b NL.IMRO.0984.TAM25015-ON01 tb8 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 51030635 Referentienummer: Rapport archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek Oude Heerweg 23 te Blitterswijck 22-08-2025
Archeologisch onderzoek plangebied Oude Heerweg 23 te Blitterswijck, gemeente Venray Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 51030635
Versie C1 D1
Status Oplevering concept aan opdrachtgever voor beoordeling bevoegde overheid Definitief na goedkeuring bevoegde overheid
Datum 06-06-2025 22-08-2025
Verantwoording Sweco Rijksweg Noord 39 6071KS Swalmen
Drs. E.F.M. Rademakers Archeoloog T +31 639321375
Sweco Nederland B.V. T +31 88 811 66 00 Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt www.sweco.nl
Titel Subtitel
Archeologisch onderzoek plangebied Oude Heerweg 23 te Blitterswijck, gemeente Venray Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 51030635
Projectnummer
51030635
Revisie
D1
Datum
22-8-2025
Auteur
De heer drs. E.F.M. Rademakers (archeoloog) De heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Prospector)
E-mailadres
Edwin.rademakers@sweco.nl
Gecontroleerd door
De heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector)
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Drs. T.H.L. Hos
Paraaf goedgekeurd
Sweco voert archeologisch onderzoek uit onder procescertificaat SIKB BRL 4000 ’Archeologie’ (KNA versie 4.1) en de protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004. De archeologische werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1). Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Sweco voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Sweco niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
2 (34)
Administratieve gegevens Uitvoerder
Sweco
Provincie
Limburg
Gemeente
Venray
Plaats
Blitterswijck
Toponiem
Oude Heerweg 23
Kaartbladnummer
52E (1:25.000)
Kadastrale gegevens
Gemeente Wanssum , Sectie E, nummer 576
x/y-coördinaten (centrum)
x: 204.915/y: 393.666
Opdrachtgever
Beusmans & Jansen
Onderzoeksmeldingsnummer Archis3
5802243001
Archis monumentnummer
N.v.t.
Archis waarnemingsnummer
N.v.t.
Archeoregio NOaA
4. Brabants zandgebied
Oppervlakte plangebied
Circa 2000 m2
Bevoegde overheid
Gemeente Venray Raadhuisstraat 1 5801 MB Venray
T: 0478-523333 E: gemeente@venray.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Kragten
archeologie@kragten.nl
Periode van uitvoering
Mei 2025
Beheer en plaats van documentatie
Sweco
3 (34)
Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 7 1
Inleiding .................................................................................................................. 9
1.1
Aanleiding van het onderzoek ................................................................................. 9
1.2
Kader onderzoek ................................................................................................... 10
1.3
Methodiek .............................................................................................................. 11
1.4
Doelstelling onderzoek .......................................................................................... 11
1.5
Uitvoeringsperiode en controle .............................................................................. 11
2
Bureauonderzoek ................................................................................................ 11
2.1
Inleiding ................................................................................................................. 11
2.2
Doelstelling en vraagstelling .................................................................................. 12
2.3
Afbakeningen plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik ......................... 12
2.3.1
Afbakening plan- en onderzoeksgebied ..............................................................................12
2.3.2
Huidig gebruik van het plangebied ......................................................................................12
2.3.3
Toekomstig gebruik van het plangebied .............................................................................13
2.4
Vigerend beleid ...................................................................................................... 13
2.5
Milieuhygiënische situatie ...................................................................................... 14
2.6
Aardwetenschappelijke gegevens ......................................................................... 15
2.6.1
Landschappelijke ontwikkeling ............................................................................................15
2.6.2
DINO ...................................................................................................................................16
2.6.3
Geomorfologie ....................................................................................................................16
2.6.4
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) ........................................................................16
2.6.5
Bodemkunde .......................................................................................................................17
2.6.6
Boringen en/of sonderingen ................................................................................................17
2.6.7
Grondwatertrap ...................................................................................................................17
2.7
Archeologische waarden ....................................................................................... 18
2.7.1
Archeologische Monumenten ..............................................................................................18
2.7.2
Archeologische onderzoeksmeldingen met bijbehorende vondstmeldingen .......................18
2.7.3
Losse archeologische vondstmeldingen .............................................................................19
2.8
Andere bronnen ..................................................................................................... 20
2.8.1
Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg ....................................20
2.8.2
Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot ...................20
2.9
Historische situatie................................................................................................. 20
2.9.1
Korte bewoningsgeschiedenis van Blitterswijck ..................................................................20
2.9.2
Historisch kaartmateriaal.....................................................................................................21
2.10
Bouwhistorische gegevens .................................................................................... 23
2.11
Tweede Wereldoorlog ........................................................................................... 23
2.12
Heemkunde Vereniging ......................................................................................... 23
4 (34)
2.13
Bodemverstoring.................................................................................................... 23
2.14
Gespecificeerde archeologisch verwachting ......................................................... 24
2.14.1
Toelichting...........................................................................................................................25
2.14.2
Bodemverstoring .................................................................................................................26
2.15
Conclusie en advies bureauonderzoek ................................................................. 26
3
Inventariserend Veldonderzoek ......................................................................... 27
3.1
Inleiding ................................................................................................................. 27
3.2
Doelstelling en vraagstelling .................................................................................. 27
3.3
Werkwijze .............................................................................................................. 27
3.4
Resultaten en interpretatie .................................................................................... 29
3.4.1
Bodemopbouw ....................................................................................................................29
3.4.2
Archeologische indicatoren .................................................................................................29
3.5
Conclusie veldonderzoek ...................................................................................... 29
4
Conclusie en advies ............................................................................................ 31
Literatuurlijst ........................................................................................................................ 32 Bronnenlijst .......................................................................................................................... 33
5 (34)
Tabellen Tabel 2-1
Aardwetenschappelijke informatie
Tabel 2-2
Grondwatertrappenindeling
Tabel 2-3
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Tabel 2-4
Gespecificeerde archeologische verwachting
Kaarten Kaart 1.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000)
Kaart 2.
