2-3 V-Toelichting vastgesteld compleet
Tekst van het document
Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends en ontwikkelingen die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends en ontwikkelingen zijn: ▪ andere invulling van de (schaarse) ruimte; ▪ klimaatverandering en energietransitie; ▪ nieuwe technologie; ▪ langer leven; ▪ nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; ▪ toenemende diversiteit; ▪ veranderende economie.
Ten aanzien van het thema wonen zijn wat betreft het initiatief geen nieuwe of afwijkende uitgangspunten geformuleerd. Het belang van een goede kwaliteit van woonomgeving en woningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid en kwalitatief
Vastgesteld
26
goede voorzieningen, wordt andermaal onderstreept. Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. De thema’s die centraal staan zijn: 1. Venray is dorp en stad; 2. Venray is kennisintensief; 3. Venray zorgt voor elkaar; 4. Venray is levendig; 5. Venray voorziet in alle woonwensen. De gemeente wil voorzien in alle woonwensen en biedt daarbij de ruimte voor een gevarieerde en boeiende maatschappelijke omgeving. Door een grote zorg voor het in stand houden en verbeteren van de bestaande woonwijken (soms in de vorm van herstructurering) beoogt de gemeente unieke woonmilieus creëren, waarin de bestaande sociale structuren en voorzieningen op een positieve wijze worden beïnvloed. Middels onderhavig initiatief worden de bijgebouwen bij een bestaande woning in het buitengebied van de gemeente Venray vervangen en vergroot door gebruik te maken van de gemeentelijke sloopbonusregeling. De vergroting van de bijgebouwen binnen het plangebied heeft daardoor geleidt tot sloop van meer bebouwing elders (in totaal zijn 292 m3 aan slooprechten verworven). Daardoor is er in casu sprake van ontstening van het buitengebied. De vergroting van de bijgebouwen is een woonwens van initiatiefnemer.
Met het initiatief wordt dan ook aangesloten bij het streven van gemeente Venray om te voorzien in alle woonwensen. Ten slotte wordt met het initiatief wonen in het groen verstrekt en vindt een kwaliteitsverbetering bij de karakteristieke woning plaats. De overeenkomsten tussen de resultante van onderhavig initiatief en de ambities uit de toekomstvisie maken dat het initiatief past in dit gemeentelijk beleidskader. 4.3.2 Omgevingsvisie Venray De gemeente Venray heeft, in het kader van de op handen zijnde Omgevingswet en door gewijzigde inzichten, op 2 november 2021 een nieuwe omgevingsvisie voor het grondgebied van de gemeente opgesteld. Daarin heeft de gemeente de nieuwe beleidsuitgangspunten voor ontwikkelingen in de gemeente opgenomen. De nieuwe omgevingsvisie biedt de basis van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en dient als ruimtelijk toetsingskader. In de omgevingsvisie wil de gemeente laten zien voor welke uitdagingen de gemeente staat en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: de Toekomstvisie 2030 "Venray loopt voorop". De omgevingsvisie is samen met de input van inwoners, ondernemers en verenigingen tot stand gebracht. De gemeente wil de belangrijke waarden van Venray beschermen en versterken.
Daarbij wordt aan de hand van ambities rekening gehouden met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. Belangrijk vraagstuk daarbij is hoe de gemeente er over 10 jaar uit zal zien. De ambities spelen een rol in ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden. Het plangebied is gelegen binnen de zogenaamde ‘agrarische gebieden’. Het agrarisch gebied is volop in ontwikkeling. Er spelen diverse onderwerpen in het agrarisch gebied zoals grootschalige agrarische bedrijvigheid, leegstand en ruimteclaims vanuit de energietransitie en klimaatverandering. Ook spelen er maatschappelijke discussies over voedselproductie, grondgebruik en biodiversiteit. De gemeente gaat in kaart brengen hoe al deze functies naast elkaar kunnen bestaan. De gemeente gaat voor het toekomstbestendig maken van het agrarische landschap. Veiligheid en gezondheid zijn belangrijke pijlers hierin.
