CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Toelichting bestemmingsplan Buskensven 2 Oostrum

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buskensven 2 Oostrum’11.230 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Buskensven 2, Oostrum

1

Kadastrale gegevens:

: : :

Venray G 1702

Locatie

:

Buskensven 2 Oostrum

Opgesteld door

:

Arvalis

2

Gemeente Sectie Nummer

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 5

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 5

1.3.

Bijbehorende stukken ................................................................................ 6

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................ 6

Planbeschrijving .............................................................................................. 7 2.1.

Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur ............................................. 7

2.2.

Planbeschrijving ........................................................................................ 7

2.3.

Locatiebeschrijving .................................................................................... 8

2.4.

Wasplaats ................................................................................................ 9

2.5.

Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 9

2.5.1.

Wijziging 5.4 onder d ..........................................................................10

2.5.2.

Verdere toetsing ................................................................................11

Beleidskader ..................................................................................................12 3.1.

Inleiding..................................................................................................12

3.2.

Rijksbeleid ...............................................................................................12

3.2.1.

Nationale omgevingsvisie ....................................................................12

3.2.2.

Structuurvisie infrastructuur en ruimte .................................................13

3.2.3.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................13

3.2.4.

Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................14

3.3.

3.3.1.

Provinciale Omgevingsvisie ..................................................................15

3.3.2.

Omgevingsverordening Limburg ...........................................................15

3.4.

4.

Gemeentelijk beleid ..................................................................................17

3.4.1.

Toekomstvisie Venray 2030 .................................................................17

3.4.2.

Omgevingsvisie Venray .......................................................................18

3.4.3.

Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling ....................................19

3.4.4.

Strategische visie ...............................................................................19

3.4.5.

Ruimtelijk Kwaliteitskader ...................................................................20

3.4.6.

Beeldkwaliteitsplan .............................................................................20

3.4.7.

Toetssteen Openbare Ruimte ...............................................................20

3.4.8.

Archeologie beleid gemeente Venray ....................................................21

Omgevingsaspecten ........................................................................................22 4.1.

3

Provinciaal beleid .....................................................................................15

Milieuaspecten .........................................................................................22

4.1.1.

Bodem ..............................................................................................22

4.1.2.

Bedrijven en milieuzonering.................................................................22

4.1.3.

Luchtkwaliteit ....................................................................................23

4.1.4.

Geluid ...............................................................................................25

4.2.

4.2.1.

Externe veiligheid ...............................................................................25

4.2.2.

Archeologie .......................................................................................27

4.2.3.

Mobiliteit en parkeren .........................................................................27

4.3.

5.

Ruimtelijke aspecten.................................................................................25

Flora en Fauna .........................................................................................28

4.3.1.

Gebiedsbescherming ...........................................................................28

4.3.2.

Soortenbescherming ...........................................................................28

4.4.

Landschappelijke inpassing ........................................................................31

4.5.

Waterparagraaf ........................................................................................31

4.6.

Kabels en leidingen ..................................................................................33

4.7.

Niet-gesprongen explosieven .....................................................................33

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................34 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................34

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................34

5.2.1. 5.3. 6.

Omgevingsdialoog ..............................................................................34

Procedure ................................................................................................34

Juridische planopzet .......................................................................................36 6.1.

Inleiding..................................................................................................36

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................36

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................36

Bijlagen: 1. Situatieschets 2. Landschapsplan 3. Schetsplan 4. Onderbouwing stikstof 5. Omgevingsdialoog

4

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.

Aanleiding en doel

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de locatie Buskensven 2 te Oostrum (gemeente Venray). De locatie heeft gedeeltelijk een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding landbouwverwant bedrijf en gedeeltelijk een agrarische bestemming. De initiatiefnemer exploiteert op de locatie een varkenstransportbedrijf en is voornemens een wasstraat / ontsmettingsplaats te realiseren met de ruimte voor het droog stallen van een vrachtwagen. Tevens zal er een weegbrug worden geplaatst voor het wegen van eigen transportmiddelen. Deze komen deels buiten de bedrijfsbestemming (in de agrarische bestemming). Op het perceel wordt bebouwing beoogd met een overschrijding van 625 m², of wel 3750 m3 ten opzichte van datgene dat in het vigerend bestemmingsplan is toegestaan. Hiervan kan afgeweken worden mits op het perceel of ergens anders in het buitengebied van de gemeente Venray een gelijke hoeveelheid aan kuubs gesloopt wordt om de wasstraat / ontsmettingsplaats te kunnen realiseren. Het planvoornemen is middels een principeverzoek aan de gemeente Venray voorgelegd. Het planvoornemen is op dit moment strijdig met het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Venray. Het planvoornemen voorziet in een herziening van het bestemmingsplan.