Het plangebied op de kadastrale kaart
Kaart 3.
Het plangebied op een luchtfoto uit 2022
Kaart 4.
Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart
Kaart 5.
Het plangebied op paleogeografische kaarten
Kaart 6.
Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1:50.000 van Nederland
Kaart 7.
Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN4)
Kaart 8.
Het plangebied op de bodemkaart
Kaart 9.
Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied
Kaart 10.
Het plangebied op de kadastrale minuut
Kaart 11.
Het plangebied op het bonneblad uit 1899
Kaart 12.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1965
Kaart 13.
Het plangebied op de topografische kaart uit 1980
Kaart 14.
Boorpuntenkaart
Bijlagen Bijlage 1.
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Bijlage 2.
AMK-terreinen
Bijlage 3.
Onderzoeksmeldingen met bijbehorende vondsten/sporen
Bijlage 4.
Losse vondstmeldingen
Bijlage 5.
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Bijlage 6.
AMZ-cyclus
Bijlage 7.
Planontwerp
Bijlage 8.
Boorstaten
Bijlage 9.
Foto’s boringen
6 (34)
Samenvatting Sweco heeft in opdracht van Beusmans & Jansen in mei en juni 2025 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Oude Heerweg 23 te Blitterswijck in de gemeente Venray. De initiatiefnemer heeft het voornemen om de huidige garage te slopen en er zes nieuwe woningen te plaatsen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient in het kader van de omgevingswet en de hierbij behorende onderliggende regelgeving inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Verwachting Op basis van de landschappelijke ligging en archeologische waarnemingen in de omgeving is er een lage verwachting opgesteld voor de perioden (Laat) Paleolithicum en het Mesolithicum. Voor de perioden Neolithicum tot en met de IJzertijd en de Vroege- en Late Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Voor de Romeinse tijd en de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting. Resultaten veldonderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan worden gesteld dat onder de verharding sprake is van een ophogingspakket, waarbij het in een aantal gevallen gaat om geel bouwzand. Daarnaast is er ook sprake van pakketten zand die duidelijk zijn geroerd, gekenmerkt door gevlektheid. Mogelijk zijn ook deze pakketten nog opgebracht. Pas tussen de 150 en 220 cm beneden maaiveld zijn duidelijk natuurlijke afzettingen aangetroffen, waarbij het gaat om de rivierbedding.
In de bovenliggende pakketten is echter al sediment van de rivierbedding aanwezig, er lijkt dus geen sprake meer te zijn van een intact archeologisch niveau Conclusie en advies Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals opgesteld in hoofdstuk 2, worden bijgesteld naar laag voor alle tijdsperioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Sweco om het plangebied vrij te geven.
7 (34)
Bovenstaand advies is van Sweco. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Venray), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente naam gemeente wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente naam gemeente op de hoogte te stellen. De Omgevingswet regelt dat in het geval van archeologische toevalsvondsten van algemeen belang, niet alleen de minister van OCW, maar ook de gemeente bevoegd is om bodemverstorende werkzaamheden stil te leggen.
8 (34)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding van het onderzoek In opdracht van Beusmans & Jansen heeft Sweco een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd naar de locatie Oude Heerweg 23 te Blitterswijck, gemeente Venray (zie kaart 1). De initiatiefnemer heeft het voornemen om de huidige garage te slopen en er zes nieuwe woningen te plaatsen.
9 (34)
Kaart 1. De ligging van het plangebied op de topografische kaart. 1.2 Kader onderzoek Om deze ontwikkeling mogelijk te maken dient in het kader van de omgevingswet en de hierbij behorende onderliggende regelgeving inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden.
