CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting bestemmingsplan Buskensven 2 Oostrum

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buskensven 2 Oostrum’11.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

26

4.2.2. Archeologie Met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg, een wijziging van de Monumentenwet 1988, op 1 september 2007 is het Verdrag van Malta geïmplementeerd in het cultuurhistorische beleid van Nederland. Met deze wetswijziging heeft de zorg voor het archeologisch erfgoed een prominentere plaats gekregen in het ruimtelijke ordeningsproces en ruimtelijke planvorming. Gemeenten zijn verplicht bij vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met de bekende als te verwachten archeologische waarden. De te verwachten archeologische waarden worden in de gemeente Venray beschermd door middel van een dubbelbestemming ‘waarde archeologie’. In het vigerende BP Buitengebied Venray 2010 is aan het plangebied deels de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 1’ en deels ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend. Deze aanduiding is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (ABK) uit 2008. In 2013 is een geactualiseerde versie van de ABK vastgesteld met, op basis van nieuwe inzichten, deels andere archeologische verwachtingswaarden dan op de eerste versie. Op de vigerende ABK is de archeologische verwachtingswaarde binnen het gehele plangebied gewijzigd in een ‘onbekende verwachting’. Conform de gemeentelijke archeologische beleidsregels wordt laatstgenoemde verwachtingswaarde niet vertaald in een archeologische dubbelbestemming.

Binnen het voorliggende plan wordt conform het voorgaande de verbeelding bij wijze van reparatie op deze wijziging worden aangepast. Dit betekend concreet dat de archeologische dubbelbestemming geheel komt te vervallen. Het aspect archeologie speelt bij ontwikkelingen binnen het plangebied dan ook geen rol meer. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Een archeologisch onderzoek is om die reden niet benodigd. 4.2.3. Mobiliteit en parkeren Het verkeer van en naar het plangebied neemt door de bestemmingswijziging niet toe ten opzichte van de huidige situatie. De feitelijke bedrijfsactiviteiten op de locatie blijven onveranderd, behoudens dat vrachtwagens schoongemaakt kunnen worden in de nieuw te realiseren wasstraat. Naast de wasstraat is er ook een uitbreiding van het bouwvlak. Hierdoor kan het gebruik geïntensiveerd worden wat leidt tot meer verkeersbewegingen. Deze kunnen op het onderliggend wegennet goed worden afgehandeld. De huidige situatie heeft nooit tot negatieve situaties geleidt in het verkeer. Voldoende parkeervoorzieningen ten behoeve van de bedrijfsbestemming zijn reeds op het eigen erf aanwezig. Vanuit het aspect Mobiliteit en parkeren zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

27

4.3.

Flora en Fauna

4.3.1. Gebiedsbescherming De gevraagde ontwikkeling is niet gelegen in de Ecologische hoofdstructuur, maar is wel gelegen nabij enkele natura2000 gebieden. Beoordeeld moet worden of de inrichting significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet Natuurbescherming beschermd moeten worden. In de navolgende afbeelding zijn de meest nabijgelegen gebieden ten opzichte van de locatie aangegeven

Locatie

Afbeelding 7, Natura 2000-gebieden.

Binnen een straal van 10 kilometer bevinden zich enkele Natura 2000-gebieden, waarvan Boschhuizerbergen zich het dichtst bij de locatie bevindt (op circa 1700 meter). In bijlage 4 is de stikstofdepositie verder onderbouwd en berekend middels Aerius. De gewenste ontwikkeling heeft geen significante negatieve invloed op de beschermde natuurwaarden van de gebieden. Het bedrijf is dan ook niet vergunning plichtig in het kader van de Wnb. Om deze reden vormen de Natura 2000-gebieden geen belemmering voor dit initiatief. 4.3.2. Soortenbescherming Op basis van de Wet Natuurbescherming moet bij alle geplande ruimtelijke ingrepen nagegaan worden of er schade wordt toegebracht aan beschermde planten- en diersoorten. In de wet is vastgelegd welke handelingen ten aanzien van beschermde soorten verboden zijn. Als de uitvoering van het plan een of meerdere verboden handelingen met zich meebrengt, is ontheffing of vrijstelling nodig van de verbodsbepalingen.

28

In de voorgaande paragraaf is al aangegeven dat vanwege de grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de aard van de activiteiten het niet te verwachten is dat het planvoornemen enig effect op de natuurwaarden in deze gebieden zal hebben. Het besluitgebied zelf ligt niet binnen de EHS. Gelet op de aard en ondergeschiktheid van het planvoornemen zijn er geen effecten op de EHS te verwachten. Het besluitgebied is momenteel voor een deel verhard. Bovendien is sprake van een intensief in gebruik zijnde bestaand bedrijfsperceel. Het besluitgebied is daardoor potentieel ongeschikt voor beschermde flora en fauna en wordt door de mens al jarenlang gereguleerd. De impact van de voorgenomen ontwikkeling is per saldo te verwaarlozen. Door de functiewijziging zullen op de locatie geen dieren meer worden gehouden wat een positief effect heeft op de stikstofemissies. Uiteraard geldt voor initiatiefnemer altijd de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Toetsing

Afbeelding 8, Beschermde broedvogels.

In het plangebied is geen rode lijst waarneming gedaan. In de nabijheid is ook een rode lijst waarneming aangetroffen van zowel een spotvogel als een gele kwikstaart. De locatie is reeds jaren in gebruik, het voorliggende bestemmingsplan en de bouw van een wasstraat / ontsmettingsplaats is niet nadelig voor de beschermde broedvogels.

29

Afbeelding 9, Beschermde soorten en planten. Alle waarnemingen dateren van voor 2000.

