CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

13 N270 Via Venray Passende beoordeling

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan N270 Via Venray.29.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

4.3.2

H2330 Zandverstuivingen Tabel 4.5: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H2330 Zandverstuivingen, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H2330 >> 714 112,9 100 0,01 0,02 Zandverstuivingen

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename (op overbelast oppervlak) op circa 91,7 ha van H2330 Zandverstuivingen. Enkele locaties op de Bergerheide zijn vanuit floristisch perspectief in redelijk goede staat. Het verspreidingsgebied van het habitattype is vergroot door het uitvoeren van gerichte herstelmaatregelen, zoals op de Gemeenteheide. De staat van instandhouding van bovengenoemd habitattype is dankzij intensief beheer en recente herstelwerkzaamheden van redelijke kwaliteit. Kenmerken van een goede structuur en functie betreffen een mozaïek van voornamelijk begroeide duinen afgewisseld met laagtes met kaal zand en zeer open vegetatie, de begroeide delen beslaan tenminste 40 – 50%, waarvan tenminste de helft begroeid is met buntgras en/of korstmossen, een hoge bedekking van korstmossen (> 10%), erosie en sedimentatie door wind en regenwater en een optimale functionele omvang (vanaf honderden hectares). Het sturende landschapsecologische proces voor dit habitattype is de windwerking. In de optimale situatie is het gebied zo groot en open dat de wind vrij spel heeft en daarmee zorgt voor voldoende dynamiek van het zand.

Immers, wanneer het zand stil komt te liggen krijgen respectievelijk buntgras en algen, mossen, korstmossen en ten slotte grassen grip op de ondergrond. Uiteindelijk raakt het habitat dan in een volgend successiestadium. De overstuivingen zorgen ervoor dat de zich ontwikkelde successiestadia worden teruggezet. Op deze manier ontstaat een mozaïek aan kaal zand en een variatie aan successiestadia. Hierdoor wordt de algehele ontwikkeling richting hogere en dichtere vegetaties geremd en kunnen de kenmerkende vegetatietypen van H2330 en H2310 zich verjongen. Het beheer bestaat uit begrazing door runderen, schapen en geiten. Verbossing wordt tegen gegaan door het verwijderen van houtopslag. Lokaal vinden plagwerkzaamheden plaats om de dichtgegroeide delen weer open te krijgen. Om de negatieve effecten in de bodem als gevolg van de te hoge stikstofdepositie terug te draaien wordt plaatselijk steenmeel opgebracht. Atmosferische stikstofdepositie vormt een bedreiging voor voedselarme vegetaties en draagt bij aan vermossing en versnelde successie naar bos. Gebrek aan winddynamiek door omringend bos hebben geleid tot versnelde vergrassing en verbossing.

Spontane verbossing door gebrek aan beheer leidt tot habitatverlies en draagt er toe bij dat veel van de resterende relicten te klein zijn geworden om de natuurlijke winddynamiek toe te laten.Een volledig zichzelf in stand houdend systeem is met het tekort aan strijklengte, omringd bos en de huidige depositie in niet haalbaar. De toename is dermate gering dat deze niet leidt tot een zichtbaar effect op de vegetatiesamenstelling en daarmee is er geen sprake van een noodzaak tot intensiever beheer.

23

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Conclusie Gezien de beperkte oppervlak en het gebrek aan winddynamiek als sleutelfactor voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling in combinatie met de lage tijdelijke toename, vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.3

H3130 Zwakgebufferde vennen Tabel 4.6: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H3130 Zwakgebufferde vennen, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H3130 Zwakgebufferde >> 571 45,8 100 0,01 0,02 vennen

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename (op overbelast oppervlak) op circa 21,8 ha van H3130 Zwakgebufferde vennen. Ongeveer de helft van het oppervlakte van H3130 Zwakgebufferde vennen wordt niet beïnvloed door het project. Voor dit deel geldt dan ook dat negatieve effecten van stikstofdepositie op voorhand kunnen worden uitgesloten. Zwak gebufferde vennen ontvangen naast regenwater grondwater dat basenrijkere bodemlagen heeft gepasseerd gedurende een kortere of langere weg door de ondergrond, waardoor het meer gebufferd is dan het grondwater dat zeer zwak gebufferde vennen voedt. Voeding met basen kan ook plaatsvinden door instroom van oppervlaktewater. De kwaliteit van het water is daarbij van groot belang. Gunstig is als het rijk is aan bufferstoffen, maar arm aan voedingsstoffen, met name arm aan fosfaat. In deze vennen treedt een geleidelijke opeenhoping op van organische stof, die in principe de instandhouding van de vegetatie belemmert. Zwakgebufferde vennen zijn ontstaan uit verveende hoogveentjes. De instandhouding van zwakgebufferde vennen is afhankelijk van periodiek menselijk ingrijpen om aanslibbing met organisch materiaal en verlanding terug te dringen.

Kenmerken van een goede structuur en functie betreffen periodiek wisselende waterstanden, een zandige of venige bodem, geen of weinig dominantie van veenmossen (< 20%) en een optimale functionele omvang (vanaf enkele hectares). Het habitattype komt momenteel voor in het Lange ven, Suikerven, Nieuwe Heerenven, Mussenslenk, Valkenbergvennen en Vreewater. De kwalificerende soorten voor Zwakgebufferde vennen zijn op deze locaties als gevolg van herstelmaatregelen in de afgelopen 10 jaar toegenomen of hebben zich hier gevestigd. De kwaliteit is grotendeels goed ondanks de hogere achtergrondwaarden. Het habitattype is stikstofgevoelig.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Conclusie Ondanks overbelasting is het habitattype overwegend in goed ontwikkelde vorm aanwezig. Dit is vooral afhankelijk van de hydrologische omstandigheden. De toename heeft betrekking op ongeveer de helft van het oppervlakte van het habitattype. De kleine deposities ten gevolge van het project zullen niet voor merkbare veranderingen zorgen in de vegetatiesamenstelling van het habitattype. De toename van de stikstofdepositie zal geen effect hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelen van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.4

H3160 Zure vennen Tabel 4.7: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H3160 Zure vennen, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H3160 Zure >> 714 62,0 100 0,01 0,01 vennen

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename (op overbelast oppervlak) op circa 10,0 ha van H3160 Zure vennen. Het grootste deel van het oppervlakte van H3160 Zure vennen wordt niet beïnvloed door het project. Voor dit deel geldt dan ook dat negatieve effecten van stikstofdepositie op voorhand kunnen worden uitgesloten. Dit habitattype omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. In die vennen kan lokaal invloed van grondwater doordringen en van essentieel belang zijn voor de variatie van levensgemeenschappen, maar de regenwaterinvloed is zo groot dat men meestal spreekt van ‘uitsluitend door regenwater gevoed’. Daarbij gaat het zowel om de open waterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia, drijvend of op de oever. Kenmerken van een goede structuur en functie betreffen dystroof water (voedselarm en zuur, door humuszuren vaak bruingekleurd), een combinatie van open water en verlandingsvegetatie, een kruidlaag, indien aanwezig, gedomineerd door schijngrassen, een moslaag, indien aanwezig, gedomineerd door veenmossen en een optimale functionele omvang (vanaf enkele hectares).