10 (34)
1.3 Methodiek Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. In dit rapport zijn de eisen en specificaties van BRL4000 protocol 4002 en 4003 (IVO-O) samengevoegd. 1.4 Doelstelling onderzoek De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden zullen eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem verstoren en/of vernietigen. Derhalve dienen voorafgaand aan die werkzaamheden de archeologische waarden binnen het plangebied in kaart te worden gebracht. 1.5
Uitvoeringsperiode en controle
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in mei en juni 2025 door de heer drs. E.F.M. Rademakers (archeoloog) en de heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) en goedgekeurd door drs. T.H.L. Hos (Teamleider).
2
Bureauonderzoek
2.1 Inleiding Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.1 Dit protocol bestaat uit elf processtappen: 1. Afbakenen plan- en onderzoeksgebied en vaststellen consequenties toekomstig gebruik (LS01) 2. Aanmelden onderzoek bij Archis 3. Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid (LS01) 4. Beschrijven huidig gebruik en toekomstige situatie (LS02) 5. Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03) 6. Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond (LS02, LS03, LS04) 7. Beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke kenmerken (LS04) 8. Opstellen gespecificeerde verwachting en formuleren onderzoeksstrategie (LS05) 9. Opstellen standaardrapport bureauonderzoek (LS06) 10. Aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis 11. Aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05) Processtappen 1 tot en met 7 leveren gegevens op basis waarvan de gespecificeerde verwachting (stap 8) wordt opgesteld. Deze stappen worden behandeld in paragraaf 1.1 en 1
SIKB.
11 (34)
hoofdstuk 2. Processtap 9 resulteert in het voorliggende rapport. Processtappen 10 en 11 hebben betrekking op het openbaar maken van het bureauonderzoek voor derden bij onder meer Archis en het e-Depot. Bij de uitvoering van het bureauonderzoek is niet afgeweken van de BRL. Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn onder andere de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente naam gemeente; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2.2 Doelstelling en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. De vraagstelling voor het onderzoek is: welke archeologische waarden zijn in het plangebied (mogelijk) aanwezig of kunnen worden verwacht?
2.3
Afbakeningen plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik
2.3.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 meter rondom het plangebied. Deze afstand is gebaseerd op de aanname dat hiermee afdoende informatie over het plangebied kan worden verzameld om een goede gespecificeerd archeologisch verwachting op te kunnen stellen. Het plangebied ligt aan de Oude Heerweg 23, in de bebouwde kom van Blitterswijck, in de gemeente Venray (zie kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 2000 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) rond 15,5 meter +NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 204.915 en Y: 393.666. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie E en beslaat perceel 576 (zie kaart 2). 2.3.2 Huidig gebruik van het plangebied Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Centraal in het plangebied bevindt zich momenteel het oude pand van Vakgarage Wejebe (nu niet meer in gebruik), de
12 (34)
noordelijke en zuidelijke delen van het plangebied zijn bestraat met klinkers (zie kaart 3). De omliggende percelen zijn in gebruik als openbare weg en als woonhuizen met tuinen. De funderingen (betonnen poeren) van de huidige garage zijn aangebracht tot 3 meter beneden maaiveld, op de vaste grondslag.2 Voor het plaatsen van de garage zou het terrein met circa 2 meter zijn opgehoogd. 2.3.3 Toekomstig gebruik van het plangebied Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben voor het vervolgtraject. De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zal de huidige garage worden gesloopt. Na de sloop zullen er zes nieuwe woningen worden gebouwd. De woningen worden op moment van schrijven uitgewerkt door een architect, waardoor in dit stadium nog geen informatie bekend is over het totale verstoringsoppervlak en de toekomstige verstoringsdiepte. Wel is er al een schetsontwerp beschikbaar (zie Bijlage 7).
2.4 Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck (d.d. 30 maart 2021) van de gemeente Venray. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld.3 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Venray en de bijbehorende beleidsnota.
Volgens de beleidskaart (zie kaart 4) ligt het noordelijk deel van het plangebied in een zone met een hoge verwachting voor droge en natte gebieden, en het zuidelijk deel van het plangebied in een zone dat is aangemerkt als monument van zeer hoge waarde vanwege een historische kern.4 Daarnaast zijn door RAAP, in opdracht van de gemeente Venray, nog een aantal specifiekere kaarten gemaakt. De relevante kenmerken daarvan voor het onderzoeksgebied worden in onderstaande tabel weergegeven.5 In 2014 is door BAAC een archeologische beleidskaart gemaakt voor de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, waar het plangebied ook in valt.6 Volgens deze kaart ligt het oostelijk deel van het plangebied in een historische kern, en het westelijke deel in afgedekte droge en natte gebieden met een hoge verwachting. 2
Oude bouwtekeningen aangeleverd door de opdrachtgever. Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 4 Kaart opgesteld door RAAP in 2011, in opdracht van de gemeente Venray. 5 Kaarten opgesteld door RAAP in 2011, in opdracht van de gemeente Venray. 6 Van Putten, 2014. 3
13 (34)
Kaart
Relevante informatie plangebied
Archeologische vindplaatsenkaart
Zuidelijke deel van het plangebied betreft een AMK terrein, direct ten noorden staat een Romeinse weg gekarteerd.