Vastgesteld
27
De gemeente Venray zet in op het oplossen van het urgente woningtekort en het verhogen van de woonkwaliteit. Dit wil de gemeente realiseren door te versnellen, vergroten, veranderen en verduurzamen. ▪ Versnellen doet de gemeente door proactief de voortgang van alle woningbouwplannen (bestaande en nieuwe) te bewaken en waar nodig actie te ondernemen om de uitvoerbaarheid te verhogen. De gemeente bevordert de mogelijkheid van de starterslening. ▪ Vergroten van de bouwproductie door de komende 10 jaar 1.500 woningen bij te bouwen (gemiddeld circa 150 per jaar). De eerste jaren wordt een inhaalslag gemaakt door minimaal 200 woningen per jaar te realiseren. ▪ Veranderen doet de gemeente door vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Dit wordt bereikt door onder andere het uitvoeren van een kwalitatief woningbehoefteonderzoek. Hierdoor ontstaat er een goed beeld van de behoefte aan type woningen in de toekomst. Veranderen doet de gemeente ook door: het aanpakken van leegstand in het centrum, meer sociale of middeldure huurwoningen, meer nultredenwoningen, meer variatie door bijzondere woon- en zorgvormen (bijvoorbeeld woonhofjes) en de huisvesting van bijzondere doelgroepen. ▪ Verduurzamen van de bestaande woningen door huiseigenaren te stimuleren tot het doen van duurzame investeringen (bijvoorbeeld isoleren).
Bij ‘gasloze’ nieuwbouw wordt gekozen voor collectieve oplossingen (zoals collectieve warme koude opslag) of individuele oplossingen (zonnepanelen en warmtepomp). De zogenaamde BENG norm is hiervoor het uitgangspunt. Het initiatief sluit aan bij de omgevingsvisie. Het betreft een kleinschalige plaatselijke ontwikkeling van een bestaande woning in het buitengebied die (grootschalige) agrarische bedrijvigheid niet belemmert. Wel draagt het initiatief op kleine schaal bij aan het verduurzamen van bestaande woningen. De nieuwe bijgebouwen bij de woning worden op basis van de BENG norm gerealiseerd en zijn daardoor duurzaam.
Vastgesteld
28
5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk. Er is geen sprake van een matige of sterke functiemenging en het plangebied is niet direct gelegen aan hoofdinfrastructuur, welke volgens de VNG publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied behoren, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. In dit geval vinden de ontwikkelingen uitsluitend plaats binnen de begrenzing van de te handhaven woonbestemming. Binnen de woonbestemming zou al sprake moeten zijn van een goed woon- en leefklimaat. Hier is immers een bestaande woning gelegen. Ook betreft de bestaande woning een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving.
Desalniettemin is gekeken naar welke functies in de omgeving liggen en wat het effect daarvan is op het plangebied en of de ontwikkelingen geen nadelige effecten hebben op in de omgeving gelegen woningen.
Vastgesteld
29
In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: • een begraafplaats op de locatie Wanssumseweg 2, afstand tot het plangebied 70 meter; • een restaurant op de locatie Wanssumseweg 1, afstand tot het plangebied 73 meter; • een melkrundveehouderij op de locatie Wanssumseweg 12, afstand tot het plangebied 200 meter. Voor een begraafplaats geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 0 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Voor een restaurant geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 10 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 10 m Voor een melkrundveehouderij (Fokken en houden van rundvee) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 100 m ▪ stof: 30 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 0 m Onderzocht is of de risicoafstanden het plangebied overlappen; dit blijkt niet het geval te zijn. Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Omliggende milieubelastende functies vormen daarmee geen belemmering voor het garanderen van een goed woon- en leefklimaat in de woning. In de betreffende woning wordt zakelijke dienstverlening toegestaan in de vorm van een coachingsbureau.