1.2.

Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan Buskensven 2 te Oostrum, gemeente Venray. Het plangebied is op de bovenstaande weergegeven en behelst het perceel dat kadastraal geregistreerd staat als gemeente Venray, sectie G, nummer 1702.

Afbeelding 1, Kadastrale kaart met plangebied.

5

1.3.

Bijbehorende stukken

Samen met de bijbehorende regels, bijlagen en verbeelding vormt deze toelichting het bestemmingsplan. In artikel 3.1.6 van het Bro is vastgelegd aan welke eisen een goede toelichting dient te voldoen. 1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van de planologische afwijking zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 2. Voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de toelichting ten minste neergelegd: a. een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; b.

voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; c. een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.

1.4.

Leeswijzer

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: ▪ ▪ ▪

▪ ▪ ▪ ▪

6

project- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, waterparagraaf, aanwezige leidingen, archeologische waarden en natuurlijke en landschappelijke aspecten) en conclusie, hoofdstuk 4; juridische planopzet, hoofdstuk 5; uitvoerbaarheid, hoofdstuk 6; handhavingsparagraaf, hoofdstuk 6; Eem beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 7.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de huidige situatie en beoogde situatie beschreven. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling.

2.1.

Ontstaansgeschiedenis en ruimtelijke structuur

Het landschap heeft zich gevormd binnen de randvoorwaarden van de abiotische ondergrond, onder invloed van biotische processen en menselijk ingrijpen. In Venray zijn als gevolg van de ontstaansgeschiedenis twee landschapstypen te onderscheiden: het esdorpenlandschap en het jonge ontginningslandschap. De oudste vestigingsplaatsen in het buitengebied van Venray zijn gesitueerd op de overgang van hogere naar lagere gronden. Deze kernen bevinden zich daarom aan de oostzijde van de gemeente, op de flanken van de beekdalen. Bij de bewoningsplaatsen lagen de bouwlanden, die eeuwenlang werden opgehoogd met mest uit potstallen (dierenmest, vermengd met heideplaggen). Hierdoor zijn dekken van doorgaans 0,50 tot 0,80 m ontstaan: de esgronden (ook wel velden genoemd). Karakteristiek voor dit kleinschalig landschapstype is de aanwezigheid van vele bewoningskernen, de esgronden (in gebruik als bouwland), beekdalen (in gebruik als weiland) en beboste zandverstuivingen (voorheen de heidevelden). Deze landschap eenheden liggen op relatief korte afstanden van elkaar. De samenhang tussen de vroegere logische eenheden is inmiddels deels verdwenen.

2.2.

Planbeschrijving

De initiatiefnemer exploiteert op de locatie een varkenstransportbedrijf en is voornemens een wasstraat/ontsmettingsplaats te realiseren met de ruimte voor het droog stallen van een vrachtwagen en een weegbrug. Hiermee kunnen de vrachtwagens binnen worden gereinigd en het afvalwater beter worden opgevangen. Tevens kunnen kan hiermee tevens ene vrachtwagen droog gestald worden, hetgeen vooral noodzakelijk is in de windeter om bevriezing te voorkomen van beweegbare onderdelen. Tevens wordt in het nieuwe plan de parkeerruimte binnen het bouwvlak gelegd. Deze komen deels buiten de bedrijfsbestemming (in de agrarische bestemming).

Afbeelding 2, 3D toekomstige situatie

7

Afbeelding 3, Uitsnede gewenste situatie

De gewenste situatie is tevens toegevoegd als bijlage 1 aan deze toelichting.

2.3.

Locatiebeschrijving

Het plangebied is gelegen in Oostrum (gemeente Venray). Rondom de locatie liggen enkele woningen en agrarische bedrijven. De locatie is vrijwel direct gelegen aan de provinciale weg, de N270.

8

2.4.

Wasplaats

De wasplaats voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan. Zie voor de toetsing in paragraaf 2.5. Vanwege de leesbaarheid is in deze paragraaf geen tekening van de wasplaats toegevoegd, deze is als bijlage 3 toegevoegd. Er is een voorwaarde opgenomen dat er in het buitengebied van Venray 3750 m3 gesloopt dient te worden. Dit is als een voorwaardelijke verplichting in de bij dit plan behorende regels vastgelegd.

2.5.

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 14 december 2010. Het plan is herzien in 2016. Het betreffende bestemmingsplan (Buitengebied Venray 2010, herziening regels) is door de gemeenteraad van de gemeente Venray vastgesteld op 1 november 2016 en is onherroepelijk.

