CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

13 Toelichting Breevennenweg 5 Leunen

Gemeenteraad 26 september 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Breevennenweg 5 Leunen.14.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

Omliggende bedrijven In de nabije omgeving van de planlocatie zijn verschillende (agrarische) bedrijven gevestigd, zie figuur 16. Zoals hieruit blijkt is de planlocatie buiten de richtafstanden van de omliggende bedrijven gelegen. Bedrijven en milieuzonering Milieucategorie

Locatie

Functie

Breevennenweg 1A

paardenhouderij

3.1

Veulenseweg 22

Veevoerfabrieken Mengvoerder, P.C. <100t/u

4.1

Drabbelsweg 1A

Loonbedrijf

3.1

Overbroekseweg 4

Akkerbouw

2

Afstanden (m)

Geur: 50 Stof: 30 Geluid: 30 Gevaar: 0 Geur: 200 Stof: 50 Geluid: 200 Gevaar: 30 Geur: 30 Stof: 10 Geluid: 50 Gevaar: 10 Geur: 10 Stof: 10 Geluid: 30 Gevaar: 10

Feitelijke afstand tot plangebied (m) 147

490

470

390

Figuur 16 Bedrijven en milieuzonering omliggende bedrijven

Milieuzonering plangebied De huidige varkenshouderij kende milieucategorie 4.1. De beoogde ontwikkeling van een landbouwverwant bedrijf waarbinnen een loonwerkbedrijf en akkerbouwactiviteiten en zorg activiteiten plaatsvinden kan conform de VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ met verschillende functies vergeleken worden. Hierdoor wordt de beoogde situatie getoetst aan de richtafstanden die in figuur 17 zijn weergegeven.

Activiteit

Loonbedrijf

Akkerbouw

Zorg

Bedrijven en milieuzonering Meest Milieucategorie Afstanden (m) aansluitende functie Dienstverlening 3.1 Geur: 30 t.b.v. de Stof: 10 landbouw: Geluid: 50 -algemeen: b.o. Gevaar: 0 >500m2 Akkerbouw 2 Geur: 0 Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar: 0 Klinieken en 2 Geur: 0 Dagverblijven Stof: 0 Geluid: 10 Gevaar: 0

Feitelijke afstand tot dichtstbij gelegen gevoelige object (m) 25

25

45

Figuur 17 Bedrijven en milieuzonering plangebied

Het dichtstbij gelegen gevoelige object Breevennenweg 2 is gelegen op een afstand van circa 25 meter vanaf het bouwvlak van de planlocatie. Het gevoelige object Breevennenweg 2 is gelegen binnen de richtafstand voor het aspect geluid en geur voor de activiteiten Akkerbouw en Loonwerk. 27

Voor de aspecten geur geluid wordt gemotiveerd afgeweken, zie 4.1.5. en 4.1.7. Daarnaast wordt voldaan aan de richtafstanden voor de aspecten stof en gevaar. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.5. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningsplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningsplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. Het plan voorziet in de sanering van de varkenshouderij en het herontwikkelen van de planlocatie. In de toekomstige situatie is onveranderd geen sprake van een geurgevoelig object. Voor omliggende (agrarische) bedrijven in omgeving wordt de planlocatie dan ook niet gezien als een geurgevoelig object. Vanuit bedrijven en milieuzonering geldt voor de activiteit loonwerk een richtafstand voor geur van 30 meter tot een geurgevoelig object. In het Activiteitenbesluit staan voorschriften voor geurhinder. Een van die voorschriften is dat een minimale afstand van 50 meter tussen een opslag van agrarische bedrijfsstoffen en het geurgevoelige object dient te zijn. De afstand tussen de loods waar de activiteit Loonwerk wordt uitgevoerd en het geurgevoelige object Breevennenweg 2 is 103 meter. Hoewel aan de afstand wordt voldaan zullen er geen agrarische bedrijfsstoffen zoals bedoelt in artikel 1.1 Activiteitenbesluit worden opgeslagen.