Een dergelijke functie is het beste te vergelijken met overige zakelijke dienstverlening (kantoren). Voor kantoren gelden op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden: ▪ geur: 0 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 10 m ▪ gevaar: 0 m Afstand van het plangebied tot het meest nabijgelegen woonvlak met daarop een woning van derden bedraagt 22 meter. Aan de richtafstand voor kantoren wordt daarom voldaan. De zakelijke dienstverlening in de woning heeft daarom geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat in andere woningen. 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. In dit geval is er geen sprake van een functiewijziging. De locatie is en blijft bestemd als ‘Wonen’. In het kader van onderhavig bestemmingsplan hoeft het aspect bodemkwaliteit dan ook niet onderzocht te worden.
Vastgesteld
30
5.1.4 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van nieuwe geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Op basis van artikel 77 van de Wgh dient bij een nieuwe woning een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. In dit geval is er echter geen sprake van een nieuwe woning, maar van een bestaande woning waar ontwikkelingen plaatsvinden met betrekking tot bijgebouwen en (ondergeschikt) gebruik. Er is zodoende geen sprake van een nieuwe geluidsgevoelige functie en een akoestisch onderzoek naar de gevolgen van (spoor)wegverkeer- of industrielawaai is dan ook niet benodigd. 5.1.5 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden.
Als een initiatief ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het initiatief IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Voor het initiatief is de toename van verkeer van belang in relatie tot de luchtkwaliteit. Blijkens paragraaf 5.7 neemt het aantal verkeersbewegingen door de zakelijke dienstverlening met 20 toe. Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt. Op basis van voorgaande wordt een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit dan ook niet noodzakelijk geacht.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
20
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m
3
0,01
PM10 in μg/m
3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Vastgesteld
31
Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,3 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de beoogde ontwikkelingen. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkelingen zullen ook nagenoeg geen extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen. Daardoor dragen de ontwikkelingen niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkelingen niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De woning betreft zodoende een geurgevoelige object. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering?
Vastgesteld
32
Goed woon- en leefklimaat In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Zoals aangegeven in paragraaf 5.1.1 overlappen de richtafstanden van omliggende veehouderijen het plangebied niet. De voorgrondbelasting van deze ver weg gelegen veehouderijen is dan ook niet relevant.
Afbeelding 15. Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting 2018’ (plangebied rood omcirkeld)
Op de kaart ‘Achtergrondbelasting 2018’ van de gemeente Venray wordt de indicatieve achtergrondbelasting als zeer goed (0 tot 3,0 OU/m3) beoordeeld. Daarmee kan tevens gesteld worden dat veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen in de omgeving Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. In de gemeentelijke geurverordening is de woning reeds aangeduid als ‘voor geurhinder gevoelig object’. Doordat de woning reeds als geurgevoelig object is aangewezen verandert er niets door de ontwikkelingen voor de omliggende agrarische bedrijven. Omliggende agrarische bedrijven worden door de ontwikkelingen in c.q. bij de woning daarom niet anders belemmerd in hun bedrijfsvoering dan reeds het geval.
Vastgesteld
33
5.2 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Vastgesteld
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
34
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de omgeving de volgende risicovolle activiteiten: ▪ vervoer gevaarlijke stoffen over de Maas ▪ vervoer aardgas door ondergrondse pijpleidingen
Afbeelding 16. Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld)
Door het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas worden geen beperkingen aan ruimtelijke ontwikkelingen gesteld. Wel geldt voor de Maas een plasbrandaandachtsgebied. Dit betekent dat binnen 25 meter van de oever – waar als effect bij een calamiteit een plasbrand ontstaat – rekening gehouden moet worden met de effecten van deze stoffen. Het plangebied ligt ruim buiten het plasbrandaandachtsgebied van de Maas. Het invloedsgebied van het groepsrisico reikt niet tot aan het plangebied. Het groepsrisico hoeft daarom niet verantwoord te worden. De afstand tussen de woning en de ondergrondse aardgastransportleiding Z-541-11 bedraagt circa 150 meter. Volgens de provinciale risicokaart is de plaatsgebonden risicocontour voor deze leiding 0 meter. Dit betekent dat deze op de leiding ligt. Het invloedsgebied van het groepsrisico reikt niet tot aan het plangebied. Het groepsrisico hoeft daarom niet verantwoord te worden. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen.