Afbeelding 4, Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Het plangebied heeft gedeeltelijk een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding landbouwverwant bedrijf en gedeeltelijk een agrarische bestemming. Er is een maximale bouwhoogte van kracht van 6,5 meter en een maximum goothoogte van 4,5 meter. Daarbij is er een maximum bebouwd oppervlak van 572 m2 opgenomen. De gewenste nieuwbouw zorgt voor een overschrijding van het bebouwd oppervlak met 625 m², in m3 is dit 3750 m3. In het bestemmingsplan is in artikel 5 lid 4 onder d een mogelijkheid opgenomen om het aangegeven bebouwingsoppervlakte te overschrijden. Dit is mogelijk onder de aangegeven afwijkingsmogelijkheid. Dit betekend onder meer dat op het perceel of ergens anders in het buitengebied van de gemeente Venray een gelijke hoeveelheid m³ gesloopt dient te worden. Verder valt de wasstraat gedeeltelijk buiten de bedrijfsbestemming en in de agrarische bestemming. Middels de wijzigingsbevoegdheid onder artikel 5 lid 4 onder d is het mogelijk uitbreiding van een bedrijf met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven' respectievelijk van een bedrijf met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijfkleinschalige bedrijven' toe te staan. 9

2.5.1. Wijziging 5.4 onder d Middels artikel 5.4 onder d is het mogelijk om uitbreiding van een bedrijf met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven' respectievelijk van een bedrijf met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- kleinschalige bedrijven' toe te staan, indien bestaande (bij)gebouwen worden gesloopt, onder de voorwaarden dat: 1. de totale hoogte niet hoger dan 10 meter is; aan deze voorwaarde wordt voldaan 2. de uitbreiding voor bedrijven met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven' bedraagt maximaal 1000 m². Bestaande bedrijven waarbij op de verbeelding meer dan 1000 m² is toegestaan, kunnen maximaal 50% van de bestaande inhoud uitbreiden; het betreft een uitbreiding van 625 m² 3. de uitbreiding voor bedrijven met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijfkleinschalige bedrijven' bedraagt maximaal 500 m². Bestaande bedrijven waarbij op de verbeelding meer dan 500 m² is toegestaan, kunnen maximaal 25% van de inhoud, zoals die op basis van de verbeelding is toegestaan, uitbreiden; het betreft geen 'specifieke vorm van bedrijf- kleinschalige bedrijven' 4.

het volume dat wordt uitgebreid ten behoeve van bedrijven met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – landbouwverwante bedrijven' is gelijk aan het totale gesloopte volume; er dient in het buitengebied van Venray een gelijke hoeveelheid m³ gesloopt te worden, dit betreft in onderhavig plan 3750 m3. Dit is als een voorwaardelijke verplichting in de bij dit plan behorende regels vastgelegd. 5. het volume dat wordt uitgebreid ten behoeve van bedrijven met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- kleinschalige bedrijven' bedraagt niet meer dan de helft van het totale gesloopte volume; het betreft geen 'specifieke vorm van bedrijf- kleinschalige bedrijven' 6. gesloopt wordt binnen een of meer van de voor het buitengebied geldende bestemmingsplannen van de gemeente Venray; dit is van toepassing op dit plan, zie ook punt 4. 7. alleen de te slopen gebouwen die op die locatie niet vallen binnen het daar, op grond van de bouwregels, toegestane maximale bebouwingsvolume, worden in de berekening meegenomen; dit is van toepassing op dit plan, zie ook punt 4. 8. er is sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid; dit is een onderdeel van het voorliggende bestemmingsplan. 9.

de te slopen gebouwen dienen legaal aanwezig te zijn op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en mogen niet onder een andere regeling of verzoek vallen; dit is van toepassing op dit plan, zie ook punt 4. 10. de te slopen gebouwen dienen door middel van een eerder daarvoor afgegeven omgevingsvergunning voor het bouwen te zijn vergund dan wel te vallen onder het overgangsrecht; dit is van toepassing op dit plan, zie ook punt 4.

10

11. aan de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de voorwaarde verbonden dat pas met de bouw gestart mag worden als sloop heeft plaatsgevonden; hiermee wordt ingestemd. 12. alle te slopen gebouwen en de daarbij behorende bouwwerken en bouwdelen , zoals aanbouwen, overkappingen, bijbehorende ondergrondse (kelder-)ruimten, fysieke erfafscheidingen, voederplaten en andere erfverhardingen dienen gesloopt te worden; dit is van toepassing op dit plan, zie ook punt 4. 13. alleen bovengrondse gebouwen worden meegerekend bij het te bepalen sloopvolume; dit is van toepassing op dit plan, zie ook punt 4. 14. de ontwikkeling moet gepaard gaan met verbetering van de omgevingskwaliteit. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt ingepast; een landschapsplan is onderdeel van het voorliggende bestemmingsplan 15. met het oog op de hemelwaterproblematiek dienen voorzieningen te worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater; er is een voorziening opgenomen, zie ook het landschapsplan. 2.5.2. Verdere toetsing Verder is het zo dat de wasstraat gedeeltelijk buiten de bedrijfsbestemming en in de Agrarische bestemming valt.

