CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting St. Leonardsweg 19 en ong te Wanssum

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingplan ‘St. Leonardsweg 19 en ong. te Wanssum’15.752 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ten noorden van het plangebied (op circa 160 m) is een betonwarenfabriek gelegen. Dit betreft een inrichting waar op basis van het vigerende bestemmingsplan een maximale milieucategorie 5.2 is toegestaan. Behalve de milieueffecten voor geluid (zie voorgaande alinea)) geldt voor deze fabriek een minimale richtafstand van 100 m (gemengd gebied) ten aanzien van stof. Het plangebied voldoet ruimschoots aan deze richtafstand. Andere milieueffecten (waaronder geur, stof en gevaar) kennen een lagere richtafstand en vormen derhalve evenmin een belemmering ten aanzien van het plan. Ten oosten van het plangebied (op circa 80 m) bevinden zich een jachtenmakelaar en leverancier van veiligheidsapparatuur. Dit betreft inrichtingen waarvoor geluid de maatgevende richtafstand bepaalt. De richtafstanden voor de overige milieueffecten overschrijden de feitelijke afstand tot het plangebied niet.

34

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Inrichtingen waarvoor een maximale milieucategorie van 4.2 geldt, zijn op meer dan 300 m afstand (de hoogste minimale richtafstand voor dit type bedrijven) van het plangebied gelegen. Voor bedrijven waarvoor een maximale milieucategorie van 3.2 geldt, geldt dat deze op minimaal 100 m afstand (de hoogste minimale richtafstand voor dit type bedrijven) gelegen zijn. Negatieve effecten in het kader van milieuzonering kunnen daarmee worden uitgesloten. Invloed van andere inrichtingen kunnen, gelet op de afstand en aard van deze bedrijven, op voorhand worden uitgesloten. Omgekeerde werking In de omgeving van het industrieterrein liggen bestaande woningen op kortere afstand dan de woningen uit voorliggend plan. Deze bestaande woningen zijn en blijven daarmee maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven van het industrieterrein. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd is een screenshot van die website. Het plangebied is hierop blauw omcirkeld.

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

35

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Voorliggend plan voorziet in de oprichting van drie nieuwe burgerwoningen. Dit zijn kwetsbare objecten in het kader van externe veiligheid. Uit voorgaande kaart is op te maken dat het plangebied in de omgeving ligt van basisnetwerkroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, weg of spoor. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Bevi, de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen of het invloedsgebied van een relevante buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Venrayseweg Het plangebied ligt op circa 450 m van de Venrayseweg. Dit betreft een transportroute waar voorheen het transport van gevaarlijke stoffen over weg plaatsvond. Dit is niet meer het geval sinds de realisatie van de rondweg. De Venrayseweg levert daarmee geen belemmeringen op voor de uitvoering van het plan. Maas Het plangebied ligt op circa 1000 meter afstand van de Maas. Dit betreft een route voor het transport van gevaarlijke stoffen over water. Hiermee is het scenario 'ongeval van een schip met toxische stoffen' in het kader van externe veiligheid van toepassing op het initiatief. Een verantwoording in het kader van het groepsrisico is hiervoor van belang.

36

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

N270 Ten noorden van het plangebied, op circa 150 m afstand, ligt de Boomkensweg (rondweg N270). Hierover vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats.Hiermee ligt het plangebied binnen de meest relevante zone voor het groepsrisico (200 m). Bij de aanleg van de rondweg is het effect op de omgeving onderzocht. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (880 m) van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische of brandbare stoffen. Voor de N270 betreft het scenario 'Toxische wolk' het maatgevende aspect met betrekking tot het groepsrisico. Deze is op basis van Bijlage 25 Verantwoording groepsrisico bij het Inpassingsplan vastgelegd op 880 m. Een ongeval op de N270 met brandbare vloeistoffen (plasbrand) en brandbare gassen (BLEVE) blijven vanwege de afstand en daarmee (zeer) beperkte invloed op het plangebied buiten beschouwing. In Bijlage 24 van het Provinciaal Inpassingsplan 'Ooijen-Wanssum' is een kaart opgenomen met daarop de PRcontour (10-6) zichtbaar, zie daarvoor navolgende afbeelding. Op de afbeelding is zichtbaar dat het plangebied buiten deze PR-contour van 34 m gelegen is.