Achtergrondbelasting Op de kaart ‘Achtergrondbelasting 2018’ is de huidige geuremissie van de planlocatie weergegeven, zie figuur 18. Aangezien de huidige varkenshouderij wordt gesaneerd zal de geuremissie verdwijnen. Aangezien er verder geen grote geuremissiebronnen in de omgeving zijn gesitueerd is de achtergrondbelasting gelijk te stellen aan die in de omgeving. Hierdoor wordt geconcludeerd dat na de sanering van de varkenshouderij het woon- en leefklimaat verbeterd. Hiermee wordt voldaan aan de maximale geurnorm van 20 Oue/m3.

Figuur 18 Uitsnede planlocatie uit kaart achtergrondbelasting 2018

28

Conclusie Er is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (achtergrondconcentratie) ter plaats van de planlocatie. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.6. Luchtkwaliteit Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het besluit NIBM Het besluit NIBM legt vast, wanneer een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3 % en is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2 . Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie.

De beoogde situatie is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm). Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De vervoersbewegingen zullen in een worst-case scenario worden gesteld op 84 bewegingen per dag.

Figuur 19 NIBM-tool

Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Achtergrondconcentratie fijn stof In het kader van de goede ruimtelijke ordening moet ook onderbouwd worden of er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot luchtkwaliteit.

29

Figuur 20 Uitsnede planlocatie uit kaart Fijnstof (PM10) Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland

Figuur 21 Uitsnede planlocatie uit kaart Fijnstof (PM2,5) Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland

30

Figuur 22 Uitsnede planlocatie uit kaart Stikstofoxide (NO2) Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2017) ligt de concentratie PM10 onder de 18 µg/m³, zie figuur 20. De concentratie PM2,5 ligt onder 10 µg/m³, zie figuur 21. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse tussen de 10-15 µg/m³, zie figuur 22. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende. Conclusie Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Hierdoor kan gesteld worden dat, vanuit het aspect luchtkwaliteit, een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd voor de aanwezigen op de locatie Breevennenweg 2.

4.1.7. Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient er, op basis van de Wet geluidhinder (Wgh), onderzocht te worden of er sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven ten opzichte van geluidsgevoelige objecten. De onderhavige ontwikkeling maakt geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk. Het bedrijf kan daarnaast geluidhinder veroorzaken voor andere geluidsgevoelige objecten. Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het aspect geluid conform de handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’, zie paragraaf 4.1.4. Vandaar dat een nader akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Binnen dit akoestische onderzoek is de geluidsuitstraling van de totale inrichting bepaald aan de hand van de beoogde bedrijfsactiviteiten. De belangrijkste geluidsbronnen van het bedrijf bestaan uit vervoersbewegingen met personenauto’s en vrachtwagens. Op basis van het akoestisch onderzoek blijkt dat met de geplande bedrijfsvoering geen overschrijding van de geluidsnormen plaatsvindt. Hieronder de conclusies en aanbevelingen van het akoestisch onderzoek, het volledige onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. “Conclusie Er is aan M & A Omgeving opdracht verleend voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek voor een loonwerkersbedrijf met zorg en trekkershutten aan de Breevennenweg 5 te Leunen. De 31

initiatiefnemer heeft het voornemen om de varkenshouderij te beëindigen en de planlocatie te herbestemmen. Voor de planlocatie wordt een herbestemming gewenst naar ‘bedrijf’. Het akoestisch onderzoek is in het kader van een ruimtelijke procedure. Directe hinder Uit de berekeningsresultaten blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde streefwaarden in het kader van ruimtelijke ordening (R.O.). Er zal een piekgeluid van 58 dB(A) worden waargenomen in de nachtperiode ter hoogte van de gevel van de woning Breevennenweg 2. Dit piekgeluid is ten gevolge van het optrekken/ wegrijden van een zwaar voertuig nabij de inrit van de inrichting. Het betreft een piekgeluid, dat maximaal 3 keer in de nachtperiode voor komt (tussen 5.00 - 7.00 uur). De VNG-brochure geeft in stap 2 van het toetsingskader een LAmax van 55 dB(A) voor de nachtperiode. Deze waarde wordt overschreden, maar de waarde van 60 dB(A) (beschreven in stap 3) als maximale geluidbelasting wordt niet overschreden. Verder is het zo, dat in de bestaande situatie op het perceel van Breevennenweg 5 reeds een agrarisch bedrijf toegestaan is. Ook voor een dergelijk bedrijf is het aannemelijk dat zware voertuigen in de avond- en/of nachtperiode aankomen of vertrekken. In het ruimtelijk spoor bestaat er, wat betreft de geluidnormering, geen onderscheid tussen reguliere bedrijvigheid of agrarische bedrijven.