Ook heeft het verharde gedeelte achter de wasstraat waar tevens een weegbrug zal worden geplaatst, een agrarische bestemming terwijl het wordt gebruikt voor bedrijfsactiviteiten betreffende het stallen van de vrachtwagens. Om dit op te lossen is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk waarin de grenzen van het bestemmingsvlak en het bouwvlak uitgebreid worden. Dit bestemmingsplan ligt nu voor.

11

3. Beleidskader 3.1.

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2.

Rijksbeleid

3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: ▪ ▪ ▪ ▪

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: ▪

▪

▪

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NVOI.

12

3.2.2. Structuurvisie infrastructuur en ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de Mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport).

Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt. Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden of projecten van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. 3.2.3. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).

Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. 13

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. Dit is met de inwerkingtreding van de provinciale omgevingsverordening het geval. Op dit bestemmingsplan zijn geen van deze belangen van toepassing. 3.2.4. Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd.

Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte tevens een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen. Het beoogde initiatief heeft betrekking op de ontwikkeling van het bestaande bedrijf.

De ontwikkeling bestaat uit het door ontwikkelen en verder professionaliseren van de locatie en het bouwen van extra bedrijfsbebouwing in de vorm van een wasstraat / ontsmettingsplaats. Het betreft hier een bedrijfsmatige (landbouwverwante) functie in de vorm van een veetransportbedrijf. Dit is een buitengebied gebonden bedrijf, aangezien het transport betreft van vee. Gezien het hier gaat om transport van levende have dient er 24 uur per dag aanwezigheid te zijn en bij calamiteiten direct geschakeld te kunnen worden. Bij calamiteiten (kan zijn met een vrachtwagen, bij de slachterij of bij een veehouderij) kan initiatiefnemer, ook ’s nachts, direct schakelen en eventueel zelf ook ingezet worden als chauffeur. Hiervoor is het erg van belang dat er altijd iemand aanwezig is op het bedrijf die direct kan worden ingezet. Een verplaatsing richting het industrieterrein is dan ook niet wenselijk. Het betreft een bedrijf dat 24-uur per dag bereikbaar moet zijn, gezien het gaat om levende have, waarmee het noodzakelijk is dat initiatiefnemer er direct bij kan wonen. Gezien hygiëne steeds naar een hoger niveau moet, vanwege ziektedruk op veehouderijen wil de ondernemer tevens een wasstraat/ontsmettingsplaats voor het 14

eigen wagenpark realiseren. Zo worden de eigen transportmiddelen op de juiste wijze schoon gemaakt en is de ondernemer niet langer afhankelijk van een wasstraat van derden. Daarnaast zal er op locatie een weegbrug aanwezig zijn, om de vrachtwagens leeg danwel vol te wegen. Een dergelijke activiteit is passend op deze locatie dicht bij de veehouderijen en direct naast een transportas. Een dergelijke activiteit is niet passend en wenselijk op een industrieterrein om daar met levende dieren te gaan rijden. Concluderend, er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor er geen laddertoets hoeft te worden uitgevoerd. Tevens dient het bedrijf zich in het buitengebied verder te ontwikkelen.

3.3.

Provinciaal beleid

3.3.1. Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1.

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied;. b. In landelijk gebied;. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: •

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: ▪ ▪ ▪

Groenblauwe mantel Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) Buitengebied. 3.3.2. Omgevingsverordening Limburg

De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 16 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu 15

nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.

16

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. Hierbij moet gedacht worden aan (goede verbindingen naar) brede, maatschappelijke en passende voorzieningen, die met elkaar samenwerken. Hiervoor gebruiken inwoners bijvoorbeeld klimaatneutrale pendelbusjes, veelal met vrijwilligers achter het stuur. Ook moet gedacht worden aan een actief verenigingsleven, waar vrijwilligers van elkaar leren. Hierdoor is er in 2030 voor iedereen een ontmoetingsplek in een gebouw of buiten, hoeft niemand zich meer eenzaam of onveilig te voelen en kan iedereen meedoen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray.

Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Kinderen kunnen naar goede scholen en veilig buiten spelen. Er zijn betaalbare starterswoningen, en lange wachtlijsten voor (sociale) huurwoningen zijn in 2030 verleden tijd. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken. Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. Kleinschalige coöperatieve burgerinitiatieven worden gestimuleerd. 4.

stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. Er is flink geïnvesteerd in stagemogelijkheden en om-, bij- en herscholing van de beroepsbevolking. Tweedekansonderwijs helpt mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk.