Vastgesteld
35
5.3 Water 5.3.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Op basis van de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem van het plangebied uit ooivaaggronden, welke zijn opgebouwd uit lichte zavel.
Afbeelding 17. Uitsnede kaart GHG
Vastgesteld
36
Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een zeer goede bodemdoorlatendheid te hebben van 1,5 tot 10 m/dag. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de hoogte van het grondwater grondwatertrap VIII. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen 120 en 200 cm-mv ligt. Het grondwater is derhalve diep gelegen. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Op een afstand van ongeveer 650 meter ten noorden van het plangebied stroomt de Maas. Verder mondt de Oostrumsche beek ten noordwesten van het plangebied uit in de Maas. De Oostrumsche beek betreft een primaire watergang van het waterschap. Op deze watergang is de Keur van het waterschap van toepassing. De bestemmingswijziging heeft geen nadelige consequenties voor de waterkundige waarden ter plaatse van de Oostrumsche beek, de onderlinge afstand is daarvoor te groot. Achter de woning ligt een dijk. Een deel van het plangebied is gelegen in de beschermingszone van deze dijk.
Voor dit deel van het plangebied is daarom de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ van toepassing. Door deze gebiedsaanduiding is het geborgd dat ontwikkelingen binnen de beschermingszone van de dijk geen nadelige effecten mogen hebben voor de dijk. Dit dient te worden beoordeeld door de beheerder van de dijk; Waterschap Limburg. Voor het kunnen realiseren van de nieuwe bijgebouwen dient ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning nadrukkelijk goedkeuring te worden verkregen van het waterschap. Afvalwater De locatie is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Thans is op deze locatie een woning aanwezig met daarbij een aan-huis-gebonden-beroep. De woning blijft aanwezig maar de bedrijfsactiviteiten zullen worden uitgebreid. Het aantal personen op de locatie neemt ten opzichte van een regulier huishouden met een aan-huis-gebonden-beroep nauwelijks toe. De hoeveelheid afvalwater neemt derhalve ook wat toe ten opzichte van de huidige situatie, maar niet in een dusdanige hoeveelheid dat dit leidt tot problemen in het bestaande rioleringssysteem. Het rioleringssysteem kan deze kleine toename aan afvalwater verwerken. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig initiatief worden de bestaande bijgebouwen bij de woning vervangen door nieuwe bijgebouwen. De bebouwde oppervlakte neemt door deze ontwikkeling echter niet toe.
Bestaande oppervlakte van de bijgebouwen bedraagt 166,2 m2. De nieuwe oppervlakte van de bijgebouwen bedraagt 149,3 m2, een afname van bijna 17 m2. Het hemelwater dat valt op de nieuwe bijgebouwen zal conform het beleid worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Conform richtlijnen van de gemeente dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui waarbij 60 mm neerslag valt. Als er daarnaast ook geloosd wordt op het oppervlaktewater dan bedraagt de eis van 100 mm van het waterschap. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal initiatiefnemer moeten aantonen dat de te realiseren infiltratievoorziening voldoende water kan bergen. De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Vastgesteld
37
Concluderend kan gesteld worden dat door het vervangen van de bijgebouwen geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Wel ligt ten zuiden van het plangebied, op een afstand van circa 150 meter, een ondergrondse aardgasleiding, in beheer bij Gasunie. De minimaal aan te houden afstand van bouwwerken tot de leiding bedraagt 5 meter. Aan deze minimale afstand wordt ruimschoots voldaan. Er hoeft met de ontwikkelingen dan ook geen rekening gehouden te worden met deze aardgasleiding. Een straalpad is een denkbeeldige lijn tussen twee bouwwerken ten behoeve van telecommunicatie. Binnen een straalpad dient rekening gehouden te worden met de maximale bouwhoogte voor zover dat het verboden is enig bouwwerk op de gronden te bouwen met een grotere hoogte dan de hoogte van een straalpad. Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations.
Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en over de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m +NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient een radarverstoringsonderzoek te worden uitgevoerd. De locatie ligt op circa 14,5 m +NAP. De maximale goothoogte voor woningen bedraagt 4,5 meter. Met deze goothoogte samen met de ligging van de locatie op 14,5 m +NAP kan gesteld worden dat de hoogte van de woning nooit meer bedraagt dan 65 m +NAP. Een radarverstoringsonderzoek is om die reden niet noodzakelijk. De ontwikkelingen hebben geen negatieve effecten op het radarbeeld.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Het plangebied betreft in de huidige situatie een woning met verouderde bijgebouwen, gelegen in een ruim beplante tuin. De verouderde bijgebouwen zullen worden gesloopt en daarvoor in de plaats worden nieuwe bijgebouwen gerealiseerd. De huidige bijgebouwen zijn actief in gebruik ten behoeve van de woonfunctie (hier zijn o.a. de keuken, bijkeuken en garage in gevestigd). Het hoofdgebouw van de woning blijft ongewijzigd in stand, alsook de tuin rondom de woning. In het kader van onderhavig bestemmingsplan wordt de tuin zelfs extra aangeplant in het kader van de landschappelijke inpassing
Vastgesteld
38
(zie paragraaf 3.3). Door de landschappelijke inpassing wordt de biodiversiteit aanzienlijk verbeterd wat een positief effect heeft voor flora en fauna. Door het intensieve woongebruik is het niet aannemelijk dat in de te slopen bijgebouwen beschermde flora en fauna zullen voorkomen. Er is door het woongebruik namelijk al een bepaalde mate van verstoring waardoor flora en fauna liever elders, op een rustigere plek, zullen vertoeven. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op circa 1,9 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 1,9 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld.
De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Binnen het plangebied is reeds een woning aanwezig. In de nieuwe situatie blijft deze woning als zodanig aanwezig. In de woning c.q. de nieuwe bijgebouwen bij de woning wordt zakelijke dienstverlening tot een omvang van 112,5 m2 gerealiseerd. Door deze ondergeschikte functie neemt het verkeer van en naar het plangebied toe ten opzichte van de huidige situatie. Door de toename van verkeer neemt de uitstoot van NOx en NH3 door het initiatief toe. Blijkens paragraaf 5.7 neemt het aantal verkeersbewegingen dagelijks met 20 toe. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Er wordt daarbij tevens van uit gegaan dat het verkeer zo snel mogelijk via de Wanssumseweg in de richting van Wanssum (50%) of in de richting van Maashees (50%) zal rijden alwaar het verkeer zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is door AERIUS Calculator berekend.
Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie van NOx in dit geval 3,4 kg/jaar bedraagt en van NH3 0,4 kg/jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator (zie bijlage 1) niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. Ook tijdens de sloop en bouw van de bijgebouwen is sprake van (tijdelijke) ammoniakemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar het plangebied (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van reële aannames. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Afvoer sloopafval: 4 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor fundering: 3 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer stenen: 2 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor begane grondvloer: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren eerste verdieping: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer beton voor eerste verdiepingsvloer: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer dakplaten: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakpannen: 1 vrachtwagen Vastgesteld
39
▪ ▪
Aanvoer divers klein materiaal (kozijnen, ramen, deuren, etc.): 5 vrachtwagens Afvoer afval en materiaal: 5 vrachtwagens
In totaal zullen 30 vrachtwagens de locatie tijdens de bouw aandoen, wat resulteert in 60 zware verkeersbewegingen. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Voor overige bezoekers is eveneens 1 bestelbusje aangehouden per dag. Uitgaande van een bouwperiode van een half jaar (met circa 130 werkdagen) betekent dit in totaal 260 bestelbusjes, wat resulteert in 520 middelzware verkeersbewegingen. Er wordt daarbij wederom van uit gegaan dat het bouwverkeer zo snel mogelijk via de Wanssumseweg in de richting van Wanssum (50%) of in de richting van Maashees (50%) zal rijden alwaar het bouwverkeer zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Emissies ten gevolge van de (ver)bouw van een woning kunnen sterk variëren afhankelijk van bouwlocatie tot bouwlocatie, afhankelijk van de gebruikte technieken, materialen, bodemgesteldheid, grondverzet, type woning, etc. Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de bouwfase is daarom gebruik gemaakt van de ministeriele gegevens zoals opgenomen in “Methode inschatting depositie woningbouwprojecten”. Hierin staat vermeld dat de uitstoot van NOx tijdens de bouw van een woning gemiddeld 3,0 kg bedraagt.