PR-contour N270 Omdat het plangebied gelegen is binnen 200 m van de N270, dient het groepsrisico te worden verantwoord. Voor een volledige Verantwoording Groepsrisico zijn de volgende aspecten van belang: a. de dichtheid van personen binnen het invloedsgebied; b. de hoogte van het groepsrisico (per kilometer); c. de maatregelen ter beperking van het groepsrisico, zowel bronmaatregelen als ruimtelijke; d. de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen ervan (alternatieve locaties); e. de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute; en f. de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

37

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Adviezen van de veiligheidsregio zijn in voorliggend plan verwerkt. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Dichtheid van personen Binnen het invloedsgebied van de N270 (880 meter) bevinden zich woningen, een school, horeca en (grote) bedrijven. Het toevoegen van 3 woningen binnen dit invloedsgebied heeft slechts een zeer beperkte invloed op de bevolkingsdichtheid. Er is geen sprake van een wezenlijke toename van de dichtheid aan personen. Hoogte van het groepsrisico Het groepsrisico van de N270 bedraagt op basis van Bijlage 25 Verantwoording groepsrisico bij het Inpassingsplan 0,470 keer de oriëntatiewaarde. Gelet op de kleinschaligheid van het initiatief (toevoegen 3 woningen) wordt gesteld dat het plan een beperkte invloed (toename van minder dan 10%) heeft op de hoogte van het groepsrisico. Voor dit initiatief zal worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Toxische stoffen kunnen op de weg, het water of ten gevolge van tankopslag vrijkomen door een incident.

Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas (bij vloeistoffen) of een wolk (bij gassen). Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Gelet op de ligging van het plangebied, kunnen de woningen worden blootgesteld als dit scenario zich voordoet. Dit is mede afhankelijk van de windrichting en weersomstandigheden. Voor de N270 is een maatregel getroffen om het groepsrisico van de N270 te beperken door eisen te stellen aan de komst van Bevi-inrichtingen in het havengebied. Om het aantal transporten van gevaarlijke stoffen over de N270 te beperken, zijn enkel specifieke Bevi-inrichtingen in de haven toegestaan die geen (grote) hoeveelheden transporten gevaarlijke stoffen over de weg kunnen genereren. Deze maatregel is geborgd in de planregels van het Inpassingsplan. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico In de huidige situatie wordt binnen het plangebied reeds gewoond. Het toevoegen van nieuwe woningen is daarmee een ontwikkeling die passend is bij het bestaande gebruik van het plangebied en tevens passend is binnen de omgeving van het plangebied (waar eveneens gewoond wordt). Hiermee zijn de mogelijkheden voor andere ruimtelijke ontwikkelingen, gelet op het woon- en leefklimaat van deze woningen, beperkt.

Binnen de gemeente Venray bestaat een woningtekort (zie paragraaf 3.3.2). Daarmee bestaat eveneens vraag naar een dergelijke ontwikkeling binnen het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid De personen in het plangebied zijn overwegend zelfredzaam. Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, zullen de woningen bescherming kunnen bieden. Verder is het belangrijk dat de bewoners/aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. In het geval van een toxische wolk geldt als handelingsperspectief schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie (met een makkelijk te bereiken schakelaar, bij voorkeur in de meterkast) gesloten kunnen worden. Dit is voor de woningen uit voorliggend plan het geval. Een ander handelingsperspectief betreft vluchten (dwars op de wind), indien de overheid dit aangeeft. De ontvluchting uit het plangebied is mogelijk van de risicobron, de N270 of de Maas, af. Hiermee bestaan voldoende mogelijkheden tot zelfredzaamheid.