17

En scholing van arbeidsmigranten, in de vorm van bijvoorbeeld taallessen, heeft de integratie bevorderd en biedt hen een duurzame verbondenheid met Venray. Dit wordt versterkt door echt mee te doen in de samenleving met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem 20 met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. Dat zorgt ervoor dat bedrijven en voorzieningen binnen Venray goed bereikbaar zijn, maar ook dat inwoners die buiten de gemeente werken of studeren snel op hun werk of onderwijsinstelling zijn. De bereikbaarheid binnen de gemeente en richting Nijmegen (noord), Venlo (zuid), Eindhoven (west) en Duitsland (oost) is verder verbeterd met het streven naar een robuust mobiliteitssysteem, nieuwe (organisatie)vormen van vervoer en door gebruik te maken van nieuwe en slimme technologieën. In 2030 zijn er vormen van deelvervoer (deelauto) geïntroduceerd. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends- en ontwikkeling die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends- en ontwikkeling zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

andere invulling van de (schaarse) ruimte; klimaatverandering en energietransitie; nieuwe technologie; langer leven; nieuwe rolverdeling inwoners en overheid; toenemende diversiteit; veranderede economie.

Onderhavig planvoornemen sluit onder andere aan bij ambitie drie. De wasplaats/ontsmettingsplaats is noodzakelijk voor mens en dier, bijvoorbeeld in het tegengaan van dierziekten. Zo leidt de beoogde situatie tot toekomstbestendig ondernemerschap in het buitengebied waarbij economische kansen worden benut. 3.4.2. Omgevingsvisie Venray In de omgevingsvisie Venray (vastgesteld op 2 november 2021) worden de uitdagingen en toekomstbeelden van gemeente Venray beschreven. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke verstaling van de strategische visie: Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. In de omgevingsvisie is per gebied te zien welke thema’s, waarden en ambities er gelden. De planlocatie is gelegen in het gebied ‘Agrarische gebieden’. In het toekomstige agrarische gebied zijn de functies tussen wonen en intensieve veehouderij meer gescheiden. In de kernrandzones en woonclusters is minder geuroverlast. In het overig agrarische gebied ligt de nadruk op landbouw. Deze gebiedsgerichte aanpak zorgt voor een juiste balans tussen wonen, recreatie en veehouderij in het agrarische gebied. De bouw van woningen, de energietransitie en de mogelijkheid tot recreëren is in het agrarisch gebied op de juiste plek ingepast en gaat niet ten koste van het landschap. Er blijft voldoende ontwikkelingsruimte voor de agrarische bedrijven.

Voor voormalige agrarische bedrijven wordt afhankelijk van het gebied hergebruik voor andere functies zoals kleinschalige niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke functies toegestaan. Het beoogde initiatief sluit aan bij de visie voor de agrarische gebieden, om een nietagrarisch bedrijf toe te staan. Zeker gezien de ligging midden in een veedicht gebied en direct aan de N270 en de A73 is dit een geschikte situering voor een veetransportbedrijf.

18

3.4.3. Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling Het in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. De gemeente Venray vindt het belangrijk dat het buitengebied van Venray waarin de landbouw, de natuur en recreatie een hoofdplaats hebben, vitaal en aantrekkelijk blijft. Het beleid moet ertoe leiden dat het buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor gelijkertijd ook meer kwaliteit te bieden heeft voor mens, plant en dier. Tegelijkertijd zit het buitengebied niet ‘op slot’: er wordt ruimte geboden aan nieuwe en/of uitbreiding van bestaande economische functies. Achterliggend doel is dat het economische draagvlak van het buitengebied wordt behouden waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid. Door nieuwbouw in beperkte mate toe te staan zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit zo weinig mogelijk wordt aangetast, maar per saldo juist wordt versterkt. Met andere woorden: ‘groen’ staat voorop en ‘rood’ is een middel.

