06 Bijlage Regionale visie Land- Tuinbouw Noord-Limburg
Tekst van het document
Toekomstbestendige locatie: Een locatie waar ook op lange termijn de fysieke en milieuhygiënische ruimte is om het agrarisch bedrijf verder te ontwikkelen, waarbij de bedrijfsontwikkeling passend is bij de omgeving. Omvormen / omschakelen: Het geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar een andere agrarische bedrijfsvorm die op die locatie nog niet aanwezig is.
25
26
Bijlage 2. Aspecten toekomstbestendige locaties
1. Landschap Het landschap is de basis. Landschap is datgene wat je ziet (bestaande uit bebouwing, beplanting, natuur, infrastructuur en ondergrond). De overige criteria diepen dit verder uit. Er wordt gestreefd naar een hoogwaardig landschap c.q. leefomgeving. Voor alle initiatieven geldt dat er rekening dient te worden gehouden met de landschappelijke karakteristieken van het gebied waar het initiatief zich bevindt. Deze landschappelijke karakteristieken zijn de ingrediënten die voor zorgen dat een gebied een bepaald karakter heeft en geven mede invulling aan de identiteit en kwaliteit. Het landschap dient leesbaar te zijn, met daarin aandacht voor het behouden van de historisch gegroeide kwaliteiten van de verschillende landschapstypen. Door (her)ontwikkeling worden de verschillende stijlkenmerken per landschapstype versterkt waardoor een herkenbaar en kwalitatief hoogwaardig totaalpakket ontstaat. Invulling geven aan (her)ontwikkeling kan via een inrichtingsplan met een landschappelijke inpassing waarin wordt uitgewerkt wordt gegeven aan de situering en uitstraling van de bebouwing in relatie tot de omgeving en met respect voor het verleden. 2. Infrastructuur Infrastructuur vatten wij breed op. Het kan gaan om wegen, elektra maar ook de beschikbaarheid van internet. Een duurzame locatie heeft een goede mix aan benodigde voorzieningen nodig.
Wij vragen specifiek aandacht voor de verkeerskundige ontsluiting van het gebied en/of locatie. Afhankelijk van de schaalgrootte kan het zijn dat er een (forse)toename is aan verkeersbewegingen, of dat de infrastructuur moet worden opgewaardeerd. Dit kan (negatieve) gevolgen hebben voor het landschap, natuur en gezondheid maar kan ook een forse kostenpost inhouden. Leg vast in een inrichtingsplan hoe de ontsluiting plaatsvindt en hoe wordt omgegaan met de verkeersbelasting als gevolg van de planontwikkeling. Is er bijvoorbeeld een alternatieve ontsluiting nodig? Centraal staat een veilig en doelmatig gebruik van de wegen. 3. Cultuurhistorie Behoud, versterk of herontwikkel cultuurhistorische waarden zodat ze zichtbaar en beleefbaar worden en bijdragen aan de ‘leesbaarheid’ van het landschap. Hierbij is een goede cultuurhistorische analyse met daarin aandacht voor de cultuurhistorische gelaagdheid (o.a. geomorfologische elementen als steilranden, beekdalen en terrassen, archeologie, (gebouwde) monumenten) met als doel het in kaart brengen van cultuurhistorische waarden. 4. Natuur/Ecologie (incl. waterkwaliteit) Realiseer een verbindend landschap met een duurzaam functionerend ecologisch netwerk bestaande uit kerngebieden die via kwalitatief hoogwaardige verbindingszones met elkaar worden verbonden.