Bodemverstoringen en ontgrondingen
Geen relevante informatie.
Selectiebesluiten t.a.v. uitgevoerd archeologisch Direct ten zuidoosten van het plangebied onderzoek bevindt zich een terrein waar vervolgonderzoek is aanbevolen. (voor verdere uitwerking zie paragraaf 2.7.2) Archeologische verwachtingskaart voor jagersverzamelaars in droge landschappen
Droge en hoge gebieden met een lage verwachting.
Archeologische verwachtingskaart voor landbouwers in droge landschappen
Gebied met een hoge verwachting. Romeinse weg gekarteerd ten noorden van het plangebied.
Archeologische verwachtingskaart voor jagersverzamelaars en landbouwers in natte landschappen
Geen relevante informatie.
Archeologische verwachtingskaart voor jagers- Gebied met een hoge verwachting. Het verzamelaars en landbouwers in droge- en natte zuidelijke deel van het plangebied betreft een landschappen AMK terrein. Beleidskaart gebiedsontwikkeling OoijenWanssum7
Het oostelijk deel van het plangebied ligt in een historische kern, voor het westelijk deel ligt in afgedekte droge en natte gebieden met een hoge verwachting
2.5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het Bodemloket geraadpleegd.8 Binnen het plangebied staan twee verontreinigde (onderzochte) activiteiten geregistreerd, namelijk een autoreparatiebedrijf en een autohandel. De huidige status is dat er op de locatie een nader onderzoek moet worden uitgevoerd om de omvang en ernst van de verontreiniging te bepalen. In 1993 heeft er in het plangebied een verwijdering van een benzineverkooppunt plaatsgevonden. Daarbij is de bovengrondse installatie verwijderd en zijn drie ondergrondse tanks weggehaald. Daarnaast wordt in het rapport vermeld dat de bodem van het terrein tussen 0 en 2 meter -mv bestaat uit opgebracht licht bruin-geel, (zwak) lemig, matig fijn zand met enig grind. Daaronder zou zich tot op 4,1 meter -mv geelbruin matig grof zand met weinig grind bevinden.9
7
Van Putten, 2014. Bodemloket.nl 9 Texaco, 1993. 8
14 (34)
2.6 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. Tabel 2-1
Aardwetenschappelijke informatie
Bron
Informatie 10
Geologie
Formatie van Beegden, Laag van Wijchen. Mogelijk afgedekt door dekzand van de Formatie van Boxtel.
Geomorfogenetisch e kaart Maasdal11
Dryas terrasvlakte, met oeverdek
Geomorfologie12
Niet gekarteerd, uit extrapolatie hoogstwaarschijnlijk een dalvlakteterras
Bodemkunde13
Hoge bruine enkeerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand.
Grondwatertrap14
VII
2.6.1 Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt op een rivierterras van de Maas, in het midden van de Venloslenk, een tektonisch dalingsgebied. Ten oosten van dit dalingsgebied ligt de Viersenbreuk en ten westen hiervan een andere breuk. In het Pleistoceen worden in dit gebied afzettingen van de Maas afgezet, behorend tot de Formatie van Beegden. De terrassen van de Maas zijn door de tijd heen ontstaan door een afwisseling van warme en koude periodes. Tijdens een ijstijd stroomt de Maas als vlechtende rivier door het landschap en vormt een riviervlakte waarop zand en grind is afgezet. Tijdens de warme periode die op de koude periode volgt veranderd de Maas in een meanderende rivier en snijd zich in de riviervlakte in. Tegelijkertijd komt door tektonische opheffing van de Ardennen en Limburg de riviervlakte omhoog, zodat de riviervlakte hoger komt te liggen dan de insnijdende Maas. De riviervlakte vormt zodoende een rivierterras in het landschap. Door de afwisseling van warme en koude periodes zijn er in het gebied meerdere terrassen ontstaan, voornamelijk tijdens het Laat Plioceen en Pleistoceen. In de afgelopen drie miljoen jaar zijn er 31 terrasniveaus gevormd in het Maasdal, onderverdeeld in laag-, midden- en hoogterrassen.