De draagkracht van het gebied is bepalend voor de mate waarin nieuwe bebouwing kan worden toegevoegd. Het ruimtelijk beleid in het stedelijk en het buitengebied is vastgelegd in diverse ruimtelijke visies en bestemmingsplannen. Deze zijn maatgevend voor waar welke ontwikkelingen worden toegestaan. In dit beleid en deze regelgeving wordt ook ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit en maatregelen die kunnen worden genomen. In het planvoornemen wordt uitgegaan van de bestaande sloopregeling en de inzet van de sloopkuubs. Op het perceel wordt bebouwing beoogd met een overschrijding van 363 m², of wel 2129 m3 ten opzichte van datgene dat in het vigerend bestemmingsplan is toegestaan. Hiervan kan afgeweken worden mits op het perceel of ergens anders in het buitengebied van de gemeente Venray 2129 m3 gesloopt wordt om de wasstraat / ontsmettingsplaats te kunnen realiseren. Door de inzet van deze sloopkuubs wordt voldaan aan de beleidskaders die er worden gesteld en is er voor de wijziging van de bestemming geen verdere bijdrage noodzakelijk. 3.4.4. Strategische visie In de strategische visie Venray 2020 staan de doelen van de Gemeente geformuleerd. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in 6 verschillende thema’s. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Thema 1: Onze omgeving: De wereld draait om Venray Thema 2: Onze inhoudelijke ambitie: Venray stad en de dorpen Thema 3: Lang zul je leven in Venray Thema 4: Venrayse vrije tijd Thema 5: Onderscheidend wonen in Venray Thema 6: Economie in Venray, lokaal en regionaal

Venray richt zich in haar economisch beleid op drie speerpunten. Kennis en Innovatie, Regionale Identiteit en Kwaliteit en Duurzaamheid. De gemeente richt zich op economische activiteiten die een meerwaarde voor de gemeente hebben. Deze meerwaarde kan bijvoorbeeld bestaan uit het toevoegen van een ontbrekende schakel in een bepaalde keten van bedrijven. Ook kan het gaan om een activiteit waarmee de gemeente zich op een positieve manier kan profileren. 19

Belangrijk uitgangspunt van de Venrayse Economische visie is de constatering dat we in toenemende mate leven in een wereldomvattende netwerkeconomie waarbinnen voortdurend nieuwe allianties tussen bedrijven en instellingen ontstaan. Op basis van de huidige structuur en de geconstateerde trends kiest Venray voor de reeds sterke sectoren in de Venrayse economie en voor het stimuleren van startende bedrijven. Dit betekent dat de gemeente bedrijvigheid stimuleert in de kennisintensieve productie en logistiek, de agribusiness en food- en de zorgsector. In zekere zin gaan we daarmee terug naar onze economische wortels. Bij onderhavig initiatief is sprake van een bedrijfsontwikkeling in de vorm van de bouw van een wasstraat / ontsmettingsplaats. Het bedrijf is reeds aanwezig op de betreffende locatie en is enkel een doorontwikkeling en verduurzaming van het bedrijf. Dit kan gezien worden als een netwerkeconomie op lokaal niveau, binnen een thema (landbouw gerelateerd) dat hoort bij de economische wortels van de gemeente. Derhalve past de ontwikkeling binnen de strategische visie Venray 2020. 3.4.5. Ruimtelijk Kwaliteitskader In het Ruimtelijk Kwaliteitskader is de opvatting dat in het buitengebied zich steeds nieuwe ontwikkelingen voordoen. Deze dynamiek vraagt enerzijds om een visie waarmee wordt aangegeven welke ruimtelijke ontwikkelingen gewenst zijn.

Anderzijds wordt erkend dat een ontwikkeling in het buitengebied de waarden van dit buitengebied kunnen worden aangetast. Een ontwikkeling is dan ook slechts mogelijk als tegelijkertijd deze waarden op een verantwoorde wijze worden behouden of worden omgevormd tot een nieuwe kwaliteit. Bij ontwikkelingen in het buitengebied van gebouwen of andere verstening is onvermijdelijk om te zorgen dat de leefbaarheid blijft behouden. Het gaat om het creëren van economische ontwikkelingen in samenhang met de belangen rondom leefbaarheid en ruimte. In het Ruimtelijk Kwaliteitskader zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor het buitengebied vastgelegd. 3.4.6. Beeldkwaliteitsplan De gemeente Venray wil grip houden op de kwaliteit van haar buitengebied. Daarom heeft zij middels een beeldkwaliteitsplan een helder en integraal ontwikkelingsplan opgesteld. In paragraaf 0 wordt de landschappelijke inpassing nader uitgewerkt. Hier wordt de aansluiting van het voorliggende initiatief op het Beeldkwaliteitsplan nader gevisualiseerd in de vorm van een landschappelijk inpassingsplan. 3.4.7. Toetssteen Openbare Ruimte De Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de beheerders van de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray.