38

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. De inzet van de brandweer richt zich bij een ongeval met een tankwagen op het afdekken van de toxische vloeistofplas en neerslaan van een toxische damp. Hiervoor is aan de N270 een bluswatercapaciteit nodig van 2x 90 m3/uur. Een inzet op een schip op de Maas is vanwege de onbereikbaarheid niet realistisch. Het plangebied wordt ontsloten door de St. Leonardsweg en is tevens bereikbaar vanaf Het Zandt. Hiermee is het plangebied vanuit meerdere zijden voldoende bereikbaar voor hulpdiensten. De weg wordt beschouwd als mogelijke opstelplaats. In de omgeving van het plangebied, ter hoogte van de St. Leonardsweg 19, is een brandkraan aanwezig met een debiet van 55 m 3/uur. Een tweede brandkraan met een debiet van 50 m3/uur is gelegen op 200 meter van het plangebied. De afstand en het debiet is voldoende voor een primaire (brand in een woning) en secundaire brandbestrijding in het plangebied. Haven Wanssum In het Provinciaal Inpassingsplan is de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' opgenomen voor het haven- en industriegebied ten noorden van Wanssum. Het doel van deze zone is om de woonkern van Wanssum zo min mogelijk bloot te stellen aan de externe veiligheidsrisico's om nieuwe kwetsbare objecten mogelijk te maken.

Binnen deze zone mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht. Het plangebied ligt hier buiten. Het gebied staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid. 4.1.7 Milieueffectrapportage Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:  in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;  een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;  op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden.

Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:  als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;  als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan behelst het mogelijk maken van 3 nieuwe woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2000 woningen. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

39

bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht. In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in Hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke onderbouwing ingegaan op de kenmerken van de activiteit en de locatie van de activiteit. In Hoofdstuk 4 wordt de aard en omvang van de milieueffecten beschreven. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling welke een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Hetgeen beschreven wordt in deze ruimtelijke onderbouwing geeft voldoende inzicht op de milieu gevolgen om een gewogen besluit omtrent dit plan te nemen. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet mer-plichtig.

4.2

Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:  vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.  schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 weer, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

40

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en  de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Gemeentelijk rioleringsplan In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2025, vastgesteld op 14 december 2021, is het beleid voor het beheer van de gemeentelijke riolering voor de periode 2022 tot en met 2025 vastgelegd. Het plan wordt door de gemeente gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de indeling van het GRP is rekening gehouden met de nieuwe Omgevingswet (Ow). Het veranderende klimaat en de verstedelijking brengen grote uitdagingen met zich mee.

Regenbuien worden steeds extremer en komen vaker voor, met veel overlast en schade tot gevolg. Ook het vasthouden van het gewenste grondwaterpeil wordt moeilijker tijdens extreem lange droge of natte perioden. Omdat het aantal warme dagen toeneemt wordt hittestress ook een probleem, vooral in een gebouwde omgeving met weinig groen en veel verharding. Het besef groeit dat wateroverlast niet langer is op te lossen door alleen maar het aanpassen van de riolering. Om extreme buien doelmatig te verwerken moet de gehele buitenruimte worden benut. Bijvoorbeeld via de aanleg van meer groene voorzieningen, bergingsbassins en oppervlaktewater. Maar ook via het vergroenen van daken en tuinen en het opwaarderen van bestaande sloten. Hemelwater dient zo lokaal mogelijk te worden verwerkt en kan worden benut voor het aantrekkelijk maken van de leefomgeving. In het GRP geeft de gemeente aan dat inwoners hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel dienen te infiltreren. Bij nieuwe ruimtelijke particuliere ontwikkelingen is het streven om hemelwater bij voorkeur bovengronds te infiltreren in de bodem. De gemeente hanteert daarbij de volgende voorwaarden: 1. de infiltratievoorziening dient minimaal een neerslaggebeurtenis van 60 mm te kunnen verwerken; 2. de infiltratievoorziening dient een leeglooptijd te hebben van 24 uur of minder*; 3.