In het Plioceen worden de hoogterrassen gevormd, tot 1,2 miljoen jaar geleden zijn de middenterrassen gevormd en in het Weichselien en Saalien zijn de laagterrassen gevormd. De jongste terrassen liggen direct aan de Maas. Verder van de Maas vandaan, hoger in het landschap, zijn de terrassen ouder. Omdat de Maas aan het begin van het Pleistoceen verder oostelijk stroomde, liggen de oudste en hoogste terrassen in het oosten van Zuid-Limburg. Het plangebied ligt op een terras dat is gevormd tijdens de Jonge Dryas (circa 12.500 – 11.700 jaar geleden), al dan niet bedekt met dekzand. Vrijwel direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich een interstadiale terrasvlakte (circa 12.850 – 12.500 jaar geleden).15 Volgens de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal is het mogelijk dat er een oeverdek (overstromingspakket) aanwezig is in het plangebied. Op basis van enkel de bureaustudie is echter niet vast te stellen of er daadwerkelijk een oeverdek en/of dekzandafzettingen aanwezig zijn in het plangebied. 10
De Mulder et al., 2003. Provincie Limburg. 12 NGR/Wageningen Environmental Research (2019). 13 NGR/Wageningen Environmental Research (2018). 14 BRO - Grondwaterspiegeldiepte Model voor Nederland (50x50 meter grid), 2021 / BRO Grondwaterspiegeldiepte Model, NGR/WER, 2021. 15 Geomorfogenetische kaart Maasdal, Provincie Limburg. 11
15 (34)
De Paleogeografische kaarten geven weer dat het plangebied tussen 9000 v.Chr. en 2000 n.Chr. altijd heeft gelegen op een riviervlakte. Direct ten zuiden (wat op de geomorfogenetische kaart van het Maasdal is gekarteerd als een interstadiale terrasvlakte) gaat het om een pleistoceen zandgebied, waarop zich rivierduinen hebben gevormd.16 2.6.2 DINO Het Dinoloket17 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geoelektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn twee boringen bestudeerd. De eerste boring bevindt zich circa 100 meter ten noordoosten van het plangebied, de eerste 60 cm beneden maaiveld bestaat bij deze boring uit sterk zandig, matig humeus leem, daaronder bevindt zich een laag grof zand. Vanaf 80 cm beneden maaiveld is er een laag grof zand aangetroffen datmet de diepte steeds grindiger werd.
De tweede boring, 50 meter ten zuiden van het plangebied, geeft weer dat de eerste 80 cm beneden maaiveld bestaat uit klei, daaronder bevindt zich een laag matig grof zand tot 3 meter beneden maaiveld. Daaronder wordt het grove zand steeds grindiger. De resultaten van de boringen, met name de lemigheid bovenin en de toename van grind op een dieper niveau, komen overeen met de verwachtingen van een Maasterras. 2.6.3 Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Blitterswijck bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie kaart 6).18 Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt op een dalvlakteterras. Op ongeveer 500 meter ten zuiden en westen bevinden zich landduinen met bijbehorende vlakten en laagten. 2.6.4 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) Het Actueel Hoogtebestand Nederland19 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN4 ligt het plangebied op een hoogte van circa 15.5 meter +NAP.
In het plangebied is wel een helling aanwezig, in het noorden van het plangebied betreft de hoogte 15,3 meter +NAP, terwijl de hoogte in het zuiden 15,6 meter +NAP betreft. Het centrale deel van het plangebied is niet gekarteerd vanwege de bestaande garage. Op grotere schaal is duidelijk zichtbaar dat de hoogte direct ten zuiden van het plangebied (waar het om de interstadiale terrasvlakte gaat) fors toeneemt. Ongeveer 100 meter ten zuiden van het plangebied betreft de hoogte al 18,3 meter +NAP. Daarnaast is duidelijk dat er zich duinen hebben gevormd op de interstadiale terrasvlakte, in het noordelijke deel zijn deze echter grotendeels geëgaliseerd vanwege landbouw (zie kaart 7). 16
Vos & de Vries, 2013. Dinoloket. 18 NGR/Wageningen Environmental Research (2019). 19 PDOK/Rijkswaterstaat (2023) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4) WCS. 17
16 (34)
2.6.5 Bodemkunde Op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge bruine enkeerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand (zie kaart 8).20 Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden Bronstijd tot in de Nieuwe tijd.
Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.21 2.6.6 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. 2.6.7 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil geeft een indicatie over de geschiktheid van de bodem voor agrarisch gebruik en is eveneens een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. De watertrappen op de bodemkaart zijn echter gebaseerd op (sub)recente metingen.
Er dient rekening te worden gehouden met de invloed van natuurlijke veranderingen en de mens, die bijgedragen hebben aan de huidige grondwaterstand. De huidige grondwaterstand kan aldus sterk afwijken van die in de prehistorie en historische perioden. Wanneer de grondwaterstand door verstoringen verandert, kan dat ernstige gevolgen hebben voor het in de bodem aanwezige bodemarchief. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is
20 21
NGR/Wageningen Environmental Research (2018). Doesburg et al., 2007.