De Toetssteen Openbare Ruimte heeft als doel het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray. Het begrip kwaliteit kan worden opgedeeld in: 1. Technisch-functionele kwaliteit; 2. Sociaal-maatschappelijke kwaliteit. De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen etc. waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen. Verder verschaft de Toetssteen inzicht in de toetsingsprocedure van de gemeente. Het meenemen van de uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerpeisen van al de betrokken vakdisciplines in een vroeg stadium zal resulteren in een meer integraal ontwerp. Met deze werkwijze kan op de lange termijn integraal ontworpen openbare ruimte kostenefficiënter worden beheerd en kan deze door keuzes als flexibiliteit en

20

aanpasbaarheid blijven voorzien in de behoeften van de maatschappij. Ook zal het beoordelings-traject van een bouwplan efficiënter verlopen. Het waarborgen dat wordt voldaan aan de verschillende kwaliteitseisen van de gemeente bestaat uit twee stappen, te weten: 1. Aanleveren Toetssteen; 2. Controle op toepassing Toetssteen in de plannen. Plan specifiek Onderdeel van het onderhavige plan is de realisatie van voldoende parkeerplaatsen. Het betreft hier verkeerskundige voorzieningen op eigen (privaat) terrein. Dit project valt dus niet primair onder de reikwijdte van de Toetssteen. In het kader van de ontwikkeling van het voorliggende plan dient de Toetssteen Openbare Ruimte met name te waarborgen dat voorzien wordt in een kwantitatief en kwalitatief adequate parkeeroplossing op eigen terrein. Voor het aantal benodigde parkeerplaatsen zal, volgens de Toetssteen Openbare Ruimte, voldaan moeten worden aan het bepaalde in de Beleidsnota Parkeernormen Venray. Hiervoor is ruimschoots plaats aanwezig op de kavel. Bewoners zullen deze parkeerplaatsen op het eigen terrein realiseren. Voor de fysieke realisatie van de parkeerplaatsen zal moeten worden voldaan aan de technische eisen uit de Toetssteen Openbare Ruimte en het OOR (Ontwerpprincipes Openbare Ruimte). Concluderend, voldoet het plan aan de toetssteen openbare ruimte. 3.4.8.

Archeologie beleid gemeente Venray De gemeenteraad van Venray heeft in de vergadering van 18-06-2013 de beleidskaart Begrensd verleden als basis voor het gemeentelijke archeologische beleid, voor de gemeente vastgesteld. Zie paragraaf 0 voor de toetsing.

21

4. Omgevingsaspecten 4.1.

Milieuaspecten

4.1.1. Bodem De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige situatie is dit bij de bouwvlakvergroting niet het geval. Er zal in het voorliggende geval een bestemmingswijziging plaatsvinden van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming om de bouw van een wasstraat mogelijk te maken. De agrarische grond is altijd akkerbouwgrond geweest en zal worden verhard voor parkeerdoeleinden en worden gebruikt voor landschappelijke inpassing. Om deze redenen is geen bodemonderzoek uitgevoerd.

Conclusie Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de vaststelling van de voorliggende wijziging van het bestemmingsplan. 4.1.2. Bedrijven en milieuzonering De handreiking Bedrijven en milieuzonering is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke inrichting. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. De handreiking Bedrijven en milieuzonering is ingrijpend herzien in 2007 en in 2009 licht gewijzigd. De belangrijkste toepassing van de handreiking Bedrijven en milieuzonering is het gebruik bij het opstellen van een bestemmingsplan met bedrijfsbestemmingen. Niet alle soorten bedrijven zijn geschikt voor alle bedrijventerreinen. Sommige terreinen zijn alleen geschikt voor lichte bedrijvigheid. Op andere terreinen kan juist de zware industrie een plek vinden. De handreiking onderscheid 6 milieucategorieën: van heel licht (milieucategorie 1) tot heel zwaar (milieucategorie 6). In de handreiking is een lijst opgenomen met ruim 600 verschillende typen bedrijvigheid, elk met een eigen milieucategorie. De handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt daarnaast gebruikt voor: ▪ ▪ ▪

22

locatiekeuze studies voor bedrijven, bedrijventerreinen en woningen nabij bedrijven de ruimtelijke inpassing van woningen nabij bedrijven en bedrijventerreinen de toetsing van concrete (bedrijfs)activiteiten in het kader van vrijstellingen van het bestemmingsplan.

In de handreiking zijn al deze toepassingen in concrete praktijkgerichte stappenplannen uitgewerkt. De initiatiefnemer exploiteert op de locatie een varkenstransportbedrijf en is voornemens een wasstraat / ontsmettingsplaats te realiseren. Deze wasstraat / ontsmettingsplaats valt qua milieucategorie lager dan het huidige toegestane gebruik van de locatie. Zodoende is hier, ten opzichte van derden, dan ook geen belemmering te verwachten. 4.1.3. Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In art 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: ▪ Een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; ▪ Ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of tenminste gelijk blijven; ▪ een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht; ▪ een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit NSL).

De uitwerking van het begrip ‘niet in betekenende mate” staat in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechtert. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen zijn daarnaast vuistregels te vinden.

Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a. De luchtkwaliteit wordt alleen beoordeeld op plaatsen waar significante blootstelling aan mensen plaatsvindt. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school of sportterrein zijn. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekenende mate bij te dragen. De getallen in de tabel zijn worst - case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Sinds 1 januari 2015 is het verplicht plannen en projecten ook te toetsen aan de normen voor fijn stof PM2,5. De emissiefactoren van PM2,5 voor varkenshouderijen en stalsystemen zijn nog niet bekend. Omdat PM2,5 onderdeel uitmaakt van PM10 kan op basis van de PM10 concentraties een inschatting worden gegeven van de PM2,5 23

concentraties. Gezien de bijdrage van het initiatief aan PM10 en de conclusie dat grenswaarden voor PM10 nu en in de toekomstige situatie niet zullen worden overschreden verwacht initiatiefnemer dat PM2,5 grenswaarden niet zullen worden overschreden. Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. De NIBM-grens voor bijvoorbeeld woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen beneden het criterium van 3% gebleven wordt. Bij dit initiatief wordt planologisch gezien geen woning gerealiseerd. Het beoogde initiatief heeft betrekking op de ontwikkeling van het bestaande bedrijf. De ontwikkeling bestaat uit het door ontwikkelen en verder professionaliseren van de locatie en het bouwen van extra bedrijfsbebouwing in de vorm van een wasstraat / ontsmettingsplaats. Het betreft hier een bedrijfsmatige (landbouwverwante) functie in de vorm van een veetransportbedrijf. Naast de wasstraat is er ook een uitbreiding van het bouwvlak.

Hierdoor kan het gebruik geïntensiveerd worden wat leidt tot meer verkeersbewegingen. Gekeken is of een de hoeveelheid verkeersbewegingen binnen het NIBM vallen. Dit is het geval.

berekening voor de bijdrage van het verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 50 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 40,0% Maximale bijdrage verkeer

NO2 in μg/m3

0,25

in μg/m3

0,02

PM10 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 5, NIBM

Gesteld kan worden dat ruim onder het 3% criterium gebleven. Immers wordt er enkel een wasstraat mogelijk gemaakt en is de situatie verkeerskundig reeds van kracht, zie ook paragraaf 4.2.3. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.

24

4.1.4. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). De initiatiefnemer exploiteert op de locatie een varkenstransportbedrijf en is voornemens een wasstraat / ontsmettingsplaats te realiseren. Deze wasstraat / ontsmettingsplaats valt qua milieucategorie lager dan de in het huidige toegestane gebruik van de locatie. Zodoende is hier, ten opzichte van derden, dan ook geen belemmering te verwachten. De dichtstbij gelegen geluidsgevoelige bestemmingen van derden liggen op ruim voldoende afstand van de nieuwe functie. Wel is naast de wasstraat er ook een uitbreiding van het bouwvlak.

Hierdoor kan het gebruik geïntensiveerd worden wat leidt tot meer verkeersbewegingen. De nieuwe functie ‘wasstraat / ontsmettingsplaats’ wordt in het kader van de Wet geluidhinder niet gezien als een geluidsgevoelig bestemming. Wat betreft verkeerslawaai zal er dan ook geen belemmering zijn. Zodoende kan geconcludeerd worden dat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Verder is nu reeds een wasplaats aanwezig op de locatie in een open constructie. Het bouwen van een dichte wasplaats zorgt voor een verbetering van de situatie qua geluid ter plaatse. Een spoorweg is op circa 1200 meter van de planlocatie gelegen. Op een dergelijke afstand zal er geen sprake zijn van een bovenmatige geluidsbelasting. Vaarwegen komen niet voor in de directe omgeving.

4.2.

Ruimtelijke aspecten

4.2.1. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

25

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen.

Locatie

Afbeelding 6, Uitsnede risicokaart

Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen welke onder het Bevi, of kwetsbare objecten. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen of wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen liggen niet in de nabijheid van het plangebied. Plaatsgebonden risico De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Groepsrisico Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Transportroutes Voor Limburg zijn in 2009 en 2010 tellingen verricht en berekeningen uitgevoerd om inzicht te krijgen op de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen via de provinciale wegen. Hieruit blijkt dat in Limburg, nu en in de toekomst (tot 2020) geen knelpunten te verwachten zijn. Slechts op één locatie was sprake van een plaatsgebonden risicocontour die buiten de weg valt (N280 bij Roermond). Daarbinnen mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden ontwikkeld. Doordat zich geen knelpunten voordoen wordt momenteel bezien of het vaststellen van een provinciaal Basisnet voor Limburg meerwaarde heeft. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een transportroute die is opgenomen in het basisnet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14008498/1