In het plangebied zijn tevens geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten en planten. Er zijn in het kilometerhok geen waarnemingen bekend van amfibieën die een nadere bescherming behoeven. In het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten en planten. Door het jarenlange gebruik van de betrokken locatie is de kans op de aanwezigheid van bijzondere planten- en dierensoorten op de locatie zeer beperkt. De plantensoorten op de locatie worden grotendeels door mensen gereguleerd. Voor diersoorten geldt dat er gedurende een lange reeks van jaren een dusdanige verstoring plaatsvond, verkeer en menselijke activiteit, dat de betreffende locatie niet geschikt is als leefgebied. Deze locatie is geen geschikt vestigings- en/of permanent leefgebied voor soorten uit de eerste en tweede categorie. Hooguit zullen een of meer van de algemeen voorkomende beschermde soorten hier bij tijd en wijle verblijven. Het gebruik is ten opzichte van 2014 (waarnemingen in deze paragraaf) is onveranderd en grotendeels door mensen gereguleerd. Er heeft ook sinds de waarnemingen een dusdanige verstoring plaatsgevonden dat de locatie geen geschikt vestigings- en/of permanent leefgebied is voor soorten uit de eerste en tweede categorie. Gezien de aard van de ontwikkelingen zal de externe invloed op de omliggende natuur niet significant zijn.

30

4.4.

Landschappelijke inpassing

Door Ron Janssen Erf- en landschapsverfraaiing is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke als bijlage 2 aan deze toelichting is gevoegd. Dit plan kan als kwaliteitsbijdrage worden gezien voor de landschappelijke kwaliteit.

Afbeelding 10, Landschaps-, natuur en waterplan

Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering. Voor het volledige landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 2.

4.5.

Waterparagraaf

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Een achttal wetten is samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft die beleid vertaalt in het provinciaal waterplan. Provinciaal Waterplan Limburg Op 20 november 2009 heeft provinciale staten het Provinciaal Waterplan Limburg vastgesteld. Dit plan is een actualisatie van het waterbeleid uit het POL2006. Het Provinciaal Waterplan 2010-2015 heeft de status van een regionaal waterplan, zoals omschreven in de Waterwet én een op zichzelf staande structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat specifieke ambities en beleidsregels gericht op de doorwerking en uitvoering van waterbeleid. Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. De operationele uitwerking 31

vindt plaats via POL-aanvullingen en beleidsregels, die bij de verschillende hoofdstukken genoemd zijn. Samen met deze uitwerkingen vormt het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2010-2015 het nieuwe provinciale waterhuishoudingsplan. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de ecologische en mensgerichte functies: de specifiek en algemeen ecologische functie (SEF resp. AEF) en de functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen.

Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen. Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied.

De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1). Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op bestaande gebouwen, waaraan een wasstraat wordt toegevoegd. De wasstraat wordt aangesloten op een olie en vetafscheider. Het water dat na de olie en vetscheider vrijkomt uit de wasstraat wordt via het riool afgevoerd. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een 32

neerslaghoeveelheid van 100 millimeter in 24 uur, met een noodoverlaat. Er wordt een infiltratievoorziening gerealiseerd in de vorm van een infiltratiewadi. Deze krijgt een capaciteit, groot genoeg om aan het uitgangspunt 100 mm berging per 24 uur te voldoen. Ten behoeve van de hemelwaterinfiltratie wordt een buffer aangelegd, zie ook het bijgevoegde landschapsplan. De totale inhoud van de buffer is ruim voldoende om aan de voorwaarde van 100 mm berging per 24 uur te voldoen. Vanuit het plan is te zien dat er ca 1300 m2 dakoppervlak zal zijn in de nieuwe situatie, dat bij T = 100 maximaal 130 m3 regenwater zal opleveren. Door een buffer aan te leggen in combinatie met de houtsingel is het functioneel voor het water ook een ecologische meerwaarde. De buffer is opgenomen in de landschappelijke inpassing, zie ook bijlage 2. Deze krijgt een lengte van 60 meter, een diepte van 1,50 meter en een insteek van 3,50 meter met taluds 1:1. Deze maatvoering is afdoende. Met een grondwaterstand van 1,20 meter, zal deze meestal een beetje water bevatten en is er meer dan genoeg ruimte om het water te bufferen en dat hier kan infiltreren. Bij calamiteiten kan een nooduitstroming naar de bermsloot noodzakelijk zijn, maar dit is niet te verwachten. Er worden geen uitlogende materialen zoals zink, koper of lood toegepast.

Afvalwater Conform het activiteiten besluit mag ondernemer 0,5 m3 per uur afvalwater lozen op het riool. Hier zal onder gebleven worden. Mits noodzakelijk wordt in overleg met de leverancier van de wasplaats een buffer aangelegd om dit te reguleren.

4.6.

Kabels en leidingen

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven. Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen.

4.7.

Niet-gesprongen explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. De locatie van de wasstraat / ontsmettingsplaats is in het verleden door initiatiefnemer geroerd door agrarische activiteiten.

33

5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.

Economische haalbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen. Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venray heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Aangegeven is dat indien het plan op deze wijze voortzet zal worden, er geen aanleiding is om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. 5.2.1. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken.

De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. De omgevingsdialoog heeft op locatie plaatsgevonden op maandag 25 september 2023. Een verslag is vanwege de AVG separaat aan dit bestemmingsplan aan de gemeente beschikbaar gesteld.

5.3.

Procedure

Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerp-bestemmingplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het 34

bestemmingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is geen zienswijze ingediend op het ontwerpbestemmingplan.

35

6. Juridische planopzet 6.1.

Inleiding

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2.

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).

6.3.

Toelichting op de regels

Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening regels”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Hoofdstuk 2: Wijzigingsregels.; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

36

Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl

Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl

Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl

Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14008498/1