Centraal staat het behouden, versterken of verbeteren van de natuur- en ecologische waarden (biodiversiteit), de natuurbeleving en de waterkwaliteit. 5. Duurzaamheid Duurzaamheid omvat diverse onderwerpen. Wij denken bij duurzame locaties ondermeer aan de energieopgave met aandacht voor energieverbruik (gesloten systemen), kringlooplandbouw, klimaatadaptatie, toekomstbestendigheid van de woning en bedrijfsbebouwing maar ook duurzaam grondgebruik. Dit komt o.a. tot uiting in duurzame energie, maatregelen om energieneutraal te worden, maatregelen m.b.t. klimaatadaptatie zoals dikte van muren, omgaan met extra neerslag, 27
maar ook het gebruik van bouwmaterialen en een levensloopbestendige woning. De toekomstbestendigheid van bebouwing hangt samen met het ruimtegebruik. Hoe is het perceel ingericht? Is er sprake van bebouwing dat geen gebruiksfunctie meer heeft en/of in slechte staat verkeert? In een inrichtingsplan dient te worden aangegeven op welke wijze er rekening wordt gehouden met duurzaamheid en welke maatregelen er zullen worden getroffen. 6. Klimaatadaptatie We krijgen te maken met de gevolgen van een veranderend klimaat zoals meer hitte en extreme buien, zeespiegelstijging en grotere kans op langdurige perioden van droogte. Dit brengt de nodige opgaven met zich mee. Een vitale agrarische sector, innovatieve bedrijvigheid, leefbare steden en dorpen en aantrekkelijk groengebied waarin rekening wordt gehouden met elkaar is het streven. We kijken bij duurzame locaties specifiek naar de waterproblematiek. Het gaat daarbij om de onttrekking van water (grondwaterstand), verdroging en vernatting, maar ook over de afvoer van water. Is er bijvoorbeeld sprake van overbodige verharding? Dan dit verwijderen. Besteed aandacht aan het voorkomen van wateroverlast door het waterbergend vermogen te vergroten. In de deltaopgave (bijvoorbeeld Maas) wordt dit uitgewerkt, voor specifieke locaties kan dit echter ook.
Is het mogelijk om regenwater ondergronds op te slaan en dat te gebruiken bij een langdurige periode van droogte? Houd rekening met grondwaterstanden. Wat duidelijk is, is dat om hier op een goede wijze invulling aan te geven en de kansen te kunnen grijpen de samenwerking moet worden gezocht met diverse partijen. 7. Woon- en leefklimaat Bij de vaststelling van ruimtelijke besluiten, zoals een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan, moet de gemeente in het kader van een goede ruimtelijke ordening onder meer beoordelen of er sprake is van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Er dient sprake te zijn van een ‘goed’ woon- en leefklimaat bij milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld wonen, medische zorgverlening, onderwijs en kinderopvang. Dergelijke functies zijn gevoelig voor hinder door bijvoorbeeld geur, geluid en/of gevaar. Relatief nieuwe onderwerpen in de discussie rondom een goed woon- en leefklimaat hebben betrekking op gezondheid, denk daarbij aan luchtkwaliteit, endotoxines en zoönose. De beoordeling van het woon- en leefklimaat gebeurt aan de hand van milieuregelgeving. De daaruit voortvloeiende normen geven naast een kader ook de mogelijkheid tot het bieden van maatwerk en worden in een vroeg stadium al betrokken bij het bepalen van de toekomstbestendigheid van een locatie.