Binnen het gebied is een aantal vennen aanwezig waar dit habitattype goed is ontwikkeld en over een aanzienlijk oppervlakte voorkomt, zoals het Quin, de Duivelskuil, Pikmeeuwenwater en Ravenvennen. Door verdroging en eutrofiëring is de kwaliteit van een aanzienlijk deel van de vennen matig en bestaat de vegetatie uit romp- en derivaatgemeenschappen. Met name in het Meeuwenven zijn grote delen van de vennen begroeid met knolrus en pitrus. Het habitattype is stikstofgevoelig. Lokale/diepe ontwatering of sterke verdroging zijn de belangrijkste knelpunten. De grondwaterstand in de Maasduinen is verlaagd door de zandwinningen, ontwatering binnen het Natura 2000-gebied en het doorgraven van slecht doorlatende lagen. Ook de verdamping binnen het gebied is toegenomen door de aanplant van naaldbos (Esven, Gelders vlies, Ravenvennen). Er treedt externe en interne eutrofiëring op als gevolg van de toestroming van nutriënten- en sulfaatrijk grondwater door bemesting van het intrekgebied binnen het Natura 2000-gebied. Aangrenzende bosontwikkeling met veel 25

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

beschaduwing en bladval leidt tot eutrofiëring en eventueel verdroging en uiteindelijk tot het verdwijnen van kenmerkende of bijzondere soorten. Verschillende vennen zijn inmiddels hersteld. In het recente verleden hebben veel herstelwerkzaamheden plaatsgevonden in/aan de vennen in het gebied. Hierdoor is de staat van instandhouding van Zure vennen redelijk tot plaatselijk goed.De toename van stikstofdepositie door het project leidt niet tot een wezenlijke verandering van deze situatie, zeker gezien de tijdelijke, geringe toename, of tot een grotere inspanning die nodig is voor herstel. Effecten door de toename van stikstofdepositie door het project zijn niet meetbaar. Uitbreiding van omvang en verbetering van kwaliteit worden niet belemmerd door de stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Conclusie Gezien de rol van sleutelfactoren waar het project geen invloed op heeft en, de lage tijdelijke toename op een klein deel van het habitattype vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.5

H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Tabel 4.8: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H4010A Vochtige heiden (hogere >> 1214 65,5 68 0,01 0,02 zandgronden)

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 68% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op circa 46,2 ha van H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), waarvan 25,6 ha op overbelast oppervlak, 11,6 ha op naderend overbelast oppervlak en 9,0 ha op niet (naderend) overbelast oppervlak. De toename van maximaal 0,02 mol/ha/jr leidt in het laatste gebied niet tot een overbelaste situatie. Op die plekken is een negatief effect uit te sluiten. Dit type vochtige heiden komt voor op voedselarme, zeer natte tot zeer vochtige, matig zure tot zure standplaatsen op de hogere zandgronden. Kenmerken van een goede structuur en functie betreffen een dominantie van dwergstruiken (> 50%), beperkte bedekking van struiken en bomen (< 10%), beperkte bedekking van grassen (< 25%), een hoge bedekking van veenmossen (subtype B, en lokaal subtype A) en een hoge soortenrijkdom van mossen en korstmossen. Vochtige heide kan ontstaan wanneer het grondwater ook in droge perioden (GLG) niet verder wegzakt dan ongeveer 60 cm beneden maaiveld. Dit habitattype komt in een aantal deelgebieden voor: het Quin, de Duivelskuil, Bergerheide (hier laatste decennium verbeterd in kwaliteit), rondom het Westmeerven, Wellsche heide (gelegen in het noorden van De Hamert), Gelders Vlies en Ravenvennen.

Deels is de heide goed ontwikkeld met soorten als blauwe zegge, kleine zonnedauw en klokjesgentiaan. Het habitattype komt in de Maasduinen in z’n geheel over een redelijke oppervlakte voor. In het recente verleden hebben veel herstelwerkzaamheden plaatsgevonden in/aan de vennen in het gebied. De habitattypen Vochtige heiden profiteren hier ook van.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Het huidige beheer bestaat vooral uit verwijderen van opslag uit de venranden en vochtige heiden. Lokaal vinden plagwerkzaamheden plaats en wordt steenmeel opgebracht. Grote delen van de vochtige heiden maken onderdeel uit van veel grotere begrazingseenheden met runderen of schapen. Het habitattype is stikstofgevoelig. En momenteel bestaat de vochtige heide voor een belangrijk deel uit kleine en versnipperde stukken. De versnippering van heideterreinen kan een probleem zijn voor de overleving van populaties. Daarnaast ondervinden kleine heideterreinen meer invloed van naastgelegen bossen. Hierdoor slaan meer bomen op dan gemiddeld in grote heideterreinen en groeien de terreinen snel dicht. Ook zijn de kleine heideterreinen gevoeliger voor ontwatering vanuit de omgeving. De grondwaterstand in de Maasduinen is verlaagd door de zandwinningen en ontwatering binnen het Natura 2000-gebied. Een indirect gevolg van verdroging is dat de mineralisatie van organische stof toeneemt en daarmee meer nutriënten beschikbaar komen voor de vegetatie. In deze situatie leidt de toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker gezien kwaliteitsverbetering in een overbelaste situatie mogelijk is. Effecten van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten.

Uitbreiding en verbetering worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Conclusie Gezien het belang van sleutelfactoren waar het project geen invloed op heeft, in combinatie met de lage tijdelijke toename op een deel van de oppervlakte van het habitattype, vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.6

H4030 Droge heiden Tabel 4.9: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H4030 Droge heiden, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha)* 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H4030 Droge >> 1071 487,1 100 0,01 0,02 heiden

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op 237,4 ha van H4030 Droge heiden op overbelast oppervlak. Op ongeveer de helft is geen sprake van een toename. Op die plekken is een negatief effect op voorhand uit te sluiten. Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Kenmerken van een goede structuur en functie zijn: dominantie van dwergstruiken (> 25%), aanwezigheid van hoge, oude heidestruiken, gevarieerde vegetatiestructuur, lage bedekking van grassen (< 25%) en struweel (< 10%) en optimale functionele omvang (vanaf tientallen hectares).