Daarnaast geldt dat het agrarische bedrijf wat conform het huidige bestemmingsplan mogelijk is, minstens in dezelfde milieucategorie valt. Dit leidt er toe dat geconcludeerd moet worden dat er ten gevolge van de ontwikkeling planologisch gezien geen sprake zal zijn van een verslechtering van de situatie. De optredende piekgeluiden voldoen overigens wel aan de milieunormering. Indirecte hinder De voorkeursgrenswaarde voor de indirecte hinder wordt nergens overschreden.” Betreffende spoorweglawaai en industrielawaai is te stellen dat dit geen belemmeringen oplevert. Zo ligt het spoor op ±5 kilometer afstand van de planlocatie. De planlocatie is daarnaast niet gelegen in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Hierdoor zijn er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de beoogde activiteiten op de planlocatie.

4.1.8. Gezondheid Veehouderijen stoten (fijn-)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn-)stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Endotoxine zijn ontstekingsbevorderende celwandresten van bepaalde bacteriën. De luchtwegen van mensen zijn daar zeer gevoelig voor. Het is een algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht dat endotoxine blootstelling negatieve gezondheidseffecten heeft op mensen. Vooral vleeskuikenbedrijven kennen een uitstoot van endotoxine die hoog is in vergelijking met andere veehouderijen. 32

Gebaseerd op het endotoxinetoetsingskader 1.0 zijn richtafstanden opgesteld. Uitgangspunt van het endotoxine toetsingskader is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit. Dit betekent concreet dat voor de beoogde situatie bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze beoogde situatie geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxinesuitstoot. In de directe nabijheid zijn geen diersoorten gevestigd met een endotoxine-norm. De dichtstbij gelegen veehouderij met een diersoorten met een endotoxine-norm op een afstand van 930 meter is de varkenshouderij aan Veulenseweg 31 te Veulen. Conclusie Concluderend uit het eerdergenoemde kan worden gesteld dat endotoxines in de beoordeling van het woon- en leefklimaat geen belemmeringen opleveren. Daarnaast geeft de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen omtrent endotoxines voor de omliggende veehouderijen.

4.1.9. Externe veiligheid De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico’s van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. De belangrijkste risicobronnen in het kader van de externe veiligheid zijn: 1. Bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004); 2. Transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (april 2015); 3. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011).

Ad1 De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in activiteiten waarin sprake is van veiligheidsrisico’s voor de omgeving. De locatie is formeel aan te merken als een beperkt kwetsbaar object, conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), art 1 lid 1, onder b, nummer 2. Derhalve is de provinciale risicokaart geraadpleegd. In figuur 23 is een uitsnede hiervan weergegeven.

33

Figuur 23 Uitsnede risicokaart

Blijkens de risicokaart ligt er in de directe omgeving van de planlocatie geen risicovol bedrijf. De dichtstbij gelegen propaantank bevindt zicht op een afstand van meer dan 560 meter afstand. Blijkens de risicokaart is hier een propaantank van 5.000 liter gelegen en vormt geen belemmering voor de planlocatie. Ad 2. De normen voor het risico dat burgers mogen lopen als gevolg van een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Op wegen in en rondom de planlocatie vindt geen vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. Ook is er geen sprake van de aanwezigheid van een vaarweg. De dichtstbij gelegen weg betreft de A73 welke op circa 3430 meter en daarmee geen belemmering vormt. Ad 3. Op een afstand van circa 1200 meter vanaf de planlocatie liggen twee gasleidingen. De planlocatie is daarmee ruimschoots buiten de risicocontour van deze gasleiding gelegen. De beoogde sloop van bedrijfsgebouwen en de bouw van de nieuwe gebouwen hebben op een dergelijke afstand geen invloed op deze gasleiding.

Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van de beoogde situatie.

34

4.2. Ecologie Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. Bescherming van biodiversiteit in Nederland; 2. Decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. Vereenvoudiging van regels. Vanaf 1 januari 2017 is de provincie primair verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. Gebiedsbescherming De planlocatie is niet gelegen in of in de directe omgeving van een Natura 2000-gebied of Natuurbeschermingswetgebied Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en ligt op een afstand van circa 5730 meter van de planlocatie. Om te bepalen of er in de beoogde situatie gevolgen zijn voor de N-depositie op de te beschermen gebieden is een Aeriusberekening uitgevoerd. In bijlage 4 is de Aeriusberekening toegevoegd. Uit deze berekening blijkt dat er geen depositie is op omliggende beschermde gebieden ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen. Daarnaast zijn gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand, significant negatieve gevolgen op voorhand uit te sluiten. Hierdoor geldt er geen vergunningsplicht in het kader van de Wnb. Op basis van bovenstaande gegevens is te concluderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve bijdrage heeft op de te beschermen gebieden.

De beoogde situatie wordt daarnaast landschappelijk ingepast waardoor de aanwezig natuur- en landschapswaarden altijd worden verbeterd. Soortenbescherming Vanwege de voorgenomen bouw van een loods en sloop van verschillende bedrijfsgebouwen zijn er mogelijk negatieve effecten op beschermde planten- en/ of diersoorten. Om hiervan een beeld te krijgen is een quickscan uitgevoerd. Doel van de quickscan is de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna vast te stellen en op grond hiervan in te schatten of de geplande maatregelen invloed hebben op de beschermde soorten uit Wet natuurbescherming. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd middels literatuuronderzoek en een veldbezoek. Hieruit blijkt uit de literatuur dat er eventueel beschermde flora en fauna zou kunnen voorkomen op de planlocatie. In de nabijheid van het perceel zijn tijdens het veldbezoek geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Door de sloop van de stallen, wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Het open karakter in de omgeving wordt versterkt door de plannen. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden wordt aandacht besteed aan het inperken van eventuele verstoring van flora en fauna.

Hierdoor heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op de gunstige instandhouding van (waardevolle) flora en fauna. Voor de quickscan flora en fauna, zie bijlage 5.

4.3. Landschappelijke inpassing Door de initiatiefnemer is een beplantingsplan opgesteld. Deze is in figuur 24 weergegeven en is in bijlage 6 toegevoegd. Dit beplantingsplan betreft een kwaliteitsbijdrage voor de landschappelijke kwaliteit.

35

Figuur 24 Beplantingsplan

4.4. Cultuurhistorie en Archeologie De inventarisatie gegevens van de Cultuur Historische Waardenkaart hebben een informatieve en signaleringsfunctie. Daarnaast maken de gegevens informatie zichtbaar die momenteel voorhanden is over de Limburgse cultuurhistorie. De gegevens vormen zo de startdocumenten om te komen tot een integrale cultuurhistorische waardenkaart voor de provincie Limburg en kunnen ertoe bijdragen om de cultuurhistorische dimensie te betrekken bij ruimtelijke, toeristische en culturele ontwikkelingen en voornemens. De Cultuur Historische Waardenkaart bestaat uit de volgende onderwerpen: • Archeologie; • Bouwkunde; • Historische geografie.

4.4.1. Archeologie Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg, een wijziging van de Monumentenwet 1988, op 1 september 2007 is het Verdrag van Malta geïmplementeerd in het 36