28
Bijlage 3. Bestuursafspraken maart 2018
Bijlage 4. Monitoringsoverzicht mestverwerking
gemeente Beesel
plaats
bedrijfsaard
mestverwerking omgevingsvergunning of bestemmingsplan aangevraagd in ton/jaar
mestverwerking vergund mestverwerking in ton/jaar gerealiseerd in ton/jaar 0 0
mestverwerking* gerealiseerd fosfaat kg/jaar
soort mestverwerking
bevoegd gezag
verwerking bedrijfseigen (A) en/of bedrijfsvreemde (B) mest
0
Bergen Siebengewald Well
varkenshouderij/mestverwerking groenteverwerking/mestverwerking
America America America Evertsoord Grubbenvorst Grubbenvorst Grubbenvorst Horst Meerlo Meerlo
varkenshouderij/mestverwerking mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking mestverwerking pluimvee/slachterij varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking pluimveehouderij / mestdroging-/hygiënisatie
Egchel Maasbree
varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking
Gennep
30.000 0
30.000 0
02 90.000 1,2,3 0
B&W GS
A B
80.000 8.000 10.000 25.000 450.000 42.808 16.000 23.500 15.000 25.000
80.000 8.000 0 25.000 0 0 16.000 23.500 15.000 25.000
240.000 3, 4, 5, 9 24.000 2 0 3, 4, 5 75.000 2, 3, 4, 5 0 01 48.000 1, 2, 3, 4 70.500 1, 2,3 45.000 3, 4, 5 75.000 2
GS B&W B&W B&W GS GS GS GS B&W B&W
A en B B A A en B B A en B A A A A en B
19.700 10.000 0
19.700 0 0
59.100 1,2 0 1,2,3 0
B&W GS
A en B A en B
0
0
1.500 0 5.000 4.000 4.000 0 0 15.000 150.000 72.000 0 200.000 22.500 18.309 6.000 6.000 1.259.317
1.500 0 5.000 0 4.000 0 0 15.000 0 75.000 0 200.000 0 18.309 0 0 561.009
B&W B&W B&W B&W B&W B&W B&W B&W B&W GS B&W B&W GS GS B&W B&W
A A A A A A A A B A A B B A en B A A
Horst aan de Maas 450.000 32.800
450.000 35.000 31.000
Peel en Maas
Mook en Middelaar Venlo
0
Venray
TOTAAL .
Castenray Castenray Leunen Leunen Leunen Leunen Leunen Oirlo Venray Vredepeel Vredepeel Ysselsteyn Ysselsteyn Ysselsteyn Ysselsteyn Ysselsteyn februari 2019
varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking rundveehouderij/mestverwerking mestverwerking mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking varkenshouderij/mestverwerking
2.000 63.000
10.000 14.000
80.000
31.000 1.198.800
4.500 9 02 15.000 3,4 0 3,4 12.000 2,3 0 3,4 0 3,4 45.000 3,4 0 2,3,4 225.000 1,3 03 600.000 2,3,4 0 1,3 54.927 1,3 03 0 1.683.027
* bij de verwerking van fosfaat in kg/jaar is ervan uitgegaan dat 1 ton mest 3 kg fosfaat bevat 1 = co-vergisting 2 = mesthygiënisatie 3 = mestscheiding (dikke/dunne fractie) 4 = omgekeerde osmose (OO) 6 = biothermisch drogen (BTU) 7 = (groen)compostering 9 = mestdroging
Factsheet mestproductie Bron: CBS 2017 op basis van fosfaat Regio’s
Limburg
Noord-Limburg
Mestproductie veehouderij (totaal gehele veestapel)
15.140 ton
8.014 ton
Mestproductie veehouderij (exclusief pluimvee en overige landbouwhuisdieren) Mestproductie varkens
10.160 ton
5.790 ton
5.570 ton
3.713 ton
Mestproductie rundvee
3.160 ton
1.223 ton
Noord-Limburg; Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray
Factsheet mestverwerking Regio’s
Limburg
Noord-Limburg
Mestproductie veehouderij (excl. Pluimvee)
10.160 ton
5.790 ton
Plaatsingsruimte (93 % benutting landbouwareaal)
5.590 ton
1.960 ton
Mestoverschot Limburg (excl. Pluimvee, 93% benutting landbouwareaal)
4.570 ton
3.830 ton
(minimaal)
(minimaal)
Benodigde verwerkingscapaciteit bij verplichting van 59% verwerking
2.696 ton
2.260 ton
(minimaal)
(minimaal)
Verwerkingscapaciteit operationele installaties rundvee- en varkensmest (exclusief export onbehandelde mest)