27

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Het habitattype droge heide ligt verspreid in het gebied en komt in grote oppervlakte voor in de heidegebieden Quin en Looierheide. Daarnaast is het totale areaal de laatste tien jaar enigszins toegenomen. In het noordelijke deel is recent een strook bos gekapt tussen het Quin en de Cokse heide. Hier is bewust alleen het bos gekapt dat op het rivierduin ligt (deels op zuidhelling); dit is gunstig voor het microklimaat (vanwege de schaduwprojectie van het gekapte bos) en biedt meer potenties voor het habitattype. Verspreid komen de typische vaatplanten klein warkruid, kruipbrem en stekelbrem voor. Plaatselijk komen sterk vergraste delen voor. De staat van instandhouding van het bovengenoemd habitattype is dankzij intensief beheer en recente herstelwerkzaamheden van redelijke kwaliteit. Het huidige beheer is er reeds op gericht om bosopslag te verwijderen. Het habitattype is stikstofgevoelig. En bosontwikkeling vormt een knelpunt voor het behoud van de omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een te sterke dominantie van grove den en berk kan het behoud van de heide in gevaar brengen. Hierdoor gaat de kwaliteit van het habitattype achteruit. Rondom de heideterreinen is veel bos aanwezig waardoor jaarlijkse verjonging van boomsoorten, met name in de randzones, gestimuleerd wordt.

Conclusie Gezien de redelijk goede kwaliteit ondanks de hoge achtergrondwaarde, de lage tijdelijke toename op een deel van het habitattype, vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.7

H6120 * Stroomdalgraslanden Tabel 4.9: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H6120 Stroomdalgraslanden, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H6120 *Stroomdalgrasla == 1286 5,5 100 0,01 0,01 nden

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 0,8 ha van H6120 *Stroomdalgraslanden. Op het grootste oppervlak is geen sprake van een toename. Op die plekken is een negatief effect uit te sluiten. In de Maasduinen komt het habitattype Stroomdalgraslanden alleen voor op de Stalberg, zeer dicht tegen de Maas gelegen. Het terrein ligt in een wijde buitenbocht van de Maas en tot voor enkele eeuwen geleden moet de rivier hier de zandgronden van de Maasduinen actief geërodeerd hebben. In het verleden is er sprake geweest van een dynamische oever met erosiewandjes en zandwaaiers, waar de Maas veel zand kon opnemen om verder stroomafwaarts in zandbanken en oeverwallen af te zetten. De staat van instandhouding van het habitattype Stroomdalgraslanden is redelijk goed. Het habitattype is stikstofgevoelig. Echter, regelmatige, maar kortstondige inundatie in het winterseizoen is een belangrijke sturende factor, waarbij grind en zand worden afgezet, of in Maaswater opgeloste minerale deeltjes en, op de meest rustige delen, leem en klei. Voor de stroomdalgraslanden spelen inundaties met rivierwater een belangrijke rol bij de buffering.

Voor het behoud en herstel van de basenrijkdom is het afhankelijk van aanvoer van vers sediment door overstroming met Maaswater of door overstuiving met recent door de Maas afgezet

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

sediment. Ook indringing van basenrijk rivierwater in de wortelzone kan voor voldoende buffering zorgen. Watererosie van oevers en geulen is niet alleen van groot belang voor stroomdalgraslanden, maar zorgt tevens voor de permanente instandhouding van pioniermilieus met de plantensoorten en - gemeenschappen en diersoorten die daarvan afhankelijk zijn. In deze situatie leidt de toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker gezien redelijk goede kwaliteit. Effecten van de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Omvang en kwaliteit worden niet belemmerd door de tijdelijke stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Conclusie Gezien de tijdelijke, zeer geringe toename van stikstofdepositie op een deel van het habitattype als gevolg van de werkzaamheden, in combinatie het belang van een complex aan factoren als rivierdynamiek en erosie die als sleutelfactor bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (en waar het project geen invloed op heeft), is er geen sprake van een belemmering van de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een significant negatief effect is uitgesloten.

4.3.8

H7110B *Actieve hoogvenen (heideveentjes) Tabel 4.9: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes), Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H7110B Actieve hoogvenen >> 786 9,4 100 0,01 0,01 (heideveentjes) ZGH7110B Actieve >> 786 0,01 0,01 hoogvenen (heideveentjes)

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 100% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 3,6 ha van H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes). Op het grootste oppervlak is geen sprake van een toename. Op die plekken is een negatief effect uit te sluiten. Op basis van de AERIUSresultaten blijkt verder dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 0,1 ha van ZGH7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes). Het habitattype betreft hoogveensystemen waar sprake is van een goed functionerende toplaag (acrotelm) met actieve hoogveenvorming. Actieve hoogveenvorming houdt in dat de door veenmossen gedomineerde vegetatie meer organisch materiaal vormt dan er wordt afgebroken. Kenmerken van een goede structuur en functie zijn: veenvorming door een door veenmossen gedomineerde vegetatie, aanwezigheid van slenk-bult-patronen, permanent hoge waterstanden, dominantie van veenmossen, aanwezigheid van dwergstruiken op bulten, aanwezigheid van een acrotelm (bovenste veenmoslaag die sterk bijdraagt aan de stabiliteit van de waterhuishouding), aanwezigheid van witveen en optimale functionele omvang vanaf enkele hectares. Het habitattype komt binnen de Maasduinen alleen voor in het Pikmeeuwenwater. Het Pikmeeuwenwater is een complex van zure en oligo-mesotrofe heidevennen in een 29

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

stuifzanddepressie. Het gebied wordt aan de zuid-west en oostzijde omgeven door een randslenk, opgevuld met een dikke laag dood organisch materiaal die vooral uit pitrus resten bestaat. Een stuifzandrug scheidt de twee vennen in het noorden van de rest van het gebied. Op ongeveer 18 m +NAP bevindt zich een 10-30 cm dikke venige leemlaag met een sterk waterkerende werking. Boven deze laag bevinden zich zandafzettingen die plaatselijke tot paraboolduinen gevormd zijn. Het gebied wordt uitsluitend door direct en oppervlakkig toestromende regenwater gevoed. Door de aanwezigheid van een laatglaciale veen-leemlaag en bovenliggende venige zandlaag is de verticale wegzijging zeer beperkt. De grootste wegzijging vindt plaats aan de randen. Het waterpeil blijft minimaal een halve meter onder de veenleemlaag. De kwaliteit van het habitattype is matig tot goed. Stikstofdepositie is ook een probleem. Voor het behoud is echter beheer noodzakelijk in de vorm van ophogen (vasthouden) en stabiliseren van de waterstand, plaggen en het verwijderen van opslag zowel in de veentjes als rondom voor het verhogen van de grondwaterstand. Herstel van de hydrologie is daarmee de meest sturende factor.

Conclusie Gezien de tijdelijke, zeer geringe toename van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, in combinatie het belang van een complex aan factoren als opslag van berken die als sleutelfactor bepalend zijn voor het halen van de instandhoudingsdoelstelling (en waar het project geen invloed op heeft), is er geen sprake van een belemmering van de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van dit habitattype. Een significant negatief effect is uitgesloten.

4.3.9

H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen Tabel 4.10: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, Natura 2000-gebied Maasduinen (PASgebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H7150 Pioniervegetaties == 1429 17,4 62 0,01 0,01 met snavelbiezen

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 62% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op circa 12 ha van H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen, waarvan 3,8 ha op overbelast oppervlak, 0,6 ha op naderend overbelast oppervlak en 7,6 ha op niet (naderend) overbelast oppervlak. De toename van maximaal 0,01 mol/ha/jr leidt in het laatste gebied niet tot een overbelaste situatie. Op die plekken is een negatief effect uit te sluiten. In de Maasduinen komt de pioniersvegetatie voor op plagplekken binnen het habitattype Vochtige heide. Kenmerkende vegetaties vestigen zich op kale natte plekken waar het water stagneert op een leemlaag. Het sturende landschapsecologische proces voor Pioniersvegetaties met snavelbiezen is de dynamiek van het bodemoppervlak: de vorming van kale, natte plekken. Doordat het een pioniervegetatie betreft, is het voorkomen sterk afhankelijk van menselijk ingrijpen (plaggen, waterstanden opzetten en betreding). Bij voortzetting van het huidig beheer is het perspectief goed.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Het habitattype is op een vrij groot aantal plaatsen in het gebied aanwezig: het Quin, de Duivelskuil, Lelieven, Pikmeeuwenwater, Wolfsbergsche ven, Galgenbergven en Ravenvennen. Op plaatsen waar oppervlakkig is geplagd zoals rond vennetjes en veentjes en in vochtige heiden, komt als pioniersvegetatie plaatselijk de associatie van moeraswolfsklauw en snavelbies voor. Het gaat in vrijwel alle gevallen om zeer kleine, verspreid liggende stukjes waar het type voor komt. De staat van instandhouding is goed. Ondanks overbelasting in het verleden is het habitattype in een goede staat van instandhouding en het perspectief is goed. Het grootste knelpunt lijkt verdroging in het gebied te zijn. Kenmerkende soorten van dit habitattype kunnen zich juist goed ontwikkelen op vochtige open bodems. Dit maakt het habitattype kwetsbaar voor droge omstandigheden. Daarnaast heeft verdroging indirecte eutrofiërende effecten als gevolg van mineralisatie, waarbij extra stikstof beschikbaar komt voor planten. Mogelijke oorzaken van verdroging zijn ontwatering, waterwinning en bosaanplant. De toename van stikstofdepositie door het project leidt niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker niet nu een deel van het habitattype niet overbelast wordt en het habitattype een goede kwaliteit heeft.

Effecten door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Behoud van omvang en behoud van kwaliteit worden niet belemmerd door de stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Conclusie Gezien de rol van sleutelfactoren waar het project geen invloed op heeft, de goede kwaliteit van het habitattype, het feit dat een deel van het habitattype niet overbelast wordt en de lage tijdelijke toename vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.10

H91D0 * Hoogveenbossen Tabel 4.11: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H91D0 *Hoogveenbossen, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H91D0 => 1786 33,5 69 0,01 0,01 *Hoogveenbossen

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 69% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op circa 26,7 ha van H91D0 *Hoogveenbossen, waarvan 6,4 ha op overbelast oppervlak, 1,6 ha op naderend overbelast oppervlak en 18,7 ha op niet (naderend) overbelast oppervlak. De toename van maximaal 0,01 mol/ha/jr leidt in het laatste gebied niet tot een overbelaste situatie. Op die plekken is een negatief effect op voorhand uit te sluiten. Het habitattype is in de Maasduinen aanwezig in Lommerbroek, in deelgebied Leermarksche-, Lommer- en Schandelosche heide. Hier is in het zuidelijke deel een berkenelzenbroekbos met pijpenstrootje, zompzegge, elzenzegge, gewoon en gewimperd veenmos aanwezig. Het hoogveenbos van het Lommerbroek kan gerekend worden tot de laagveenberkenbossen volgens 31

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

de recente inzichten. Kenmerkend hiervoor is de aanwezigheid van een zure toplaag (hoogveen) op een meer gebufferde onderlaag (laagveen). De bossen hebben een matige staat van instandhouding en komen in wisselende kwaliteit voor. Hoogveenbossen hebben een goede kwaliteit van zoet, matig voedselrijk (diepere ondergrond) tot voedselarm (toplaag) water nodig en een sterk vochthoudende veenbodem. Het type is erg gevoelig voor eutrofiëring en verdroging. Bij hoge depositieniveaus wordt de resterende stikstof niet meer door het veenmospakket opgenomen en komt dan beschikbaar voor hogere planten. De sterke beschaduwing die hiervan het gevolg is, is waarschijnlijk nadelig voor veel soorten in de ondergroei, waardoor de kwaliteit van het habitattype afneemt. Verdroging is – naast stikstofdepositie – een veel voorkomend probleem in hoogveenbossen. De waterstand in het Lommerbroek wordt mede beïnvloed door de stand van het Maaswater. In een dergelijke situatie leidt de tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker niet nu een deel van het habitattype niet overbelast wordt en het habitattype deels een goede kwaliteit heeft. Effecten door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten.

Behoud van omvang en verbetering van kwaliteit worden niet belemmerd door de stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het plan. Conclusie Gezien de rol van andere sleutelfactoren waar het project voor een groot deel geen invloed op heeft (verdroging) in combinatie met de zeer geringe tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, de goede kwaliteit van het habitattype en het feit dat een deel van het habitattype niet overbelast wordt, vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.11

H91E0C * Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Tabel 4.12: Doel omvang en kwaliteit, KDW, oppervlakte habitattype, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor H91E0C * Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen), Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha)* 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H91E0C * Vochtige alluviale bossen == 1857 23 63 0,01 0,01 (beekbegeleidend e bossen) * De oppervlakte van het habitattype in de habitattypenkaart in AERIUS 2020 wijkt af van de oppervlakte in de Pas gebiedsanalyse. In de analyse is uitgegaan van de habitattypenkaart in Aerius 2020

Uit de PAS-gebiedsanalyse blijkt dat 63% van het habitattype overbelast is. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op circa 23 ha van H91E0C * Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen), waarvan 11,3 ha op overbelast oppervlak, 2,9 ha op naderend overbelast oppervlak en 8,8 ha op niet (naderend) overbelast oppervlak. De toename van maximaal 0,01 mol/ha/jr leidt in het laatste gebied niet tot een overbelaste situatie. Op die plekken is een negatief effect uit te sluiten. In de Maasduinen komt het habitattype zeer lokaal voor langs het Gelderns-Nierskanaal en in het Lommerbroek. Vaak bestaat de ondergroei uit een dominantie van grote brandnetel of gewone

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

braam. In de beter ontwikkelde delen zijn elzenzegge en zompzegge in de ondergroei aanwezig. De herstelpotenties zijn laag. Het habitattype komt over een kleine oppervlakte voor en de kwaliteit is grotendeels matig en zeer lokaal goed. De Vochtige alluviale bossen komen voor in beek- en rivierdalen die van nature periodiek worden overstroomd. Waar het habitattype in brongebieden voorkomt, zijn permanent hoge waterstanden aanwezig, die worden gevoed vanuit de naaste omgeving. Het vochtige alluviale bos bevindt zich op plaatsen waar de grondwatertoestroom afkomstig is uit het 1e watervoerende pakket, zowel in het Lommerbroek als langs het Gelderns-Nierskanaal dat tot in het 1e WVP is ingesneden. De gewenste condities met betrekking tot de basenverzadiging en het grondwaterregime worden bijna altijd in hoge mate bepaald door de omgeving. De basenaanvulling, die nodig is om het hoofd te bieden aan uitspoeling en afvoer van kationen door regenwater, vindt plaats via de aanvoer van gebufferd grondwater vanuit hoger gelegen gebieden en vanuit de beek of rivier. Daarnaast kunnen de inundaties met beek- of rivierwater hierbij een rol spelen. In beekbegeleidende vochtige alluviale bossen is van nature een wat hoger stikstofgehalte in de bodem aanwezig. Met name in combinatie met verdroging kan vermesting een groot effect hebben, doordat mineralisatie van organische stof kan optreden.

Hierbij komen grote hoeveelheden stikstof en fosfor vrij, wat leidt tot een sterke toename van brandnetels. Verdroging treedt op doordat de grondwaterstand verlaagd is door waterwinningen en ontwatering binnen en buiten het Natura 2000-gebied. De bossen langs de Eckeltse Beek zijn sterk verdroogd.In een dergelijke situatie leidt de tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang, zeker niet nu een deel van het habitattype niet overbelast wordt en het habitattype deels een goede kwaliteit heeft. Effecten door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Behoud van omvang en van kwaliteit worden niet belemmerd door de stikstofdepositie van het project. Op basis van deze analyse, wordt gesteld dat de staat van instandhouding van het habitattype niet in het geding komt als gevolg van het project. Conclusie Gezien de rol van andere sleutelfactoren waar het project voor een groot deel geen invloed op heeft in combinatie met de zeer geringe tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, vormt het project geen belemmering voor de instandhoudingsdoelstelling voor omvang en kwaliteit van het habitattype. Een significant negatief effect op dit habitattype is uitgesloten.

4.3.12

H1166 Drijvende waterweegbree Tabel 4.13: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de drijvende waterweegbree, Natura 2000-gebied Maasduinen (PASgebiedsanalyse). Laagste Hoogste Oppervlak % overbelast Doel KDW projectprojectHabitattypen habitattype (uitgangsjaar Omvang/Kwal (mol/ha/jr) bijdrage7 bijdrage7 (ha) 2015) (mol/ha/jr) (mol/ha/jr) H3130 Zwakgebufferde >> 571 45,8 100 0,01 0,02 vennen

Het leefgebied van de drijvende waterweegbree overlapt met het voorkomen van het habitattype Zwakgebufferd ven (H3130). De drijvende waterweegbree komt in de Maasduinen 33

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

voor in het Heerenven en het Vreewater. Op H3130 Zwakgebufferde vennen is sprake van een toename en een overschrijding van de KDW. Uit de ecologische beoordeling van H3130 Zwakgebufferde vennen blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project. Behoud van (potentiële) groeiplaatsen van de drijvende waterweegbree zijn daarmee geborgd. Significant negatieve effecten op drijvende waterweegbree als gevolg van het project zijn daarmee tevens uitgesloten.

4.3.13

A004 Dodaars Tabel 4.14: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de dodaars, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Laagste Doel Oppervlak % overbelast Stikstofgevoelig KDW projectOmvang/Kwal/ # leefgebied (uitgangsjaar habitattype/ leefgebied (mol/ha/jr) bijdrage7 broedparen dodaars (ha)* 2015) (mol/ha/jr) H3130 Zwakgebufferde 571 45,8 100 0,01 vennen = = 55 H3160 Zure vennen 714 62,0 100 0,01 Lg04 Zuur ven 1214 <1,0 95 0,01

Hoogste projectbijdrage7 (mol/ha/jr)

* De oppervlakte van het habitattype Lg04 Zuur ven in de habitattypenkaart in AERIUS 2020 wijkt af van de oppervlakte in de Pas gebiedsanalyse.

In de Maasduinen komt de soort voor in de habitattypen H3130 Zwak gebufferde vennen, H3160 Zure vennen en leefgebied LG04 Zuur ven. Voor deze habitattypen en het leefgebied is sprake van een toename en een overschrijding van de KDW. Zoals alle futen is ook de dodaars gebonden aan water voor zijn voedselvoorziening. Dodaars prefereert beschutte, ondiepe waterpartijen zoals vennen, duinmeren en sloten. Voorwaarde voor een goed dodaarzenbiotoop is de aanwezigheid van waterplanten en voldoende oevervegetatie om in te broeden. Kale, open watergebieden worden gemeden. In principe verblijven dodaarzen het hele jaar door in hun biotoop. Behalve bij ijsvorming. Dan trekken de vogels weg naar ijsvrije wateren, zoals beschutte plekken aan de kust (bv. havens), stedelijke gebieden of meer zuidelijk gelegen water. Al duikend jaagt de dodaars op waterinsecten, slakken, weekdieren, schaaldieren en kleine visjes. In de broedtijd bestaat het grootste deel van het voedsel uit waterinsecten. Van oudsher is de dodaars een broedvogel van (heide)vennen en andere kleinschalige wateren met een weelderige oevervegetatie. Uit de ecologische beoordeling van H3130 Zwak gebufferde vennen en H3160 Zure vennen blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project. Behoud van het leefgebied van de dodaars is daarmee geborgd.

Significant negatieve effecten op de dodaars als gevolg van het project zijn daarmee, ten aanzien van deze habitattypen eveneens uitgesloten. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 4,2 ha, op naderend overbelast oppervlakte op 1,8 ha en op niet overbelast oppervlak op 1,9 ha van Lg04 Zuur ven. De aantallen van deze soort zijn in de Maasduinen op lange termijn stabiel, recent lijkt er sprake te zijn van een afname (zie Figuur 4.1).

0,02 0,01 0,01

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Figuur 4.1 Broedvogeltrend dodaars in de Maasduinen (SOVON.nl)

Deze afname zou het gevolg kunnen zijn van recent herstelbeheer dat in de vennen is uitgevoerd, waardoor de voedselrijkere ventypen schaarser zijn geworden. Daarmee lijkt het aannemelijk dat deze afname van tijdelijke aard is. De oorzaak van de ongunstige staat van instandhouding ligt voor een groot deel vermoedelijk buiten het Natura 2000-gebied (Beheerplan, 2020). Het doel voor deze soort is 50 paren, de laatste jaren zijn er gemiddeld 40 paren geteld. De doelstelling wordt dus nog niet gehaald. De belangrijkste factor die het voorkomen van deze soort bepaalt, is verdroging, waardoor het leefgebied inkrimpt. Schommelingen in de aantallen worden ook verklaard uit meteorologische omstandigheden zoals droge zomers. In een dergelijke situatie leidt de tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang in het leefgebied van de dodaars, zeker niet als de populatie door externe factoren wordt bepaald en deels door de herstelmaatregelen of verdroging. Effecten op de populatie of de draagkracht van het gebied voor de dodaars door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten.

Conclusie Gezien het feit dat de oorzaak van de ongunstige staat van instandhouding voor een groot deel niet wordt veroorzaakt door stikstofdepositie, in combinatie met de zeer geringe tijdelijke toename van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, is er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project op dodaars.

4.3.14

A008 Geoorde fuut Tabel 4.15: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de geoorde fuut, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Doel Laagste Oppervlak % overbelast Omvang/Kwal/ # Stikstofgevoelig KDW projectleefgebied (uitgangsjaar broedparen geoorde habitattype/ leefgebied (mol/ha/jr) bijdrage7 (ha)* 2015) fuut (mol/ha/jr) H3130 Zwakgebufferde 571 45,8 100 0,01 vennen ==7 H3160 Zure vennen 714 62,0 100 0,01 Lg04 Zuur ven 1214 <1,0 95 0,01

35

Hoogste projectbijdrage7 (mol/ha/jr) 0,02 0,01 0,01

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

* De oppervlakte van het habitattype in de habitattypenkaart in AERIUS 2020 wijkt af van de oppervlakte in de Pas gebiedsanalyse.

In de Maasduinen komt de soort voor in de habitattypen H3130 Zwak gebufferde vennen, H3160 Zure vennen en leefgebied LG04 Zuur ven. Voor deze habitattypen en het leefgebied is sprake van een toename en een overschrijding van de KDW. Het broedbiotoop van de geoorde fuut bestaat uit ondiepe zoetwaterplassen, vooral vennen, duinmeren, laagveenplassen en vloeivelden. De plassen moeten een oppervlakte van minimaal 23 hectare hebben, een weelderige, maar niet te hoge oevervegetatie van bijvoorbeeld pitrus of riet en een vlakke, geleidelijk aflopende oever. Het drijvende nest bestaat uit plantaardig materiaal en wordt verankerd aan moerasplanten. Vaak broeden geoorde futen in groepsverband (‘semikoloniaal’) in of nabij broedkolonies van kokmeeuwen die de vogels een zekere bescherming bieden. Het voedsel van de geoorde fuut bestaat in zoete wateren voornamelijk uit waterinsecten, weekdieren en kreeftjes. In zoute kustwateren eet deze vogel vooral kleine zeenaalden, andere kleine visjes en ongewervelden. In de Maasduinen broedt de geoorde fuut op de heidevennen verspreid over het gehele Natura 2000-gebied, en met name op het Pikmeeuwenwater, Reindersmeer en het Meeuwenven. Uit de ecologische beoordeling van H3130 Zwak gebufferde vennen en H3160 Zure vennen blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project.

Behoud van het leefgebied van de geoorde fuut in deze habitattypen is daarmee geborgd. Significant negatieve effecten op de geoorde fuut als gevolg van het project zijn daarmee, ten aanzien van deze habitattypen eveneens uitgesloten. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 4,2 ha, op naderend overbelast oppervlakte op 1,8 ha en op niet overbelast oppervlak op 1,9 ha van Lg04 Zuur ven. Het doel voor deze soort in de Maasduinen is 7 broedparen. In de jaren tot 2017 worden er gemiddeld 9 broedparen geteld. Recentelijk (beheerplan, 2020) is de staat van instandhouding van deze soort beoordeeld als ongunstig (zie Figuur 4.2). Hiervoor ligt de oorzaak vermoedelijk buiten het Natura2000-gebied. De jarenlange afwezigheid van kokmeeuwen-kolonie(s) speelt hierbij vermoedelijk ook een rol. In een dergelijke situatie leidt de tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang in het leefgebied van de geoorde fuut. Effecten op de populatie of de draagkracht van het gebied voor de geoorde fuut door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Figuur 4.2 Broedvogeltrend geoorde fuut in de Maasduinen (SOVON.nl)

Conclusie Gezien significante gevolgen voor de stikstofgevoelige habitattypen waar de soort voorkomt zijn uit te sluiten, andere sleutelfactoren een rol spelen (ontbreken kolonies kokmeeuwen, oorzaken voor het niet behalen van de instandhoudingsdoelstelling welke gelegen zijn buiten het Natura 2000-gebied) waar het project geen invloed op heeft en de geringe tijdelijke toename, is er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project op de geoorde fuut.

4.3.15

A224 Nachtzwaluw Tabel 4.16: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de nachtzwaluw, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Doel Laagste Stikstofgevoelig Oppervlak % overbelast Omvang/Kwal/ KDW projecthabitattype/ leefgebied (uitgangsjaar broedparen (mol/ha/jr) bijdrage leefgebied (ha) 2015) nachtzwaluw (mol/ha/jr)14 H2310 Stuifzandheiden 1071 66,3 100 0,01 met struikhei H2330 714 112,9 100 0,01 Zandverstuivingen H4010A Vochtige 1214 65,5 68 0,01 heiden (hogere zandgronden) = = 30 H4030 Droge heiden 1071 487,1 100 0,01 H6120 *Stroomdalgraslanden H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)

14

Hoogste projectbijdrage (mol/ha/jr 0,02 0,02 0,02

0,02

1286

5,5

100

0,01

0,01

786

9,4

100

0,01

0,01

Het betreft de laagste en hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen. 37

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Doel Omvang/Kwal/ broedparen nachtzwaluw

Stikstofgevoelig habitattype/ leefgebied Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden

KDW (mol/ha/jr)

Oppervlak leefgebied (ha)

% overbelast (uitgangsjaar 2015)

1429

2214,2

99

Laagste projectbijdrage (mol/ha/jr)14 0,01

Hoogste projectbijdrage (mol/ha/jr 0,03

De nachtzwaluw broedt op de heideterreinen, de kerngebieden in de Maasduinen zijn het Quin, Bergerheide en de Hamert (Provincie Limburg, 2009). De soort maakt in de Maasduinen gebruik van H2310 Stuifzanden met struikhei, H2330 Zandverstuivingen, H4010A (Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden, H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes), H9190 Oude eikenbossen, ZGH9190 Zoekgebied Oude eikenbossen, Lg4030 Droge heiden, H6230dka Heischrale graslanden (droog kalkarm) en Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden. Op al deze habitattypen en leefgebieden is een toename aan de orde (m.u.v. het ZG9190, H6230dka en Lg4030). H9190 Oude eikenbossen is in ontwerp en wordt niet nader beschouwd. Uit de ecologische beoordeling van H2310 Stuifzanden met struikhei, H2330 Zandverstuivingen, H4010A (Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden, H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes) blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project. Behoud van het leefgebied van de nachtzwaluw in deze habitattypen is daarmee geborgd. Significant negatieve effecten op de nachtzwaluw als gevolg van het project zijn daarmee, ten aanzien van deze habitattypen eveneens uitgesloten.

Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 245,3 ha, op naderend overbelast oppervlakte op 6,0 ha en op niet overbelast oppervlak op 5,3 ha van Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden. Op het overgrote deel van het leefgebied is geen sprake van een toename. Voor deze gebieden is een negatief effect als gevolg van het project dan ook op voorhand uit te sluiten. De doelstelling voor de nachtzwaluw in de Maasduinen is 30 broedparen. De langjarige en tienjarige gebiedstrend zijn beide onzeker. Het gemiddelde aantal broedparen over de periode 2006 t/m 2010 bedroeg 54. In Figuur 4.3 is de broedvogeltrend van de nachtzwaluw in de Maasduinen weergegeven. Hierin is een stijgende lijn zichtbaar. Op basis hiervan wordt de huidige staat van instandhouding als gunstig beoordeeld, ondanks het actueel aanwezige stikstofknelpunt. In een dergelijke situatie leidt de tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang in het leefgebied van de nachtzwaluw. Effecten op de populatie of de draagkracht van het gebied voor de nachtzwaluw door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Figuur 4.3 Broedvogeltrend nachtzwaluw in de Maasduinen (SOVON.nl)

Conclusie Gezien significante gevolgen voor de stikstofgevoelige habitattypen waar de soort voorkomt zijn uit te sluiten, de gunstige staat van instandhouding ondanks het gegeven dat habitattypen te lijden hebben onder stikstofdepositie en de geringe tijdelijke toename, is er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project op de nachtzwaluw.

4.3.16

A236 Zwarte Specht Tabel 4.17: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de zwarte specht, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Doel Laagste Oppervlak % overbelast Omvang/Kwal/ # Stikstofgevoelig KDW projectleefgebied (uitgangsjaar broedparen zwarte habitattype/ leefgebied (mol/ha/jr) bijdrage7 (ha) 2015) specht (mol/ha/jr) Lg14 Eiken- en = = 35 beukenbos van lemige 1429 2214,2 99 0,01 zandgronden

Hoogste projectbijdrage7 (mol/ha/jr)

De soort komt in de Maasduinen voor in H9190 Oude eikenbossen, ZGH9190 Zoekgebied Oude eikenbossen, H9120 Beuken- eikenbossen met hulst, ZGH9120 Zoekgebied Beuken- eikenbossen met hulst en LG14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden. H9190 Oude eikenbossen en H9120 Beuken-eikenbossen met hulst zijn in ontwerp en worden daarom niet nader beschouwd. Op LG14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden is een toename aan de orde. Op basis van de AERIUS-resultaten blijkt dat er sprake is van een toename op overbelast oppervlak op circa 245,3 ha, op naderend overbelast oppervlakte op 6,0 ha en op niet overbelast oppervlak op 5,3 ha van Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden. Op het overgrote deel van het leefgebied is geen sprake van een toename. Voor deze gebieden is een negatief effect als gevolg van het project dan ook op voorhand uit te sluiten. 39

0,03

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Zwarte spechten vertonen een voorkeur voor grote aaneengesloten oppervlaktes oud bos (> 60 jr) met voldoende dikke bomen om een nestholte in uit te hakken. De voorkeur gaat daarbij uit naar dikke bomen met een gladde stam. In Nederland is dat met name beuk en in mindere mate Amerikaanse eik en grove den. De dichtheden in gesloten bosgebied bedragen tussen de 1-4 paar per 100 ha. Alhoewel zwarte specht oude bomen, en dan met name beuken, nodig heeft om nestholtes in uit te hakken, speelt dit voor het foerageren veel minder een rol. Jonge bosopstanden (15-30 jr) kunnen zelfs de voorkeur genieten als bron van voedsel. Daarbij is naaldbos niet minder geschikt dan loof- of gemengd bos. In de winter vormen insecten in naaldhout de belangrijkste voedselbron. De bast van naaldhout is makkelijker te verwijderen dan bast van loofhout. Zwarte spechten leven van insecten en dan met name (hout)mieren van het geslacht Camponotus, maar ook in hout levende keverlarven vormen een volwaardige bron van voedsel met name in de winter wanneer mieren lastiger te bemachtigen zijn. Houtmieren van het geslacht Camponotus komen in Nederland echter nauwelijks voor. In Nederland vormen Formicasoorten een mogelijk alternatief. Jongere naaldhoutopstanden zijn als voedselbronnen eveneens van belang omdat zich daar kolonies van houtmieren bevinden.

Het foerageergebied kan zich uitstrekken tot enkele kilometers rond de nestplaats. De zwarte specht broedt jaarlijks in de bossen van de Maasduinen. De doelstelling voor de zwarte specht in de Maasduinen is 35 paren. De tienjarige trend laat een positieve tendens zien ten opzichte van de periode waarin de doelen zijn vastgesteld. De huidige staat van instandhouding wordt op basis van de aantallen en trend als gunstig beoordeeld. Dit is ook terug te zien in Figuur 4.4.

Figuur 4.4 Broedvogeltrend zwarte specht in de Maasduinen (SOVON.nl)

De populatie betreft vanuit Nederlandse optiek een relatief geïsoleerde populatie, maar zij sluit aan bij de populatie aan de Duitse zijde van de grens en vormt daarmee een onderdeel van de sleutelpopulatie van het Nederlands-Duits grensgebied van Midden-Limburg (Provincie Limburg, 2009). Een sterke toe- of afname van de zwarte specht is niet te verwachten. Door het donkerder worden van de bossen neemt enerzijds een belangrijke voedselbron voor de zwarte specht (mieren) af. Daarnaast zorgt het ouder worden van de bossen voor meer broedgelegenheid en ook het huidige bosbeheer (grotere tolerantie ten opzichte van dood hout) is gunstig.

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

In een dergelijke situatie leidt de tijdelijke geringe toename van stikstofdepositie door het project niet tot een meetbare verandering van kwaliteit of omvang in het leefgebied van de zwarte specht. De toename is dermate gering dat deze niet leidt tot een zichtbaar effect op de vegetatiesamenstelling en daarmee op de prooibeschikbaarheid voor de zwarte specht. Effecten op de populatie of de draagkracht van het gebied voor de zware specht door de tijdelijke toename van stikstofdepositie door het project zijn uitgesloten. Conclusie Gezien significante gevolgen voor de stikstofgevoelige habitattypen waar de soort voorkomt zijn uit te sluiten, de gunstige staat van instandhouding ondanks het gegeven dat habitattypen te lijden hebben onder stikstofdepositie en de geringe tijdelijke toename, is er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project op de zwarte specht.

4.3.17

A246 Boomleeuwerik Tabel 4.18: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de boomleeuwerik,, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Doel Laagste Hoogste Stikstofgevoelig Oppervlak % overbelast Omvang/Kwal/ KDW projectprojecthabitattype/ leefgebied (uitgangsjaar broedparen (mol/ha/jr) bijdrage bijdrage leefgebied (ha) 2015) boomleeuwerik (mol/ha/jr)15 (mol/ha/jr H2310 Stuifzandheiden 1071 66,3 100 0,01 0,02 met struikhei H2330 714 112,9 100 0,01 0,02 Zandverstuivingen = = 100 H4030 Droge heiden 1071 487,1 100 0,01 0,02 H6120 *Stroomdalgraslanden

1286

5,5

100

0,01

De populatie fluctueerde sterk. In 1993 zijn 150 territoria gevonden tegen ‘slechts’ 85 in 2005. In 2013 lag het aantal weer hoger met 120 territoria. In 2020 ligt het aantal net wat onder de 100 broedpaar (zie Figuur 4.5).

15

Het betreft de laagste en hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen. 41

0,01

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Figuur 4.5 Broedvogeltrend boomleeuwerik in de Maasduinen (SOVON.nl)

De soort komt in de Maasduinen voor in H2310 Stuifzanden met struikhei, H2330 Zandverstuivingen, H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden, H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm en L4030 Leefgebied Droge heiden. Alleen op de habitattypen is een toename aan de orde (m.u.v. H6230dka). Uit de ecologische beoordeling van H2310 Stuifzanden met struikhei, H2330 Zandverstuivingen, H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project. Behoud van het leefgebied van de boomleeuwerik in deze habitattypen is daarmee geborgd. Significant negatieve effecten op de boomleeuwerik als gevolg van het project zijn daarmee tevens uitgesloten.

4.3.18

A276 Roodborsttapuit Tabel 4.19: Stikstofgevoelig leefgebied, KDW, oppervlakte leefgebied, percentage overbelast en laagste en hoogste tijdelijke toename voor het leefgebied, van de roodborsttapuit, Natura 2000-gebied Maasduinen (PAS-gebiedsanalyse). Doel Laagste Hoogste Stikstofgevoelig Oppervlak % overbelast Omvang/Kwal/ KDW projectprojecthabitattype/ leefgebid (uitgangsjaar broedparen (mol/ha/jr) bijdrage bijdrage leefgebied (ha)* 2015) roodborsttapuit (mol/ha/jr)16 (mol/ha/jr H2310 Stuifzandheiden 1071 66,3 100 0,01 0,02 met struikhei H4010A Vochtige 1214 65,5 68 0,01 0,02 heiden (hogere = = 85 zandgronden) H4030 Droge heiden 1071 487,1 100 0,01 0,02 H6120 *Stroomdalgraslanden

1286

5,5

100

0,01

Zoals in onderstaande Figuur (Figuur 4.6.) te zien is, voldoet de soort aan de instandhoudingsdoelstelling van 85 broedpaar. De Roodborsttapuit heeft een gunstige staat van instandhouding. 16

Het betreft de laagste en hoogste projectbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen.

0,01

Passende beoordeling stikstof N270 Via Venray projectnummer 463723.101 4 juni 2021 revisie 2.0 Provincie Limburg

Figuur 4.6 Broedvogeltrend roodborsttapuit in de Maasduinen (SOVON.nl)

De soort komt in de Maasduinen voor in H2310 Stuifzanden met struikhei, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden, H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm en Lg4030 Leefgebied Droge heiden. Alleen op de habitattypen is een toename aan de orde (m.u.v. H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm). Uit de ecologische beoordeling van H2310 Stuifzanden met struikhei, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H6120 Stroomdalgraslanden blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect als gevolg van het project. Behoud van het leefgebied van de roodborsttapuit in deze habitattypen is daarmee geborgd. Significant negatieve effecten op de roodborsttapuit als gevolg van het project zijn daarmee tevens uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10736264/1