cultuurhistorische beleid van Nederland. Met deze wetswijziging heeft de zorg voor het archeologisch erfgoed een prominentere plaats gekregen in het ruimtelijke ordeningsproces en ruimtelijke planvorming. Gemeenten zijn verplicht bij vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met de bekende als te verwachten archeologische waarden. De te verwachten archeologische waarden worden in de gemeente Venray beschermd door middel van een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’. Voor de planlocatie betreft voor een deel de waarde van ‘Archeologie – 2’. Op de gronden met de dubbelbestemming ‘Archeologie 2’ mag worden gebouwd, mits de verstoring van de bodem maximaal 500 m2 bedraagt én niet dieper dan 50 cm, danwel nadat de aanvrager een rapport (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek of verder) overlegt waaruit blijkt dat de archeologische waarden niet onevenredig kunnen worden geschaad als gevolg van de werkzaamheden. Binnen de beoogde situatie worden verschillende bouwwerken opgericht. Deze worden opgericht op gronden waar voorheen al bouwwerken aanwezig waren. Deze bouwwerken worden gesloopt, de gronden daaronder zijn bij de bouwactiviteiten al verstoord.

4.4.2. Bouwkunde De bouwkundige gegevens zijn onderverdeeld in: Beschermde stads- en dorpsgezichten, historische buitenplaatsen, boerderijen, kerken, kloosters, kruisen, kappelen en beelden, molens, rijksmonumenten en monumenten inventarisatie project. In de omgeving van de planlocatie zijn geen bouwkundige objecten aanwezig.

Figuur 25 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg, aandachtspunt Bouwkunde

4.4.3. Historische geografie Het betreft hier de volgende gegevens: Cultuurhistorische elementen, Cultuurhistorisch landschap, Grenzen brede stroken, Gemeenten 1860, Groeves, Nederzettingen. Het gaat hier om de nog 37

aanwezige historische elementen in het landschap zoals oude wegen, oude verkavelingspatronen en oude akkergrenzen, bouwwerken zoals vestingwerken, groeves, watermolens, kastelen of resten van kastelen, aangaande de regio Zuid-Limburg is actualisatie op onderdelen noodzakelijk de gegevens hiervan zijn gebaseerd op een onderzoek uit 1988. Het onderzoek betreffende de regio Noord en Midden Limburg is van recentere datum (dr. J. Renes, Landschappen van Maas en Peel uit 1999). De historische landschappen geven een overzicht van de omvang van de steden en dorpen in de periode 1806-1840, en geeft tevens aan welke gebieden toen ontgonnen en in gebruik genomen waren. Ook is aangegeven welke gebieden in de periode 1840-1890 ontgonnen zijn en welke gebieden na 1890 ontgonnen zijn: oude en jonge cultuurlandschappen.

Figuur 26 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Limburg, aandachtspunt historische geografie

Het gebied waarbinnen de planlocatie is gelegen, staat bekend als ‘Nieuw cultuurland 1890-1990’. In de nabijheid van de locatie zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Gezien het voorgaande vormt het aspect cultuurhistorie en archeologie geen belemmering voor de ontwikkeling van de beoogde situatie.

4.5. Water In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het besluitgebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijk punt uit deze beleidstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stad-)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden – bergen – afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen – scheiden- zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals deze voorkomen op de besluitlocatie (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemelen afvalwater. 38

Grondwater Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 ligt de planlocatie in een grondwaterbeschermingsgebied. In de grondwaterbeschermingsgebieden zijn specifieke regels opgenomen voor de vestiging of uitbreiding van diverse soorten inrichtingen of constructies en voor het (verbod op) gebruik of vervoer van diverse (schadelijke) stoffen. In het kader van dit plan zijn weliswaar grondwerkzaamheden noodzakelijk, doch zijn deze zowel qua diepte als qua oppervlakte zodanig beperkt dat hierdoor een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil of waterhuishouding niet te verwachten is. Bestaande situatie In de bestaande situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Jaarlijks regent het 0,6m3 per m2 verhard oppervlak. In de bestaande situatie is 5.260m2 aan bebouwing en 5.440m2 erfverharding aanwezig. Het niet-verontreinigde hemelwater wordt deels geïnfiltreerd in eigen bodem en deels in de omliggende perceelsloten. Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd.