de aanwezigheid van een overloopvoorziening (indien mogelijk bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is, is zo ontworpen dat deze wateroverlast voorkomt. * De norm van 60 mm geldt alleen als er geen verbinding is tussen de infiltratievoorziening en oppervlaktewater. Als de infiltratievoorziening loost op oppervlaktewater gelden de normen van het Waterschap. Deze stelt dat de infiltratievoorziening minimaal 100 mm groot moet zijn. Pas daarna mag een eventueel overschot worden geloosd op het oppervlaktewater. Het waterschap adviseert overigens om altijd, dus ook als er geen verbinding is tussen infiltratievoorziening en oppervlaktewater, 100 mm aan te houden. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Limburg. Voor het waterschap Limburg is het niet mogelijk een digitale watertoets uit te voeren. Het waterschap zal daarom via het wettelijk vooroverleg op de hoogte worden gebracht van voorliggend initiatief.

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

41

Rivierbed Het plangebied ligt binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Rivierbed'. Voor bouwen in dit gebied is normaliter een omgevingsvergunning nodig. In paragraaf 3.1 is beschreven dat het plangebied in een aangewezen gebied ligt waarvoor de vergunningplicht vervalt. (Beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen Binnen het plangebied en in de directe omgeving liggen geen watergangen. Hemelwater Uitgangspunt van het plan is dat hemelwater op eigen terrein wordt geborgen en geïnfiltreerd. Navolgende berekening vergelijkt de hoeveelheid verhard oppervlak in de bestaande situatie met die in de toekomstige situatie. De bestaande hoeve blijft met voorliggend plan intact en kan daarmee buiten beschouwing gelaten worden in de berekening. Bestaand: In de bestaande situatie is het perceel D-2023 nagenoeg geheel verhard. De hoeveelheid verhard oppervlak van de aanwezige stallen en bergingen (ten westen van de hoeve) en aangrenzende buitenverharding bedraagt circa 2.260 m2. Toekomstige situatie Uitgangspunt van het plan is dat voorzien wordt in een toekomstig verhard oppervlak van 300 m2 per woonperceel. Dit betreft daarmee de woning, bijbehorende bouwwerken, inrit en tuinverharding. Met onderhavig plan worden 3 woningen toegevoegd, waarmee de nieuwe verharding circa 900 m 2 bedraagt.

Per saldo Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de hoeveelheid verhard oppervlak, als gevolg van het initiatief, afneemt met 1.360 m2 (2.260 m2 - 900 m2). Dit leidt tot een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie. Bergingsvoorzieningen Voor de te realiseren verharding (ca. 900 m2) dienen bergingsvoorzieningen aangelegd te worden. Hiervoor zijn in het plan infiltratiegreppels aan de randen van de nieuwe woonkavels voorzien, zie ook bijlage 2 bij de regels. Bij de bepaling van de capaciteit/kwaliteit van de gekozen infiltratievoorziening wordt, op basis van de eisen zoals neergelegd in de Toetssteen Openbare Ruimte 2022 (conform de richtlijnen van het waterschap), uitgegaan van een neerslaggebeurtenis waarbij 60 mm neerslag valt in 24 uur. De te realiseren waterbergingsruimte kan dan berekend worden door het toe te voegen verhard oppervlak in m 2 te vermenigvuldigen met 0,06 m (Benodigde capaciteit bedraagt in casu: 900 m2 * 0,06 m = 54 m3). Binnen eigen terrein is meer dan voldoende ruimte aanwezig om infiltratievoorzieningen met de benodigde capaciteit te realiseren. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Afvalwater Het afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater afgevoerd naar het bestaande (vrijverval)riool van de gemeente Venray.

Het hemelwater van de bestaande woning wordt nu deels naar het (vrijverval)riool afgevoerd maar deze hemelwaterafvoer zal in de nieuwe situatie volledig worden afgekoppeld. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

42

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

4.3

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Voor het initiatief is een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, zie bijlage 6. De uitkomsten zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf uitgewerkt. Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Bijgevoegd een screenshot van die website waarbij alle raadpleegbare gebieden zijn 'aangevinkt'.