???? ton (1.100-1.500)
Nadere toelichting bij het Monitoringsoverzicht mestverwerking Doel van het mestbeleid Te veel mest in het water of op het land is schadelijk voor het milieu en de biodiversiteit. Daarom zijn er regels opgesteld voor het gebruik van mest. Het doel is het grond- en oppervlaktewater in Nederland gezond te houden, onder meer om er drinkwater van te maken. Dit is vastgelegd in de Europese Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water en geldt voor alle Europese lidstaten. Het is grotendeels aan elke lidstaat hoe ze dit bereiken. Nederland heeft een groot deel van de maatregelen die betrekking hebben op de landbouw vastgelegd in de Meststoffenwet en in het Besluit gebruik meststoffen. In deze regelgeving is een aantal verschillende stelsels uitgewerkt. Dit zijn: 1. het stelsel van gebruiksnormen, dat het gebruik van de hoeveelheden dierlijke mest, fosfaat en werkzame stikstof op landbouwgrond regelt; 2. het stelsel van gebruiksvoorschriften, dat regelt waar, wanneer en op welke manier mest gebruikt mag worden en hoe omgegaan moet worden met het scheuren van grasland, het inzaaien van vanggewassen/groenbemesters en met erosiegevoelige percelen; 3. het stelsel van dierrechten, dat voor de varkens- en pluimveehouderij de omvang van de sector regelt; 4. het stelsel van fosfaatrechten, dat voor de melkveehouderij de omvang van de sector regelt; 5.
het stelsel van verantwoorde en grondgebonden groei, dat de beperkte groei van de melkveehouderij regelt 6. het stelsel van de verplichte mestverwerking, dat regelt dat bedrijven een deel van hun bedrijfsoverschot verplicht moeten (laten) verwerken. Mestverwerkingsplicht Veehouderijbedrijven, die niet hun hele mestproductie (in kg fosfaat) op de tot hun bedrijf behorende grond kunnen plaatsen (volgens de gebruiksnorm fosfaat) hebben een bedrijfsoverschot. De Meststoffenwet eist van deze bedrijven dat zij een bepaald percentage van hun bedrijfsoverschot (laten) verwerken (zie tabel 1). Dit percentage is afhankelijk van de regio. De afgelopen jaren zijn deze percentages in de concentratiegebieden Oost en Zuid (zie figuur 1) geleidelijk verhoogd.
Bij het invoeren van de mestverwerkingsplicht is ervoor gekozen om deze te laten sturen op fosfaat, omdat van dit element geen vluchtige verbindingen bestaan. Hierdoor kunnen de balansen eenvoudiger worden gemaakt, omdat er sprake is van een meer stabiele parameter. Sturing op basis van stikstof is lastiger, omdat stikstof wel een aantal vluchtige verbindingen kent. Regio Noord-Limburg Mestproductie veehouderij Voor Noord-Limburg is de verwerking van varkensmest en rundveemest relevant. De mest van pluimvee wordt via contracten afgevoerd naar BMC verbranding of via export. In het Monitoringsoverzicht is daarom pluimvee uitgezonderd van de totale mestproductie veehouderij. Plaatsingsruimte Plaatsingsruimte is de totale hoeveelheid fosfaat, stikstof uit dierlijke mest en werkzame stikstof die aangewend kan worden. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hanteert op nationaal niveau dat maximaal 93% van het landbouwareaal kan worden benut. Dit geldt dus ook voor Noord-Limburg. Dit komt enerzijds doordat niet ieder landbouwperceel geschikt is om mest uit te rijden en anderzijds, omdat een agrariër een bepaalde veiligheidsmarge aanhoudt. Wordt er namelijk teveel fosfaat uitgereden, dan kunnen daar boetes voor worden uitgedeeld.