17 (34)
een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2-2 Grondwatertrappenindeling22 Grondwatertrap I II' III' GLG in cm -mv (<20) (<40) <40
IV >40
V' >40
VI 40-80
VII" >80
GHG in cm -mv
80-120
>120
>120
(>160)
<50
50-80
80-120
VIII >140
') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII.23 De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, niet optimaal zijn. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden.
2.7 Archeologische waarden Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS3), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.24 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 10 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd.
2.7.1 Archeologische Monumenten De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt binnen een AMK-terrein (Nr. 16624). Het AMK-terrein betreft de oude dorpskern van Blitterswijck, waar bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd voorkomen (Bijlage 2 en kaart 10).25
2.7.2 Archeologische onderzoeksmeldingen met bijbehorende vondstmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd (Bijlage 3 en kaart 10). Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Het 22
Locher & De Bakker, 1990. BRO Grondwaterspiegeldiepte Model, NGR/WER, 2021. 24 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 25 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23
18 (34)
gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn met name bureau- en verkennende booronderzoeken uitgevoerd. Het dichtstbijzijnde onderzoek bevindt zich een tiental meter ten zuiden van het onderzoeksgebied, waarbij een middelhoge verwachting is opgesteld voor jagers en verzamelaars en een hoge verwachting voor landbouwers, voornamelijk vanwege de hooggelegen ligging op een dalvlakteterras. Er dient echter te worden opgemerkt dat dit onderzoek zich bevindt op de interstadiale terrasvlakte ten zuiden van het plangebied, dat enkele meters hoger is gelegen. Het booronderzoek heeft aangetoond dat de bodem dusdanig is verstoord dat er geen vervolgonderzoek is aanbevolen, er is geen akkerdek aangetroffen.26 Tijdens een booronderzoek 70 meter ten westen van het plangebied is wel een plaggendek aangetroffen, al dan niet geroerd. Het plaggendek heeft een dikte van 80 tot 100 cm, waaronder zich de top van de rivierafzettingen bevinden.
In deze top is een 10 tot 30 cm dikke verbruiningshorizont aangetroffen (Bw-horizont).27 Ook voor deze locatie geldt dat het is gelegen op het hoger gelegen interstadiale Maasterras. Wat betreft de gravende onderzoeken, waarbij vindplaatsen zijn aangetroffen, moet er iets verder gekeken worden. De dichtstbijzijnde vindplaats bevindt zich op 390 meter ten oosten van het plangebied, waar een proefsleuvenonderzoek en opgraving is uitgevoerd. De meeste resten behoren tot een erf dat gedateerd kan worden in de vroege/midden IJzertijd. Ook uit andere perioden zijn echter vondsten aangetroffen, met name uit het Neolithicum, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Het onderzoeksgebied is gelegen op een terrasrest uit de Late Dryas, nabij de huidige loop van de Maas. 28 Tot slot is op 480 meter ten noordoosten van het plangebied een grootschalig proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij sporen van bewoning/rituelen uit de late Prehistorie zijn aangetroffen en nederzettingen/perceleringen uit de Late Bronstijd, Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, die zich veelal op de jonge oeverafzettingen bevinden.29 Bovenstaande tekst betreft een beknopte samenvatting van de meest relevante onderzoeken binnen het onderzoeksgebied. Voor een volledig overzicht, inclusief literatuurverwijzingen, zie bijlage 2.
2.7.3 Losse archeologische vondstmeldingen In ARCHIS staan naast alle vondstmeldingen die gekoppeld zijn aan een onderzoeksmelding ook vondstmeldingen geregistreerd van vondsten die niet gekoppeld zijn aan een onderzoeksmelding (losse archeologische vondstmeldingen). Binnen het plangebied staan geen losse archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vijf losse archeologische vondstmeldingen geregistreerd (Bijlage 4 en kaart 10).30 26
Archis zaaknr 5137339100. Archis zaaknr 5140838100. 28 Archis zaaknrs 4769713100 en 4869643100. 29 Archis zaaknr 2462208100. 30 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 27
19 (34)
De vondsten die zijn gedaan binnen het onderzoeksgebied betreffen vuursteen uit het Neolithicum, aardewerk uit de Late Bronstijd, en aardewerk/funderingen uit de Late Middeleeuwen.
2.8
Andere bronnen
2.8.1 Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van tevoren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn.
Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 31 2.8.2 Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, heeft geen archiefonderzoek plaatsgevonden en is het provinciaal archeologisch depot niet gecontacteerd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. 2.9 Historische situatie In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. 2.9.1 Korte bewoningsgeschiedenis van Blitterswijck In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven.
Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. In de gemeente Venray dateren de eerste archeologische resten uit het Paleolithicum, Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum. Deze sporen zijn voornamelijk aangetroffen in overgangsgebieden van natte lage gebieden naar hoge droge gebieden, zogenaamde gradiëntsituaties. Door het voorkomen van een grote verscheidenheid aan vegetatie en de 31
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
20 (34)
daaraan gekoppelde voedselbronnen en in de nabijheid van water, zijn deze plekken geschikt voor jagers-verzamelaars. De vondsten bestaan voornamelijk uit vuursteenartefacten. Geschikte verblijfslocaties zijn bijvoorbeeld de hogere Maasterrassen. De landbouwers uit het Neolithicum – Nieuwe tijd vestigen zich in gebieden bepaald door de ontwateringstoestand, bodemvruchtbaarheid en bewerkbaarheid van de bodem. Met name hoge bruine enkeerdgronden, veldpodzolgronden met grondwatertrap VI en VII, moderpodzolgrond, vorstvaaggronden met grondwatertrap VII en hoge zwarte enkeerdgronden hebben een hoge verwachting voor resten van landbouwers. 32 In 1242 wordt Blitterswijck voor het eerst vermeld, wanneer Willem van Blitterswijck wordt genoemd. De eerste akte dateert uit 1360. Blitterswijck ligt in Opper-Gelre en maakt deel uit van het Land van Kessel, eigendom van Hertog van Gelre vanaf 1279. In 1543 komen Gelre en het Land van Kessel aan de Habsburgers. Tijdens de Opstand kiest Opper-Gelre de Spaanse kant en bij de vrede van Münster in 1648 blijft Opper-Gelre, met het Land van Kessel, in Spaanse handen. In 1713, na de Spaanse Successieoorlog, wordt Opper-Gelre gesplitst en komt Blitterswijck in handen van de Pruisen. In 1795 wordt Pruisisch-Gelre veroverd door de Fransen en in 1815 wordt Blitterswijck deel van het Koninkrijk der Nederlanden.
In 1830 wordt het gebied onderdeel van België na de Belgische onafhankelijkheidsstrijd, maar wordt in 1839 bij Nederland gevoegd (als onderdeel van het hertogdom Limburg, na 1866 de provincie Limburg).33 2.9.2 Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2-3
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden /directe omgeving
Kadastrale minuut34
18111832
Gemeente Meerlo, sectie A, blad 2
1:2.500
In het oosten van het plangebied bevindt zich bebouwing. Het gaat om de woning van Pieter Jacob Zeegers. De woning had een oppervlakte van circa 105 m2. In het noordelijk deel van het plangebied loopt een weg, in het noorden sluit deze aan op de Oude heerweg en in het zuiden op de Beeteweg, die reeds gekarteerd staat. Het uiterste noordelijke deel van het plangebied betreft bomen, het
Ongeveer 30 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich een kapel. Het plangebied grenst ten zuiden aan de reeds bestaande Beeteweg. In de directe omgeving zijn een aantal woonhuizen zichtbaar. De bewoning neemt fors toe richting het noordoosten, bij de historische kern van Blitterswijck. Circa 400 meter ten noordoosten bevindt zich het oude kasteel van Blitterswijck.
32
RAAP, 2011. Renes, 1999. 34 AEZEL. 33
21 (34)
westelijke deel schaapsweide, en het zuidelijke deel tuin behorende bij de woning.
35
Militaire topografische kaart (veldminuut)35
18501864
52 Venlo
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Geen noemenswaardige veranderingen.
Bonneblad
1899
653 Meerlo
1:25.000
De bebouwing in het oosten van het plangebied is niet meer aanwezig. Er is nu sprake van bebouwing in het zuiden van het plangebied, de bebouwing grenst aan de Beeteweg. Er loopt nogsteeds een weg doorheen het plangebied.
Toename bebouwing in de directe omgeving van het plangebied. Direct ten zuiden staat een steilrand gekarteerd (overgang naar het hogerer gelegen Maasterras).
Bonneblad
1937
653 Meerlo
1:25.000
De bewoning lijkt iets anders gekarteerd, vermoedelijk gaat het slechts om een iets andere kartering en betreft het dezelfde bebouwing.
Geen noemenswaardige veranderingen.
Topografische kaart
1965
52E
1:25.000
De bebouwing is verdwenen, vrijwel het gehele plangebied is in gebruik als grasland. De weg is wel nog aanwezig.
Forste toename bebouwing, voornamelijk ten noorden en oosten van het plangebied.
Topografische kaart
1970
52E
1:25.000
De weg in het noorden van het plangebied is verdwenen, de weg lijkt te zijn opgegaan in de Oude Heerweg, en grenst nu aan het noorden van het plangebied. Het plangebied betreft nu grasland, met in het oosten mogelijk bebouwing (wazig gekarteerd).