In de beoogde situatie is er maximaal aan 2.545m2 bedrijfsbebouwing aanwezig en 3.344m2 aan nieuwe erfverharding gerealiseerd. De nieuwe te realiseren bedrijfsgebouwen en erfharding worden binnen het bouwvlak gerealiseerd. Bij nieuwe worden niet-uitlogende bouwmaterialen gebruikt. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Doordat er een afname is van verhard oppervlak. Het regenwater zal deels worden geïnfiltreerd in eigen infiltratievoorzieningen (200m3) en deels in de omliggende perceelsloten. Grondwater Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 ligt de planlocatie in een grondwaterbeschermingsgebied. In de grondwaterbeschermingsgebieden zijn specifieke regels opgenomen voor de vestiging of uitbreiding van diverse soorten inrichtingen of constructies en voor het (verbod op) gebruik of vervoer van diverse (schadelijke) stoffen. In het kader van dit plan zijn weliswaar grondwerkzaamheden noodzakelijk, doch zijn deze zowel qua diepte als qua oppervlakte zodanig beperkt dat hierdoor een negatieve beïnvloeding van het grondwaterpeil of waterhuishouding niet te verwachten is. Oppervlaktewater Binnen de planlocatie is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie wordt niet voorzien in oppervlaktewater.

Boringsvrije zone Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 ligt de planlocatie in de boringsvrije zone Venloschol. In deze boringsvrije zone het verboden beneden 5 meter boven NAP, een boorput te maken/hebben, de grond te roeren, een gesloten bodemenergiesysteem of aardwarmtesysteem te maken/hebben en werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen aantasten. In het kader van dit plan zijn geen werkzaamheden die een negatieve beïnvloeding hebben op de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen.

39

Ecosystemen De planlocatie ligt niet in een bijzonder nat of droog ecosysteem. Tevens is het niet gelegen in een hydrologisch gevoelig gebied. Afvalwater Het afvalwater wordt middels de bestaande riolering geloosd. De initiatiefnemer treedt in overleg met de beheerder van de riolering ten tijde van realisatie van het project. Conclusie Bij de ontwikkeling van onderhavig initiatief bestaan er naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Er zijn daarom geen negatieve consequenties te verwachten ten aanzien van de waterhuishouding.

4.6. Verkeer en parkeren De planlocatie is gelegen aan Breevennenweg 5 te Leunen. Het terrein wordt direct ontsloten via Breevennenweg richting het noorden via Veulenseweg richting Venray en N277. In de beoogde situatie wenst de initiatiefnemer verschillende inritten te gebruiken vanaf de planlocatie. Een nieuwe inrit wordt aan de noordwest hoek van de planlocatie gerealiseerd. Deze inrit zo worden gebruikt voor de zorgactiviteit. Hier zullen ook parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Aan De Hoef zal een inrit verdwijnen. De inrit bij de bedrijfswoning is voor privégebruik. De overige inritten zullen worden gebruikt voor de landbouwaanverwante activiteiten. Het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de ‘Beleidsnota Parkeernormen Venray’. In deze beleidsnota zijn de parkeerkencijfers van het CROW vertaald naar parkeernormen voor de Gemeente Venray. De normen staan weergegeven in bijlage 3 van de beleidsnota. Daarnaast staan in deze beleidsnota de uitgangspunten en toepassingsregels met betrekking tot parkeren. De ligging van een gebied bepaalt mede de parkeernorm. Venray is daarom ingedeeld in drie stedelijke zones: • Centrum; • Schil/overloopgebied; • Rest bebouwde kom, kerkdorpen en buitengebied. De planlocatie is gelegen in de zone ‘rest bebouwde kom, kerkdorpen en buitengebied’.

De beleidsnota kent geen specifieke parkeernormen voor de activiteiten die worden uitgevoerd op de planlocatie. Om deze reden is ervoor gekozen om per personeelslid een parkeerplaats te realiseren voor de agrarische aanverwante activiteiten. Voor de bedrijfswoning is aangesloten bij de norm van woningen. Voor de zorg is de norm gebruikt voor het gezondheidscentrum en bungalowpark.