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

43

Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op voorgaande kaart is te zien dat op circa 2,5 km van het plangebied het Natura 2000-gebied Maasduinen gelegen is. Gezien de ruime afstand van de ontwikkeling tot dit gebied en de aard van de ontwikkeling (toevoegen drie burgerwoningen) kunnen significante negatieve effecten, ook vanuit stikstofdepositie, op voorhand worden uitgesloten. Volledigheidshalve zijn voor de drie nieuwe woningen AERIUS-berekeningen opgesteld voor de aanlegfase (zie bijlage 4) en gebruiksfase (zie bijlage 5). Uit deze berekeningen blijkt dat ontwikkeling en ingebruikname van de nieuwe woningen zowel in de aanlegfase als gebruiksfase niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j. De bestaande woning is niet meegenomen in de AERIUS-berekeningen omdat deze woning al aanwezig en in gebruik is. Vanuit gebiedsbescherming is het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in het plangebied. Eventueel aanwezige kleine zoogdiersoorten of huismussen zullen niet worden verstoord door de werkzaamheden. Er zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Vervolgonderzoek is niet nodig. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ecologie.

44

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

4.4

Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Verkeersgeneratie Voorliggend plan betreft het omzetten van een bedrijfswoning in een burgerwoning en het toevoegen van drie burgerwoningen. Dit heeft effect op de verkeersaantrekkende werking. Het plangebied ligt binnen een gebied dat getypeerd kan worden als 'landelijk wonen' volgens de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Bij woningen in dit gebiedstype wordt een toename van 7,4 motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal verwacht. Het plangebied wordt ontsloten door de St. Leonardsweg en Het Zandt. Deze wegen worden voornamelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer. De wegen herbergen voldoende capaciteit om de beperkte toename (22,2 per dagetmaal) van het aantal motorvoertuigbewegingen te dragen. Daar komt bij dat de verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf, waaronder zwaar verkeer, verdwijnt. Voorliggend initiatief heeft daarmee een positief effect op de verkeerskundige situatie ter plaatse. Parkeren De gemeente Venray hanteert voor het bepalen van de parkeernormen de Beleidsnota Parkeernormen gemeente Venray. De nieuwe woningen worden opgericht binnen 'rest bebouwde kom'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,0 per woning.

Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van 3 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein, waardoor ruimschoots aan de parkeernorm wordt voldaan. Parkeren is daarmee geheel binnen eigen terrein op te vangen. In het inpassingsplan (bijlage 2 van de regels) is aangegeven waar het parkeren plaats vindt. Er ontstaat geen parkeerdruk op de openbare ruimte. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5

Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

45

Planspecifiek Cultuurhistorie Het zuidelijk deel van het plangebied behoort tot een waardevol beekdallandschap. In het vigerende bestemmingsplan zijn regels opgenomen ter bescherming van de voorkomende landschaps- en natuurwaarden van dit gebied. Toegestaan is om binnen het beekdal te bouwen, mits de in artikel 21.1 van het vigerende bestemmingsplan genoemde waarden niet onevenredig worden aangetast. Dit betreft natuurwaarden die verbonden zijn aan een vochtig milieu, landschapswaarden alsmede behoud van kwelgebieden welke een belangrijk onderdeel vormen van een hydrologisch systeem. In het inpassingsplan (bijlage 2 bij de regels) wordt nader ingegaan op welke manier rekening wordt gehouden met deze waarden. In de omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in andere waardevolle cultuurhistorische landschappen. Het initiatief heeft geen negatief effect ten aanzien van het aspect cultuurhistorie. Archeologie Voor dit plan is aangesloten bij de archeologische beleidskaart (ABK) die is gemaakt voor het Provinciaal Inpassingsplan 'Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum' ('Putten, M.J. van 2014: Gebiedsontwikkeling OoijenWanssum. Archeologische verwachtings- en beleidskaart: BAAC Rapport V-14.0184, 6-11-2014'). Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Op de kaart is zichtbaar dat het plangebied op basis van onderzoek in het noordelijke deel een hoge verwachting (bruinrood) kent en in het zuidelijke deel vrijgegeven (geel) is.