Alhoewel het hier uitsluitend de bouw van bijgebouwen bij een woning betreft is uitgegaan van een worst-case scenario door de uitstoot van een nieuwe woning te beschouwen. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de sloop en bouw van de bijgebouwen de emissie van NOx in dit geval 6,1 kg/jaar bedraagt en van NH3 64,9 g/jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator (zie bijlage 2) niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden tijdens de bouwfase. De bouwfase leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. In dergelijke gebieden is de kans op archeologisch waarden in de bodem groot.
Om deze archeologische waarden in de bodem juridisch-planologisch te beschermen is aan het deel van het plangebied wat is aangewezen hoge waarde voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. In deze gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk als de bodem voor een oppervlakte van 500 m2, dieper dan 50 cm, wordt verstoord.
Vastgesteld
40
Afbeelding 18. Uitsnede archeologische beleidskaart
Met de realisatie van de nieuwe bijgebouwen zal de bodem verstoord worden (aanleg fundering). De oppervlakte van de nieuwe bijgebouwen bedraagt echter minder dan 500 m2 (te weten 149,3 m2). Daarnaast komen de nieuwe bijgebouwen grotendeels op de plek van de huidige bijgebouwen waar al sprake is van een verstoring van de bodem ten tijde van de aanleg van deze bijgebouwen. Om te voorkomen dat de hoge archeologische waarde wordt aangetast door de nieuwe bijgebouwen is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opnieuw aan het plangebied toegekend. Indien hier een bodemverstoring van groter dan 500 m2 plaatsvindt is op voorhand eerst archeologisch onderzoek nodig. 5.6.2 Cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg is de bestaande woning opgenomen op de monumentale inventarisatielijst. Het betreft een woning van bouwjaar 1910. Rechterdeel frontgevel iets vooruitspringend en uitlopend in topgevel. Dit geveldeel met decoratief boogvormig metselwerk.
Deur in middendeel frontgevel in een segmentboogvormige metselwerk omlijsting. Gepleisterde plint, optrek wit gesaust. Houten beschot in topgevel linkerzijgevel. De woning is cultuurhistorisch van belang omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. De
Vastgesteld
41
bestaande bijgebouwen zijn niet cultuurhistorisch waardevol c.q. maken geen onderdeel uit van de monumentale inventarisatielijst. Sterker nog, de huidige bijgebouwen doen door de huidige staat afbreuk aan het cultuurhistorische ensemble. Met het amoveren van deze verouderde bijgebouwen en door deze te vervangen door nieuwe bijgebouwen, welke meer eer aan de karakteristieke woning aandoen, is sprake van een kwaliteitsverbetering. Met het ontwerp van de nieuwe bijgebouwen is niet gezocht naar dezelfde stijl als die van de woning, maar juist naar een ingetogen, meer moderne stijl die contrasteert met de stijl van de woning. Er is daarmee een duidelijk scheiding tussen karakteristiek en nieuw, wat daardoor zorgt voor herkenning. Alle karakteristieke delen van de woning blijven behouden en zullen zo veel als mogelijk worden versterkt met de nieuwe bijgebouwen.