Aantal

Aantal parkeerplaatsen Huidige situatie

Aantal parkeerplaatsen Beoogde situatie

Eenheid per

Parkeernorm

Functie Wonen vrijstaand Agrarische (aanverwante) activiteiten Gezondheidscentrum Trekkershutten

2,0 1

Woning personeelslid

1 5

2,0 5

2,0 5

2,5 2,1

Per behandelkamer Per trekkershut

2 8

5 17

Figuur 27 Berekening parkeerbehoefte

Op de planlocatie zullen vijf parkeerplaatsen voor auto’s en vijf parkeerplaatsen voor vrachtwagens worden gerealiseerd ten behoeve van de agrarisch aanverwante activiteiten en drieëntwintig 40

parkeerplaatsen ten behoeve van de zorgactiviteiten, de parkeerplaatsen zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. Tijdens de summercamps worden de vervoersmiddelen naast de tijdelijke slaapgelegenheden geparkeerd. Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de normen die gesteld worden in ‘Beleidsnota Parkeernormen Venray’. De parkeerplaatsen zijn weergegeven in de tekeningen in bijlage 1.

Huidige Verkeersgeneratie

Beoogde Verkeersgeneratie

Aantal

Eenheid per

Verkeersgeneratie

Functie Wonen vrijstaand Agrarische aanverwante activiteiten Gezondheidsce ntrum Trekkershutten Agrarische activiteiten Totaal

7,8 – 8,6

Woning

1

7,8 – 8,9

7,8 – 8,9

3,9 – 5,7

Per 100m2

970

37,83 – 55,29

18,5 – 22,6

Per behandelkamer

2

37 – 45,2

2,9 – 3,8 3,9 – 5,7

Per trekkershut Per 100m2

8 5585

23,2 – 30,4 217,8 – 318,3

217,8 – 318,3

105,83 – 139,7

225,6 – 327,2

Figuur 28 Verkeersgeneratie

In figuur 28 zijn de verkeersgenaraties op basis van de verkeersgeneratie cijfers vanuit de Crow weergegeven van de huidige en beoogde situatie. Hieruit blijkt dat er een afname is van de verkeersgeneratie. Echter gezien de bedrijfsopzet in zowel de beoogde als in de huidige situatie is de verkeersgeneratie als ‘worst-case’-situatie te beschouwen. De zorgbehoevende zullen overnachten op het plangebied. Hierdoor zullen de verkeersbewegingen lager zijn, dan uit de berekeningen op basis van de Crow blijkt. Hierdoor vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7. Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

41

5. Juridische planopzet Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, verwijzing naar regels en een toelichting. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000 waarop de specifieke bestemmingen zijn weergegeven. Regels De bestemmingsplanregels voor dit plan zijn afgeleid van de bestaande regels van het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening regels”. In dit bestemmingsplan zijn alleen de regels opgenomen die betrekking hebben op de bestemmingen in het plangebied. Toelichting op de regels: Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingslannen 2012 (SVBP 2012). De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen

Verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000

42

6. Uitvoerbaarheid 6.1. Grondexploitatie en financiële consequenties Bij de voorbereiding van een plan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met de initiatiefnemer. Er is geen sprake van een bouwplan in de zin van de grondexploitatiewet. Het opstellen van een anterieure overeenkomst is dan ook niet vereist. Wel zal er een planschade overeenkomst gesloten moeten worden.

6.2. Maatschappelijke haalbaarheid Medewerking verlenen aan het onderhavige initiatief betekent voor de gemeente Venray dat een agrarische bedrijfslocatie wordt omgezet naar een woonbestemming. De planvorming is tot stand gekomen na een maatschappelijk verantwoorde afweging waarbij aandacht is geweest voor omgeving, omwonenden en milieu. De ondernemers hebben de naaste omwonenden persoonlijk geïnformeerd over hun voornemen. Eén omwonende heeft tijdens dit informatie gesprek meerdere vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Hij geloofde niet dat het bedrijf werkelijk zou stoppen. Hij wilde eerst alle stallen gesloopt zien voordat hij het zou geloven. Hij wilde niet dat er middels het houden van enkele dieren alsnog mestverwerking zou plaatsvinden. Hij vond dat de weg door alle vervoersbewegingen in een slechte staat was. Er is uitgelegd dat de dieren t.b.v. de op te richten zorgtak zijn. Hij was positief over het oprichten van een zorg tak. Er is uitgelegd dat de varkenshouderij beëindigd wordt, maar dat het transportbedrijf als loon en transportbedrijf voortgezet wordt. Er is geen overslag van goederen op het bedrijf, dus er wordt ook geen mest aangevoerd. De inrit aan De Hoef wordt afgesloten. De vervoersbewegingen zullen dan ook via de Breevennenweg plaats vinden. De in -en uitrit is hier meer geschikt voor. Het verdere transport gaat niet via De Hoef.

De omwonende is er niet van overtuigd dat er geen handelingen met mest zullen plaatsvinden. Hij zal de ontwikkelingen volgen en de plannen kritisch bekijken.

De benaderde omwonenden zijn: Breevennenweg 2, Breevennenweg 3 en De Hoef 14. Hiermee wordt het plan maatschappelijk haalbaar geacht.

6.3. Handhavingsparagraaf Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de regels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Hoe minder knellend de regels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op

43

de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. Om in de toekomst adequaat handhavend te kunnen optreden zijn duidelijke regelingen voor duidelijke doelen noodzakelijk. De uitgangspunten van het plan moeten op een heldere en goed traceerbare wijze zijn vertaald in de juridische opzet van het plan. Van elk voorschrift moet het oorspronkelijke doel traceerbaar zijn. Door de in dit plan gemaakte keuze voor een systematische planopzet, uitgesplitst naar diverse aspecten, die corresponderen met de verschillende bestemmingen, kan op eenvoudige wijze de vertaling van toelichting naar ‘gemeentelijk beleid’ en bebouwing- en gebruiksvoorschriften worden gevolgd. Het doel van de opgenomen regelingen is steeds duidelijk. Handhaving binnen het kader van het bestemmingsplan Na het van kracht worden van deze partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan moet toegezien worden op handhaving van de volgende regelingen: • gebruiksvoorschriften voor gronden en opstallen: opgetreden moet worden tegen strijdig gebruik van gronden en opstallen, zoals omschreven in de doeleindenomschrijving en gebruiksvoorschriften voor gronden en opstallen; •

de bebouwingsvoorschriften: opgetreden moet worden tegen illegale bouwsels, dat wil zeggen bouwsels die zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning worden gebouwd en afwijken van de bebouwingsregels;

•

omgevingsvergunningen: opgetreden moet worden tegen werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, die omgevingsvergunning plichtig zijn maar zonder omgevingsvergunning worden uitgevoerd.

•

de tegenprestatie: Voor de uitbreiding van het bouwvlak is een tegenprestatie van de ondernemers vereist. Middels een privaatrechtelijke overeenkomst dient ervoor gezorgd te worden dat de ondernemers de verplichting hiertoe nakomen.

De wijze waarop handhavend zal worden opgetreden (via artikel 125 van de Gemeentewet en/of via afdeling/hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht) is vastgelegd in het handhavingsbeleid van de gemeente Venray. Bij het nemen van handhavingsbesluiten wordt getoetst aan beleidsregels, zoals de handhavingsnota. Daarnaast is het van belang dat de regelingen uit het bestemmingsplan bekend zijn bij de bewoners en gebruikers van opstallen en gronden. Ruime publicitaire aandacht in het kader van vaststelling en goedkeuring en een actieve opstelling bij vragen en opmerkingen van bewoners en gebruikers dragen daar aan bij. Aanschrijvingen De aanschrijvingen in het kader van het gemeentelijke handhavingsbeleid zullen conform de regelingen uit de bijbehorende beleidsnota worden uitgevoerd.

44

6.4. Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;

▪

Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;

▪

Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;

▪

Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken;

▪

Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;

▪

Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;

▪

Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.5. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Er zijn twee zienswijze ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie en zijn toegevoegd als bijlage 7.

45

Bijlagen Bijlage 1 – Situatietekening Bijlage 2 – Bodemonderzoek Bijlage 3 – Akoestisch onderzoek Bijlage 4 – Aerius-berekeningen Bijlage 5 – Quickscan Flora en Fauna Bijlage 6 – Landschappelijk inpassing Bijlage 7 – Nota van Zienswijze

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13034062/1