Uitsnede archeologische verwachtingskaart

De hoge verwachting (categorie 3) wordt in voorliggend plan overgenomen. Hiervoor wordt aangesloten bij de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' uit het inpassingsplan 'Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum'. De bijbehorende oppervlakte- en dieptenormen bij deze verwachting betreffen 500 m2 en 50 cm. Indien deze normen overschreden worden, dient archeologisch vooronderzoek (in de vorm van een verkennend onderzoek bestaande uit bureau- en booronderzoek) verricht te worden. Hiertoe is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat als gevolg van realisatie van voorliggend plan eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem niet aangetast worden. Het aspect archeologie staat het plan daarmee niet in de weg.

46

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot cultuurhistorie en archeologie.

4.6

Explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie). Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

4.7

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:  het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;  het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;  het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemers. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemers een exploitatieovereenkomst afsluiten.

In de exploitatieovereenkomst wordt onder andere het kostenverhaal geregeld van de ambtelijke kosten, de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling (€2.500 per toe te voegen woning, zie paragraaf 3.3.3) en de kosten van de bovenwijkse voorzieningen (€2.500 per toe te voegen woning). Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemers. Het plan is economisch uitvoerbaar.

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

47

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.  Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;  Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.  Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.  Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2

Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:  De enkelbestemming 'Wonen', ten behoeve van de drie burgerwoningen en de in een burgerwoning om te zetten bedrijfswoning;  De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied;  De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3', mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied. Het plangebied kent verder twee gebiedsaanduidingen:  'Geluidzone - industrie'  Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

48

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Hoofdstuk 6 6.1

Procedure

Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.

Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2

Handhaving

De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast een visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt omgegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van het volgende uitgangspunt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot.

Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/ zij verdient. De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

49

regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. ln een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

6.3

Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de relevante partijen. Naar aanleiding van de reactie van het Waterschap is paragraaf 3.1 voorzien van een extra toelichting. De provincie Limburg heeft aangegeven geen bezwaren tegen het plan te hebben. Adviezen van de Veiligheidsregio zijn in het plan verwerkt.

6.4

Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro / omgevingsdialoog

Bij voorliggend plan is er geen sprake van een formele inspraakprocedure. Het bestemmingsplan is direct als ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Omwonenden zijn door de initiatiefnemers op de hoogte gebracht van het initiatief middels een omgevingsdialoog. Het verslag hiervan is opgenomen in bijlage 7. Vanuit de omgeving zijn er geen bezwaren geuit tegen het plan.

6.5

Verslag zienswijzen

Het plan heeft tussen 29 december 2023 en 8 februari 2024 ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn 3 zienswijzen ingediend. In bijlage 8 (Eindrapport adviezen en zienswijzen) is de gemeentelijke reactie op deze zienswijzen opgenomen. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is het akoestisch onderzoek (bijlage 3) aangepast. Omdat de regels en verbeelding van het plan ongewijzigd zijn, kan het plan ongewijzigd vastgesteld worden.

50

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlagen bij de toelichting

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

51

52

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 1

Bodemonderzoek St. Leonardsweg 19

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

53

54

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 2

Bodemonderzoek St. Leonardsweg ong. Wanssum

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

55

56

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

57

58

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 4

AERIUS-berekening aanlegfase

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

59

60

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 5

AERIUS-berekening gebruiksfase

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

61

62

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 6

Quickscan flora en fauna

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

63

64

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 7

Verslag omgevingsdialoog

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

65

66

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

Bijlage 8

Eindrapport Adviezen en Zienswijzen

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

67

68

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

98

St. Leonardsweg 19 en ongen. Wanssum

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14008363/1