5.7 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied is direct gelegen aan de Wanssumseweg en staat daarmee in goede verbinding met zowel Wanssum (in het zuiden) als met Maashees (in het noorden). Via Wanssum (N270) en via Maashees (Maasheseweg) kan het verkeer alle richtingen op vanwege directe aansluitingen op de A73 (Nijmegen – Venlo) en de N271. De verkeersaantrekkende werking van de woning blijft gelijk aan de huidige situatie. Er blijft immers één woning aanwezig. Het toestaan van de zakelijke dienstverlening heeft wel gevolgen voor de verkeersaantrekkende werking. De zakelijke dienstverlening in de vorm van een coachingsbureau voor mens en organisatie krijgt in de beoogde vorm een oppervlakte van 112,5 m2. Op basis van CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeercijfers naar parkeernormen’ is de verkeersgeneratie van deze functie in beeld gebracht. Daarvoor is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie) ▪ Gebiedstype: buitengebied, niet stedelijk Op basis van de kencijfers genereert deze functie minimaal 15,4 en maximaal 17,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo.
Dit betekent dat in een worst-case benadering de zakelijke dienstverlening met een oppervlakte van 112,5 m2 dagelijks 20 verkeersbewegingen veroorzaakt (veroorzaakt door 10 voertuigen, elk arriverend voertuigen vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). De toename van 10 motorvoertuigen per etmaal per richting is relatief verwaarloosbaar in een etmaal. Op een ‘uur-basis’ gaat het om circa 1 motorvoertuig / uur extra per werkdag (8 uren). De relatief beperkte toename is goed op te vangen en vormt geen probleem voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Deze toename past binnen de dynamiek van Wanssumseweg. De infrastructuur is voldoende robuust om deze lichte toename op te vangen en past binnen de geprognosticeerde verkeersgroei. Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’ (december 2013). Uit deze gegevens blijkt per woning een norm van 2,0 parkeerplaatsen.
Vastgesteld
42
Voor de zakelijke dienstverlening geldt een parkeerbehoefte van 4,05 parkeerplaatsen. Daarvoor is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Voor een kantoor (met baliefunctie), gelegen buiten de bebouwde kom, geldt een parkeerbehoefte van 3,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. ▪ Maximale oppervlakte van 112,5 m2. In totaal moeten er dus 6,05, afgerond 7 parkeerplaatsen op eigen terrein worden verwezenlijkt. Parkeren vindt dus niet plaats op het openbare gebied. Aan weerszijden van de woning worden twee parkeerterreinen ingericht. In totaal is op deze parkeerterreinen ruimte voor 7 parkeerplaatsen. Aan de norm wordt derhalve voldaan. Links van de woning is reeds een parkeerterrein ingericht voor 4 parkeerplaatsen. Dit blijft in de nieuwe situatie gehandhaafd. Het parkeren op deze plek geschiedt voornamelijk voor het bedrijf en heeft in de praktijk nooit tot parkeerproblemen of verkeersonveilige situatie geleidt. Aan de andere zijde van de woning wordt een parkeerterrein ingericht voor 3 parkeerplaatsen, deze zullen voornamelijk privé worden aangewend maar dienen ook als overloop voor het bedrijf, mocht het aan de andere zijde vol staan met voertuigen.
Afbeelding 19. Te realiseren parkeerplaatsen aan weerszijden van de woning (vier links en drie rechts)
5.8 Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij
Vastgesteld
43
eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
5.9 Duurzaamheid De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030. Vanaf 2020 is alle nieuwbouwproductie in de woning- en utiliteitsbouw energieneutraal. Deze ambitie is grotendeels wettelijk verankerd. Het Bouwbesluit stelt dat per januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn: er is vrijwel geen energie nodig, de energie die wel nodig is komt uit groene bronnen. De nieuwe bijgebouwen bij de woning zullen worden gebouwd volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie (BENG / ENG). In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. Met onderhavig bouwplan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien c.q.
daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen: ▪ de bijgebouwen zullen zelf een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen; ▪ de bijgebouwen worden zeer goed geïsoleerd en hebben daardoor een zeer lage warmtevraag; ▪ bij de bouw van de bijgebouwen zullen duurzame materialen worden gebruikt zoals FSC-keurmerk hout; ▪ bij sloop van de bestaande bijgebouwen zullen de materialen eventueel een herbestemming krijgen. De huidige bijgebouwen verkeren in een slechte staat waardoor de materialen niet allemaal geschikt zullen zijn voor hergebruik. Waar mogelijk zullen materialen worden aangeboden voor hergebruik. De niet herbruikbare materialen worden bij de sloop gescheiden en aangeboden ter recycling. ▪ de woning beschikt over een (klimaatadaptieve) tuin waarin groen kan worden gerealiseerd, met zo min mogelijk verharding zodat hemelwater hier kan infiltreren.
Vastgesteld
44
6 JURIDISCHE ASPECTEN Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied heeft uitsluitend betrekking op het bestaande bestemmingsvlak ‘Wonen’. Het plangebied blijft geheel bestemd als ‘Wonen’, waarbij de bestaande woning nog steeds is voorzien van een bouwvlak. Het bouwvlak voor de bijgebouwen is van vorm veranderd zodat de beoogde nieuwe bijgebouwen hierbinnen kunnen worden opgericht. Aan de bestemming ‘Wonen’ is de maatvoeringsaanduiding ‘maximum volume: 1.435 m3’ toegekend zodat voor de woning inclusief bijgebouwen deze inhoud als maximum geldt.
Daarnaast is aan de bestemming ‘Wonen’ de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen –zakelijke dienstverlening’ toegekend zodat zakelijke dienstverlening hier kan plaatsvinden tot een maximum oppervlakte van 112,5 m2. De dubbelbestemmingen (‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waterstaat – Rivierbed’) en de gebiedsaanduidingen die reeds voor het plangebied golden zijn opnieuw van toepassing verklaard en daarmee niet gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan.
6.2 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen,
Vastgesteld
45
werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan.
Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaard uit het bestemmingsplan “Buitengebied – Oost gemeente Venray”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten.
Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
46
7 UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid Het initiatief geschiedt volledig voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Tussen de gemeente Venray en de initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Venray komt maar voor rekening van de initiatiefnemer. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het initiatief gegarandeerd.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan de feitelijke bestemmingsplanprocedure de omwonenden benaderd met als doel de buurt te informeren over de ontwikkelingen en de daarvoor in voorbereiding zijnde bestemmingswijziging. Initiatiefnemer heeft de volgende direct betrokken omwonenden gesproken over de beoogde ontwikkelingen: ▪ Bewoners Wanssumseweg 6 ▪ Bewoners Wanssumseweg 2 ▪ Bewoners Wanssumseweg 1-3 ▪ Bewoners Wanssumseweg 12 Alle omwonenden hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen de ontwikkelingen of de bestemmingswijziging en kunnen zich positief vinden in het vervangen van de verouderde bijgebouwen door nieuwe bijgebouwen. Indien het bestemmingsplan als zodanig wordt voortgezet verwachten de omwonenden dan ook niet bezwaar en/of beroep aan te tekenen gedurende de procedure van het bestemmingsplan.
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Het bestemmingsplan is om die reden voorgelegd aan de provincie Limburg en Rijkswaterstaat. Provincie Limburg had geen opmerkingen. Rijkswaterstaat had de volgende opmerking: Plangebied is conform de vigerende kaarten behorende bij de Beleidsregels grote rivieren gelegen binnen het bergend regime. In het bestemmingsplan heeft in verband met de borging van Beleidsregels in het ro-spoor een dubbelbestemming opgenomen. Ik merk op dat u in deze bestemming alleen regels heeft opgenomen voor bouwactiviteiten, maar niet voor aanlegactiviteiten. Deze aanlegactiviteiten, zoals benoemd in het landschappelijk inrichtingsplan, zijn meldings- dan wel vergunningsplichting in het kader van