Percentage mestverwerkingsplicht Zoals in figuur 1 is aangegeven, valt Noord-Limburg binnen concentratiegebied Zuid, waarvoor geldt dat 59% van het bedrijfsoverschot verplicht verwerkt moet worden, uitgedrukt in fosfaat. Benodigde verwerkingscapaciteit Uit gegevens van het CBS (2017) blijkt dat er circa 2.260 ton fosfaat verwerkingscapaciteit nodig is voor alleen het verwerken van het overschot in Noord-Limburg. Op dit moment is er sprake van circa 1.680 ton fosfaat gerealiseerde verwerkingscapaciteit. Dit betekent dat er regionaal circa 600 ton fosfaat tekort aan verwerkingscapaciteit is. Kanttekeningen Bij de interpretatie van het overzicht zijn de volgende kanttekeningen van toepassing: 1. In de praktijk zijn er verschillende initiatieven voor mestverwerking, variërend in schaal, techniek en status van ontwikkeling (ideeën, plannen, vergund of gerealiseerd). De capaciteit die in NoordLimburg is vergund, maar nog niet is gerealiseerd, wordt vooral gedomineerd door twee grote initiatieven, te weten RMS (450.000 m3 mest) in gemeente Horst aan de Maas en Comiva (150.000 m3 mest) in gemeente Venray. Echter, niet alle initiatieven komen ook tot realisatie.
Als er nieuwe kansrijke initiatieven ontstaan wordt daarom als één van de beleidsuitgangspunten afgewogen in hoeverre nog medewerking wordt verleend aan bestaande (veelal langlopende) initiatieven waar nauwelijks voorgang zit in de realisatie. De berekening is dan ook bedoeld om inzicht te geven en niet om aan te geven of er wel of niet voldoende verwerkingscapaciteit is. 2. De cijfers zijn berekend op basis van de dieraantallen van de drie COROP-gebieden (Noord-, Midden- en Zuid-Limburg), omdat per COROP-gebied geen mestproductiecijfers bekend zijn en wel voor Limburg als geheel; 3. De dieren van bedrijven die meerdere locaties hebben onder één relatienummer bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden allemaal toegekend aan de gemeente waar de hoofdvestiging zich bevindt. Dit betekent dat de CBS-cijfers van de mestproductie niet naar gemeenteniveau zijn om te rekenen, zonder een hoge mate van onnauwkeurigheid. 4. De benodigde mestverwerkingscapaciteit is berekend op de huidige norm van 59%. Zoals in tabel 1 is weergegeven, worden deze percentages per concentratiegebied regelmatig naar boven bijgesteld.
Toekomstige ontwikkelingen Een belangrijk middel om tot waardevollere producten en tot efficiëntere ketens te komen is het technologisch behandelen van mest. De bijdragen die vormen van mestbehandeling kunnen leveren zijn: 1. Betere, stabielere en constantere bemestingsproducten maken voor gewassen; 2. Benutbaar maken van mest als (koolstof-)bron van biomassa voor bodemverbetering, energie of materialen; 3. Minder ongewenste emissies naar water, bodem en lucht en minder overlast; 4. Lagere footprint in de keten, door scheiding volume/massa en nutriënten; 5. Mogelijkheid om concurrerend meststoffen naar andere regio ́s te vervoeren en aan te wenden; 6. Voldoen aan de wettelijke verplichting om mest te verwerken als percentage van het bedrijfsoverschot; 7. Het krijgen van internationale markttoegang; 8. Het beter benutten van de nationale gebruiksruimte voor nutriënten uit dierlijke mest. Dit past ook in het streven naar kringlooplandbouw van de rijksoverheid, zoals beschreven in de Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden van minister Schouten (Ministerie van LNV, september 2018).
Bronvermelding: 1. 2. 3.
Landelijke inventarisatie export en verwerking dierlijke mest 2018, Nederlands Centrum Mestverwaarding, november 2018; Zesde Nederlandse actieprogramma betreffende de Nitraatrichtlijn (2018-2021), Ministerie van LNV, Minsterie van IenW, december 2017; https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mestbeleid/mest/achtergrond/wegwijs-hetmestbeleid-0