pot

Neolithicum

Nieuwe Tijd

Complexen 1 complextype niet te bepalen

Begin datering Neolithicum

Eind datering Nieuwe Tijd

Gevonden tijdens: Zaaknummer: Vinder: Vondst datum: archeologisch: opgraving 3103209100 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 21-07-1969 420 meter ten noordoosten van het plangebied Kasteel Blitterswijk te Blitterswijck, gemeente Venray X:205.300 / Y:393.900 Onderzoek had betrekking op bouwgeschiedenis van het in de tweede wereldoorlog verwoeste kasteel van Blitterswijck. Dit kasteel moet uit de 14de eeuw stammen. Vondsten Begin datering Eind datering Onbekend aantal fragmenten houten/houtkolen paal Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B Onbekend aantal fragmenten keramisch aardewerk, Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B ondetermineerbaar Sporen Begin datering Eind datering Onbekend aantal vloeren Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B Onbekend aantal gebouwen Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B 1 gracht Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B 1 cultuurlaag Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B Onbekend aantal funderingen Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B 1 waterput/waterreservoir Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B Onbekend aantal muren Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B Complexen 1 brug 8 kasteel

Begin datering Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B

Eind datering Late Middeleeuwen B Late Middeleeuwen B

Bijlage 5. Bewoningsgeschiedenis van Nederland Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam.

De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu. Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territorium gebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolithische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.

Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.

Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.

Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de

Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven.

In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden.

In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Bijlage 6. AMZ-cyclus Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16773773/1