Het stratenpatroon komt veelal overeen met het stratenpatroon vandaag de dag.
Topografische kaart
1980
52E
1:25.000
Centraal in het plangebied is een gebouw aanwezig, het
Toename bewoning en bedrijvigheid in de omgeving.
Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
22 (34)
betreft de huidige garage. Het overige deel is bestraat.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal kan worden gesteld dat al in het begin van de 19e eeuw sprake is geweest van bebouwing binnen het plangebied. Ook liep (een voorloper van) de Oude Heerweg door het plangebied heen. Eind 19e eeuw lijkt de bebouwing in het oosten van het plangebied niet meer aanwezig, in plaats daarvan is er nu sprake van bebouwing in het zuiden van het plangebied, die grenst aan de Beeteweg. In 1965 verdwijnt de bebouwing en in 1970 de weg, de weg is dan verandert in de huidige loop van de Oude Heerweg, ten noorden van het plangebied. Mogelijk is er in 1970 nog kortstondig sprake van nieuwe bebouwing, maar dit is niet geheel duidelijk gekarteerd. In 1980 wordt de garage gerealiseerd. Opmerkelijk is dat op basis van het historisch kaartmateriaal niet geheel duidelijk wordt dat er zich in het zuiden van het plangebied een tankstation heeft bevonden (ongeveer op de locatie waar sprake is van historische bebouwing op het Bonneblad uit 1899). Dit tankstation is in 1993 gesloopt (zie paragraaf 2.3.2.). 2.10 Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Venray is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Binnen het tijdsbestek van het opstellen van het bureauonderzoek is op deze aanvraag geen reactie gekomen.
2.11 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 36 Volgens de ruimingskaart van BeoBom hebben er vier ruimingen plaatsgevonden binnen een straal van 100 meter van het plangebied. Het gebied zou tussen september 1944 en mei 1945 zijn gebombardeerd door de Britse Second Tactical Airforce. Er bestaat dus een mogelijkheid dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn in het plangebied. 2.12 Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Cultura Venray, d.d. 8 mei 2025, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.13 Bodemverstoring Het raadplegen van de Verstoringsbronnenkaart van de RCE 37 geeft weer dat het plangebied (meer specifiek de noordzijde van de huidige garage) in 1955 een maaiveldhoogte had van 14,2 meter +NAP. De huidige maaiveldhoogte betreft circa 15,5 meter +NAP, wat indiceert dat het plangebied aanzienlijk is opgehoogd. In hoeverre de hoogtename van 1955 juist is kan echter niet worden vastgesteld binnen het bureauonderzoek, het verkennend booronderzoek kan daar mogelijk antwoord op geven.
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO Bommenkaart/Zwanenburg, 1990/Luchtfoto’s RAF. 37 Verstoringsbronnenkaart van de RCE. 36
23 (34)
2.14 Gespecificeerde archeologisch verwachting Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2-4
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat) Paleolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
Mesolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
Neolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
IJzertijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
Vroege Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool,
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
24 (34)
botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen. Late Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de, indien aanwezig, dekzandafzettingen.
2.14.1 Toelichting Uit de landschappelijke ligging op een Maasterras uit de Jonge Dryas, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum gunstig voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Hoewel wel vermeld dient te worden dat veel van deze sporen zich meer ten noordwesten bevinden, nabij de rand van het Maasterras. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken.
Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.38 Het plangebied ligt niet nabij een natuurlijke waterbron en er zijn geen aanwijzingen van de aanwezigheid van jagers en verzamelaars nabij het plangebied. De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het (Laat) Paleolithicum en Mesolithicum is dan ook laag. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. 39 Het plangebied bevindt zich op een Maasterras uit de Jonge Dryas, dit lijkt in eerste instantie een aantrekkelijke locatie voor landbouwers. Echter bevindt zich direct ten zuiden van het plangebied een hoger gelegen Maasterras. Het plangebied bevindt zich als het ware onderaan een helling, waardoor het denkbaar is dat het hoger gelegen terras een interessantere locatie zal hebben gevormd. De archeologische waarnemingen binnen het onderzoeksgebied situeren zich ook voornamelijk richting het noordwesten, aan de rand van het Maasterras. De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen is dan ook maximaal middelhoog.
Uitzondering hierop is de verwachting voor de Romeinse tijd, vanwege de mogelijke loop 38 39
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.
25 (34)
van een Romeinse weg direct ten noorden van het plangebied. De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de Romeinse tijd is dan ook hoog. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.40 Op basis van historisch kaartmateriaal is zichtbaar dat er sprake is geweest van historische bebouwing binnen het plangebied. De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de Nieuwe tijd is dan ook hoog. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is laag tot hoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd.