08 Toelichting Veulenseweg Scheiweg 23 Horsterweg 8
Tekst van het document
Wegverkeerslawaai In dit geval wordt er een nieuw geluidsgevoelig object/bestemming toegevoegd aan de Veulenseweg in de vorm van een woning(bouwkavel). Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hierin is geconcludeerd dat op het gehele
26
perceel de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en op een deel van het perceel de maximale ontheffingswaarde als gevolg van het geluid van het verkeer op de Veulenseweg. Er wordt geadviseerd om het bouwvlak minimaal 22 meter van de Veulenseweg af te leggen en een verzoek in te dienen bij de gemeente Venray voor het verlenen van een hogere grenswaarde. Dit advies is verwerkt in de planregels en verbeelding van onderhavig bestemmingsplan. De geluidsbelasting als gevolg van het verkeer van de Horsterweg zorgt niet voor belemmeringen. Het volledige onderzoeksrapport is te vinden in bijlage IV (Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen Veulenseweg te Leunen – M20 101.401). Voor de functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning aan de Horsterweg 8 is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk, omdat hier geen sprake is van de toevoeging van een nieuw geluidsgevoelig object/bestemming. Er is en blijft hier immers al sprake van een woning. Spoorweglawaai en industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone(s) van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Een nader akoestisch onderzoek in het kader van de toets aan de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling van de realisatie van één woning(bouwkavel) aan de Veulenseweg ondervindt geen belemmering door het aspect geluid, wanneer het bouwvlak op 22 meter van de Veulenseweg komt te liggen en er een hogere voorkeursgrenswaarde wordt aangevraagd. 5.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt
27
kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het besluitgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, 1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
28
stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 16 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. In de toekomstige situatie, wanneer de woning aan de Scheiweg 23 is verplaatst naar de Veulenseweg ongenummerd en de bedrijfswoning ter plaatse van de Horsterweg is omgezet naar een burgerwoning, zal het aantal aanwezige personen in het plangebied en de omgeving gelijk zijn als in de huidige situatie. Het verplaatsen en herbestemmen van de twee woningen heeft namelijk als gevolg dat het aantal personen in het gebied niet toeneemt. Doordat personendichtheid niet toeneemt, verandert het groepsrisico ter plekke ook niet. Daarnaast is het verplaatsen van één woning en omzetten van een bedrijfswoning van een dusdanig kleine schaal dat het weinig invloed heeft op het groepsrisico. Voor de volledigheid wordt toch getoetst aan de risicocontouren en invloedsgebieden rondom risicovolle inrichtingen en/of transportroutes. Risicovolle inrichtingen Uit de provinciale risicokaart (zie figuur 16) blijkt dat in de omgeving van het plangebied waar de woning heen wordt verplaatst en de omzetting plaatsvindt, een viertal risicovolle inrichtingen zijn gelegen.
Deze risicovolle inrichtingen betreffen propaantanks variërend van grootte. De propaantanks liggen op afstanden tussen de 675 m en 885 m en hebben een PR 10-6 contour variërend van 20 tot 25 meter. De plangebieden B en C liggen ver
1.200 m
Plangebied B & C
635 m 675 m
875 m 800 m 885 m
Plangebied A Figuur 15. Uitsnede risicokaart omgeving plangebieden (plangebied blauw omcirkeld).
29
buiten deze risicocontouren, waardoor deze niet leiden tot een belemmering voor de ontwikkeling. Risicovol transport over wegen Zoals te zien is op de risicokaart vindt in de omgeving van de planlocatie transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen. Ten noorden van het plangebied, op een afstand van circa 1.200 m ligt de regionale verbinding Ysselsteyn – Venray (N270 – A73). Daarnaast ligt ten oosten van het plangebied, op een afstand van circa 2.180 m, de A73. Over beide wegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De regionale verbinding (N270 – A73) heeft twee plaatsgebonden risicocontouren, namelijk een PR 10-7 contour van 25 meter en een PR 10-8 contour van 108 meter. Het plangebied ligt hier ruim buiten. De snelweg A73 heeft een PR-plafond van 1. Zoals eerder aangegeven wordt de personendichtheid en daarmee het groepsrisico met deze ontwikkeling niet vergroot binnen het gebied. Daarnaast liggen beide wegen op een ruime afstand en gaat het hier om een kleinschalige ontwikkeling. Het groepsrisico is daarom niet in het geding en vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling. Risicovol transport over spoorwegen De dichtstbijzijnde spoorlijn waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden, (traject Venlo-Eindhoven) is gelegen op een afstand van circa 7,5 kilometer. Het plangebied ligt hiermee niet binnen het invloedsgebied van deze spoorweg.
Daarnaast zal de personendichtheid binnen het plangebied niet toenemen. Met betrekking tot risicovol transport over spoorwegen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten. Risicovol transport over water De dichtstbijzijnde waterweg (de Maas) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is gelegen op een afstand van circa 9,9 kilometer. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de Maas. Daarnaast zal de personendichtheid binnen het plangebied slechts beperkt toenemen. Met betrekking tot risicovol transport over waterwegen zijn er dus geen belemmeringen of knelpunten te verwachten. Buisleidingen Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een buisleiding ten behoeve van het transport van aardgas. De aardgasleiding ligt op een afstand van circa 635 meter van de planlocatie. In de nieuwe situatie is geen sprake van een toename van de personendichtheid, waardoor het groepsrisico niet toeneemt. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen de risicocontour van de buisleiding. Ten aanzien van risicovol transport door buisleidingen wordt daarom geen hinder verwacht voor de ontwikkeling. Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour en invloedsgebied) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. In de directe omgeving bevinden zich verder geen risicovolle inrichtingen.
In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief. Het groepsrisico wordt per saldo niet vergroot.
30
5.1.7 Bedrijven- en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. Volgens de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” gelden de genoemde richtafstanden tussen milieugevoelige functies en milieubelastende functies voor het omgevingstype “rustig buitengebied”. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” mag de richtafstand met een stap worden teruggebracht. Voor activiteiten in een gemengd gebied met een milieucategorie 2 geldt dan een richtafstand behorend bij milieucategorie 1. Een (nieuwbouw)woning is geen milieubelastende functie. Een uitwaartse zonering hoeft dan ook niet te worden bepaald.
Voor wat betreft inwaartse zonering zijn er in de nabijheid van het plangebied enkele inrichtingen gelegen, waar rekening mee dient te worden gehouden op basis van de VNG richtlijn. Het betreft de volgende bedrijven in de directe nabijheid:
Naam
Aard inrichting
Richtafstand (m)
Afstand plangebied (m)
tot
Veulenseweg 4 – AWI Isolatiebedrijf BV
Kleinschalig bedrijf – milieucategorie 1 / 2
30
15 meter tot plangebied B, 75 meter tot plangebied C.
Voor wat betreft het bedrijf aan de Veulenseweg 4 (isolatiebedrijf), mogen hier volgens het vigerende bestemmingsplan enkel bedrijven met milieucategorie 1 en 2 gevestigd worden (kleinschalig bedrijf). Bij bedrijven met milieucategorie 2 hoort een maximale richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op een afstand van 20 meter. Het gebied kan echter aangemerkt worden als gemengd gebied, omdat functies als wonen, bedrijf en landbouw hier naast elkaar voor komen. Binnen het gemengd gebied mag vervolgens de richtafstand met één stap verlaagd worden, tot 10 meter. Hierdoor ontstaat er geen belemmering voor de bedrijven en/of de ontwikkeling. Daarnaast zijn er meerdere maatgevende/bestaande woningen gelegen op een kortere afstand van deze bedrijfskavel. Naast het bedrijf aan de Veulenseweg is er een pluimveehouderij in de buurt gelegen, welke voldoet aan de richtafstand zoals eerder beschreven in de geur-paragraaf. Conclusie Op basis van de bovenstaande gegevens kan worden gesteld dat geen van de milieuzones over het plangebied ligt en ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
31
5.1.8 Kabels en leidingen Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een planologisch-juridische bescherming behoeven en als gevolg daarvan een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werd in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan gedacht worden aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen ten aan zien van droogte en extreme regenbuien. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In dit kader is er dan ook een waterparagraaf opgesteld. In de onderstaande waterparagraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en water-gerelateerde aspecten wordt omgegaan. 5.2.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg.
In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het Waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en het Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan; 6. bij inbreidingslocaties dient een voorziening gerealiseerd te worden met een minimale inhoud van 30 mm met een overloop naar maaiveld of oppervlaktewater.
32
5.2.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem worden aangelegd om de hoeveelheid regenwater te verwerken die gelet op het ter plaatse aan de orde zijnde (nieuw) afvoerend verhard oppervlak (bebouwing inclusief erfverhardingen) binnen het plangebied valt. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal dit aspect nader worden uitgewerkt. Bij de te herbestemmen woning aan de Horsterweg (plangebied C) wordt geen nieuwe bebouwing of verharding toegevoegd, waardoor er geen maatregelen getroffen hoeven te worden voor wat betreft het aspect water op deze plek. Ter plaatse van plangebied A, gelegen aan de Scheiweg 23, wordt de bebouwing en verharding volledig verwijderd waardoor ook hier geen maatregelen getroffen hoeven te worden. Afvoer van huishoudelijk afvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem. De te realiseren woning aan de Veulenseweg ongenummerd zal daartoe worden aangesloten op het gemeentelijk riool (drukriool). Bouwmaterialen De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Er zal derhalve, voor zover relevant, geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.
5.2.3 Overleg Waterschap Vooroverleg met en advies van het Waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets. Het Waterschap Limburg heeft evenwel aangegeven dat bij plannen met een toename van het nieuw afvoerend verhard oppervlak van minder dan 2000 m 2 en waarbij het plangebied niet is gelegen in specifieke aandachtsgebieden, geen vooroverleg plaats hoeft te vinden met het watertoetsloket. Het plan leidt niet tot een toename van het afvoerend verhard oppervlak van meer dan 2000 m2 en ligt niet in een specifiek aandachtsgebied. Specifiek wateradvies door het Waterschap is niet noodzakelijk.
5.3
Natuur 5.3.1 Gebiedsbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De gebiedsbescherming wordt geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In figuur 16 op de volgende pagina is de ligging van de plangebieden (rode sterren) te zien ten opzichte van het NNN (grijze vlakken). Het lichtgroene vlak (buiten het kaartbeeld) heeft betrekking op de Natura 2000 gebieden ‘Boschhuizerbergen’ ten noordoosten en het gebied ‘Deurnesche Peel & Mariapeel’ ten zuidwesten van het plangebied. Het plan omvat een planlocatie voor een nieuwe woning (gelet op gebruik: geen aardgas en daarmee NO2-vrij) aan de Veulenseweg (circa 4,3 km van een Natura 2000 gebied) en het verdwijnen van 1 oude woning (gelet op gebruik: aardgasgestookt met NO2-
33
emissie) aan de Scheiweg (circa 5,5 km van een Natura 2000 gebied). De afstand tussen het plangebied en de twee genoemde Natura 2000 gebieden is dermate groot dat geconcludeerd kan worden dat de toekenning geen negatieve effecten zal hebben op deze gebieden. De toekenning van het bouwvlak ten behoeve van de bouw/verplaatsing van de nieuwe woning zal geen enkele invloed hebben op de NNN-gebieden. Het NNN wordt als gevolg van het project niet significant belast, anders dan nu ook reeds het geval is. Enige aantasting van het NNN zal gezien de afstand tot het plangebied als gevolg van het project derhalve niet plaatsvinden. In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.
Figuur 16. Natuur Netwerk Nederland gebieden in de omgeving.
5.3.2 Flora en fauna Met de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wnb wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtlijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wnb, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wnb ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wnb zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en Faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed
34
wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders. Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wnb kan slechts worden verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; • er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; • en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd.
5.3.3 Quickscan Flora en Fauna Op 16 januari 2020 heeft Faunaconsult een quickscan opgesteld voor de ontwikkellocatie aan de Veulenseweg ongenummerd en de sloop-locatie aan de Scheiweg 23 te Leunen. In de volgende paragraaf zijn de belangrijkste conclusies uit dit flora en fauna onderzoek te vinden, in bijlage V (Flora- en fauna-inspectie voor de herbestemming van locaties aan de Horsterweg, Veulenseweg en Scheiweg te Leunen) is het volledige rapport te vinden. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels In de coniferenhaag op de locatie Veulenseweg broeden tijdens het broedseizoen mogelijk vogels.
Het gaat om vogels waarvan het nest niet
35
jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door coniferenhaag aan de Veulenseweg te verwijderen buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels). Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Op basis van bovenstaande conclusies kan geconcludeerd worden dat het aspect flora en fauna geen belemmering voor onderhavig plan vormt.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Op het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 meter. De ontwikkeling van de te verplaatsen woning zal niet leiden tot de realisatie van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 500 m2. Er geldt dan ook geen onderzoeksplicht voor het plangebied.
In de planregels en op de verbeelding zal de verplichting, evenals op basis van de vigerende bestemming al het geval is, worden neergelegd in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Conclusie Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan. Mochten er derhalve bij werkzaamheden archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10, lid 1 van de Erfgoedwet 2016 – per direct worden gemeld aan de gemeente Venray
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en
36
structuren. Het beleid van de provincie Limburg sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg (zie figuur 17) is te zien dat in de nabijheid van plangebied B en C een aantal cultuurhistorische elementen aanwezig zijn. Zo zijn de Horsterweg en Veulenseweg aangeduid als cultuurhistorisch lijnelement, omdat deze wegen stammen uit de periode voor 1806. Naast plangebied C is tevens een cultuurhistorisch element in de vorm van een (bedevaarts-)kruis te vinden. Naast de cultuurhistorische waardenkaart geeft het vigerende bestemmingsplan aan dat de plangebieden zijn gelegen op zogenaamde esgronden, welke bepaalde landschapswaarden vertegenwoordigen. Tot slot blijkt volgens de BAG-viewer de bedrijfswoning ter plaatse van Horsterweg 8 te dateren uit het jaar 1900. Hierdoor kan de woning van cultuurhistorische waarde zijn, de herbestemming draagt in dit geval bij aan het behoud van deze waarden.
Figuur 17. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Limburg (plangebieden rood omcirkeld).
Met de ontwikkeling zullen geen bomen geveld worden en/of inbreuk worden gemaakt op de waarde van de wegen Horsterweg en Veulenseweg. Tevens zal rekening worden gehouden met de aanwezigheid en zichtbaarheid van het eerder genoemde kruis. Daarnaast zullen landschappelijke waarden conform de landschappelijke inpassing zoveel mogelijk worden versterkt. Landschap en cultuurhistorie vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
37
5.6.1 Mobiliteit Het realiseren van de te verplaatsen woning naar de Veulenseweg ongenummerd heeft een beperkte invloed op het aantal verkeersbewegingen. Deze nieuwe vrijstaande woning in het buitengebied heeft volgens de kencijfers van het CROW (‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, 2012) een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 8.2 motorvoertuigen per etmaal. Hiermee zal het aantal verkeersbewegingen dus licht stijgen. Echter kan, gezien de kleinschaligheid van het initiatief, de weg Veulenseweg dit aantal verkeersbewegingen verwerken en behoeft deze geen aanpassingen. Het aspect verkeer levert dan ook geen belemmeringen op voor onderhavig plan. 5.6.2 Parkeren Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de gebruiksfuncties in het plangebied dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Het beleid van de gemeente Venray luidt dat parkeren dient te geschieden op eigen terrein. Op basis van de Beleidsnota Parkeernormen, welke is uitgegeven in december 2013, geldt voor één woning in het buitengebied een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Dit betekent dat bij de te verplaatsen woning twee parkeerplaatsen nodig zullen zijn. De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.
Ook bij de bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning zullen twee parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Ter plekke van dit perceel is tevens genoeg ruimte voor de realisatie hiervan. 5.6.3 Verkeersveiligheid Bij de realisatie van de te verplaatsen woning naar de Veulenseweg ongenummerd zal rekening moeten worden gehouden met het feit dat dit perceel aan een weg buiten de bebouwde kom komt te liggen. Aangezien de gemeente heeft overwogen dat er geen aanleiding is om de bebouwde kom te verplaatsen, zullen de voorzieningen die binnen een bebouwde kom aanwezig zijn in dit geval dan ook ontbreken. Daarbij is te denken aan voorzieningen als openbare verlichting en trottoirs en dat er op de weg waaraan het perceel gelegen is een maximum snelheid van 60 km/uur geldt.
5.7
Niet Gesprongen Explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.
38
Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
39
HOOFDSTUK 6.1
6 Juridische vormgeving
Algemeen Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • plantoelichting; • planregels; • verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was, is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: • Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; • PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; • Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.
6.2
Planmethodiek Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Verder is aansluiting gezocht bij de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 (herziening regels).
6.3
Verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.
40
6.4
Planregels De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik. In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen.
Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid zijn een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels. In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Omdat onderhavig bestemmingsplan slechts een partiële herziening betreft, zijn in de regels ook slechts de van toepassing zijnde bepalingen opgenomen.
41
HOOFDSTUK
7 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
7.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Kostenverhaal wordt geregeld in een tussen de gemeente Venray en de initiatiefnemer af te sluiten anterieure overeenkomst, waarin naast verhaal van de ambtelijke kosten en eventuele bijdragen bovenwijks en ruimtelijke ontwikkeling, ook het planschadeverhaal wordt opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Venray komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer zal zijn plannen en onderhavig in voorbereiding zijnde bestemmingsplan kenbaar maken aan de direct omwonenden en belanghebbenden. In het kader van de omgevingsdialoog zal hiervan een verslag/weergave opgemaakt worden, dat als bijlage aan deze plantoelichting is toegevoegd. Daarnaast zal, voorzover er sprake is van hun belangen, overleg plaatsvinden met het Waterschap en de Provincie Limburg. Het ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.
42